• ‘Langzaam overdachte woorden die we meenden’

    Afgelopen weekend vond de 40ste Nacht van de Poëzie plaats in TivoliVredenburg te Utrecht. Zaterdagavond stipt acht uur werd de avond afgetrapt en ruim zeven uur later, in de vroege zondagochtend half vier, wensten de vertrouwde presentatoren Piet Piryns en Esther Naomi Perquin de bezoekers na alle poëzie en spektakel een wel thuis en een goede nacht. Tussen die twee tijdstippen in trok een parade langs van dichters en dichteressen uit Nederland en Vlaanderen. Onder hen nieuwkomers als Mahat Arab en Joke Van Caesbroeck, evenals oudgedienden Jean Pierre Rawie en Judith Herzberg. Waarbij die laatste de kwaliteit van de nacht muntte met haar zinsnede, ‘Langzaam overdachte woorden die we meenden’.

    Voor de bezoekers van dit uitverkochte huis was er zoals altijd meer te zien en te doen dan een mens aan kan. Om te beginnen alle dichters en entr’acts natuurlijk. Omdat tradities er blijkbaar toch zijn om te worden gebroken was de eersteling van deze 40ste editie NIET degene met wie vorig jaar de 39ste Nacht van de Poëzie werd afgesloten. Het spits werd afgebeten door Bart Chabot. Bij zijn introductie werd nog wel even verwezen naar zijn leven als BN’er en naar zijn gezin met wie hij het Boekenweekgeschenk 2024 schrijft. Maar Chabot zelf hield het bij de poëzie, die hij nog altijd overtuigend de zaal in kan slingeren.


    Enthousiaste performances

    Hoogtepunt was wel het optreden van Gerda Lenten-Havertong, die op indringende wijze poëzie voorlas in het Sranantongo van Michaël Slory en Robin Ravales (‘Dobru’) en in het Nederlands voorlas. Toewijding en enthousiasme spatten van Havertongs performance af  – en ze had zich mooier gekleed dan welke andere deelnemer ook. Het publiek sloot Gerda hartstochtelijk in het hart. Ook Elmar Kuipers gedichten waren er trouwens in twee talen: hij las ze in het Fries, en achter hem op een groot scherm waren Nederlandse vertalingen te lezen. Het leverde een poëzie-ervaring op die gelaagd en geslaagd was.

    ‘Sinds Buddingh’ verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen’, aldus Remco Campert. Buddingh’ is al jaren dood, Campert inmiddels ook. Of het waar is of niet – gelachen werd er zeker, en sommige publiekslievelingen speelden daar ook duidelijk op in. Hans Dorrestijn noemt zich welbewust cabaretier, en Joost Oomen liet zien en horen dat een welhaast bezeten-gejaagd en geestig optreden heel goed met poëtische zeggingskracht kan worden uitgevoerd.


    Dansen en dichten

    De entr’acts waren alle van een muzikale opzwependheid, ter afwisseling met intrinsieke sereniteit die poëzie toch nog altijd nog aankleeft. Zangeres Naaz wist in het Koerdisch een dramatische urgentie over te brengen op haar publiek van hetgeen zij zong. Merkwaardig was het optreden van Hollywoodster Michael C. Hall en zijn band. De enigszins dreunend-dreigend monotone muziek kon kennelijk niet alle bezoekers bekoren. Toen het later werd en stilaan meer en meer bezoekers huiswaarts keerden en alleen de diehards overbleven, werden de beats van de optredens feller en veranderde de grote zaal van Vredenburg in een goed gebruikte dansvloer: bij de flitsende show van de band Kuzko rond half drie ’s nachts bleef vrijwel niemand stil zitten of -staan. Als vervolgens weer een dichter aantrad was de aandacht optimaal ververst.

    Dichterskwartet

    In de wandelgangen waren verschillende activiteiten. Er was poëzie te koop in antiquarische uitgaven en nieuwe publicaties. Er waren gedichten te beluisteren via een poëzietelefoon en wie wilde kon de live opname van een podcast bijwonen. Wat een buitenkans bleek, want wanneer ben je nou getuige van een gesprek over poëzie tussen Ingmar Heytze, Jean Pierre Rawie en John Jansen van Galen? En omdat de Nacht inmiddels al veertig jaar bestaat en daar veel beeldmateriaal van beschikbaar is, werd er tussen alle bedrijven door genoten worden van foto’s, video’s en geluidsfragmenten van dichters die lang geleden optraden.

    Bovendien werd er ter gelegenheid van de 40ste nacht een dichterskwartet uitgegeven door ILFU die de ‘Nacht’ organiseert. Om thuis nog eens mee te spelen. Dus ja, het was zeker een goede nacht. Volgend jaar weer!

     

     

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Waarnemen wat anderen ontging

    Waarnemen wat anderen ontging

    In 2021 overleed de gelauwerde dichter, romanschrijver en essayist K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter (1936-2021). Vanaf 1963 verschenen van zijn hand tientallen publicaties, allemaal heel verschillend van aard, maar steevast herkenbaar door Schippers’ ernstige liefde en aandacht voor het speelse en het alledaagse – en voor het bijzondere dat hij daarin vaak wist te betrappen. In 2022 verscheen postuum een bundel gedichten onder de titel Je moest me eens zien, die nog door Schippers zelf werd samengesteld. 

    Voor een overleden dichter met een indringend en fijn afgesteld taalgevoel als Schippers is de titel Je moest me eens zien, uiteraard programmatisch: hij is dood, we kunnen hem niet meer zien. We moeten het doen met deze gedichten. Met deze titel nodigt hij de lezers uit: ‘je moest me eens zien’ en in deze gedichten is hij ook te zien. Vraag blijft wel wat we te zien krijgen, wat Schippers de lezer te zien geeft. Iedereen kijkt anders, hij zelf incluis. Juist daarin blonk Schippers zijn leven lang uit: iets waarnemen dat anderen doorgaans ontging. Laten we eens kijken. 

    Zeventien van de ruim vijftig gedichten uit Je moest me eens zien, schreef Schippers tussen 2016 en 2018 als stadsdichter van Amsterdam. Die gedichten zijn tijdloze kunstuitingen die juist, en bijna vanzelfsprekend tijd- en plaatsgebonden zijn. Ze gaan bijvoorbeeld over een tentoonstelling in Foam (Fotomuseum Amsterdam) aan de Keizersgracht, de sluiting van het warenhuis V&D, de afbraak van de Valeriuskliniek, de dood van Armando. Misschien om juist niet in die voor de hand liggende kuil te vallen wijdt Schippers ook een ‘stadsgedicht’ aan een poëtische tekst van meer dan duizend jaar oud, vertaald uit het Chinees. En daarin gaat het dan weer over het tijdloze lijden van mensen die bekenden en beminden moeten missen die eerder zijn gestorven dan zij zelf. Een universeel gegeven.

    Wat we nog meer zien, is zintuiglijkheid. De dichter K. Schippers voelt, kijkt, ruikt, hoort en raakt aan, wordt aangeraakt of denkt en schrijft over aanrakingen. Titels van gedichten wijzen al in die richting: ‘Dicht bij je’, ‘Op de tast’, ‘Toevalsaanrakingen’, ‘Wat je aanraakt’.

    ‘Me afdrogen
     met de handdoek
     waarmee je je
     net hebt afgedroogd
     brengt me
     nog dichter
     bij je’ 

    Waarin de zintuiglijkheid, die telkens weer anders wordt verwoord, anders wordt benaderd om het pure plezier van taal, van exercities in observeren, verschuiven en bedenken aanwezig is. Een strofe als de volgende, in een postuum verschenen bundel, samengesteld door de dichter zelf, mag dan ook programmatisch heten: hij bevestigt de afwezigheid van de dode dichter K. Schippers, maar zijn interesse reikt over het graf. 

    ‘[…]
     wie ziet je
     als ik er
     niet meer ben’  

    of

    ‘[…] Hoeveel moet
     je van iets zien om het
     te herkennen.’

    Tegelijkertijd zijn Schippers’ gedichten in deze bundel niet te vangen. Ze verschillen in lengte, vorm, structuur. Zelfs met typografische stunts verrijkt Schippers zijn poëtische instrumentarium, waardoor sommige gedichten haast het karakter van een rebus krijgen. Zoals het gedicht waarin zelfs een ‘kruiswoordpuzzel tot leven gewekt’ wordt. 

