• Het is mooi als het nog een kant op kan

    De Portugese fotografe Ana Carvalho (1952, Porto) is van oorsprong vertaler. Ze vertrok halverwege de jaren zeventig naar Berlijn waar ze Thomas Mann en Ernst Jünger in het Portugees vertaalde. Later, toen ze in Nederland woonde, vertaalde ze Adriaan van Dis, Hugo Claus en Judith Herzberg. Sinds tien jaar is ze fotografe en sinds twee jaar vormgeefster bij Zuca-magazine, een online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur waar ze samen met haar man, vertaler Harrie Lemmens, invulling aan geeft. Op 13 juni, de dag dat Fernando Pessoa 130 geleden in Lissabon geboren werd, verschijnt het fotoboek Het uurwerk van de ziel van Ana Carvalho.

    Het uurwerk van de ziel is een keuze uit de gedurende twee jaar wekelijks gepubliceerde korte citaten uit het Boek der rusteloosheid door Fernando Pessoa in vertaling van Harrie Lemmens, begeleid met een foto van Ana Carvalho op Zuca-magazine.

    ‘Een dialoog’ merkt Ana Carvalho op als we in Utrecht tegenover elkaar aan tafel zitten bij restaurant De Rechtbank. ‘Mijn foto’s zijn geen illustraties maar gaan een dialoog aan met literaire teksten.’

    Literair Nederland ging met haar in gesprek over Portugese literatuur, foto’s voor boekomslagen en waar haar inspiratie vandaan komt.

     

    Zijn de foto’s er eerst en wordt daarbij een tekst gezocht of is een tekst het uitgangspunt?

    ‘De foto’s maak ik veelal zonder opdracht. Ik ben doorlopend aan het fotograferen. In Portugal heb ik een paar jaar geleden een catalogus van mijn werk gemaakt met teksten van Antonio Lobo Antunes, een hommage aan de schrijver. De teksten zijn er al en vormen het uitgangspunt. Mijn laatste fotoboek was wel een opdracht, van de stad Póvoa de Varzim bij Porto. In dat boek heb ik een beeld van de stad geschetst in verbintenis met de zee met de titel MarTerraMar (ZeeLandZee). Omdat de zee belangrijk is voor de economie en cultuur van de stad. De citaten van Pessoa voor Zuca-magazine waren er natuurlijk al en daar zocht ik een foto bij. Bij zijn zinnen pasten mijn meer abstracte foto’s.’

     

    Hoe ontstaat een beeld zoals deze verfspuwende kraters?

    ‘Ik ensceneer nooit voor een foto. Deze foto maakte ik op een bouwplaats. Ik fotografeer graag op plaatsen waar gewerkt wordt. Ook op scheepswerven. Dit is nadat er een kwast is uitgeschud tegen de muur. Wat ik erin zag is een soort vallen, vallende druppels maar dan zonder beweging.’


    Wat is de aantrekkingskracht van een bouwplaats?

    ‘Bouwvakkers hebben een bepaalde structuur van werken. Ik heb er verschillende stillevens gemaakt. Dan staat er een emmer, de kwasten, een potje. Alles zetten ze klaar voor ze aan het werk gaan. Dat heeft mijn interesse en dat fotografeer ik. Ik fotografeerde in Portugal eens een muur op een bouwplaats. Tegen de schilder zei ik, “Dat is kunst wat je daar maakt.” Toen zei hij: “U moet straks nog eens komen, dan is het nog veel mooier.” Maar ik vind het mooi als een werk nog niet af is, zodat het nog alle kanten op kan. Een strak geschilderde muur heeft niets meer te vertellen. Wat ik doe met fotografie is de werkelijkheid in fictieve beelden vangen. Als ik een deur zie, zie ik geen deur maar de vorm van een deur. Composities van vorm, ruimte en kleur.

     

    Hoe kom je tot deze vorm van beelden maken, was er een eerste keer?

    ‘Ik maak zintuiglijke foto’s. Ik fotografeerde altijd al veel, maar niet zozeer de gewone foto’s die je in een album plakt. Wat ik zoek zijn de sporen van de tijd, de vergankelijkheid van de dingen. Ik voel me aangetrokken tot beelden die iets anders laten zien dan wat het in werkelijkheid is. Ik was een keer in een kelder waar een trap op een onmogelijke plek zat, de traptreden en de geometrie van dit alles trok me aan. Dat werd mijn eerste abstracte foto. Ik werk veel met diagonalen, contrast, licht en schaduw en dat met de sporen van de tijd. De tijd vind je in verschillende lagen terug in een beeld. Dat kan een deur zijn met afgebladderde verf, een affiche aan de muur dat er al jaren hangt, roestige schepen. Imperfectie is wat ik interessant vind en fotografeer. Het zijn sporen die spontaan ontstaan zijn, dat breng ik in beeld.’

