• Ademloos luisterend en enthousiast applaudisserend publiek

     

    Na twee weken dagelijke literaire festiviteiten in Utrecht sloot ILFU op 5 oktober traditiegetrouw af met de Nacht van de Poëzie.



    Onder het motto van M. Vasalis, ‘Er is geen nacht oneindig en geen stilte stil’, traden 
    tijdens de 41ste Nacht van de Poëzie twintig Nederlandse en Vlaamse dichters op in Tivoli Vredenburg in Utrecht. Voordat de de Nacht begon dwaalden bezoekers vol verwachting door de immer onoverzichtelijke rondgangen. Eenmaal in de zaal aanbeland trekken grote schermen de aandacht, waarop geprojecteerde foto’s van dichters die tijdens eerdere Nachten hebben opgetreden. Het vervult de bezoeker met een zekere nostalgie en droefenis. Want oh, oh, oh, wat zijn er al veel van die gasten niet meer onder ons! Gerrit Komrij, Leo Vroman, F. Harmsen van Beek, Menno Wigman en ga zo maar door: allemaal dood.

    Het woord oorlog

    De brute actualiteit van de boze buitenwereld gaat aan de grote rode zaal vol poëzie in Utrecht niet voorbij. Zelden viel op een avond als deze zo vaak het woord ‘oorlog’. Terloops misschien – maar toch. Mahat Arab, Spoken Word Artist, geboren in Ethiopië en opgegroeid in Arnhem die vorig jaar de Nacht afsloot en traditiegetrouw de Nacht mag openen, brengt zijn taal en professie meteen in stelling met de zinsnede: ‘ik dacht dat poëzie verzet was’. Anna Enquist, grand old lady van de Nederlandse poëzie, wil volgens de aankondiging iets belangrijks zeggen met ‘gevonden voorwerpen’. De zaal luistert ademloos, applaudisseert enthousiast, en ook bij Enquist valt het woord: ‘Vrijheid heeft steeds nieuwe oorlog nodig’. Peter Verhelst (’een prijsbeest’) leest eveneens een oorlogsgedicht voor. Met Daan Doesborgh staat er een dichter op het podium die net zo goed performer is. Ook hij refereert aan oorlog (met water als inzet) en raakt het publiek met een ontroerend gedicht over een jong gestorven vriend: 

    ‘Spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan
     Bestaan in het volle licht van het bestaan’

    Bibi Dumon Tak was vereerd dat ze voor deelname aan de Nacht werd gevraagd. Ze had echter naar eigen zeggen zo weinig poëzie geschreven dat ze vreesde de toegemeten zeven minuten niet vol te krijgen – maar dat lukte prima. Haar voordracht liep over van aandacht en liefde voor dieren. Tamelijk onpoëtisch en zeer indringend nam de dichteres de zaal mee op sleeptouw in het kielzog van een transport per vrachtwagen van pasgeboren kalfjes. Honderden kilometers lang, kriskras door Europa. En een non-fictie prozafragment over evenhoevigen (wel de koe, niet de tapir) liet zich perfect poëtisch vertolken. 

    De lach, die toch kwam

    Ted van Lieshout spreekt het publiek direct aan als hij de denkbeeldige vraag verwoordt: ‘Ga je ons laten lachen? Nee.’ Waarna een aangrijpend gedicht volgt over zijn overleden jongere broer. De toehoorders krijgen geen tijd om het effect op zich te laten inwerken, want hoe pregnant Van Lieshout het publiek met dit gedicht ook benadert, hij doorbreekt de opgeroepen stemming door de voordracht direct te vervolgen met de verzuchting, ‘Erg hè?’. Waarna er alsnog genoeg is om hard om te lachen.

     

     

    Als immer tijdens de Nacht worden voordrachten van dichters afgewisseld met entr’acts. Deze zijn doorgaans van zeer hoog niveau. Zo kreeg theatermaker Steef de Jong het publiek op de banken met zijn hartveroverende presentaties: vernuftige kartonnen constructies, De Jongs performance en de verbeelding van de toeschouwers leidden tot een uitzinnig geheel. Hilarische slapstick, origineel en onweerstaanbaar: van een negentiende-eeuws operettefragment van Jacques Offenbach tot een optreden van Queen en een uitstapje naar de Oostenrijkse Alpen, waar Maria von Trapp de vreugde van muziek bezingt. Schijnbaar moeiteloos en opgewekt brengt Steef de Jong het in een dik kwartier allemaal voor het voetlicht.