     

     

    Deze bundel is een perfecte kennismaking met het speelse, geestige, talige, verrassende en soms vragen oproepende werk van K. Schippers. Door hemzelf bij leven en welzijn gekozen om gezien te worden na zijn dood. Je moest hem eens zien. 

     

     

  • Hoop op vertaling: Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Hoop op vertaling: Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch

    Hopelijk wordt er een Nederlandse vertaling gemaakt van het boek Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch, van de schrijver Konrad Merz (1908-1999), die eigenlijk Kurt Lehmann heette. Hij was een van de eerste schrijvers die Hitler-Duitsland ontvluchtten en van wie werk in het Nederlands verscheen. Merz’ boek Ein Mensch fällt aus Deutschland, uit 1936, kwam een jaar later in het Nederlands uit, onder de titel Duitscher aangespoeld (vertaling: Nico Rost).
    Menno ter Braak liet zich er lovend over uit.

    Later publiceerde Merz nog enkele andere boeken, die ook in het Nederlands zijn vertaald. Merz’ ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de jodenvervolging hebben zijn leven getekend. Hij bleef zijn leven lang in Nederland en werkte als masseur. Frappant in Merz’ werk is zijn humor, die cynisch is en vaak mild tegelijk. Zijn werk is geschreven in een eigenzinnige stijl, waarin de auteur vaak verrassende gedachtensprongen maakt. Berliner, Amsterdamer und ach – Jude auch uit 1998 is een autobiografisch boek en bevat blijkens de ondertitel herinneringen uit negentig jaren; toch is het ‘maar’ 192 pagina’s dik. Het lijkt me bij uitstek een boek dat ook in het Nederlands de aandacht zal kunnen trekken die deze schrijver ten volle verdient.

     

    Zie ook: Wikipedia Kurt Lehmann 


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen.

    Berliner, Amsterdamer und ach - Jude auch
    Auteur: Konrad Merz
  • Hoop op vertaling: Brieven van Markies De Sade over de Lage Landen

    Voyage de Hollande en forme de lettres

    Een aantal boeken met een uitgesproken immoreel en zeer scabreus karakter vestigde voor altijd de reputatie en de naam van Markies De Sade (1740-1814). Meer dan anderhalve eeuw na zijn dood bleek dat hij ook onschuldiger kost had geschreven. In 1967 werd voor het eerst Voyage de Hollande en forme de lettres gepubliceerd: een bescheiden geschrift – ruim twintig pagina’s druk – waarin De Sade verslag doet van zijn bezoek aan de Lage Landen tussen 25 september en 23 oktober 1769. De notoire markies reisde via Brussel, Antwerpen en Mordeque [sic] naar Rotterdam. Ook Delft en Den Haag werden bezocht. De Scheveningseweg vond De Sade de mooiste wandelpromenade die hij ooit in zijn leven had aanschouwd. Vervolgens werden ook Leiden, Haarlem, Amsterdam en Utrecht aangedaan.

    Alleen al om het feit dat het de befaamde De Sade was die de brieven schreef verdienen ze een Nederlandse vertaling (er is wel een versie in het Italiaans), ook al noemde de tekstbezorger ze in 1967 teleurstellend en ‘slechts een curiositeit voor de sadisten’ – waarmee niet gedoeld werd op wie doorgaans met dat woord worden aangeduid, maar op hen die geïnteresseerd zijn in leven en werk van Markies de Sade.


    Dit is een bijdrage in de rubriek Hoop op vertaling waarin de recensenten van Literair Nederland pleiten voor een vertaling van een buitenlandse uitgave.

    Auteur: Markies De Sade
  • Hoop op vertaling: Het rusteloze graf

    Het rusteloze graf

    Een boek dat elke literatuurliefhebber zou moeten lezen en herlezen is het wonderlijke geschrift The unquiet grave dat in 1944 is gepubliceerd door Engelse criticus Cyril Connolly, onder het pseudoniem Palinurus. Het is een lucide boek over de verhouding van de mens tot de beschaving, met een accent op de letteren. Grotendeels opgebouwd uit citaten uit de wereldliteratuur en commentaar daarop, verraadt het de voorkeur van de auteur voor de Franse taal en cultuur. Het werk is niet zozeer ‘mooi’ of ‘leuk’, wel zeer indringend.

    Dit merkwaardige, compacte meesterwerk is in 1982 in het Nederlands vertaald als Het rusteloze graf door Joyce & Co. [= Geerten Meijsing en Keith Snell]. Van die vertaling bestaat maar één uitgave, in de reeks Privé-domein; antiquarisch is dit boekje moeilijk verkrijgbaar en doorgaans is het nog al duur. Terwijl het op ieders nachtkastje thuishoort – of toch tenminste voor velen een bron van inspiratie zou kunnen zijn.

     

    Zie ook:
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Cyril_Connolly
    https://en.wikipedia.org/wiki/The_Unquiet_Grave_(book)
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Joyce_%26_Co.


    Dit is een bijdrage van Reinder Storm die op ons verzoek om titels door te geven die een vertaling verdienen pleit voor een vertaling van The unquiet grave van Cyril Connolly.
    Binnenkort een pleidooi van zijn hand voor de vertaling van Berliner, Amsterdamer und ach, – Jude auch.
    Het rusteloze graf
    Auteur: Cyril Connolly
    Uitgeverij: De Arbeiderspers – Privé-domein
  • Een toegewijde dilettant op tal van artistieke gebieden en als mens 

    Een toegewijde dilettant op tal van artistieke gebieden en als mens 

    Voor de poëzie van L. Th. Lehmann (1920-2012) moet kennelijk telkens opnieuw reclame worden gemaakt. Zo hij al aanspraak kan maken op enige reputatie, dan geldt die niet een gedicht of regel of een boek, maar een in de letteren befaamd geworden ‘elfde gebod’: Gij zult niet bloemlezen! Aan het eind van het jaar 2021 verschenen twee boeken die leven en werk van Lehmann onder de aandacht brengen. Ten eerste de bloemlezing (!) uit zijn poëzie, samengesteld door Robbert-Jan Henkes, onder de sardonisch-toepasselijke titel Gij zult niet bloemlezen (!!). Ten tweede een biografie, geschreven door Jaap van der Bent, die alleen al door de prachtige gedaante veel indruk maakt. Het boek is solide uitgevoerd, ligt stevig in de hand, is fraai vormgegeven en prijkt met meer dan honderd illustraties, waaronder een aantal in kleur.    

    Zodra je begint te lezen besef je meteen hoe weinig je eigenlijk weet over Lehmann. Oké, hij was veelzijdig: danser, dichter, schrijver, vertaler, jurist, gepromoveerd archeoloog. Oké, hij had een hang naar het lichtvoetige, surrealistische, originele, vernieuwende – maar toch: wat weet je dan eigenlijk over iemand? Je komt bijvoorbeeld te weten dat Louis Lehmann als kind Loukie werd genoemd, dat hij geen broertjes of zusjes had en dat hij een zeer innige band had met zijn moeder, of liever: zijn moeder met hem. Zo hield zij hem thuis toen het tijd werd voor de kleuterschool. Zij bracht in die jaren Loukie zelf wel het nodige bij.   

    De jonge dichter

    Het ontvankelijke kind leerde vervolgens op de lagere school vriendjes kennen, en ontwikkelde zich voor het overige aanvankelijk ‘normaal’ – halverwege de jaren dertig dient zich een interesse aan voor jazz, een muziekvorm die toen in Nederland nog als origineel en avantgardistisch gold. Op de middelbare school begint hij als 17-jarige met het schrijven van gedichten die via een schoolvriend onder ogen komen van Adriaan van der Veen. Van der Veen was secretaris van Jan Greshoff, die vanuit Brussel de redactie bestierde van het tijdschrift Groot-Nederland. Een en ander leidde voor Lehmann tot een komeetachtige entree in de Nederlandse literatuur op zeer aanvallige leeftijd, wat hem de bijnaam ‘Rimbaud in de polder’ opleverde, evenals de kwalificatie ‘wonderkind’. Schijnbaar immer geneigd tot relativeren was Lehmanns eigen commentaar jaren later hierop laconiek: ‘Zeventien jaar is een heel gewone leeftijd om verzen te schrijven. Als je de literatuurgeschiedenis doorkijkt dan zijn er niet anders dan wonderkinderen geweest.’ 

