• Oorlog in gecamoufleerde taalexplosie

    Oorlog in gecamoufleerde taalexplosie

    Bij de toekenning van de P.C Hooft-prijs 2024 aan Astrid Lampe schrijft de jury in het juryrapport: ‘Lampe dicht met een diabolische intensiteit over het moderne leven, in zinnelijke en ontembare taal’. Rake woorden die juist van toepassing zijn op de bundel ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’: een verzameling verzen die de lezer op indringende wijze laat voelen hoe de wereld van vandaag in elkaar steekt.

    En die wereld blijkt kwetsbaarder dan ooit. Grenzen worden opgetrokken, prioriteiten gesteld en dreigementen geuit. In de overtreffende trap is er zelfs het allesoverheersende gewapende conflict. Is het een wereld ‘die je wist dat zou komen’ of zijn we overvallen in onze argeloosheid? Lampe zet haar gedachten hierover om in beeldende poëzie en probeert zo de dreiging te benoemen en vast te pakken. En daarmee te neutraliseren.

    in een spleet van het bergmassief
    troepen trollen samen
    onze wapensystemen
    praten met elkaar
    het voorjaar
    is door een storm tegen de grond gewerkt
    d
    e rekenkracht die het kost
    je bloei een jaar uit te stellen
    de gedachte aan veiligheid voedsel
    goede voortplanting die gedachte

    af te maken per strekkende meter mijnenveld
    breng ik het noppenfolie
    gecontroleerd tot ontploffing

    ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’ is doordesemd van oorlog en strijd. In vrijwel alle gedichten verwijst de dichter naar het militaire domein door begrippen te plaatsen als commandostructuur, scherfvest, troepensamentrekking, schootsveld, enzovoorts. De verweving van dit jargon met de haast achteloze beschrijving van situaties en momenten maakt dat de impact van het geheel extra wordt benadrukt.

    Dat Lampe een specifieke strijd op het oog heeft, laat ze hier en daar ook door de tekst schemeren. Met kleine druppels injecteert ze de actualiteit in de schijnbare alledaagsheid en opeens stuit het oog van de lezer op ‘de Russische ziel’, ‘het datsjadorp’ of ‘de woede uit Moskou’. Net voldoende om een onbehaaglijk gevoel te introduceren: deze poëzie staat met de voeten in de klei van het hier en nu.

    Samenstellingen

    Ook zonder oorlogsdreiging vormen de verzen een ware ontdekkingstocht door het hoofd van de dichter. Lampe is een liefhebber van samenstellingen die een zweem van vervreemding oproepen: een luchtbed met een diepzeevenster/ drijft op het karma van de opblaasadem/ aan de rand van het privézwembad/ recupereert het meesterbrein. Het veelvuldig gebruik van combinatiewoorden bepaalt zowel het ritme als de richting van het gedicht.

    Verhalend over de overweldigende natuur, de kwetsbaarheid van het leven of simpelweg de verbintenis tussen mensen, iedere situatie wordt geschetst in een ‘ontembare’ taal die de lezer meeneemt en vooral de ruimte geeft om tot een eigen interpretatie te komen.

    de geliefde
    gered door de kleine salamanderkachel
    fysiek en nabij nu de markt zo nerveus

    de mok zonder oor over zeven levens heen getild
    een van de knoppen waaraan je kan draaien

    macht

    geprojecteerd op het kasjmier vloerkleed

    stug tegen de vleug in vegen
    wekt de slapende cel

    het bloemmotief
    als kleinste terreureenheid in onze natuur ingeweven
    glanst tot op de draad

    Geen interpunctie

    Lampe weet als geen ander in een salvo van korte zinnetjes zowel een gevoelige als een dreigende ondertoon over te brengen. Zonder beginkapitalen en geheel zonder interpunctie blijven de regels stromen. Het gebruik van enjambement verrast en zet meestal aan tot opnieuw lezen, omdat de verschillende overgangen ook een nieuwe betekenis kunnen opwerpen. Hier en daar een fraaie alliteratie, zowel in vorm als in klank, maken deze bundel tot een verzameling wonderlijke, intense en tegelijk innemende gedichten.

    In het slotgedicht keert de dichter terug in zichzelf, als een ‘zachte landing op leeuwenpootjes’:

    je vouwt me uit als een zeldzame-grondstoffenkaart
    tot de abc-moertjes uit het woord oorlog lostrillen
    in de flat zonder ramen
    staat het graan nu kniehoog

    een geharnast lichaam

    de volle korenaar
    die langs een rug opkruipt
    voorkookt of ik wel of niet geboren ga worden

     

  • Lezen, nadenken en beleven

    Lezen, nadenken en beleven

    Erwin Hurenkamp (1993) debuteerde in 2023 als dichter met de bundel Nu we er toch zijn, poëzie over de natuur, met veel invloed van en geïnspireerd door onder andere Ierse mythen en sagen. Pogingen is zijn romandebuut. Ook hier besteedt hij veel aandacht aan de natuur, bomen, bossen, het Ierse landschap.

    Pogingen is een raamvertelling, bestaat uit twee delen en vertelt vooral het verhaal van Ella en in tweede instantie dat van haar zoon Johannes, met rollen voor haar man en haar moeder (omajuud). Als Johannes zeven jaar is besluit Ella weg te gaan zonder het idee te hebben waar naartoe en hoe en wat. Via Frankrijk komt ze uiteindelijk aan de zuidwestkust van Ierland terecht in een klein dorpje. Ze boekt een kamer in een klein en oud hotel, gerund door de eenzame uitbaatster Lina. Ella is de enige gast. Ze voelt zich thuis in de overweldigende natuur van Ierland.

    Waarom ging ze weg? Was het vluchten, maar waarvoor? In haar huwelijk ‘werkten veiligheid en routines als een verdovend middel. Er volgden jaren van vergetelheid. Nu doe ik een poging daaruit te ontwaken. Het is niet de man voor wie ik ben weggelopen, maar waar die voor staat – de betekenis die zijn lichaam heeft gekregen.’

    Ontsnappingskunstenaar

    Ella voelt zich ongemakkelijk in het hotel en in het dorp, maar gaandeweg wordt ze geaccepteerd en accepteert ze zelf ook dat ze daar is. Ze ontmoet Conall, met wie ze een verhouding begint en die haar uiteindelijk in het huisje van zijn oma onderbrengt. Ze settelt zich steeds meer, is vaak tevreden, maar soms kriebelt het. De boeken die ze in het huisje vindt inspireren haar om zelf te gaan schrijven.

    Ze schrijft het verhaal van de Selkies dat ze ooit aan haar zoon heeft verteld. Een Selkie is een wezen, een soort zeehond in zee, dat nieuwsgierig is naar het leven op het land. Op zeker moment bedwingt ze haar nieuwsgierigheid niet langer, komt uit zee, stroopt haar huid af en verbergt die. De Selkie wordt verliefd op de man die de huid vindt en leeft haar leven met hem. Als ze de huid weer vindt, trekt ze hem aan en verdwijnt weer in zee.
    Wat Ella ook doet is nadenken over haar moeder: ’Mijn moeder is, net als ik, een bekwame ontsnappingskunstenaar: alles waarvan we in het dagelijks leven niet durven dromen vertrouwen we toe aan de verbeelding, de fantasie.’ Ella blijft schrijven: ‘Schrijven is vertrekken, weggaan, iets achter je laten.

    Conall leidt zijn eigen leven, is veel weg maar als hij thuis is claimt hij Ella. Een oude vriend van hem komt in beeld; de twee mannen en Ella hebben seks, Conall lijkt verliefd op zijn vriend. Ella blijft zoeken en schrijven, praat er met Lina over die haar vraagt waarom ze blijft en haar vergelijkt met ‘een vastgegroeide oester aan een rots die blijft wachten tot al haar vragen zijn uitgedoofd, tot het voorbij is’. Ella besluit terug te gaan naar huis, waar ze haar moeder van alles verwijt. Haar zoon Johannes vlucht van haar weg, klimt uit het raam en valt.