     

     

    Heel anders van aard was de muziek van het Cello Octet Amsterdam. Deels ritmisch ‘monotoon’ en modernistisch, deels toegankelijk met een schitterende uitvoering van ‘Within you without you’ van The Beatles. Waarbij ‘When I’m 64’ de zaal zachtjes meezong.

    Geëngageerde poëzie  

    Ramsey Nasr dichtte en acteerde geëngageerd over Wilders en Rutte. En hoe een gedicht uit 2010 tegen de achtergrond van de actualiteit aan schrilheid heeft gewonnen. Met zijn opzwepende voordracht oogste Nasr een enorm applaus. En wat je voelde aankomen gebeurde inderdaad: Nasr citeerde de regels van Vasalis die het motto zijn van deze Nacht en vervolgde geëmotioneerd: ‘Lang leve Palestina’. Maarten Inghels probeert naar eigen zeggen al twintig jaar te stoppen met schrijven. Gelukkig slaagde hij daar niet in – en blijkens zijn website doet hij bovendien nog veel meer. Zijn voorstel voor een voetbalwedstijd tussen tweemaal elf bomen (een team inheemse, een team uitheemse bomen), die in de loop van honderd jaar ‘naar elkaar toe groeien’ was een verbluffend staaltje van de grenzeloos rekbare mogelijkheden van de poëzie. Roan Kasanmonadi – schrijver, danser, psychiater in opleiding – demonstreerde aanstekelijk en overtuigend dat de wijze waarop games zijn gestructureerd, ook een prima kapstok kunnen zijn voor gedichten.    

    Soms ongemakkelijk, immer poëtisch

    De  entr’acte van Brilhang, rapper uit Knokke-Heist, paste met zijn prachtige teksten, uitgevoerd in het West-Vlaams en indringend begeleid op een synthesizer naadloos tussen de andere poëtische voordrachten. Veel dichters vertolkten gedragen lange teksten, bezwerend, verhalend, soms sprookjesachtig, soms ongemakkelijk, immer poëtisch. De finale entr’acte van de Nacht behelsde een muzikaal spektakel opgevoerd door een ensemble bestaande uit negen vrouwen dan wel non binaire bandleden. Veel bezoekers waren al vertrokken maar de blijvers hadden gelijk en dansten de vermoeidheid uit hun ledematen. En konden zo om kwart voor drie nog aandachtig luisteren naar de laatste dichter, Yentl van Stokkum, die traditiegetrouw volgend jaar de 42e Nacht mag openen.

    Buiten de zaal was er gedurende de hele Nacht de roezige dynamiek van boekverkoop, stands van poëzie-uitgevers, tijdschriften als Vooys en Awater, signeersessies. Wie wilde kon terecht in een literaire tattooshop of naar een poëzie apotheek.
    ‘Wat goed dat dit bestaat!’, begon dichter Bernard Wesseling zijn voordracht. Daaraan hoeft niets meer te worden toegevoegd.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Boerengebrabbel

    Boerengebrabbel

    Toen mijn moeder stierf, nam ze mijn taal met zich mee. Ze was de laatste met wie ik kon spreken in het dialect van mijn kinderjaren: een scherpe en schurende streektaal, ondoordringbaar voor degenen die niet in onze stad geboren en getogen zijn, maar met een rijkdom aan uitdrukkingen en oude grammaticale structuren die nooit door het officiële Nederlands werden overtroffen. Mijn moedertaal heeft haar wortels diep in de geschiedenis.

    Als kind dacht ik dat ons dialect de standaardtaal was, want ik kende niemand in de hele buurt die iets anders sprak. Standaard Nederlands was ons even vreemd en ver als Russisch. Soms verdwaalde een vreemdeling in onze wijk, iemand uit het noorden van over de grote rivieren waar de mensen een taal spraken die deftig en vijandig klonk, met een gevocaliseerde r en een raspende gutturale g: zo iemand kwam ons vreemder voor dan een buitenaards wezen. Taal weet mensen te verbinden, maar sluit tegelijkertijd anderen uit.