    Lehmann ontwikkelde een enorme poëtische productie die voor de oorlog vooral geplaatst werd in het toen nieuwe literaire jongerentijdschrift Werk. In januari 1940 debuteerde Lehmann – 19 jaar oud – door een misverstand met twee bundels in één maand: Subjectieve reportage als deel van de serie ‘De vrije bladen’ en de bundel Dag- en nachtlawaai, bij uitgeverij Stols in Den Haag. Menno ter Braak was niet zuinig in zijn recensie in de krant: hij vond dat Lehmanns poëzie ‘verbijstert door originaliteit en veelvoudigheid’. Ondertussen was Louis Lehmann – mede door zijn interesse voor het surrealisme – in contact gekomen met de jonge cineast Emiel van Moerkerken en de dichter Chris van Geel. En zo ontrolt zich een bestaan. 

    Verhuizen in oorlogstijd 

    Gek genoeg is de aandacht in deze biografie voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het bombardement op Rotterdam relatief gering: wel verhuist Lehmann met zijn moeder naar Arnhem, en vandaar naar Utrecht, Amsterdam, Leiden; hij leert meer mensen kennen, vergroot daardoor zijn artistieke netwerk, vriendinnetjes dienen zich aan. In Leiden is ook voor het eerst sprake van werk. Waar hij daarvoor van leefde blijft onduidelijk. In de loop van 1942 worden de gevolgen van de oorlog voor Lehmann voelbaar. Hij moet zich melden als SS-vrijwilliger, er wordt hem gevraagd lid te worden van de Kultuurkamer, Joodse vriendinnen krijgen het steeds moeilijker (en overleven ten slotte de oorlog ook niet). In schril contrast daarmee is het leven dat Lehmann kennelijk tamelijk onbekommerd wist te leiden. Coördinatiepunten blijven poëzie, uitstapjes, contacten met vriendinnen en vrienden; Jaap van der Bent doet het allemaal degelijk uit de doeken. Lehmann rolt erdoor, schijnbaar door een ‘gebrek aan ernst’. Simpel voorbeeld: de oproep van de Wehrmacht maakt Lehmann wel bezorgd, maar ten slotte reageert hij er helemaal niet op – en hoort ook niets meer. Lehmann verkent de mogelijkheden van het prozaschrijven, wordt in Leiden bewonderd door jonge fanatieke poëzielezers en levert talrijke bijdragen aan het unieke tijdschrift-in-één-exemplaar ‘De schone zakdoek’; voor het contact met de makers reist Lehmann af en toe naar Utrecht. Maar in de loop van 1944 duikt hij onder om te ontkomen aan de Arbeitseinsatz. Hij leed honger en verveelde zich – maar overleefde alles ongedeerd.  

    Lehmann is vierentwintig als de oorlog is afgelopen. Hij mag dan jong zijn gedebuteerd, voor het overige lijkt hij overal in zijn leven tamelijk laat aan te zijn begonnen. Na de oorlog gaat hij rechten studeren en leeft zich uit in Leiden. Hij maakt muziek, verkeert met vrienden en vriendinnen en is – zoals hij in 1964 liet optekenen – ‘bezig om niet meer te schrijven’. Wel publiceerde hij besprekingen; maar Lehmanns Verzamelde gedichten [sic] kwamen in 1947 uit zonder zijn bemoeienis, ‘omdat hij daar geen zin in had’. Lehmann was de dertig al ruimschoots gepasseerd toen hij in het voorjaar van 1952 zijn studie afrondde en mr. in de rechten werd.

    Eerste roman en werkloos leven

    Hij verwerkte zijn ervaringen als student in de roman Tussen Medemblik en Hippolytushoef (1963). Opmerkelijk is overigens dat hij – als afgestudeerd jurist, in het begin van de in Nederland zo brave en burgerlijke jaren ’50 – er niet in slaagde werk te vinden. Hij probeerde het wel, maar het mislukte telkens. Hij hield zich in leven met schamele en tijdelijke baantjes; voordeel voor Lehmann was dat hij zijn leven lang van weinig kon rondkomen. Voor het overige besteedde hij zijn tijd aan contact met (literaire) vrienden, een verblijf van een paar maanden in Parijs en aan het schrijven van tientallen bijdragen, jarenlang, voor het tijdschrift Litterair paspoort, soms zeer lange stukken, origineel en degelijk en voornamelijk voor het geld. De bundel gedichten en de roman die hij publiceerde leverden niets op. Bovendien was Lehmann begonnen aan een nieuwe studie: klassieke talen ditmaal, met het oog op inbedding van zijn archeologische belangstelling. Daaraan kon hij meer toegeven na het behalen van zijn kandidaatsexamen in 1957. Archeologie studeren betekende vanaf dat moment ook soms graven, ‘het echte werk’, aldus Lehmann. Opmerkelijk genoeg inspireerde het hem ook weer tot het maken van poëzie.

    Hij studeerde, reisde, had af en toe een vriendin, woonde in een klein en oncomfortabel kamertje  op de hoek van de Herengracht en de Amstel. Kortom voor een man van tegen de veertig hield hij het echte leven wel enigszins op afstand. Zonder ernst of diepgang was het overigens niet. In 1959 ging Lehmann in psychoanalyse, welke behandeling meer dan tien jaar zou duren – zonder veel effect, aldus de cliënt zelf achteraf. Een uitvloeisel daarvan was dat, als Lehmann niet meer wist wat hij zeggen moest, hij overstapte op het gebruik van niet bestaande woorden. Dit inspireerde hem vervolgens weer tot een lang verhaal dat jaren later, t.g.v. Lehmanns negentigste verjaardag werd gepubliceerd. Contacten met verschillende Engelse vriendinnen leidden in één geval bijna tot een huwelijk – maar op het laatste moment ging het niet door. In 1960 ontmoette Louis Lehmann Alida Beekhuis die ruim vijftig jaar zijn levensgezellin zou blijven, zij het met wisselende intensiteit en een zekere mate van afstand: wat hen vooral bond was nieuwsgierigheid naar heel verschillende dingen. In een ruime maar armelijke en primitieve etage aan een Amsterdamse gracht beleefden zij een onstuimige en romantische tijd. 

    Muziek en Live performance

    Aanvankelijk was Geert van Oorschot zijn uitgever, maar in die tijd brak Lehmann brak met hem en werden zijn nieuwe dichtbundels uitgegeven bij De Bezige Bij. Daar ontmoette hij veel vrienden en bekenden en deed er ook enig vertaalwerk op. Poëzie intussen, werd in samenspraak met andere dichters, uit binnen en buitenland, meer en meer vermengd met muziek (vooral jazz) en optredens: live performance, waarvan de beroemdste manifestatie een poëzieavond in Carré was. Lehmann was toen overigens de enige die zijn optreden zelf voorzag van een muzikale noot (mondharmonica). Wat niet wegneemt dat de maatschappelijke loopbaan van Lehmann maar niet van de grond wilde komen. Hij weet dat meer en meer aan ‘de poëzie’, en nam er dan ook afstand van. Af en toe publiceerde hij nog een los gedicht in een tijdschrift maar er verschijnen geen bundels meer en een interview over poëzie loopt uit op een mislukking. Tegelijkertijd probeert Lehmann – begin 1962 eindelijk afgestudeerd als archeoloog – binnen dit vakgebied werk te vinden in de vorm van losse betrekkingen bij projecten in onder andere Engeland en de V.S. Voor het overige lijkt Lehmann vooral een afzijdige passant te zijn. Tegelijkertijd blijft hij open staan voor- en genieten van actuele ontwikkelingen op cultureel en artistiek gebied. Met dichten is hij gestopt, dansen doet hij des te meer; niet professioneel, wel met grote ernst en toewijding en tot op hoge leeftijd.          

    Dat Lehmann er niet in slaagt ‘echt’ werk te vinden frustreert hem meer en meer, wat hem wrokkig maakt en afstand doet nemen van vrienden en bekenden die wat dat betreft meer succes hebben. De poëzie heeft hij kennelijk blijvend vaarwel gezegd; wel helpt hij buitenlandse vrienden bij een optreden voor Poetry International in Rotterdam, maar zelf richt hij zich vrijwel uitsluitend op de archeologie. Daarbij blijkt steeds nadrukkelijker zijn interesse voor en deskundigheid ten aanzien van scheepsarcheologie. Het mondt uit in enkele serieuze publicaties en een tijdelijk baantje. Dat laatste krijgt na afloop een verrassend vervolg, in de vorm van een heuse werkloosheidsuitkering. Per 1 december 1978 ontvangt Louis Lehmann voor het eerst van zijn leven een geregeld inkomen, dat in vergelijking met wat hij gewend was niet eens zo slecht was.   