    Nog een oester op een rots

    In het tweede deel maakt Johannes als hij drieëndertig is dezelfde reis als zijn moeder, nadat hij het tijdschrift heeft gevonden dat zijn moeder uit het Ierse hotel heeft meegenomen en dat haar in die tijd inspireerde om haar leven te leiden zoals ze dat toen wilde, dat haar aan het denken zette over haar jeugd, haar verlangens. Johannes is geïntrigeerd door het avontuur van zijn moeder. Hij wil uitzoeken wat haar bezielde en uiteraard ook waarom ze weer terugkwam. Toen Ella wegging, heeft Johannes zich ‘vastgezet aan zijn oma, als een oester op de rotsen’.

    Johannes schrijft columns en kookboeken, voelt zich op zijn gemak in een fantasiewereld met bomen en bossen. Hij stelt zich zijn huis voor als de jungle waarin hij zich thuis voelt. Als kind wilde hij een prinses zijn. Zijn relatie met zijn vriend Sem heeft hij uitgemaakt.

    In Ierland boekt hij hetzelfde hotel als zijn moeder. Hij begint een verhouding met barkeeper David en heeft later ook seks met anderen. Het Ierse landschap en de sprookjes van het land zetten zijn fantasie aan het werk. Ook hij begint fictie te schrijven: een sprookje over een boom die een mens wordt. Ook hij voert een strijd tussen vrijheid en gebondenheid. Op aanraden van David gaat hij langs bij Lina die hem vertelt dat ze nog nooit iemand heeft meegemaakt als Ella die zo blij was naar huis te gaan.

    Oervorm was poëzie

    Hurenkamp toont veel inlevingsvermogen in vrouwen en kinderen. Daardoor is het tweedelige verhaal dat in de roman wordt verteld helder en zijn de personages levensecht. Wat ze meemaken, denken en voelen is meer dan geloofwaardig. Zijn taal is erg poëtisch. Uit zijn poëziebundel zijn veel thema’s en onderwerpen te herkennen die in de roman terugkomen: het verhaal van de Selkies, de bomen, de natuur, de metamorfoses, Ierland. Je zou kunnen zeggen dat Pogingen een uitwerking is van wat Hurenkamp in Nu we er toch zijn in oervorm in poëzie weergaf.

    Het lezen van Pogingen is niet alleen het lezen van een roman, het is ook lezen, nadenken en beleven van allerlei haast filosofische beschouwingen over queer-zijn, over de natuur, over de verhouding tussen mannen en vrouwen, over waar het leven voor is bedoeld, over metamorfoses. Hurenkamp is zachtmoedig tegenover allerlei personages, behalve tegenover Ella en Johannes. Hij laat ze streng oordelen over zichzelf.

    De roman nodigt uit tot herlezen: de taal sleept je mee, het uitgangspunt intrigeert, de gedachten zijn diep. Zo’n roman waarvan je het jammer vindt dat je ‘m uit hebt. Een van de mooiste zinnen in het boek is: ‘Maak van mens een werkwoord en vervoeg dat.’ We hebben er een uitstekende auteur bij die nieuwsgierig maakt naar zijn volgende boek.

     

  • Oogst week 2 – 2026

    Moed, deemoed

    Een drijvend terras in the Donau, twee vriendinnen die met elkaar in gesprek zijn. Een van de twee, Marija wil de verschillen tussen haar ouders, beiden van Servische afkomst, uit de doeken doen om zo de nauwe Nederlandse blik op Serviërs in Nederland te verruimen. Schrijven, wil ze, over de wereld van haar jeugd. Haar vader stamde af van vechters die voor de Turken vluchtten. Naar het Dinaragebergte in Montenegro en verder, verder, richting Bosnië en Kroatië. Haar moeder stamt af van boeren die overleefden door te verdragen, zich vasthoudend aan tradities van nederigheid en dienstbaarheid. Wat als die beide werelden onder je huid zijn gaan zitten?

    Gordana Grbavci (1965-2024) groeide op in het voormalige Joegoslavïe en vluchtte tijdens de Balkanoorlog samen met haar gezin naar Nederland. Moed, deemoed schreef ze in het Nederlands, haar nieuwe taal. Helaas overleed ze, net na het schrijven van haar boek, bij een ongeluk tijdens haar vakantie. Ze werd 59 jaar.

    Moed, deemoed
    Auteur: Gordana Grbavdi
    Uitgeverij: De kleine Uil

    De kolonie

    In de zomer van 1979 reist meneer Lloyd, een Engelse schilder, naar een eilandje voor de westkust van Ierland. Zonder het te merken wordt hij gevolgd door Jean-Pierre Masson, een Fransman die al jaren op het eiland komt en de taal van de bewoners bestudeert. Deze Fransman is fel gekant tegen eilandbezoekers. Hij wil het isolement van de bewoners en daarmee hun taal beschermen. De bewoners zelf hebben echter zo hun eigen ideeën over wat zij belangrijk vinden en wat zij van het leven verlangen. Het verhaal speelt tegen de achtergrond van The Troubles, het Noord-Ierse conflict, en de aanslagen van de IRA die daar onderdeel van waren.

    Audrey Magee is een Ierse romanschrijver en journalist. Ze studeerde Duits en Frans aan het University College Dublin en journalistiek aan de Dublin City University. Ze werkte twaalf jaar lang als journalist en schreef voor, onder andere, The Times, The Irish Times, The Observer en The Guardian. Haar eerste roman, The Undertaking, stond op meerdere shortlists en werd genomineerd voor meerdere prijzen. Haar tweede roman, De kolonie, stond op de longlist van de Booker Prize en op de shortlist van de Orwell Prize.

    De kolonie
    Auteur: Audrey Magee
    Uitgeverij: Oevers

    Ontaard

    Het is 1925 en na tien jaar lang hard werken beseft Roelof dat het hem in het Drentse veen niet zal lukken zijn droom waar te maken: een eigen stukje land. Daarom schraapt hij zijn laatste geld bij elkaar, neemt hij afscheid van iedereen die hij kent, inclusief zijn verloofde en stapt in Rotterdam op de boot naar Canada.

    In 2025, precies honderd jaar later, heeft Roelofs achterkleindochter in heel haar leven nog nooit iets avontuurlijks gedaan. Dat verandert als ze de brieven van haar overgrootmoeder vindt. Wat is er met Roelof gebeurd? Waarom is hij spoorloos verdwenen in Canada? Ze pakt wat spullen bij elkaar, neemt afscheid van familie en vrienden en maakt de reis die Roelof ooit heeft gemaakt. Honderd jaar later, op zoek naar het verhaal van haar voorvader.

    Marion Bruinenberg (1989) is schrijver, journalist, zelfstandig redacteur en vertaler. Ze studeerde Rechtsgeleerdheid, Nederlandse Taal en Cultuur en Journalistiek en ging naar de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze heeft als redacteur bij de Volkskrant gewerkt en als stagiair, bureauredacteur en acquirerend redacteur bij verschillende uitgeverijen. Haar debuut, Nieuweling, kwam uit in 2022. Ontaard is haar tweede roman.

    Ontaard
    Auteur: Marion Bruinenberg
    Uitgeverij: Querido
  • Een eenzaam leven

    Een eenzaam leven

    ‘Ik verzin levens’ zegt beeldend kunstenaar en schrijfster Joke van Vliet in een interview. Dat wil niet zeggen dat niets echt gebeurd is in haar eerste roman Niets is echt gebeurd, integendeel. Een bezinksel van zoekende mensen vormt de klei waarmee haar fictieve personages gekneed zijn. Dat levert een duizelingwekkend verhaal op dat start met de traumatische jeugdervaring van hoofdpersoon Daan en dat een zoektocht is naar een eigen weg in het leven. Een weg die bezaaid ligt met onzekerheid en vragen over moederschap en talent, kunst en schoonheid en met gemis, pijn, verdriet en eenzaamheid.