    Dialecten hebben tegenwoordig een opgehoogde status gekregen en worden niet meer beschouwd als boerengebrabbel van volk met klei aan de klompen. Maar ik kan mijn vreugde daarover met niemand meer delen: niemand die ik ken verstaat nog de woorden waarmee ik mijn gevoelens het beste kan uitdrukken, en er is niemand meer die me noemt bij de namen die mijn moeder me zo liefdevol gaf. Ik rouw om de dood van mijn moeder en ik mis haar, maar net zo pijnlijk als het feit dat ze er niet meer is, is het besef dat ik samen met haar ook mijn taal ben kwijtgeraakt.

    ‘Waar niemand ooit nog thuiskomt, daar begint de poëzie’, zegt Ramsey Nasr. Ik vond troost bij een sonnet van Karel Jonckheere (1906-1993), waarvan de woorden mijn gevoel van weemoed en heimwee wisten weer te geven:

    Heimwee naar moeders woordenschat

    ‘Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer
    en van de muze honderd lepe wetten
    om ze verbluffend naast elkaar te zetten
    tot schone larie over duister zeer.

    Maar als ik op een avond bij ruig weer
    de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,
    de troost schudt uit de kuil van mijn sonnetten,
    vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

    Geleerde vrienden, die het kunnen weten,
    hebben eens de armoe van uw mond geteld
    maar geen heeft mij dan tot nog toe vermeld

    hoe gij met twintig silben mild gemeten
    mij meer met wijsheid en geluk vervult
    dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.’

     


    Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.

     

  • Romantiek, daar heb ik niets mee

     

    Ramsey Nasr heeft een acteeropleiding, regisseert, maar is toch vooral dichter. De afgelopen maanden stond hij veelvuldig in de spotlights. er was een rel rond zijn stadsdichterschap, een Palestijn als stadsdichter van het joods-gevoelige Antwerpen. Zal hij de jihad niet gaan afroepen? Zijn aanstelling ging gepaard met veel media-aandacht. Nu zijn de gemoederen bedaard en Antwerpen heeft hem als stadsdichter omarmd. Tijd voor Literair Nederland voor een gesprek met de stadsdichter. Onderwerpen als de Nederlandse cultuur, nederigheid, leven tussen extremen, de Romantiek, slecht lezende critici en geloof werden besproken onder het genot van een cappuccino en een omelet.

     

    Ten tijde van ons gesprek is Ramsey Nasr ruim twee maanden stadsdichter van Antwerpen en heeft er zin in. Misschien door de rel rond zijn aanstelling nog wel meer.

     

    ‘Ik weet nu wat het kan inhouden en hoe mensen naar je kunnen kijken. De verdediging die ik moest voeren was een verdediging tegen een beschuldiging die de moeite niet waard was. Dit ging om mensen die mij niet kenden en het was de eerste keer dat ik werd aangevallen op mijn naam, mijn afkomst. Mensen mogen zichzelf als mijn vijand beschouwen, maar dat moet dan wel op basis zijn van wie ik ben. Ik ben er wel meer volwassen door geworden. Van nature ben ik een allemansvriend en juist door mijn opiniestukken ben ik erachter gekomen dat niet iedereen je vriendje kan zijn en dat er inderdaad mensen zijn die je bij voorbaat al haten of niet moeten. Een paar jaar geleden was ik nog de knuffelPalestijn, waarvan mensen dachten dat ze hem konden inhuren voor feestjes en partijen, maar nu weten ze waar ik sta en wat ze aan me hebben. Bas Heijne zei tegen me dat het wel goed is zo, dat ik nu niet meer van iedereen ben en dat niet iedereen meer kan zeggen: Ach ja, wat goed dat een buitenlander zijn mond ook kan roeren.’

     

    Nasr moet wennen aan zijn nieuwe functie, vooral aan het verschijnsel dat hij een bekende Antwerpenaar werd.