    Lehman op de radio

    De uitgave in 1981 van een bloemlezing uit het befaamde tijdschrift-in-één-exemplaar De schone zakdoek, die ondanks het beruchte elfde gebod toch poëzie van Lehmann bevatte, betekende voor het eerst in vele jaren een mogelijk nieuw momentum voor de dichter Lehmann. Maar tot zijn opluchting werd daar betrekkelijk weinig aandacht aan besteed. Wel manifesteerde Lehmann zich onder begeleiding en aanmoediging van VPRO-radiomaker Wim Noordhoek meer en meer als liefhebber van alle mogelijke soorten van muziek. Deze samenwerking zou meer dan dertig jaar duren, allerlei stijlen en invloeden kwamen voorbij, evenals Lehmanns eigen composities. Intussen ontwikkelde zich ook zijn archeologische specialisme ten aanzien van de Griekse galeischepen, wat uitmondde in twee publicaties die serieus besproken werden.

    Maar het bloed kroop waar het niet gaan kon: Lehmann raakte in de loop van de jaren tachtig opnieuw betrokken bij de poëzie, zij het niet die van zijn generatiegenoten maar meer in de punkscene. Uitgerekend in kringen van krakers bij hem in de buurt treedt hij weer eens op. Hij komt in contact met Diana Ozon, met wie hij bevriend raakt, en publiceert in een lokaal blaadje weer eens een gedicht, zonder dat het iemand opvalt overigens. En dat was eigenlijk maar goed ook, want wie hem dichter noemde kreeg het namelijk fors met hem aan de stok, zoals Anton de Goede bemerkte na publicatie van een artikeltje in de VPRO Gids waarin hij Lehmann weer eens typeerde als (voormalig) poëtisch wonderkind. Lehmann bleef het dichterschap beschouwen als iets dat anderen kennelijk steeds heel belangrijk vonden; zelf meende hij dat zijn poëzie hem in zijn maatschappelijke loopbaan alleen maar last had bezorgd. 

    Levensgezellin Alida Beekhuis

    Mede daarom zon hij op een manier om zijn archeologische inspanningen en publicaties te bekronen met een proefschrift. Aanvankelijk waren de vooruitzichten slecht, maar door zijn kennismaking met Fik Meijer, met wie Lehmann goed kon opschieten, kwam die mogelijkheid alsnog in beeld. Het proefschrift, getiteld The polyeric quest. Renaissance and Baroque theories about ancient men-of-war verscheen in 1995 en op zijn 75ste mocht Louis Lehmann zich doctor noemen. Zijn levensgezellin Alida Beekhuis begeleidde een en ander even pragmatisch als liefdevol. Het was vooral om praktische redenen dat Beekhuis en dr Lehmann in 2000 alsnog in het huwelijk traden, op de soberst denkbare wijze, met alleen de getuigen als aanwezigen. In datzelfde jaar verscheen ook een bundeling van Lehmanns verzamelde gedichten – een boek van bijna 700 pagina’s – waarin hij eindelijk had bewilligd, mede omdat hij goed aanvoelde dat Alida daar prijs op stelde. 

    Bewonderenswaardige hoeveelheid informatie

    Lehmann bleef artistiek actief op allerlei vlakken – onder andere optredens te Ruigoord – maar natuurlijk gingen de jaren tellen, met onvermijdelijke gezondheidsklachten van dien. Er bleef aandacht bestaan voor Lehmann van hen die het goed met hem meenden, en bij diverse evenementen en festiviteiten was hij aanwezig – maar geleidelijk aan ging meer en meer langs hem heen. De gevolgen van zijn gezondheidsproblemen leidden in november 2012 tot het einde.     

    In deze biografie is een bewonderenswaardige hoeveelheid informatie bijeengebracht. Op zichzelf is de speelse, originele en ongrijpbare figuur Lehmann merkwaardig en veelzijdig genoeg voor een boek van deze omvang. Al had het boek gewonnen bij iets meer speelsheid.  Het is nogal opsommerig en werkt gestaag Lehmanns leven af, van begin tot eind. Informatief, zeker, boeiend ook, maar tegelijkertijd braaf. De hamvraag van zijn kunstenaarschap: ‘Waarom stopt een schrijver op enig moment met schrijven en houdt dat vervolgens dertig jaar lang vol?’ wordt door de titel van de biografie niet helemaal beantwoord. Lehmann was niet zozeer een dichter ‘die het niet wilde zijn’. Hij was de dichter die hij was. Hij wilde niet een dichter zijn zoals die blijkbaar behoorde te zijn in de ogen van anderen. Aan dat beeld wilde hij niet voldoen: niet zozeer principieel of onverzettelijk… zelfs in dat standpunt was hij onzwaarwichtig lijkt het. Maar het lot van wie publiceert is nu eenmaal dat anderen zich over die publicaties uitlaten. En daar moest Lehmann mee dealen. Dat hij dat deed op eigen, uitzonderlijke wijze, neemt de lezer  voor de man in, als de dichter die hij tegen wil en dank was, als veelzijdig en toegewijde dilettant op tal van andere artistieke gebieden en als mens. 

     

     

  • Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    Aangespoord door de biografie van Louis Lehmann

    In november van dit jaar verscheen er een biografie van L.Th. Lehmann, die in 1920 werd geboren in Rotterdam en in 2012 in Amsterdam overleed. Het is een open deur om deze kunstenaar te kwalificeren  als ‘veelzijdig’, maar toch: Lehmann was dichter, danser, componist, romancier, vertaler en recensent. Hij tekende en maakte collages, en bovendien studeerde hij rechten en archeologie, welke laatste studie hij op 75-jarige leeftijd bekroonde met een proefschrift over Griekse galeischepen. Lehmanns biograaf Jaap van der Bent noemt hem ingevolge deze veelzijdigheid niet zozeer een homo universalis, wel een multitalent, maar bovenal: ‘de perfecte amateur’.  

    Dertig jaar geen poëzie

    Als dichter werd Lehmann onder meer bekend omdat hij tussen 1966 en 1996 juist in het geheel géén poëzie publiceerde (na tussen 1940 en 1966 minstens negen bundels te hebben gepubliceerd, waaronder zelfs – op 27-jarige leeftijd – een uitgave met de titel Verzamelde gedichten). En omdat Lehmann ook weigerde gedichten bij te dragen aan bloemlezingen (‘Gij zult niet bloemlezen’) dreigde zijn werk in de vergetelheid te geraken. In 2000 – het jaar dat de dichter tachtig werd – verscheen een verzamelbundel van bijna 700 pagina’s, die een bundeling behelsde van zijn werk uit de periode 1939-1998. Sindsdien verschenen nog tal van grotere en kleine publicaties – zelfs een kookboekje – mede gepubliceerd in eigen beheer door Lehmanns levensgezellin Alida Beekhuis, onder het imprint Gouden Reaal. 

    De biografie is een goede aanleiding om een bundel gedichten van Lehmann voor de dag te halen, een van zijn laatste ‘reguliere’ publicaties bij De Bezige Bij, Wat boven kwam. Meteen de opening van de bundel zet al de toon.

    ‘Van mij kan men zeggen
     dat ik mij verlies
     in kleinigheden.
     Maar ook
     dat ik mij erin vind.’

    Klankgedichten

    Wat volgt is een verzameling gedichten in allerlei vormen, soms vrij en kort, soms een rijmend sonnet. We komen verwijzingen tegen naar onder meer Nietzsche, Mozart, Bach, Albert en Jacob Cuyp, Rudy Kousbroek, Stendhal, Longfellow. Er zijn gedichten over vogels in de stad, en over enkele plaatsen, zoals Ruigoord, Brussel, Rio de Janeiro, Parijs (in 1953) en het zuiden van de V.S. Evident is ook Lehmanns liefde voor surrealisme, taalspel en speelsigheid in het algemeen, wat bijvoorbeeld blijkt uit een zuiver klankgedicht als, 

    ‘Pseudo-dada

     Rellebelère umta
     kroeboel
     uswoziwoe holar
     krepasruum
     jalspi
     uurnamuurnam jofi
     bralbam
     snilsko
     jupatfotla
     bidorwummis klarg
     iskato
     joebltka feerfo.’