    De fabel van het verhaal is de volgende: Daan, eigenlijk Danaë, den Dolen woont in een rijtjeshuis met haar vader en moeder. Moeder is professioneel fluitiste, vader werkt als modelfotograaf in een eigen studio. Als Daan negen jaar jong is verlaat moeder het gezin. Daan denkt dat dat haar schuld is. Vader verkoopt het huis en Daan en vader gaan in de fotostudio wonen waar Daan al gauw bij zijn werk betrokken wordt. Ze gaat later naar de fotovakschool. Als haar vader jaren later in een verpleeghuis overlijdt, trekt Daan in bij zijn laatste verpleger Don. Daan wordt min of meer tegen haar wil moeder en huisvrouw. Het dochtertje wordt in de roman consequent enigszins afstandelijk ‘de baby’ en ‘het kind’ genoemd. Daan en Don raken steeds verder van elkaar verwijderd. Als ‘het kind’ negen jaar is, verlaat Don na verwijten van Daan en een knallende ruzie het gezin. Hij laat een afscheidsbriefje na: ‘Zeg Finne dat ik van haar houd’. Daan raakt de weg kwijt, verwaarloost zichzelf en haar kind. Het boek begint als Daan zich in die deplorabele toestand bevindt. Ze maakt al snel duidelijk dat ze een afschuwelijke daad heeft begaan die ze niet meer ongedaan kan maken.

    Verstikkende kinderliefde

    De 25 korte hoofdstukken van de roman beschrijven vanuit Daans huidige hallucinante perspectief fragmentarisch en niet-chronologisch het thema moederschap. Daan bevraagt haar eigen schuldig leven en zoekt naar waarheid en betekenis. Moeder maakte thuis altijd muziek en wilde niet gestoord worden, alleen poes Babushka mocht even langskomen. Dat de poes zo heet, is overigens niet zonder betekenis, zoals niets in deze roman. Babushka is Russisch voor grootmoeder en is de benaming die in Nederland gebruikt wordt voor de matroesjkagelukspoppetjes. Moeder, Daan en Finne zijn in feite ook drie van die poppetjes. In Daans beleving en herinnering is haar ‘slechtheid’ de oorzaak van haar moeders vertrek, zij heeft bijvoorbeeld een keer de gaatjes en het mondstuk van haar moeders fluit vol met klei gestopt. ‘Ze was een manipulatief diertje dat alles opeiste’ overdenkt ze nu. Vader zegt op zijn sterfbed dat moeder heeft gekozen voor haar talent en haar carrière, voor haarzelf dus, omdat zij sinds Daans geboorte niet meer kon fluiten zoals ze wilde en het niveau niet meer haalde. ‘Een kind zonder haar ouders gaat dood,’ zegt Daan later tegen een buurvrouw, om vervolgens met haar dochtertje in een soortgelijke spagaat tussen een eigen leven en een leven in dienst van een kind te belanden. Ze voelt zich na de geboorte van haar dochter zowel een gekooide tijger als een parkietje dat op een stokje zit te wachten tot het jong groot genoeg is. Het loopt niet goed af met moeder en dochter.

    Van Vliet snijdt een belangrijk en actueel thema aan met het moederschapsjuk. Het is een gegeven waar veel vrouwen die een eigen (werkzaam) leven willen leiden mee te maken hebben. Sommigen, zoals Charley Toorop of Andreas Burnier besteedden hun kinderen als ‘ontaarde moeders’ uit om te kunnen werken, anderen, zoals de vroegtwintigste-eeuwse Amsterdamse Joffers als Coba Ritsema en de latere Jeanne Bieruma Oosting kozen er bewust en nadrukkelijk voor alleenstaand en kinderloos te blijven. En niet alleen kunstenaarsvrouwen hebben hiermee te maken. Teddy Tops recent verschenen roman Egelskop gaat over niet-ontwikkeld vrouwentalent door opgelegd huisvrouwen- en moederschap en één van de ‘B’s’ van de recente Zuid-Koreaanse 4B-beweging (B = ‘ni’ oftewel ‘nee’) zegt ‘nee’ tegen het moederschap om eigen ruimte voor vrouwen te behouden.

    Daan heeft van jongs af aan een zogenoemd lui oog. Later verliest ze door een vuiltje in haar andere oog ook daarin het zicht en is ze nagenoeg blind. In deplorabele toestand ploetert ze zich uitgehongerd een weg door een langzaam maar zeker totaal vervuild huis, wat onbeschrijflijk sinistere scènes oplevert in een decor van ratten en kattenpoep, geschreven in een gedetailleerde, filmische stijl. Het wel of niet zien speelt een grote rol in de roman. Daans vader zegt dat Daan ‘het oog’ heeft, van een vakfotograaf bedoelt hij, Daan beschrijft de ogen van haar moeder zoals ze in een verte staarden toen ze voor haar vertrek fysiek nog bij het gezin was. Er worden gitgele meeuwenogen genoemd, de argwanende ogen van poes Maria, grotvissen zonder ogen. Partner Don sluit als verpleegkundige in het hospice duizenden ogen.

    ‘Wie noemt zijn kind nou Danaë, naar een cycloop?’ vraagt Daan zich af. Is Daan ook wat dit betreft in de war, of vergist de schrijfster zich hier? Danaë is in de Griekse mythologie geen cycloop. Wel zijn er parallellen met de mythologische Danaë in Niets is echt gebeurd.

    Schoonheid, talent en moraal

    De roman bevat heel veel betekenisdragende elementen. Er valt werkelijk geen mus dood van het dak zonder betekenis, of het nu een moedervlek is, een abrikozenpit, een oehoeënde uil, insecten, aanraking en zintuigen, de Etna en lava, een ballerinapopje of verschrompeld fruit, gebladerte, fossielen, medicijnen, het heelal, ruimtehond Laika of de Bijbel. De naam van poes Maria verwijst naar Daans moeder, over wie Daan zich op een moment afvraagt of zij misschien niet meer dan een verschijning was, zoals Maria voor Bernadette. Schoonheid en (onbetrouwbare) herinneringen zijn de belangrijkste motieven. ‘Een mens moet voortdurend op zoek naar schoonheid,’ zegt Daans moeder, ‘de rest doet er niet toe.’ Daan vraagt zich vervolgens af wat schoonheid eigenlijk is, of die werkelijk iets teweegbrengt en of dat belangwekkender is dan thee schenken, veters strikken, een enkel kind verzorgen? Tegelijkertijd leert ze dat talent niet vrijblijvend is en dat ook zij dus iets met haar talent zou moeten doen.

    Draait het in het leven om de zoektocht naar goed of fout of bestaat dat onderscheid niet en zijn goed en fout slechts afspraken, vraagt Daan zich af. Is een mens vrij om zijn eigen moraal te bedenken? Door haar poging het beter te doen dan haar moeder, is het Daan niet gelukt om van haar te leren, constateert ze met terugwerkende kracht. Het liefst zou ze als een vlinder naar een volgend stadium groeien. En zo voelt ze zich uiteindelijk: als een vlinder die ontwaakt uit zijn overwintering, verleid door een reepje binnenvallend licht – als in de fotostudio van haar vader en als op de omslag van het boek.

    In 2022 debuteerde Joke van Vliet met de verhalenbundel Wanneer de herten komen. De werkelijkheid omvat meer dan zijn feitelijke beschrijving, zei ze toentertijd over de verhalen in die bundel. In deze roman is dat zeker ook het geval, wat versterkt wordt door een beschrijving die sterk inzoomt op heftige gebeurtenissen. Het is en blijft de vraag, niet alleen voor Daan, wat uit de romanwerkelijkheid echt gebeurd is. Dat Daans strijd en gedrag mededogen oproept is een verdienste van de schrijfster die in een zelfbewuste stijl met veel verbeelding een werkelijkheid creëert die bij tijden surrealistisch aandoet, maar ook meeslepend en overtuigend is.