     

    ‘Dat is raar, dat mensen je op straat aanhouden of naroepen. Maar bij alles denk ik, als het maar om de inhoud gaat. Als ik na dit jaar bepaalde mensen er toe heb kunnen brengen eens een poëziebundel te lezen, dan ben ik geslaagd. Ik zou willen dat mensen de glans van poëzie weer zagen. Wat nu typisch Nederlands is en wat in Antwerpen ook aan de gang is, is de afkeer van alles wat intellectueel of elitair is. Nu ben ik bij uitstek iemand die pleit voor elitarisme en ik zal nooit beweren dat poëzie niet elitair is, maar ik vind wel dat het aura van elitarisme dat om poëzie heen hangt opgeheven moet worden. Je moet proberen zo veel mogelijk mensen, al is het tijdelijk, naar die elite toe te trekken. Maar de kunstenaar moet nooit op zijn knieën. Je kunt rekening houden met je doelgroep en je kunt uiterlijke toegevingen doen, maar de inhoud van poëzie mag je nooit veranderen.’

     

    De Bulkboekdag van de Literatuur, een literatuurfestival voor middelbare scholieren, achttienhonderd jongeren in de zaal. De kans om een nieuw publiek voor de poëzie winnen.

     

    ‘Als ik daar optreed, weet ik dat ik met iets anders aan moet komen dan wanneer ik voor een speciale poëzieavond word gevraagd waar al jarenlang hardcore poëzieliefhebbers komen. Bij de opening in de Grote Zaal lees je drie gedichten voor aan een publiek dat erdoorheen kan gaan schreeuwen. Nou, die moet je meteen op hun plaats wijzen en zelf je bek nog iets verder opentrekken. Ik lees dan ook niet mijn drie meest intieme gedichten voor, maar ik heb wel een soort regel voor mezelf: met de eerste twee probeer ik het publiek zijn zin te geven, dan lees ik iets voor waarnaar ik vermoed dat ze zullen luisteren. Maar dan lees ik er ook één die daar lijnrecht tegenin gaat, die de verstilling nodig heeft. Dat is geen knieval. Dat is gewoon slim nadenken. Want het gaat mij natuurlijk om dat laatste gedicht en dan zijn ook die schreeuwers stil’.

     

    In 2000 debuteerde Nasr als dichter met de bundel 27 Gedichten & Geen Lied, een jaar later volgde zijn prozadebuut met de novelle Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen.

     

    ‘Ik werd destijds gevraagd door Bunker Hill redacteur Jasper Henderson, een vriend op de middelbare school. Of ik wat verhalen wilde leveren voor een themanummer over theater en literatuur. Verhalen schreef ik niet, maar ik had wel wat poëzie en dat is toen gepubliceerd. Naar aanleiding daarvan ben ik gevraagd of ik een bundel wilde publiceren bij Thomas Rap.

    Wat me frustreerde aan het acteren was dat hoe goed je ook speelt, je houdt altijd je lichaam over. Wat me aantrekt in het schrijven is het feit dat je volledig kunt verdwijnen. De keuze voor de toneelschool getuigt natuurlijk al van een enorme hoogmoed en narcisme, je stelt jezelf centraal en denkt dat er driehonderd mensen naar je kunnen luisteren. Dat is ook de kick, maar als je dat eenmaal hebt gehad, dan is het juist het hoogste als mensen niet meer naar je kijken.’

     

    Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen. Het verhaal van een honderdveertig jaar oude gentleman die, als een soort verjaardagscadeautje aan zichzelf, besluit orde op zaken te gaan stellen in de wereld van verval. ‘Vandaag ga ik eens op kruistocht, is me dat geen goed idee? (…) Vandaag kom ik respect opeisen. Het is gedaan met de lankmoedigheid! Gedaan met alle platheden! Ik zal de wereld deugdzaam maken, omdat ik dat wil!’

     

    ‘Kapitein Zeiksnor was een beetje de Ramsey van toen. Ik hechtte toen erg aan etiquette. Ik was met een soort eenzaam beschavingsoffensief begonnen. Dat was nog voordat het hier in Nederland losbarstte met de normen en waarden. Toen was het nog een soort statement. Ik vond het geweldig om te lezen over de oude etiquette en het oude Nederland van rond 1900. Lodewijk van Deyssel, daar dweepte ik mee.