    Wie mocht denken dat deze merkwaardige dichter alleen met opgewekte producten voor de dag komt kunnen we uit de droom helpen (zoals hij mogelijk zichzelf uit een droom hielp) met: 

    ‘Waar verhaal

     De toekomst is dit:
     dat vlees en botten
     ’t bewustzijn afdanken
     en dan gaan rotten.’

    Het kortste gedicht in de bundel telt drie regels, het langste drie bladzijden. Zoals de kunstenaar Lehmannn niet te vangen is, zo is het eveneens met zijn gedichten. Want hij sluit deze uitgave ook nog eens af met drie gedichten van de Zwitsers-Argentijnse dichteres Alfonsina Storni (1892-1938), die Lehmann uit het Spaans vertaalde. Kortom, een bundel als Wat boven kwam vormt een prima opmaat naar een (hernieuwde) kennismaking met deze onnederlands speelse, originele en veelzijdige dichter. En het mooie is dat tegelijk met de biografie er ook een keuze uit het dichtwerk van Lehmann verschenen is, getiteld, ‘Gij zult niet bloemlezen, samengesteld door Erik Bindervoet. 

     

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann / Jaap van der Bent / 512 blz. /AFdH-uitgevers.
    Gij zult niet bloemlezen, Een keuze uit de poezie van Louis Lehmann / samenstelling Erik Bindervoet / AFdH uitgevers.
    Luister hier naar een marathoninterview (1990) van de VPRO met Louis Lehmann.

     

  • Poëzie die opvallend nieuw en anders klinkt

    Poëzie die opvallend nieuw en anders klinkt

    Bitter, scherp, confronterend, krachtig. Dit zijn de kwalificaties die zich opdringen aan wie Chinatown leest, de nieuwe gedichtenbundel van Ronelda S. Kamfer. Het is de vierde bundel die in Nederland verschijnt van deze dichteres. Alle vier zijn ze uitgevoerd in twee talen: het Afrikaans en het Nederlands. En voor alle vier de bundels verzorgde dichter en P.C. Hooftprijswinnaar Alfred Schaffer de Nederlandse vertaling. 

    Ronelda Sonnet Kamfer werd geboren in Kaapstad in 1981. Volgens de flaptekst van het boek wordt zij gezien als ‘de meest vooraanstaande Zuid-Afrikaanse dichter van haar generatie’. De gedichten in deze bundel – vrije verzen, zonder rijm of metrum – vertonen verschillen en overeenkomsten. Ze verschillen bijvoorbeeld zeer in lengte, van drie regels tot twee volle pagina’s. Qua thematiek is er de eenheid der familieverbanden. In veel gedichten figureert een vader, een moeder, een zus, een oma, een neefje, een kind. En verder lopen deze gedichten over van ellende: geweld, verkrachting, racisme, onverschilligheid en dood, weinig poëtische onderwerpen. Toch is er in het huis van de poëzie ook voor dit soort gedichten een kamer. 

    ‘hou vol
     doe niet zo ontzettend je best
     om te lachen
     doe het licht uit
     doe de gordijnen dicht
     denk slechte gedachten
     hou vol’

    Bezwerend en woedend

    Het lijkt erop dat Ronelda Kamfer met haar gedichten probeert te bezweren wat haar raakt, verontrust, kwetst en woedend maakt. En waar ruimte is voor kracht, hoop op nieuwe kansen, komt ook zoiets als triomf om de hoek – gelaten weliswaar, maar toch. 

    ‘meire
     ik leer mijn kind bendetekens met haar flashcards
     zij leert het ABC van white supremacy
     samen met haar bedtijdritueel
     ik was haar haren met salie
     en leer haar over haar voorouders
     ik leer haar over vuur en over oorlog en ik leer haar
     hoe je precies genoeg eten kookt

     ik ben de moeder die ik niet heb gehad
     zij is het kind dat mijn moeder nooit heeft gekregen’

    Soms zijn de gedichten ronduit gewelddadig, wat een toch al sluimerend gevoel van ongemak bij het lezen van deze gedichten nog eens versterkt. 

    ‘[…]
     en ik geef nog minder om een vrouw die
     tijdens de apartheid mooie gedichten schreef
     mijn literaire helden winnen geen belangrijke prijzen
     ik ben nooit iemands bazin of mevrouw geweest
     mijn gedichten zijn niet voor feministen
     mijn gedichten zijn voor de vrouwen in de keuken
     mijn gedichten zijn voor zwarte en bruine jochies
     in een klas vol witte kinderen
     ik ben het kind van de werkster en nu ben ik groot
     ik ruil mijn moeders as voor kruit
     voor de volgende generatie
     opdat die gewapend kan zijn
     jullie schieten ons niet nog eens in de rug
     terwijl wij angstig wegrennen’  

    Bijzondere poëzie

    Naast deze bijzondere poëzie, die ongepolijst getuigt van een barre Zuid-Afrikaanse realiteit, biedt deze bundel in poëtisch opzicht minstens twee extra’s. In de eerste plaats zijn naast de Nederlandse vertalingen de originele gedichten in het Afrikaans afgedrukt. Omdat deze taal veel verwantschap vertoont met het Nederlands is het voor lezers in ons taalgebied een buitenkans om kennis te kunnen maken met de gedichten van Ronelda S. Kamfer in hun oorspronkelijke vorm en klank. 

    ‘safe word stopwoord’

     soms kyk ek                     soms kijk ik
     in die spieël                     in de spiegel
     dan sien ek myself         dan zie ik mezelf
     daar waar ek vir dood   daar waar ik voor dood
    agtergelaat is                   ben achtergelaten’

    Dat de Nederlandse vertalingen van Kamfers gedichten zijn gemaakt door een gelauwerd dichter als Alfred Schaffer is een extra bonus. Schaffer is de ideale gegadigde voor deze vertaling. Hijzelf is immers ook opgegroeid ‘tussen twee vaderlanden’, in zijn geval Nederland en Aruba, met een Arubaanse moeder en een Nederlandse vader is ook hij vertrouwd met het concept van de gemengde culturele identiteit. Bovendien woont en werkt Schaffer een groot deel van het jaar in Zuid-Afrika, waardoor hij de gedichten van Ronelda S. Kamfer met meer dan gemiddelde kennis van zaken tegemoet kan treden.

    Gedichten die een verhaal vertellen dat doorgaans wordt vertolkt via kranten, nieuwssites en  actualiteitenprogramma’s op tv. Een verhaal dat weinig goed nieuws bevat – en dat in de enorme veelheid van slecht en slechter nieuws van over de gehele wereld makkelijk verloren gaat. De vorm van dit verhaal in de gedichten van Ronelda S. Kamfer heeft verbluffende zeggingskracht en indringende pregnantie en klinkt daarom opvallend nieuw en anders. Het verdient alleen al daarom te worden gehoord. 

     

  • Dit boek moet iedereen lezen

    Dit boek moet iedereen lezen

    Dit gaat niet over grasmaaien. Hoe lees je poëzie van Ellen Deckwitz is een vervolg op Olijven moet je leren lezen. Een cursus genieten van poëzie uit 2016. Van deze laatstgenoemde uitgave verschenen in korte tijd zeven drukken. En Dit gaat niet over grasmaaien uit najaar 2020 is ook al binnen een half jaar drie keer herdrukt: alle reden tot vreugde dus. Deze ‘opvolger’ maakte Ellen Deckwitz omdat ze merkte dat poëzie dynamisch is en onder invloed van veranderende omstandigheden telkens opnieuw vragen kan oproepen en nieuwe inspiratie teweeg kan brengen. Wat in de cursus uit 2016 niet aan de orde kwam krijgt nu een herkansing. 

    Opvallend is dat ‘genieten van poëzie’ blijkbaar is versoberd tot ‘het lezen van poëzie’. Wie goed oplet ziet dat in dit boek ook meer nuchtere aspecten van de dichtkunst aan de orde komen. Waarom er gedichten worden geschreven na een ramp, bijvoorbeeld. Of waarom poëzie helpt om te praten. Of waarom je door poëzie kunt ontdekken dat je niet gek bent. In 21 hoofdstukken van gemiddeld zes pagina’s gaat Ellen Deckwitz in op deze en andere vragen. De hoofdstukken zijn lichtvoetig geïllustreerd en van een duidelijke structuur voorzien. Elk hoofdstuk prijkt bovendien met een typografisch uitgelichte quote die – behalve door de vormgeving – de aandacht trekt door prikkelende woordkeus of stelligheid. Bijvoorbeeld:

    Wat je in teksten vindt en waardeert, is altijd afhankelijk van wie je op dat moment bent, wat je leeservaring is, wat je nodig hebt.’