     

  • Een koortsige reis door rouw en ballingschap

    Een koortsige reis door rouw en ballingschap

    In Het inferno van Slauerhoff reconstrueert Luuk Imhann een cruciale en pijnlijke periode uit het leven van Jan Jacob Slauerhoff (1898–1936): de tijd na de doodgeboorte van zijn zoon in 1932. Dit verlies ontwricht niet alleen zijn huwelijk, maar ook zijn verhouding tot zijn werk en zijn plaats in de wereld. In een poging aan zijn verdriet te ontsnappen vertrekt Slauerhoff uit Nederland en laat hij zijn vrouw Darja achter. Hij vestigt zich als arts in het Marokkaanse Tanger, toen een neutrale, internationale zone. Zijn vlucht is zowel een poging het onbegrijpelijke verlies te doorgronden als een manier om zijn schuldgevoel en gemis met zich mee te dragen. De roman volgt hoe deze emoties zijn denken en handelen voortdurend kleuren.

    Tanger vormt in het boek een dynamisch decor vol contrasten. De stad is druk, chaotisch en onvoorspelbaar; veel culturen en vluchtelingen maken de omgeving levendig én belastend voor iemand die midden in een rouwproces zit. Slauerhoff vindt er zowel afstand als overprikkeling. De anonimiteit van Tanger biedt hem ruimte om te observeren en reflecteren, terwijl de drukte hem confronteert met een wereld die ongehinderd doorgaat. In zijn medische praktijk krijgt hij te maken met patiënten en passanten die elk hun eigen verhaal en problemen hebben. Zo wordt de stad een spiegel van zijn innerlijke onrust.

    Een etmaal dat uitzet

    Hoewel het verhaal zich in slechts één dag afspeelt, weet Imhann deze vierentwintig uur te rekken tot een volledig universum. De opeenvolging van incidenten, ontmoetingen en gedachten maakt de tijd onwezenlijk intens. De Nederlandse consul Eduard vat het kernachtig samen: ‘Wat een puinhoop is alles in amper vierentwintig uur geworden.’ Die opmerking geeft aan hoe snel het leven kan kantelen en hoe overweldigend een enkele dag kan aanvoelen wanneer emoties, professionele verplichtingen en onvoorspelbare gebeurtenissen door elkaar lopen.

    Slauerhoff beweegt zich door dit etmaal met een vermoeidheid die hem fysiek en mentaal parten speelt. Terwijl hij patiënten behandelt, door de stad loopt en gesprekken voert, wordt hij telkens teruggetrokken naar zijn verlies. De roman geeft de lezer toegang tot deze innerlijke bewegingen door de gesprekken die Slauerhoff in gedachten met Darja voert. Deze stille dialogen laten zien hoe schuld, verlangen en gemis een constante rol spelen. De afstand tussen beiden wordt voelbaar, niet alleen in fysieke zin, maar vooral doordat hun gedeelde verdriet hen in stilte uit elkaar drijft.

    Literatuur als laag bovenop de werkelijkheid

    Een belangrijk onderdeel van Imhanns aanpak is het citeren van originele teksten en gedichten van Slauerhoff. Door poëziefragmenten en literaire verwijzingen toe te voegen, plaatst hij Slauerhoffs emoties in een bredere culturele en historische context. De hoofdpersoon verschijnt hierdoor ook als schrijver, iemand die zijn ervaringen voortdurend door een literaire lens bekijkt. Deze intertekstualiteit verrijkt de roman en benadrukt hoe nauw persoonlijk leven en literair denken voor Slauerhoff verweven waren.

    De verwijzingen naar het interbellum — de periode tussen de twee wereldoorlogen, waarin grote culturele verschuivingen plaatsvonden — maken duidelijk hoe Slauerhoff in zijn tijd stond. Het geeft inzicht in zijn psychologische profiel en laat zien hoe zijn gedachten, angsten en verlangens passen binnen de intellectuele sfeer van die jaren. Door literatuur en biografie te combineren, ontstaat een roman waarin kunst en leven elkaar voortdurend beïnvloeden.

    Tanger als arena van confrontaties

    De stad Tanger speelt in de roman een cruciale rol als plaats waar Slauerhoff niet langer kan ontsnappen aan zichzelf. De onverwachte en soms bizarre situaties waarin zijn patiënten belanden, de ontmoetingen met avonturiers, vluchtelingen en excentrieke figuren, en de onafgebroken beweging van de stad confronteren hem voortdurend met zijn onzekerheden. De chaos en diversiteit van Tanger weerspiegelen de fragmentatie die hij van binnen voelt, terwijl het ritme van de stad – het rumoer van markten, de geuren van specerijen, de stroom van mensen en voertuigen – hem voortdurend herinnert aan een wereld die ongehinderd doorgaat. In deze constante wisselwerking tussen overprikkeling en persoonlijke reflectie ontstaat een spanning die de roman voortstuwt en die Slauerhoff dwingt zijn verdriet, schuldgevoel en onzekerheden onder ogen te zien, zonder ooit de kans op ontsnapping te bieden.

    Ritme en helderheid in stijl

    Imhann schrijft in een stijl die tegelijk rijk en helder is. Zijn taal heeft ritme en blijft toegankelijk. Poëtische passages worden afgewisseld met scherpe observaties. Imhann structureert de veelheid aan gebeurtenissen zorgvuldig zodat de lezer niet overweldigd raakt en wordt meegenomen in een gelaagd verhaal.

    Het ritme van de roman wordt bepaald door de afwisseling tussen actie en reflectie. Slauerhoffs gedachten, herinneringen en emoties vormen de rode draad die de opeenvolgende scènes met elkaar verbindt. Zo ontstaat een manier van vertellen waarin de buitenwereld dienstbaar is aan de ontwikkeling van het personage.

    Een mens in rouw in een wereld die doorgaat

    Het verlies van zijn zoon vormt de kern van het verhaal. Het beïnvloedt hoe Slauerhoff naar de mensen om hem heen kijkt, hoe hij zijn werk doet en welke keuzes hij maakt. Imhann laat zien dat rouw geen afgesloten fase is maar een toestand die permanent alles doordringt; een lens waardoor de wereld wordt bekeken, en die de betekenis van dagelijkse gebeurtenissen verandert.

    Het inferno van Slauerhoff is een portret van iemand die tracht om te gaan met een verlies dat te groot is om eenvoudig te verwerken. Door literatuur, geschiedenis en emoties met elkaar te verbinden, creëert Imhann een rijk en overtuigend geheel. Voor lezers die geïnteresseerd zijn in psychologische romans of interbellum-literatuur, en voor liefhebbers van de grote dichter Slauerhoff, biedt dit boek een diepgaande en meeslepende ervaring.

     

     

  • Oogst week 46 – 2025

    De droom van elke cel

    Maricela Guerrero is een Mexicaanse dichteres die in 2006 debuteerde. Ze heeft inmiddels een aantal dichtbundels op haar naam staan, waarvan De droom van elke cel (2018) door Lisa Thunnissen uit het Spaans vertaald werd. In een afdeling van deze bundel is een lerares biologie aan het woord, mevrouw Olmedo genaamd, die door middel van plantkunde de relatie tussen mens en natuur verheldert. De taal staat daarbij centraal: de taal van de plantkunde met haar Latijnse namen, maar ook de vergelijking tussen plant en taal: vertakkingen, afstamming, netwerk. Sommige gedichten laten zich dan ook lezen alsof ze uit een biologieboek genomen zijn, maar de onderliggende betekenis gaat dieper. Er lopen wolven door de bundel, die saamhorigheid aanduiden en zorgzaamheid. Natuur en mens moeten verenigd en beschermd worden. Guerrero roept op tot doorbreken van het ‘imperium’, tot opstand en verzet. Vertaalster Thunnissen schreef een verhelderend nawoord.