    Mensen hebben mij wel gewezen op de parallellen tussen Kapitein Zeiksnor en Pim Fortuyn. Iemand die terug wil naar de goede oude tijd, maar daarmee tevens terug wilde naar de tijd waarin hij zelf niet mogelijk zou zijn geweest. Hij wilde terug naar de oude fatsoensnormen en iedereen moest net zijn, maar tegelijkertijd was hij de meest flamboyante nicht, met zijn twee schoothondjes. Hij riep dat de Marokkanen zich moesten gedragen, maar ondertussen wilde hij wel gepijpt worden door diezelfde Marokkanen. Terug naar de jaren vijftig zou hij zelf nooit voor zijn flamboyante homoseksualiteit uit hebben kunnen komen. Het is gewoon een enorme paradox en op een zeer andere, ik hoop op een minder perverse manier, herken ik dat ook wel in mezelf. Regels moeten er zijn, maar dan voor anderen. Dat is Nederland ten voeten uit. Zelf ontsnap je toch graag aan de regels. Als iedereen voor een rood stoplicht staat te wachten, wil de Nederlander er doorheen lopen.’

     

    De extremen komen terug in zijn werk: verheven thema’s worden vaak met humor ten val gebracht.

    ‘Het is een soort nederigheid. Alle grote ideologieën hebben gefaald dus je weet dat alles waar je je voor inzet met de nodige argwaan bekeken moet worden. Je kunt het beter zelf onderuit halen dan dat je critici of lezers het doen. Een manier om jezelf onderuit te halen is cynisme, maar daar probeer ik verre van te blijven. Je moet meer proberen de beperktheid in te zien van wat je wil zeggen.’

     

    Het doorslaan in extremen ziet hij in de Hollandse cultuur.

    ‘Dit volk hangt van paradoxen aan elkaar en het enige waar dit volk één in is, is hysterie. Ik kom in opstand tegen het enorme besef bij de mensen dat ze eeuwenlang van alles hebben gemist en het gevoel dat dat in één mensenleven ingehaald moet worden door het slikken van XTC, bungeejumpen, en LPF stemmen. Gevoelens moeten steeds groter, omdat ze niet meer echt worden beleefd. Leven op externe kicks. XTC is een instantmiddel om iedereen aardig te vinden, bungeejumpen een instantmiddel om nog iets van een religieus gevoel te beleven en LPF is een instantmiddel om alle problemen van de hele samenleving op te lossen. Dat noemen we dan het Oranjegevoel, die hysterie die van de ene modegril in de andere hopt. Dan is het de LPF, dan Geert Wilders en dan weer Ayaan Hirsi Ali. Hysterie, overdrijving, tactloosheid, gebrek aan klasse. Typisch Hollands’.

    In zijn werk snijdt hij regelmatig maatschappelijke onderwerpen aan. President Bush in het gedicht ‘vos’ (stand van de unie), de mkz-crisis ‘bse mkz dioxine varkenspest’. Toch houdt hij zich niet bezig met een bepaalde politieke of maatschappelijke boodschap.

     

    ‘Het gaat meer om een uitgangspunt, niet om een politieke boodschap die ik wil uitdragen. Ik ben niet bezig met het effect dat iets kan hebben, of met een boodschap. Er zit geen boodschap in poëzie. Je kunt wel een drijfveer hebben, zonder dat ik zelf weet welke dat voor mij is. Je moet in ieder geval proberen door de taal in het maatschappelijk leven te staan. De kracht van taal is dat je mensen hun ongelijk kunt geven en dat is wat ik van jongs af aan al wil’.

     

    Onhandig bloesemend (2004, de Bezige Bij), zijn tweede bundel, werd, net als 27 Gedichten & Geen Lied, overwegend zeer positief ontvangen in de pers. De bundel leverde hem echter ook het stempel ‘romantisch dichter’ op. Een stempel dat volgens de dichter getuigt van slecht lezen en dat als persoonlijke kritiek wordt opgevat.