     

    Is er wel eens een moment geweest dat je op zoek ging naar een bepaald beeld?

    ‘Toeval is een belangrijk aspect in mijn werk. Ik ga niet op zoek, ik loop rond en dan treft me iets. Net als Picasso zei: “Ik zoek niet, ik vind.” Dat is zoals ik werk, ik kom het tegen, ik zoek het niet op. Ik zie bijvoorbeeld sporen van slijtage op een muur en maak er een foto van. Maar dan zie ik daarnaast iets dat veel interessanter is. De beste foto zat waar ik niet zocht. Ik fotografeer geen composities, ook mensen fotografeer ik als objecten van een compositie, als personages in een verhaal. Het is dat wat ik zie en fotografeer wat het wordt. Ik hoef het niet in te kaderen of te bewerken, het enige wat ik soms doe is kleur toevoegen.’

     

    Zoals een schrijver notities maakt, maakt Ana Carvalho doorlopend aantekeningen met haar fototoestel. Net als de notities van een schrijver, is niet alles bruikbaar. ‘Ik kies uit wat er het beste in past, in dialoog met een tekst.’

    De laatste jaren leverde ze de afbeeldingen voor verschillende boekomslagen, zoals voor de in het Nederlands verschenen romans van Eduardo José Agualusa, Raduan Nassar en Dulce Maria Cardoso.

     

    Is het anders om een foto bij een boek te zoeken dan bij een enkel citaat?

    ‘Meer dan dat ik foto’s maak, maak ik afbeeldingen. Een fotograaf maakt de keuze van portret- of documentaire fotografie. Bij mij gaat het om het detail, om kleur en de vorm. Ik heb een eigen stijl ontwikkeld. In Het uurwerk van de ziel is uitgegaan van een enkele zin en daar heb ik een beeld bij gezocht. Voor een boekcover is dat anders, dan zoek ik een beeld dat een reactie is op het hele boek, dat het verhaal moet weergeven. Voor de hommage aan Lobo Antunes heb ik voor een heel oeuvre beelden gezocht. Dat is duidelijk moeilijker. Ik heb dat toen in drie hoofdstukken ingedeeld: personages, scenario’s en geheugen.’

     

    Er komen weinig mensen op je foto’s voor, waarom is dat?

    ‘De foto’s die ik maak zijn fictie, net als literatuur. Ook mensen zie ik als fictieve personages. Laatst maakte ik een foto van een vrouw die haar hand naar het achterhoofd van een man beweegt. Ze zaten op een bank, ik zag ze van achteren. De zon scheen en ik fotografeerde hen op het moment net voor haar hand op zijn hoofd neerkwam. Dat is het dus, een hand die in de lucht blijft, dat is een verhaal. Je weet niet of zij überhaupt haar hand op zijn hoofd legt of weer terugneemt. En dat is fictie. Zo’n foto maak ik zo snel dat ik niet aan alles denk wat ik er in eerste instantie in zie. Als in een flits zie ik de huizen op de achtergrond, de brug en de twee personages op de bank. In basis is alles daar, de kijker kan er een verhaal van maken. Als ik iets zie, moet ik het direct kunnen fotograferen. Maar zelfs een foto die onscherp is, kan goed zijn. Kan ik gebruiken voor een tekst.’

     

     


    Past het bij deze tijd deze snelle manier van fotograferen?

    ‘Vroeger was er niet veel keus in het maken van foto’s. Je moest werken met de apparatuur die er voorhanden was. Met een digitale camera werkt het sneller, en dat past heel goed bij mij, hoe ik de werkelijkheid in fictieve beelden zie. Snel kunnen reageren is belangrijk voor mijn werk.’

     

    Welke kunstenaars hebben je geïnspireerd?

    ‘Het begon met het constructivisme in de schilderkunst. Ik herinner me dat ik in het Van Abbemuseum was en daar werk zag van de Russische kunstenaar El Lissitzky. De kleuren en de vormen, het was een openbaring voor me. Een ander moment was in een kerk in Rome waar een schilderij van Caravaggio hing. Het was er donker, ik kon het werk niet goed zien. Toen deed een bezoeker een munt in een apparaat en scheen er opeens licht. Het rood uit het schilderij sprong op me af. Ik heb het schilderij niet kunnen zien, alleen dat rood. Het was overweldigend en had een grote impact op me. Het enige dat echt indruk op me maakte van dat hele schilderij. Rood is zo rood bij Caravaggio, zo fel. Toen werd rood mijn kleur, wilde ik het gebruiken. Ook film noir is voor mij belangrijk geweest. De foto met de twee personages en de hand bijvoorbeeld is voor mij als een still uit een film, een fragment. En natuurlijk de fotograaf Cartier-Bresson, die werkte veel met schaduwen, lege plekken in het beeld.’