    ‘Tonaliteiten

    Er klinkt gespin, gebries dat maant:
    Het regent harder dan verwacht en de aarde brult:
    een daad van wederopbouw:
    we dromen wordingen bladgroen
    herstel:
    adem:
    regen
    op de planten en de bomen op het braakland van hiernaast:

    tonaliteiten
    waarin de dag weerklinkt
    dat we elkaar ontmoetten
    en geliefden werden
    netwerken
    en verzoenende blikken.

    Een wolvin ligt op de loer hoog in het bos’

     

    Auteur: Maricelea Guerrero
    Uitgeverij: M10Boeken

    Ik trek mijn species aan

    Hoe vaak gebeurt het dat een dichtbundel meerdere drukken mag beleven? Ik trek mijn species aan van Sasja Janssen werd in 2014 voor het eerst gepubliceerd en mag zich dit jaar verheugen in een vierde druk. Het is Janssens derde bundel, waarin ze als dichter onderzoekt hoe je je als individu staande kunt houden te midden van alle anderen. Wat is belangrijker: het bewaken van je eigen identiteit of het gevoel bij een groep te horen? Zijn we onderling inwisselbaar of onderscheiden we ons door onze kenmerken? Zijn we als mensen vervangbaar of blijft de herinnering aan onze eigenheid bestaan? Janssen beschrijft op geheel eigen wijze hoe de wereld geschapen zou kunnen zijn, waarbij de taal een grote rol speelt. Leven en dood zijn  onlosmakelijk met elkaar verbonden en gaan naadloos in elkaar over: elk einde betekent een nieuw begin. Zowel bijtend als teder dicht Janssen over een universum dat ze zelf geschapen heeft, zoekt ze naar betekenis van zoiets vergankelijks als een mensenleven, naar manieren om te overleven en om tot de kern van jezelf te komen.

    ‘Tot vandaag alleen woorden gebruikt, maar zijn daarmee
    moeten ophouden, de ramen dampen van onze gist

    door het spartelende, het vallende, het tedere, het misselijke
    het zoete, het vleselijke, het blauwige bengelen om elkaars hals.

    We hebben ons gezongen. We hebben ons voor het eerst.

     

     

    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    Wat deed ik daar

    Tsead Bruinja gaf zijn bundel Wat deed ik daar de wijdlopige ondertitel ‘een voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’ mee. De ironische toon die in in de ondertitel gezet wordt, is de opmaat voor de rest van de bundel. Of het werkelijk biografisch te noemen is, blijft in het ongewisse: weliswaar neemt Bruinja in de bundel diverse rollen op zich en vertelt hij over zijn jeugd, zijn ouders, het dorp waar hij opgroeide, maar dat hoeft niet allemaal waar te zijn. Eerder is het een zoektocht naar hoe hij in het leven staat. De gedichten zijn divers van vorm en inhoud: prozagedichten, een dialoog met ChatGPT, liefdesgedichten, zowel in het Nederlands als soms ook in het Fries. Er is een afdeling met gedichten waarin de dichter gesprekken voert met ouderen in een zorginstelling en zich daarbij zo inleeft, dat elk gedicht begint met de metamorfose van de dichter in de ondervraagde. Ontroering en humor gaan hier hand in hand.

    ‘lentige herfst winterig zonnetje

    als ik mij straks enigszins krakkemikkig zonder mijn jeugdigheid te verliezen
    langs geluk gebrek en ongemak richting een nieuwe onbekommernis begeef
    hoop ik dat het waar is wat ze zeggen en meer nog hoop ik dat het niet alleen
    een dorp vergt om een kind groot te brengen maar er evenzogoed een dorp
    voor nodig is om die laatste jaren tot een fatsoenlijk einde te laten komen
    zodat ik onderweg naar het gedroomde hiernamaals of de sublieme stilte
    bevrijd van achterdocht en argwaan ervan uit kan gaan dat ik genoeg fooi
    op de toog heb laten liggen om het er een keer op aan te laten komen’
    Deze bundel is genomineerd voor de 3- of 4 jaarlijkse Karel van de Woestijneprijs.

     

     

    Auteur: Tsead Bruinja
    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 42 – 2025

    Tussen heden en morgen

    In Tussen heden en morgen van Jenny Erpenbeck lijkt dezelfde joodse vrouw steeds opnieuw te sterven. Stierf ze als baby, aan het begin van de twintigste eeuw, in het stadje Brody? Of in Wenen, vlak na de Eerste Wereldoorlog? Erpenbeck vertelt het verhaal van deze vrouw steeds opnieuw en steeds met een ander dodelijk einde om de lezer zo mee te nemen in de geschiedenis van de hele twintigste eeuw.

    Jenny Erpenbeck (1967) is een Duitse schrijver en opera regisseur. Ze is geboren in Oost-Berlijn en studeerde theater van 1988 tot 1990 theater aan de Humboldt Universiteit van Berlijn. Vanaf 1990 studeerde ze voor Muziektheater regisseur aan het Hanns Eisler Muziek Conservatorium, een studie die ze in 1994 afrondde. Erpenbeck schreef romans, novelles, korte verhalen, essays en toneelstukken en won meerdere prijzen, waaronder in 2024 de Internationale Booker Prijs voor haar roman Kairos.

    Tussen heden en morgen
    Auteur: Jenny Erpenbeck
    Uitgeverij: De Geus

    Heldingen

    Heldinnen van Kate Zambreno komt voort uit hun blog genaamd Frances Farmer is My Sister en de anti-patriarchale onlinegemeenschap die zich daaromheen vormde. Zambreno onderzocht modernistische schrijfsters als Vivienne Eliot, Jane Bowles, Jean Rhys en Zelda Fitzgerald op een radicaal nieuwe manier. Deze vrouwen waren meer dan alleen muzen voor mannelijke schrijvers, maar hun eigen werk en de bijdragen aan het werk van hun echtgenoten werden verdoezeld en vergeten. Een deel van hen werd opgesloten in psychiatrische instellingen. Heldinnen is een literair manifest dat aan de kaak stelt hoe de vrouwelijke ervaring als minderwaardig wordt weggezet en de woede daarover in banen leidt om ons zo alsnog te bevrijden van het patriarchale keurslijf.

    Kate Zambreno (1977) is een Amerikaanse schrijver van romans, essays en kritieken en professor aan de Colombia Universiteit en het Sarah Lawrence College, waar hen schrijven onderwijst. Zambreno studeerde journalistiek aan de Northwestern Universiteit en performance theory aan de Universiteit van Chigaco. Hen publiceerde meerdere boeken, waarvan Heldinnen de meest recente is.

    Heldingen
    Auteur: Kate Zambreno
    Uitgeverij: Koppernik

    Het gezoem van bijna alles

    Een bankje begroeid met mimosa. In Het gezoem van bijna alles van Coco Schrijber is het bijna alsof Cato er al negen jaar zit, bevroren sinds haar jongetjes door een koelkast werden verpletterd. De zuidwestenwind blaast tranen in haar glazen oog. Waarom komt ze nu toch in beweging? Heeft het te maken met de plotselinge dood van haar buurvrouw of met de wijn die ze heel de dag drinkt? Misschien komt het door het gezoem van alles bij elkaar. Ze schrijft een paar zinnen waardoor alles weer in beweging komt.

    Coco Schrijber (1961) is een Nederlandse schrijver en filmregisseur van documentaires. Ze studeerde aan de Rietveldacademie. Met haar documentaire over verveling, Bloody Mondays & Strawberry Pies, won ze meerdere prijzen waaronder in 2008 het Gouden Kalf. Ook was deze film de Nederlandse inzending voor de Oscars. Schrijber werd drie keer genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs klein en schreef drie boeken. In 2016 interviewde Literair Nederland haar over haar boek De luchtvegers.