    ‘Ik heb een hekel aan de term ‘romantisch dichter’. De hele gedachtegang achter de Romantiek zint me absoluut niet. De Romantiek is bij uitstek de periode geweest waarin de kunstenaar zichzelf boven de wereldorde heeft geplaatst en zichzelf centraal heeft gesteld als een genie, een plaatsvervanger van God. Ik vind dat onzin. Een kunstenaar is geen profeet en hij is zeker niet de lijdende mens. Hij mag zich hooguit gelukkig prijzen dat hij het lijden nog om kan zetten in iets anders. Anderen springen van een flatgebouw. Onhandig bloesemend is een zoektocht naar welke beelden vanuit de Duitse Romantiek na Auschwitz mogen blijven bestaan. Het cliché luidt dat er na Auschwitz geen plaats meer is voor nachtegalen. Maar er bestaan nog nachtegalen. Moet je dat negeren? Moet je negeren dat mensen elkaar nog steeds liefhebben en afmaken, dat mensen met andere woorden nog steeds door passie worden gedreven? Nee, dat is inherent aan het leven. Auschwitz of niet.’

     

    In 27 gedichten & Geen Lied vertaalde Ramsey Nasr twee psalmen van David, psalm 6 en 38. Voor Onhandig bloesemend vertaalde hij er opnieuw een, psalm 23.

     

    ´Wat me aansprak in deze psalmen was voornamelijk de taal. Het tonen van de eigen onmacht, de schuldbelijdenis die tegelijkertijd een liefdesverklaring is aan God. Ik vind het persoonlijk nogal praktisch om te geloven ? ongeacht waarin en ongeacht of ik dat zelf doe of niet. Het is handig om overeind te blijven. Ik geloof niet in een man op een wolk, ook niet in een geïnstitutionaliseerde God. Ik weet niet of God staat voor iets dat ook zinloosheid kan inhouden, namelijk natuurkrachten, of dat God iets is dat het leven echt zin zou moeten geven. Ik houd vooralsnog de mogelijkheden open. Maar ik denk dat geloof vooral het mechanisme is dat er voor zorgt dat je zelf even buiten het centrum wordt geplaatst. Ik vind het geweldig om te ervaren dat een bacterie succesvoller is dan wij. Wij zijn over een paar miljoen jaar uitgestorven. Als we zo doorgaan, binnen aanzienlijk kortere tijd. Dat vind ik de meest schokkende gedachte die er is. Bach, Mozart, uiteindelijk heeft het helemaal geen zin gehad, totaal nutteloos. Misschien is kunst van een sublieme zinloosheid’.

     

     

    Citaten uit: Ramsey Nasr, Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen

     

  • Van schreeuwende uitbundigheid tot mooie ingetogenheid

    Van schreeuwende uitbundigheid tot mooie ingetogenheid

    Ramsey Nasr denderde in 2000 de poëzie binnen met de bundel 27 gedichten & geen lied waarvoor hij de nominaties binnenhaalde voor de C. Buddingh’-prijs en H.C. Pernathprijs. De monoloog in verzen Geen lied werd bekroond met de Taalunie Toneelschrijfprijs. Zijn geloofsbrieven heeft hij intussen dus wel afgegeven. Intussen is er een nieuwe dichtbundel van hem verschenen, Onhandig bloesemend.

    Kenmerkend voor Nasrs poëzie is de totale inzet waarmee hij dicht, de grote gebaren die hij maakt. Dat kan niet altijd goed gaan, maar met zijn gedrevenheid komt hij de lezer dicht op de huid. Technisch goede poëzie, maar tegelijk veilige poëzie, waarbij de dichter zich niet uitlevert aan de lezer. Of boven de zelfingenomen poëzie, waarbij de dichter alles wat hij afscheidt als iets waardevols ziet. Eigenlijk is ook dat veilige poëzie: de dichter is zo zeker van zichzelf, dat hij niet meer geraakt kan worden door reacties van anderen. Nasr kiest voor iets anders. Hij kiest er niet alleen voor, hij gelooft erin, het is een credo, een levensovertuiging, hij staat ervoor. Met volle overtuiging en tegelijk in al zijn kwetsbaarheid. Uiteindelijk komt het neer op ‘baarlijke liefde’, onverholen liefde, zich ongeremd geven. Laat het maar schuim zijn, laat het maar ijdelheid zijn, laat het maar op de nacht uitlopen, de dichter koestert het. Niet voor niets is dit gedicht opgenomen in de cyclus ‘Dichter liefde’, een serie gedichten die eigenlijk een liefdegeschiedenis is, soms verteld in de ik-vorm, soms is de hoofdpersoon Frederik Wonderlik. De cyclus begint met een overrompelende verliefdheid (‘dat was in de wonderbaarlijke maand/van bloesemingen en overvloed/toen mijn borstkas opstoof als papaver’) en het eindigt, zoals alles in dit leven eindigt (‘Frederik wonderlik was feilloos/op slag een sterveling geworden’).