     

    Welke Portugese schrijver heeft veel voor je betekend?

    ‘Lobo Antunes was toentertijd voor mij echt een ontdekking, zoals voor veel Portugezen. Hij heeft de werkelijkheid zo goed beschreven, de koloniale oorlog, de revolutie. Bijvoorbeeld in De pracht en praal van Portugal, een heel sterk boek, en Fado alexandrino. Zijn stijl spreekt me erg aan. En ook José Saramago, hoewel niet alles van hem me aanspreekt, maar Memoriaal van het Klooster, heeft sterke beelden.’

     

    De titel van het boek ‘Het uurwerk van de ziel’ doet denken aan een citaat van Pessoa.

    ‘Nee, het is geen citaat van Pessoa. Ik was wel aan het werk voor een expositie van Pessoa over Rusteloosheid, toen het beeld daarvoor ontstond. Ik zette zinnen van Pessoa op papier en knipte die uit. Ik had ze op de tafel uitgespreid. De uitgeknipte woorden lagen over elkaar heen en het woord alma (ziel) was zichtbaar en daarnaast mijn horloge. Dan zie ik de grafische vorm erin en maak een foto. Daarna heb ik er kleur in aangebracht en dat werd de cover. In het Portugees is het ‘O Relógio da Alma’.

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Het uurwerk van de ziel (uitgeverij Koppernik).
    Deze link verwijst naar de site van Ana Carvalho.

     

     

  • Hoe liefde mensen uiteen kan drijven

    Hoe liefde mensen uiteen kan drijven

    Zelden zal drift in woorden zo verbeeld zijn als in Een glas woede van Raduan Nassar. In een kolkende gedachtestroom wordt de lezer 44 pagina’s lang meegezogen in de woede tussen twee geliefden. Je krijgt de kans niet om op adem te komen, want de tekst bestaat maar uit één zin, waarin de woorden kolkend over je heen komen.
    Het is een korte novelle die in Nederlandse vertaling tegelijk met Bijbelse landbouw, ook van Nassar, wordt uitgegeven.

    Een glas woede is een sensueel verhaal, ook in de razernij. Er zijn zeven hoofdstukjes, in chronologische volgorde van een nacht en een dag, verteld door de man: ‘De aankomst’, ‘In bed’, ‘Het opstaan’, ‘De douche’ en ‘Het ontbijt’ zijn de eerste vijf. Ze beslaan maar twee of drie pagina’s (‘In bed’ telt er vijf) en bestaan ook elk uit één zin. Dan volgt het lange ‘De uitbarsting’ waarna het slothoofdstuk weer ‘De aankomst’ heet, maar nu vanuit het perspectief van de vrouw. Centraal staat min of meer de vrijpartij uit de nacht, maar die wordt niet zelf beschreven. In ‘In bed’ krijgen we slechts de fantasie van de man te lezen die wacht tot de vrouw bij hem komt liggen. Hoe de nacht zal verlopen weet hij precies. Dan is de lezer duidelijk dat de man een narcist is en een macho, die graag de macht in handen heeft.

    Bladsnijmieren
    De uitbarsting komt als de man, de bewoner van het huis, ’s morgens op het moment dat zijn vriendin klaar staat om met de auto weg te rijden, ontdekt dat bladsnijmieren een gat in zijn ligusterhaag hebben gevreten. Hij ontsteekt in een drift waarmee hij eerst gif op het mierenspoor strooit en daarna zijn vriendin bestookt. Zo gaat hij tierend van de ‘godverdomde kutmieren’ naar zijn ‘zeikwijf’, waarbij het hele scala aan bejegeningen tegen elkaar wordt afgezet. Ondertussen staat zij daar maar tegen de klink van haar autoportier geleund. Maar onontkoombaar wordt ze in zijn razernij meegezogen. Als in het laatste hoofdstukje de vrouw aan het eind van de dag weer naar hetzelfde huis terugkeert vindt ze de man in foetushouding op bed, wachtend op haar. De titel is gelijk aan het eerste hoofdstuk waarin de man thuiskwam, waar zij wachtte. Beide keren: ‘De aankomst’.  Alsof hierna het ritueel weer kan worden herhaald.
    Wat aanvankelijk een wilde richtingloze verkettering lijkt, blijkt bij aandachtige lezing een ritueel tussen de twee (‘de liturgie van een zwarte mis’, noemt de man het) waarin de eeuwige strijd tussen Thanatos en Eros wordt gevochten. Maar er is meer. Vertaler Harrie Lemmens schrijft in zijn Nawoord dat Een glas woede verwijst naar de dictatuur van de generaals in Brazilië (zij pleegden een staatsgreep in 1964). Aan de basis van het verhaal ligt volgens hem ‘het eeuwige conflict tussen orde en chaos. Of anders geformuleerd, tussen de macht van de traditie en de drang tot vrijheid.’