    Of:

    ‘Er is een enorme ontroering wanneer je poëzie leest waarvan je het gevoel krijgt dat ze speciaal voor jou is geschreven.’

    Goeroe met zelfspot

    En dan de literatuur zelf die voorbij komt. Als ik goed heb geteld wordt in kort of ruim bestek verwezen naar het werk van een zeventigtal auteurs, van Rodaan Al Galidi tot Joost Zwagerman en van de Bijbel tot Delphine Lecompte. Ook enkele buitenlandse dichters en schrijvers zijn vertegenwoordigd, met namen als Simone de Beauvoir, Philip Larkin, Sylvia Plath en Warsan Shire, die haar poëzie ook via Instagram verspreidt. Een mooi podium: Deckwitz signaleert dat velen op Insta voor het eerst een gedicht lezen dat hun niet meteen het gevoel gaf dom te zijn. Tenslotte geeft Ellen Deckwitz aan het eind van veel hoofdstukken in een cursief gedrukte paragraaf heel concrete suggesties voor verder lezen.      

    De zelfbenoemde gedichtenevangelist Ellen Deckwitz is voor het antwoord op de vraag ‘hoe lees je poëzie’ een heerlijke ambassadeur: ze schrijft origineel, persoonlijk, met humor, begrijpelijk en toch nergens ooit zouteloos of truttig. Ze kiest haar voorbeelden goed en overtuigend … en met zelfspot, wat altijd goed is, zeker voor een goeroe. Voor het hoofdstuk ‘Hoe weet ik of een gedicht slecht is’ neemt Deckwitz een ongepubliceerd gedicht van zichzelf als uitgangspunt. 

    Vlinders

    ‘De vlinders fladderen verloren rondjes,
     ze hebben dit ongeliefd lichaam verlaten,
     degene die ze wegzond, houdt opeens terstond
     de mond, van verdriet kan ze niet meer praten.
     Het vuur in haar hoofd is wreed gedoofd.
     Wapperende wezens waaiden het uit,
     Dit is de laatste kans weet ze nochtans
     De zorg om de vliesdunne vleugels verbruid.’ 

    Aanstekelijke werkwijze

    In een destructieve analyse van dit gedicht, werkt Deckwitz vervolgens toe naar de stelling dat dit vers alleen maar dóét of het een gedicht is. Wat op zich wel weer mooi gezegd is. 

    Het woord dat Deckwitz’ werkwijze karakteriseert is: ‘aanstekelijk’. Zo gauw je een hoofdstuk uithebt van Dit gaat niet over grasmaaien wil je een gedicht gaan lezen of naar een bundel of bloemlezing grijpen. Beter kan niet, toch? Eigenlijk zou iedereen in Nederland met enig gevoel voor taal en literatuur dit boek moeten kopen en alle anderen zouden het dan van de overheid cadeau moeten krijgen, zomaar.’ Omdat het goed voor je humeur is, omdat het je aanzet tot nadenken, tot een keertje extra kijken en tot je gedachten en associaties de vrije loop laten en met aandacht volgen welke kant die opgaan.

     

  • Het karakteristieke oeuvre van een dichtende scheepsarts en zwervende schrijver

    Het karakteristieke oeuvre van een dichtende scheepsarts en zwervende schrijver

    Onlangs is een nieuwe editie verschenen van het Verzameld proza van J. Slauerhoff (1898-1936). In 2018 was al een herziene versie van zijn Verzamelde gedichten gepubliceerd. De samenstelling en tekstverzorging van beide nieuwe uitgaven was in handen van Hein Aalders en Menno Voskuil. Slauerhoff is een schrijver van tegenstellingen, die Nederland haatte en het ontvluchtte. Toch schreef hij voor Nederlandse lezers, die hij vergastte op verhalen over Chinese verten en Portugese dichters van lang geleden. Hoe on-Nederlands kan een schrijver zijn die Jan heet, geboren en getogen is in Friesland en het liefst vakantie vierde op Vlieland?

    Slauerhoff keerde zich van Nederland af door te kiezen voor het beroep van scheepsarts dat hem tot ver buiten de landsgrenzen voerde. Hij koos niet alleen voor het avontuur van verre reizen naar exotische oorden, maar ook voor afzondering en eenzaamheid.  Vandaaruit zocht hij juist wel weer contact met lezers, een publiek, door middel van  van gedichten, verhalen, romans en artikelen. Aldus nam hij zijn lezers mee op sleeptouw, de hele wereld over. En die lezers lieten zich meevoeren door Slauerhoff. Het succes van zijn werk gedurende de hele twintigste eeuw, tot nu aan toe, getuigt daarvan. Zelf verkondigde hij nergens vrede te zullen vinden, behalve aan die laatste ‘smalle ree, van hout in zand’. Daar rust Slauerhoff nu al meer dan tachtig jaar. Zijn werk is sindsdien allerminst met rust gelaten.

    De scheepskist

    Tekstbezorgers Hein Aalders en Menno Voskuil doen in een nawoord van ca. 50 pagina’s uit de doeken hoe in de loop van die tachtig jaren het verzameld proza en de verzamelde gedichten zijn behandeld, in welke diverse vormen, samenstellingen en edities deze zijn verschenen en wie zich daarmee hebben bemoeid. De belangrijkste naam die hierbij moet worden vermeld is die van tekstbezorger, bibliograaf en filoloog Kees Lekkerkerker (1910-2006). Het is boeiende en informatieve kost, met als spannend pièce de resistance de scheepskist van de schrijver, waaruit zo lang na zijn dood nog nieuw materiaal blijkt te kunnen worden opgediept. De lezer krijgt op grond van dit overzicht de indruk dat er ooit een nóg uitgebreidere editie van Slauerhoffs literaire werk zal worden bezorgd. Omdat er dan weer een nieuwe vorm voor gevonden wordt. Of omdat er eindelijk iemand is die ook Slauerhoffs meest onleesbare teksten kan ontcijferen.

    Slauerhoff is vooral bekend van gedichten en proza. Hij schreef slechts één echt toneelstuk: Jan Pietersz. Coen, waarvoor ook plaats is ingeruimd in deze editie van het Verzameld proza. Dit toneelstuk verscheen in 1931,maar echt opgevoerd werd het stuk eigenlijk nooit. De ontvangst was kritisch omdat Slauerhoff door zijn benadering van Jan Pietersz. Coen als ‘gewoon mens’ afbreuk deed aan diens toen breed geaccepteerde heldenstatus. Een criticus repte in 1931 over Slauerhoffs Coen als ‘een stervende stakker, die zelfs geen schaduw van een groot man meer is’. Ná de Tweede Wereldoorlog lag de opvoering van dit toneelstuk gevoelig vanwege de onafhankelijkheidsstrijd die in Indonesië werd gevoerd. Waar de hedendaagse lezer over struikelt, zijn de schaamteloos racistische aanduidingen van de bevolking van Nederlands-Indië/Indonesië, die toen blijkbaar probleemloos konden worden gebruikt. Voor wie bedenkt een tekst uit 1931 te lezen die een historische, koloniale realiteit weergeeft uit de 17de eeuw, is het wellicht aanvaardbaar, maar toch: met de actuele, 21ste eeuwse gevoeligheid voor dit soort uitlatingen, is het lezen van sommige kwalificaties op zijn zachtst gezegd ongemakkelijk.

    Verhalenbundels en romans

    Verder bevat het boek de bekende en klassieke verhalenbundels Het lente-eiland en Schuim en as, de romans Het verboden rijk en Het leven op aarde alsook verspreid gepubliceerde en nagelaten verhalen en fragmenten. In Het verboden rijk combineert Slauerhoff zijn eigen fascinatie voor de geschiedenis van China met zijn bewondering voor de 16de eeuwse Portugese dichter Camoës. Daar voegt hij dan een meer hedendaags perspectief aan toe door het verhaal over de Ierse marconist. Voor dit laatste kon de schrijver uit zijn eigen ervaring putten als arts op de grote vaart.  