    De derde afdeling van Onhandig bloesemend heeft de titel ‘Wintersonate (zonder piano en altviool)’ Het is een In memoriam voor Dmitri Sjostakovitsj, gebaseerd op diens altvioolsonate opus 147 en heeft kent de onderdelen ‘moderato’, ‘allegretto’ en ‘adagio’. Zoals ik uit de gedichten opmaak, werd Sjostakovitsj geteisterd door ‘kanker en infarcten van het hart’: (…) iemand moet het me toch zeggen iemand stompt mijn toverballen uit een voor een niet geel niet rood oranje roze bloesemend zwart ben je van binnen en het zaait zich uit vader het ziet er niet goed uit en er is geen dokter knap genoeg voor jou om jou te maken (…) Daarnaast had Sjostakovitsj te kampen met het Sovjetregime. Verschillende keren viel hij bij de machthebbers in ongenade. Chaos in plaats van muziek maakte hij, verweten ze hem. Maar hij werd ook weer in genade aangenomen als hij in zijn symfonieën de recente geschiedenis van zijn land toonzette. Waarschijnlijk is over geen enkele componist zo gepolemiseerd als over Sjostakovitsj. Ook Nasr mengt zich in de discussie. Hij laat zien hoe lastig het was om componist te zijn in die tijd, in Rusland. Sommige instrumenten (de trombone bijvoorbeeld) waren verdacht. De Sjostakovitsj zoals Nasr hem tekent, verheelt de gruwelen van het regime niet: ‘(…) en dima gatsjev is vergeten het ongeluk wilde dat gatsjev frans kende gatsjev kreeg vijf jaar hij was een sterke man een paar dagen voor het einde kreeg gatsjev te horen dat hij tien jaar erbij kreeg dat brak hem (…)’

    In zo’n fragment gebruikt Nasr een kale stijl, alsof hij een reportage maakt. De feiten spreken voor zich en daar hoeft de dichter niet tussen te gaan zitten. Het laat wel de veelzijdigheid van de dichter zien: hij varieert van bijna genante uitbundigheid tot uiterste ingetogenheid; een stem met een groot bereik. Nasrs Sjostakovitsj ironiseert de manier waarop machthebbers hun waardering lieten blijken. Zo schetst hij een tuin (‘de dappere tuin van volkskunstenaren (…) goedgekeurd én ontworpen door de opperste leider der proletaren’) waarin de meest glorieuze bloemen staan te bloeien, waarbij natuurlijk niet toevallig het woord ‘bloemenrijk’ wordt gebruikt. Naast de hortensia, de tulp en de fuchsia zijn daar bijvoorbeeld te vinden: (…) kameraad gras! * lid van de commissie voor sierbloemen, bossen & peulvruchten en dan ja dán! kameraad aardappel! * held van de socialistische arbeid * voorzitter van de knollenbond van de RSFSR * afgevaardigde van de opperste sovjet van de USSR voor het district gorki * großer stern der völkerfreundschaft in goud van de DDR * stalinprijs 1e klasse (…) De cyclus eindigt met de dood van de componist, gedeeltelijk cursief afgedrukt.

    Schaamteloos lyrisch, maar als lezer heb je het idee dat het ook niet anders kan en mag. De dichter staat steeds naast de componist. Hij verdedigt niet alleen de positie die Sjostakovitsj in de Sovjet-Unie ingenomen heeft en de keuzes die hij gemaakt heeft, maar hij laat hem ook vooral als mens zien. Aan het eind van de cyclus laat hij de mens zien die bang is en vastgehouden wil worden, maar die zich nergens voor hoeft te schamen. En natuurlijk is het slotakkoord voor de muziek. Pas bij de dood van de componist is ook de muziek klaar.