    Het gezoem van bijna alles
    Auteur: Coco Schrijber
    Uitgeverij: Querido
  • Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    De Jan Hanlo Essayprijs Groot ging dit jaar naar Waar van Wytske Versteeg. Wel verdiend. Met de zoektocht naar waarheid van een twijfelende schrijver voegt Versteeg echt iets toe aan het literaire landschap. Ik sprak haar op het terras van een café in Delft, waar het luiden van de kerkklokken de geluidsopname af en toe verstoorde.


    Waar
    is begonnen met je proefschrift en de uitspraak dat wetenschap ook maar een mening is. In het boek wordt daarnaast duidelijk dat je het ook vanuit een persoonlijke motivatie hebt geschreven. Kun je wat meer vertellen over wat de waarheid voor jou inhoudt en hoe je je daartoe verhoudt?

    ‘Om maar met een kleine vraag te beginnen! Aan het begin van Waar verwijs ik naar Verdwijnpunt, waarin ik over mijn familie-ervaring schrijf. Ik denk dat ik indringend heb ervaren hoe verschillende verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Mensen kunnen een situatie die feitelijk hetzelfde is, toch anders zien. Ik denk dat daar die fascinatie voor waarheid vandaan komt en ook een wantrouwen tegen mensen die zeggen: dit is gewoon zo. Iets waar wetenschappers verbazingwekkend goed in zijn.’

    ‘Ik las laatst een theorie, geen idee of er iets van klopt, dat mensen die veel cognitieve dissonantie ervaren als kind, meer geneigd zijn om schrijver te worden. Omdat je dan een soort oplossing hebt in al die verhalen. Ik kan me voorstellen dat daar iets in zit. Een verhaal is per definitie een benadering van de werkelijkheid. Ik denk dat in al mijn boeken een fascinatie met waarheid zit, zelfs al in Dit is geen dakloze. In dat boek wilde ik voorbij stereotypes kijken, wat denk ik maar deels gelukt is omdat je, zodra je voorbij een stereotype probeert te kijken, dat stereotype toch herhaalt. Ook in De wezenlozen zat de fascinatie met waarheid: verschillende personages hebben in dat boek een ander beeld van dezelfde situatie. Het is belangrijk de beperkingen van onze eigen blik te laten zien.’


    Als het gaat om het vertellen van verhalen: in proza en essay wordt op een andere manier met waarheid omgegaan. Jij schrijft beide. Is er voor jou een verschil in hoe je dat ervaart?

    ‘Dat hangt ervan af welk type essay. Bij Waar heb ik bewust alle bronnen erin gezet, zodat alles wat ik zeg, in elk geval de dingen die over feiten gaan, met bronnen onderbouwd is. Een wat losser essay zit dichter bij proza. Toch is ook proza een waarheid, alleen dan onder denkbeeldige omstandigheden. Je creëert een wereld en daarin kun je fantastische dingen laten gebeuren, maar het moet wel binnen die wereld waar zijn.’


    Je houdt je al jaren bezig met waarheid. Heb je de indruk dat er in die tijd verschuivingen zijn geweest in hoe er met waarheid omgegaan wordt in het publieke debat? Zijn mensen kritischer geworden op leugens, van politici bijvoorbeeld?

    ‘Ik denk dat je meer schaamteloze liegende politici ziet, helaas, en in de tussenliggende jaren is het woord post-truth gemunt, waar je van alles op kunt afdingen. Ik geloof niet per se dat we in een post-truth samenleving leven. Dat zou suggereren dat er een soort gouden tijd was waarin het alleen maar om waarheid ging en, omgekeerd, dat mensen nu helemaal niet meer om waarheid geven. Ik geloof niet dat dat zo is en het onderzoek dat er ligt wijst daar ook niet op.’

    ‘Maar een samenleving wordt wel beïnvloed door wat mensen aan de top doen. Als schaamteloos liegen daar een manier wordt om je waarachtigheid te bewijzen, is dat heel zorgelijk. Waarbij ik wil opmerken dat de voedingsbodem daarvoor eerder is gelegd. Dat zoveel mensen hun toevlucht zoeken bij politici die tegen het systeem schoppen: dat komt doordat het vertrouwen al ondergraven was. Mensen die het zelf makkelijker hebben, zien dat vaak niet.’


    Met het oog op de verkiezingen krijgt waarheid extra gewicht. Denk aan het migratiedebat, bijvoorbeeld, waarin aantoonbare onwaarheden steeds herhaald worden. Het lijkt of we als samenleving, of in ieder geval als individuen, niet weten wat we moeten doen. Wat denk jij dat er moet gebeuren om het tij te keren?

    ‘Een aantal dingen, op verschillende niveaus. Kijk je op politiek niveau, dan is het ingewikkeld dat onze publieke sfeer zich voor een groot deel afspeelt onder de hoede van bedrijven die baat hebben bij emotiekliks. Dat is levensgevaarlijk voor een samenleving.’ 

    ‘Wat je als individu kan doen is lastig, want het voelt alsof het een druppel op een gloeiende plaat. Toch: het contact van mens tot mens. Naar elkaar luisteren, deep canvassing [langs de deuren gaan om ‘moeilijke’ gesprekken te voeren]. Ik denk dat dat belangrijk is. Omdat het ook over eenzaamheid gaat. En angst. Dat is waarmee ik het boek eindig: in je eentje doe je niks en toch maakt het uit wat jij in je eentje doet. Ik geloof in een idee van verandering zoals dat door Rebecca Solnit wordt voorgesteld. We hebben het idee dat verandering radicaal moet zijn en tot stand komt door enkelingen aan de top, maar het is een langzame beweging die ontstaat door kleine handelingen die op zichzelf niks voor elkaar lijken te krijgen. Sinds Waar blijk ik bij panelgesprekken vaak de meest optimistische stem te zijn. Een rare ervaring, want als je de rest van mijn werk leest, is dat voor mij een ongebruikelijke rol. Ik ben niet optimistisch over waar we heen gaan, maar juist omdat die ontwikkeling zo gevaarlijk is, is het des te belangrijker om goed te kijken naar wat er aan de hand is.’


    Een essay over de manier waarop pers omgaat met waarheid en de invloed daarvan op burgers zou interessant zijn geweest. Heb je een dergelijk essay overwogen en waarom wel of juist niet?

    ‘Ik heb het niet bewust overwogen als een apart essay, mede door de manier waarop dit boek tot stand is gekomen. Na mijn proefschrift wilde ik een tijd niets meer doen met het onderwerp waarheid. Mijn hoofd zat ook te vol met academische taal. Een paar jaar later ergerde ik me toch teveel aan wat er in de pers werd gezegd over waarheid, niet in de laatste plaats door wetenschappers. Toen ben ik gaan schrijven. Vanuit twijfel, net zoals wanneer ik een roman zou schrijven, op die manier mijn weg zoekend door het boek. Daarbij heb ik me ver gehouden van actuele onderwerpen, want daarover heeft iedereen al een mening. Als je het over media hebt, haal ik voorbeelden aan over de boekdrukkunst en de radio, die verrassend herkenbaar zijn — in de hoop dat mensen vanuit die historische voorbeelden beter kijken naar wat er nu aan de hand is.’


    Als ik het goed begrijp is de twijfelende schrijver in dit geval het personage wat je door het boek leidt. Kan ik dat zo zien?

    ‘Ja, het is hoe ik het boek geschreven heb. Ik vind dat een interessante manier.’


    Mensen houden er ieder hun eigen waarheid op na en zitten opgesloten in hun gedachten. Is het schrijven van essays een poging om tegen vaste gedachtensporen in te gaan? Of juist om door alle twijfels heen je eigen spoor te vinden?

    ‘Ik denk allebei, maar niet op hetzelfde moment. Alles wat ik schrijf is een onderzoek. Ik schrijf over dingen waar ik niet genoeg van weet. Door te schrijven hoop ik iets uit te vinden. Tegelijkertijd is elk boek ook een manier om naar een stem te zoeken en die heb je als je iets te zeggen hebt. Dus daar zit een soort dubbelheid in.’