    De tweede roman van Slauerhoff, Het leven op aarde, sluit losjes bij Het verboden rijk aan. Ook de verhalen in de bundels Het lente-eiland en Schuim en as hebben onveranderlijk exotische oorden als decor. Met het oog daarop was enige geografische toelichting bij sommige teksten geen overbodige luxe geweest. In regel drie van het eerste verhaal bijvoorbeeld gaat het over ‘het arme duistere Amoy’. Tegenwoordig kennen we dat als Xiamen, een stad in de Chinese provincie Fujian. En een blik op de plattegrond van deze stad biedt onmiddellijk herkenningspunten voor wat Slauerhoff erover schrijft. 

    Monumentaal oeuvre

    Sommige fragmenten verschijnen in deze uitgave voor het eerst in druk. Dat maakt nieuwsgierig: leren we middels dit nieuwe materiaal een andere, nog onbekende kant van de schrijver kennen dan degene met wie lezers in de loop van bijna honderd jaar bekend zijn geraakt? Het antwoord is nee – en dat is geen teleurstelling, eerder een versterking van het karakteristieke oeuvre van de dichtende scheepsarts en zwervende schrijver. In het verhaal ‘De Vliegende Hollander’ lezen we: ‘Ja, ik verlang er naar alleen te zijn.’ Of het verhaal ‘Maagdenroof’ begint met de zin ‘Ik ben zoals mijn land- en stadgenoten dat noemen aan lager wal geraakt.’ Of het verhaal  ‘Rivalen’, dat begint met: ‘Ik ben gelukkig geweest, dat is zeker.’ Allemaal Vintage Slauerhoff. Het bevestigt het belang van deze nieuwe editie van Slauerhoffs Verzameld proza: een monumentale uitgave die – samen met de uniform uitgegeven Verzamelde gedichten – recht doet aan een monumentaal oeuvre.    

     

     

  • Verzamelde gedichten na tachtig jaar écht verzameld

    Verzamelde gedichten na tachtig jaar écht verzameld

    De schrijver J. Bernlef heette in werkelijkheid Henk Marsman. Toen hij in 1959 debuteerde met de gedichtenbundel Kokkels koos hij ervoor om te schrijven onder pseudoniem. Hij deed dit om elke verwarring met de toen overbekende dichter H. Marsman (1899-1940) te voorkomen. De dichteres Lieke Marsman – in januari 2021 benoemd tot Dichter des Vaderlands – schrijft onder eigen naam. Het is blijkbaar voor Lieke geen serieus risico meer om te worden verward met haar ooit zo beroemde naamgenoot. Diens reputatie is verbleekt, zijn naam is uit het collectieve geheugen weggezakt. Ook al is en blijft Marsman de schrijver van ‘Het gedicht van de eeuw’, waartoe zijn ‘Herinnering aan Holland’ in het jaar 2000 verkozen werd. 

    Genoeg omtrekkende bewegingen. In poëtisch opzicht kende het vermaledijde corona-jaar 2020 een belangrijk en daverend slotakkoord, met de verschijning van de verzamelde verzen van H. Marsman, onder de titel Ik die bij sterren sliep. Dit kloeke boek telt ruim 750 pagina’s, inclusief uitvoerig commentaar, nawoord, verantwoording, aantekeningen, bibliografie en registers; meer dan 500 pagina’s zijn ingeruimd voor Marsmans poëzie. 

    Nieuwe Marsman, nieuw geluid

    Ik die bij sterren sliep biedt in verschillende opzichten gelegenheid tot een hernieuwde kennismaking. Op zichzelf is dat opmerkelijk, voor een dichter die al meer dan tachtig jaar dood is, van wie meerdere uitgaven bestaan van zijn Verzameld werk, van wie we het werk zouden moeten kennen uit bloemlezingen en een gedegen biografie en naar wie straten zijn vernoemd. Net als Slauerhoff, Ter Braak, Ina Boudier-Bakker en al die anderen is Marsman ‘een naam’ geworden. Uitgeverij Van Oorschot en tekstbezorger dr H.T.M. van Vliet komt de eer toe, deze gecanoniseerde Marsman volkomen nieuw te presenteren. 

    Wat wil namelijk het geval? Marsman was notoir onzeker over zijn werk, of in elk geval veranderde hij dikwijls van mening over de kwaliteit ervan. Meermalen in zijn korte leven herzag hij de door hem geschreven en gepubliceerde bundels poëzie en in 1938 – nog vóór zijn veertigste verjaardag – besloot hij tot de uitgave van zijn Verzameld werk in drie delen: poëzie, proza en kritisch werk. Het deel poëzie bevatte een gestrengelijk geselecteerd residu van in totaal ruim honderd gedichten, uit een veel groter corpus van eerder gepubliceerde verzen. En dat honderdtal gedichten – later aangevuld met de integrale bundel Tempel en kruis uit 1940, verschenen dus ná de uitgave van dat driedelige Verzameld werk – heeft sindsdien het beeld van de dichter Marsman bepaald: in de loop der jaren zijn er meer dan twintig drukken van de Verzamelde gedichten geproduceerd, wat van geen van Marsmans tijdgenoten kan worden gezegd. Maar gek genoeg ontbrak dus aan die zo vaak herdrukte Verzamelde gedichten veel van de door Marsman geschreven poëzie. 

    Volledige dichtwerk

    Hiermee werd door degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, tegemoet gekomen aan de wens van de dichter. Hij wilde dat de door hem gemaakte keuze uitgangspunt zou zijn en blijven, bij heruitgaven van zijn ‘verzamelde’ gedichten. Maar ja: toen Marsman die keuze maakte, en zijn vrouw en intieme vrienden liet beloven hiermee rekening te zullen houden, wist hij natuurlijk niet dat hij zo jong zou sterven en dat hij dus met de strenge keuze uit zijn gedichten zijn oeuvre beperkte en bepaalde.   

    Deze nieuwe uitgave van de verzamelde verzen brengt voor het eerst Marsmans volledige dichterlijke productie in een handzame uitvoering onder het bereik van een groot publiek. Dat kan nu gemakkelijk kennis nemen van de inhoud van de oorspronkelijke bundels en aldus de ontwikkeling volgen die Marsman heeft doorgemaakt. Bovendien zijn in dit boek ook alle gedichten te vinden die ooit alleen in tijdschriften zijn gepubliceerd, en óók de gedichten die überhaupt nooit eerder in druk verschenen zijn. Met name uit deze laatste, en dan vooral de tientallen verzen van de nog zeer jonge Marsman, rijst een dichtersfiguur op die inderdaad jong en schuchter is en tegelijk gedecideerd, driest en ambitieus. 

    Het gedegen commentaar bij elk afzonderlijk (!) gedicht van de ervaren tekstediteur dr. H.T.M. van Vliet, maakt het mogelijk de ontwikkeling van Marsmans poëtische oeuvre stap voor stap te volgen. Dit is overigens geen sinecure. Marsman nam soms hetzelfde gedicht (al dan niet bewerkt) in verschillende bundels op. En aangezien de verschillende bundels integraal in deze verzameling zijn herdrukt, komt het meermalen voor dat een gedicht twee keer in deze verzamelde verzen staat. Ook zijn bijvoorbeeld de rubrieken ‘Ongebundelde en nagelaten’ gedichten telkens in perioden verdeeld, zoals ook Marsman zelf zijn poëtische werkzaamheid periodiseerde. Gevolg daarvan is dat wie álle nagelaten gedichten wil lezen daarvoor op minstens drie plaatsen moet kijken (p. 387-438, p. 463-480 en p. 515-517).   

    Kleine indruk

    Er is geen beginnen aan om van deze spiksplinternieuwe Marsman door middel van een enkel gedicht een indruk te geven. Zeker wie zich nu (februari 2021) veroordeeld weet tot binnenblijven, kan zich met dit boek een groot plezier doen en zelf bladeren, verkennen en lezen: het is de moeite ten volle waard. Toch, ter aanmoediging,  deze bijvoorbeeld:

    golf spoelt uit buik der nacht
    (walm en stank)
    Dag zweet. Tomate-rood
    vette vrucht –
    splijt tegen donker!
    (donker is rot en scherp)
    vlezen bol is aarde
    – larven
      zwermen
      vratig:
      mensen! –
    gespoten sap is licht
    geschrompeld vlies
    hemel.