    Eén roman
    Dat korte, maar zeer lezenswaardige Nawoord van Lemmens, is toegevoegd aan de roman Bijbelse landbouw. Daar lezen we dat de christelijke ouders van Nassar uit Libanon emigreerden naar Brazilië, waar Raduan opgroeide als het zevende in een gezin van tien kinderen. Hij studeerde er rechten en filosofie en ging, na de nodige omzwervingen, de journalistiek in. Hij schreef enkele korte verhalen en maar één novelle (Een glas woede, gepubliceerd in 1978) en één roman (Bijbelse landbouw, gepubliceerd in 1975). Beide zijn nu tegelijk voor het eerst in Nederlandse vertaling uitgegeven door Prometheus. Waar Een glas woede gaat over de worsteling tussen aanpassing en verzet, en politiek is, speelt het conflict in Bijbelse landbouw volgens Lemmens op het terrein van de ethiek.

    Wat tegen Een glas woede kan worden ingebracht is dat vooral het hoofdstuk ‘De uitbarsting’ wat geforceerd en geconstrueerd aandoet. Dat gevoel bekruipt je als je daarna Bijbelse landbouw leest. Die roman is een stuk soepeler van taal, poëtischer, nog sensueler en bedwelmender dan de novelle. Ook in deze roman bestaan alle hoofdstukken op één na, uit één zin. Dat heeft hetzelfde bedwelmende effect, maar toch krijgt de lezer meer ruimte om te ademhalen. Er zit meer rust in.

    Kathedraal
    De roman is in zekere zin een omkering van het verhaal van de verloren zoon uit het Oude Testament. Die zoon is André, jongen uit een gezin van zeven kinderen. Hij is de boerderij van zijn ouders ontvlucht en wordt door zijn oudste broer Pedro gevraagd terug te komen. Pedro is gestuurd door zijn vader die als een patriarch (een woord dat ook een keer valt, zoals André het gezin een paar keer ‘de Kathedraal’ noemt en de gesprekken van vader ‘preken’) zijn normen en waarden aan het gezin oplegt. Die zijn gegrondvest op de bijbel. Onderdeel van dat waardenpatroon is dat het ware geluk alleen te vinden is in het ondergeschikt maken van individuele wensen en behoeften aan de familieband. Het geluk kan alleen als hecht gezin worden bereikt: door ons terug te trekken ontsnappen we aan het gevaar van de hartstochten, maar niemand die bij zijn verstand is mag denken dat we de armen over elkaar moeten slaan, want het onkruid woekert op onvruchtbare grond: niemand bij ons thuis mag de armen over elkaar slaan zolang het land bestaat om te bebouwen, niemand bij ons thuis mag de armen over elkaar slaan zolang er muren zijn om op te trekken, en niemand bij ons thuis mag de armen over elkaar slaan zolang er een broer of een zuster bestaat om te helpen. En even verder maant de vader tot geduld, want de tijd weet wat goed is, de tijd is ruimhartig, de tijd is groot, de tijd is gul, de tijd is royaal, de tijd geeft in overvloed: hij sust onze benauwenis, vermindert de spanning van onze zorgen.

    Dans
    Trouw aan de (Bijbelse) traditie en geduld lijken de toverwoorden van de vader. André was als kind al anders. Hij trok zich terug in een eigen cocon in de natuur. Zijn vlucht is gevolgd nadat hij zich vergreep aan zijn zus Ana toen hij werd bedwelmd door een sensuele dans van haar.
    Pedro krijgt te horen wat er is voorgevallen en hoe knellend het stempel van vader is. Toch gaat André mee. Zijn thuiskomst wordt gevierd met een groot feest, maar de lezer is intussen duidelijk dat vader en zoon elkaar niet zullen bereiken. Je weet donders goed dat je in dit huis op onze liefde kunt rekenen!, voegt de vader André toe. Die reageert met: anders dan men denkt brengt liefde mensen niet alleen dichter bij elkaar, ze drijft ze ook uiteen; en het zou heus geen onzin zijn als ik daaruit afleid dat de liefde in het gezin misschien niet zo geweldig is als men zich voorstelt.
    In een geweldige apotheose wordt pagina’s lang, in letterlijke bewoordingen, de dans herhaald die André destijds verleidde. Maar nu met nog dramatischer gevolgen.

    Bijbelse landbouw is een leesavontuur door de poëtische stijl van Nassar, de aangrijpende schets van menselijke onmacht, de talrijke intertekstuele verwijzingen –  vooral naar de Bijbel –, maar ook door de volstrekte afwezigheid van zwart/wit denken. Zeer aanbevolen!