    Is het dan zo dat je begint met de eerste zin zonder dat je weet waar je gaat uitkomen?

    ‘Ja, ik begin bij de eerste zin en weet het echt niet. Vroeger gaf mijn agentschap cursussen aan mensen die wilden schrijven. Dan legden ze uit: je moet een idee hebben, een synopsis en een stappenplan. Als ik dan als schrijver werd uitgenodigd om langs te komen, moest ik vertellen dat ik al die dingen niet doe.’ 


    Hoe zorg je dat er structuur in een boek komt?

    ‘Ik schrijf in cirkels. Dat is de enige manier om het te doen en dat kost tijd en moeite. Omdat je er elke keer achter komt dat iets toch anders moet en dan moet je weer terug. Ik zou niet kunnen schrijven vanuit een synopsis en stappenplan, ik vind dat niet interessant en zou niet weten op basis waarvan ik die stappen dan zou zetten.’


    Waar
    is een dapper boek over een groot en ongrijpbaar onderwerp. Je schrijft dat het schrijven lange tijd niet ging zoals je wilde. Je wantrouwde je eigen stem zodra die zelfverzekerd klonk. Hoe ben je daar doorheen gekomen?

    ‘Erdoorheen gekomen is een groot woord.’ 


    Het boek is er!

    ‘Als schrijver blijf ik mijn stem wantrouwen. Soms is dat gevoel zo hevig dat ik niet kan schrijven, soms is het op het niveau dat ik kritisch genoeg ben. Als je je eigen stem niet wantrouwt, is er iets mis. Voor Waar maakte het uit dat ik een hond kreeg, waardoor ik nauwelijks tijd had om te schrijven en mijn gedachten op een ander spoor werden gezet. Het thema waarheid of werkelijkheid werd fysieker toen ik me zo in mijn hond moest inleven dat het was alsof ik in zijn hoofd leefde. Vaak heb je een zetje van buitenaf nodig om in een werkelijkheid te komen die ver van je af ligt. Anders zit je opgesloten in wat je al gelooft.’


    Nu je de Jan Hanlo Essayprijs hebt gewonnen gaan veel meer mensen Waar lezen. Je eindigt met een oproep aan de lezer: het hangt van jou af. Daar zit een tegenstrijdigheid in, want je zegt ook dat je als individu machteloos bent. Wat hoop je dat mensen doen? Ze lezen dit boek, gaan naar buiten en dan?

    ‘Wat ik van mensen hoor is dat het boek ze sterkt in het gevoel dat ze niet alleen zijn met hun twijfel en in het besef dat ze zich niet stil hoeven te houden omdat de mensen die het allemaal zo zeker weten aan het woord zijn. Het maakt mij blij dat Waar mensen die twijfelen helpt om hun twijfel serieus te nemen en het voor hen misschien ook makkelijker maakt die twijfel uit te spreken. Als iedereen die het heeft gelezen iets meer vertraagt en de ruimte neemt om een gesprek aan te knopen met een onbekende: dat is al een effect. Zelfs in deze donkere, extreemrechtse tijd waar we in zitten. Ik denk dat er vaak te gemakkelijk wordt gepraat over mensen die op een rechtse partij stemmen. Dat merk ik bijvoorbeeld op bijeenkomsten met academici, zij praten denigrerend over zulke kiezers. Daarmee verliezen ze een groot deel van de werkelijkheid uit het oog. Ik sprak laatst met een maatschappelijk werker. Die vertelde dat hij eens tegenover iemand zat die continu racistische opmerkingen maakte. Toen keek die man op zijn horloge en zei: nu is het klaar, want ik moet die mevrouw naar het ziekenhuis brengen. In de deuropening stond een mevrouw met een hijab.’


    Dat was natuurlijk de buurvrouw.

    ‘Precies. En als die maatschappelijk werker eerder in het gesprek had gezegd: jij bent een racist en ik praat niet meer met je, dan was dat het einde geweest. Er zijn verschillen in taalgebruik. Binnen de universiteit is iedereen alert op woorden, maar de universiteit is niet inclusief. Terwijl mensen die in taal rechtser klinken vaak een gemengdere groep mensen tegenkomen en met hen samenleven. Het zou goed zijn als ze zich daar in universitaire bubbels bewust van worden, in plaats van mensen af te serveren omdat ze op een andere partij hebben gestemd. Toch is er een spanningsveld. Hoe meer iets wordt herhaald, hoe normaler het wordt. Het is dus goed om streng te zijn op het taalgebruik in de Tweede Kamer.’


    Dus mensen met macht kun je op een andere manier aanpakken dan je buurman die op de pvv gestemd heeft. Dat onderscheid maken mensen niet altijd.

    ‘Omdat het observeren van de ander de makkelijkste manier is om je beter te voelen over jezelf.’


    Een goede laatste zin.

    ‘Bam!’

     

     


     

     

     

     

     

    Foto van de auteur: Eline Spek

     

  • Geuren uit zijn parfumcollectie

    Geuren uit zijn parfumcollectie

    Met Vissertjes voegt Pjeroo Roobjee (1945) op tachtigjarige leeftijd een nieuw hoofdstuk toe aan een oeuvre dat zich nooit in hokjes liet dwingen. De lancering van de roman vond plaats in de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde en was meer dan een gewone boekpresentatie; ze onderstreepte een kunstenaarschap dat zich consequent heeft verzet tegen vormdwang en verwachtingspatronen. Roobjee is zowel beeldend kunstenaar als schrijver en blijft zich onttrekken aan literaire conventies. Hij volgt geen traditie en flirt niet met vorm. Hij slaat het bord kapot en laat de scherven voor zich spreken.

    De roman begint niet met een vertrouwd of klassiek uitgangspunt, maar met een ontregelende scène. Op Paaszondag 1992 staat er plotseling een zwarte tiener voor de deur van Joël Troch, die hem zonder aarzelen aanspreekt als haar vader. Of dat inderdaad waar is, blijft in het ongewisse. In plaats van een zoektocht naar de waarheid, ontvouwt zich een grillige stroom van zijpaden en absurde dialogen tussen Joël en andere personages, waarin de schaarse houvast telkens weer verdwijnt. 

    De roman als structuurloze ervaring

    Joël Troch is een mislukte schrijver en noemt zichzelf een ‘filosoof van het chique nietsdoen’. Hij laat zich meevoeren door de tijd, maar we leren weinig van hem zelf. Zijn verleden komt in fragmenten, vaak getriggerd door geuren uit zijn parfumcollectie, maar blijft vluchtig en onvolledig. Deze zintuiglijke flarden – melancholisch, woedend of absurd – vormen geen klassieke vertelscènes, maar vage indrukken die geen dieper inzicht in zijn karakter geven. Wat rest is een man die zich liever verliest in de tijd dan zich te verhouden tot zijn eigen bestaan.

    Tijd, ruimte en perspectief verschuiven voortdurend. Personages verschijnen, spreken en verdwijnen. Wat belangrijk is, is niet wie ze zijn, maar wat ze zeggen. De roman bevat scherpe zinnen, poëtische erupties en conversaties die soms op het randje van het onbegrijpelijke balanceren. Het resultaat is een ervaring in plaats van een traditioneel verhaal. Deze ervaring kan verwarrend, veeleisend en soms frustrerend zijn. Joël zegt het zelf duidelijk: ‘Er zal in mijn geschrijf geen actie vindbaar zijn, geen dramatische situaties of psychologische conflicten. Ik zal mijn personages, die geen duidelijk omlijnde individualiteit zullen hebben en vaak zelfs niet over een naam zullen beschikken, aan het woord laten of, hinkend op twee gedachten dub ik daar wreed over, snoer hen knakaf de mond.’ Dit sluit perfect aan bij de roman die je leest.