     Ziedaar, met deze tekst benaderde de 19-jarige dichter op 29 juni 1919 de kunstenaar Theo van Doesburg, een der voormannen van De Stijl. Marsman schreef hem: ‘U is een der betrekkelijk weinigen die ’n vers als bijgaand zuiver kunnen zien. Ik ben daarom zoo vrij het u ter beoordeling toe te zenden.’ Hoe Van Doesburg heeft gereageerd vermeldt de historie niet, maar bewaard heeft hij het gedicht wel, aangezien het zich nog altijd in zijn archief bevindt.  Een half jaar daarvoor, oktober 1918, schreef Marsman het gedicht ‘Herfstland’. 

    Er is geen groter rust dan deze rust:
    herfstland in schemering.
    Aarde is moe en bruin,
    en aan de lucht de grijze stapeling van wolken,
    kleuren zijn dood, geabsorbeerd
    met klank en alle leven in grijze damp.
    Zie! aan de vage randen
    der eindeloze landen
    staan groepen bomen:
    de stomme, zwarte handen,
    die uit de sterke aarde
    grijpen naar de waze randen
    van den hemel, … om te dragen.
    – Door strakke spleten in het Westen
    druppelt licht,
    moe wittig licht,
    als uit een andre wereld …
    En in het trillend middelpunt
    van deze bruinen cirkel: vruchtbare aarde
    en dezen koepel: avondhemel
    het vlammend zaad van aarde en hemel
    staat: mijn jeugdig lijf.

    Misschien is de wens de vader van de gedachte, maar het lijkt of in een enkele regel al een vingeroefening hoorbaar is voor de latere ‘Herinnering aan Holland’. 

    Met de uitgave van Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen krijgt het dichterschap van H. Marsman een volkomen nieuwe kans. Of Dichter des Vaderlands Lieke Marsman zich alsnog genoodzaakt ziet tot het kiezen van een pseudoniem is twijfelachtig. Maar als een paal boven water staat, dat poëzie-minnend Nederland met dit literair-historische monument een grote dienst is bewezen.  

     

     

  • Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    De reputatie van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) heeft zich losgezongen van het alledaagse. Baudelaire is helemaal een ‘figuur’ geworden, een symbool, het prototype van de ‘gedoemde dichter’, de poète maudit. Het begrip ‘poète maudit’ werd gemunt in 1884 toen Paul Verlaine een bloemlezing uitbracht van het werk van gedoemde dichters die – toevallig of niet – min of meer gelijktijdig naar voren traden in Frankrijk in de 19de eeuw. Behalve Baudelaire betrof het onder meer Arthur Rimbaud, Tristan Corbière, Gérard de Nerval, Stéphane Mallarmé en Comte de Lautréamont. De poète maudit plaatste zich buiten de samenleving, spotte met normen en waarden van de burgerij, schopte heilige huisjes omver, ging zich te buiten aan seksuele uitspattingen, brak met vertrouwde, literaire technieken, gebruikte verdovende middelen, richtte zich kortom te gronde – en overleed jong.

    Baudelaire voldoet helemaal aan dit profiel. Zijn persoonlijke geschiedenis werd bepaald door drugsgebruik, grote armoede en schulden, onstuimig liefdesleven, ziekte (m.n. syfilis) – maar als literair figuur werd Baudelaire bekend en geroemd om zijn opzienbarende en vernieuwende werk. Met de scandaleuze publicatie Les Fleurs du Mal (1857) luidde hij een nieuwe fase in van de poëzie.

    De genese van de bundel Les Fleurs du Mal is een geschiedenis op zich. Enkele gedichten uit de eerste versie werden als onzedelijk verboden – een verbod dat in het libertijnse Frankrijk pas in 1949 werd opgeheven. Zijn hele korte leven lang werkte Baudelaire aan de bundel die zozeer met zijn dichterschap samenviel. De definitieve versie van Les Fleurs du Mal omvatte uiteindelijk 151 gedichten. Zonder specifieke aanleiding (?) verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep een eenvoudig uitgevoerd boekje met daarin vijftig gedichten uit Les Fleurs du Mal van Baudelaire in het Frans, met daarbij de vertalingen van de hand van Paul Claes, onder de titel Zwarte Venus. Een verwijzing naar de ‘mulattin’ Jeanne Duval, met wie Baudelaire ca. 20 jaar een weinig stabiele relatie onderhield. Paul Claes is dichter en schrijver, maar vooral bekend en gelauwerd om zijn vertaalwerk uit het Frans, Engels, Duits en Latijn, van berucht ‘moeilijke’ auteurs als Rimbaud en Joyce. Ook vertaalde hij werk van Nederlandstalige dichters in het Engels van bijvoorbeeld J.A. dèr Mouw en Guido Gezelle. Claes is een toegewijd en nauwkeurig lezer, die van zijn leesavonturen op gedegen wijze verslag doet, zoals ook nu in Zwarte Venus van Baudelaire.

    Zwarte Venus bevat een korte inleiding, een beknopt chronologisch overzicht van de belangrijkste feiten uit Baudelaires leven en een literatuuropgave, inclusief een overzicht van eerder verschenen Nederlandse vertalingen. Bovendien levert Claes per gedicht gedetailleerd commentaar, waarin hij ingaat op de geschiedenis en achtergronden van de gedichten. Het is, om kort te gaan, een uitstekend uitgangspunt voor een (hernieuwde) kennismaking met het werk van de gedoemde dichter Baudelaire. Voorbehoud daarbij is het feit, dat poëzie vertalen de moeilijkste aller kunsten is, zoals J.C. Bloem heeft gezegd. De vertaler blijft dicht bij het origineel en kan dan evidente gewrongenheid niet vermijden. Of de dichter vertaalt ‘vrij’, en maakt – geïnspireerd door het werk van een ander – eigenlijk nieuw werk. Van dit laatste zijn tal van vertalingen van Jean Pierre Rawie een goed voorbeeld.

    Nu dan naar de Zwarte Venus van Claes / Baudelaire. Uit de vertalingen en commentaar spreekt de grote deskundigheid van Paul Claes, evenals zijn zorgvuldigheid en toewijding. En de vertalingen zijn zonder meer knap – maar ‘tot leven’ komen de gedichten in het Nederlands niet. Als voorbeeld dient het gedicht ‘Spleen’, echt een Baudelaire-woord, een moeilijk vertaalbaar begrip dat Wikipedia niet onaardig omschrijft als zich ‘lekker droevig’ voelen, en waarvan de Duitse variant ‘Weltschmerz’ duidelijker is (en dus bekender werd).

    Spleen

    Wanneer de lage lucht haar deksel zwaar laat wegen
    Op onze geest die zucht in zijn neerslachtigheid,
    En op de omtrek van de horizon gezegen
    Een donker daglicht droever dan de nacht verspreidt,

    Wanneer de aarde kil verandert in een kerker
    Waarbinnen als een vleermuis onze Hunkering
    Tegen de wanden fladdert met verschrikte vlerken
    En met haar kop botst op de klamme zoldering,

    Wanneer de regen eindeloze vlagen laat beginnen
    En zo tralies nabootst van een weids gevang,
    En als een stille drom van walgelijke spinnen
    Zijn webben weeft binnen onze gedachtegang,

    Ontsteken klokken in een plotselinge toorn
    En richten naar de lucht hun dolle razernij
    Als zwervers die ver van hun land de weg verloren
    En losbarsten in onophoudelijk geschrei.

    – Een lange lijkstoet zonder trommen of trompetten
    Trekt langzaam door mijn ziel; na de genadeslag
    Weent de Hoop, en de wrede Angst, die mij verplette,
    Plant op mijn neergebogen hoofd zijn zwarte vlag.

    Ziedaar een programmatisch gedicht. Het is geen slecht Nederlands en zelfs, meelezend met het – gelukkig ernaast afgedrukte Frans – geen slechte vertaling, hier en daar zelfs mooi maar echt tot leven komt het niet. Juist de poëtische vonk, die als het goed is gedichten elektriseert en betovert, is in de vertaling verloren geraakt. En dat is jammer – maar misschien onvermijdelijk. Niettemin dient dit boekje uitstekend als leidraad tot het lezen van Baudelaires beroemde gedichten in het Frans, wat deze poëzie zeker verdient. De toegewijde dichter Paul Claes is daarbij – om zijn kennis van het Frans en van het werk van de gedoemde dichters – een leidsman zoals men zich geen betere wensen kan.