    Satire met scheermesranden

    Temidden van deze stilistische ontregeling klinkt scherpe maatschappijkritiek. Roobjee spaart niets en niemand. Het holle jargon van de zelfhulpcultuur, het opgeblazen media-intellectualisme en de oppervlakkige schijn van maatschappelijke betrokkenheid worden genadeloos gefileerd. De ironie is niet luchtig maar duister, bijtend en confronterend. De wereld die Roobjee schetst is kil en op drift: ‘in deze tijd die vanzelfsprekende moordlust en bloedvergietende eigenliefde als de meest vertrouwde emoties promoot en de dwingelandij van de opengetrapte deuren der staathuishoudkundige opiniefabriek.’ 

    Toch wringt er iets in de manier waarop Roobjee zijn personages neerzet. De groteske overdrijving roept vragen op over de bedoeling en de impact ervan. Bijvoorbeeld de oversekste nicht, wiens seksualiteit op een overdreven en karikaturale manier wordt gepresenteerd, of de verstandelijk beperkte man die als lustobject wordt afgeschilderd. Daarnaast is er het zwarte pubermeisje, dat meer fungeert als een symbolische projectie dan als een volwaardig personage met eigen diepte en autonomie. Deze figuren lijken vooral bestaande stereotypen te bevestigen in plaats van ze te ondermijnen of kritisch te bevragen. Daardoor dreigt de betekenis van de satire te verdampen, omdat het onduidelijk wordt waar de spot precies op gericht is en wat er wordt bekritiseerd.

    Een treffend voorbeeld hiervan is de reactie van Joëls moeder op het bezoek van de zwarte tiener. Ze zegt: ‘Wat gaan de mensen daar weer van zeggen?!’ gevolgd door: ‘En de familie?! Om nog maar van de kennissen en variabele relaties te zwijgen?! Eerst die averechtse doeningen met jongens en mannen en nu dat geval met die vuile dweil van een zwart schandaal!’ Met deze woorden legt Roobjee iets bloot over de sociale hypocrisie en de bekrompenheid binnen de gemeenschap. Tegelijkertijd blijft het echter onduidelijk wie precies het mikpunt van de spot is: is het de moeder zelf, de gemeenschap, de zwarte tiener, of de vooroordelen die allemaal onder de oppervlakte spelen? Deze ambiguïteit maakt het lastig om de satire eenduidig te interpreteren.

    Een zeldzaam moment van stilte

    Juist om die reden vallen de contemplatieve hoofdstukken op. Wanneer Joël zich herinnert hoe hij met zijn vader ging vissen of met zijn grootvader de markt bezocht, daalt het tempo. Ironie maakt plaats voor verwondering, zinnen ademen, beelden resoneren. De geur van paling, het klotsen van water – het zijn sobere details die zonder effectbejag ontroeren.

    In die passages verkiest Roobjee precisie boven overdaad. Hij laat zien dat zijn stijl, hoe explosief die ook is, ruimte kan maken voor tederheid. Joëls verlangen om opnieuw ‘vissertje’ te zijn – klein, verbonden, onschuldig – raakt aan een dieper verlies. Hier is de roman geen daad van opstand, maar een poging tot verzoening met het verleden.

    Vissertjes is geen roman die de lezer uitnodigt, maar eerder uitdaagt. Het roept op tot herlezing en weerstand, met een ongrijpbaarheid die zowel intrigeert als verwart. Roobjee lijkt meer geïnteresseerd in de botsing dan in betekenis, schrijft om te verstoren en gelooft dat literatuur een ruimte moet zijn waar conflict en spanning kunnen ontstaan. Of deze spanning iets opent of juist muren opwerpt, blijft onduidelijk. Wat echter onmiskenbaar is, is de compromisloze aard van het werk. Wie zich er niet in kan vinden, valt niets te verwijten, maar wie zich eraan overgeeft, ontdekt een eigenzinnige stem die de lezer niet gemakkelijk loslaat.

     

  • Oogst week 24 – 2025

    Spiegel van hemel en aarde

    Hoe kan een mens zich bevrijden van vooroordelen en visies die hem verhinderen om met een open blik te wereld te aanschouwen? Pas als hij vrij naar de wereld kijkt zou hij in staat zijn deze te zien zoals werkelijk hij is.

    Filosoof en journalist Michel Dijkstra, gespecialiseerd in oosterse filosofie en westerse mystiek, ziet de klassieke Japanse en Chinese wijsgeren denken met hun hart. Zij willen daartoe ieder mens verleiden. Vooral in het westen maken we een onderscheid tussen denken en voelen. Maar de oude oosterse wijsgeren gaan uit van de hart-geest, waarmee ze bedoelen dat gedachten en gevoelens samengaan. Dijkstra maakt via de taoïst Zhuang Zi, de confucianist Mencius en de zenboeddhist Dogen Zenji in Spiegel van hemel en aarde duidelijk wat de dimensies van de hart-geest inhouden. De Japanse estheticus Motoori Norinaga en de zendichter Ryokan, eveneens uit vorige eeuwen, tonen hoe mensen zich kunnen bevrijden van hun vooringenomenheid. ‘Jouw hart-geest is een spiegel; hoe meer je hem poetst, hoe meer hij schittert.’ Met deze openheid laat een mens ruimte voor de wereld en de ander toe.

     

    Spiegel van hemel en aarde
    Auteur: Michel Dijkstra
    Uitgeverij: Atheneum 2025

    Kwade dagen

    Kwade dagen van Rob van Essen is de sleutelroman die hij schreef in 2002. Atlas Contact geeft het boek nu opnieuw uit. Behalve als sleutelroman wordt het boek gezien als een meesterwerk. De bekende Van Essen-vervreemdingseffecten zijn volop aanwezig, net als de vaste ingrediënten filosofie, mysterie en ironie.

    Op het Waterlooplein vindt ik-persoon Matthijs een exemplaar van de enige plaat die ooit is opgenomen door het jongenskoor Asaf. ‘Op de hoesfoto stonden vijfendertig jongens. Ze stonden opgesteld voor de preekstoel van de Zuiderkerk van Rijshorst en droegen allemaal een zwarte broek, een wit overhemd en een groen strikje. (…) Boven de groep stond in verbazingwekkend frivole letters: DE HEER IS MIJN HERDER. Chr. Jongenskoor ‘Asaf’ o.l.v. Piet Schotanus en Henk Woldering zingt psalmen en geestelijke liederen (…) Ik liet mijn blik over de foto glijden. Ik was makkelijk te vinden, want ik stond midden vooraan. Bovendien had iemand met een zwarte balpen een cirkel om mijn hoofd getrokken.’

    Matthijs, toentertijd een tieneridool, wordt gedwongen stil te staan bij zijn verleden, want als hij de nacht na de vondst van de plaat door het meisje Violet wordt meegenomen naar het streng christelijke stadje waar hij opgroeide, verzamelen zich daar alle mensen die in zijn leven een rol hebben gespeeld. Zijn vroegere daden blijken onvoorstelbare gevolgen te hebben gehad.

    In het nawoord van het boek legt Van Essen de familiebanden uit tussen de personages in Kwade dagen en Ik kom hier nog op terug, winnaar van de Librisliteratuurprijs 2024.

     

    Kwade dagen
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact 2025

    De tijd, de waarheid en de geschiedenis – hoe onze wereld in elkaar zit

    Mensen proberen te begrijpen, en hebben dat altijd geprobeerd, hoe de wereld in elkaar zit. Wat is tijd, wat betekent het dat er licht en donker is, waarom zijn er verschillende seizoenen? Toen en nu denken mensen dat er een diepere waarheid verscholen ligt achter de zichtbare wereld. Wat ervaren en gevonden wordt, wordt opgeschreven.

    Voormalig hoogleraar Geschiedenis van Nederland aan de Universiteit van Amsterdam Piet de Rooy werd voor De tijd, de waarheid en de geschiedenis geïnspireerd door het vrijwel gelijknamige schilderij van Goya dat voorop het boek is afgebeeld. De Rooy onderscheidt drie fundamentele pijlers waarop de wereld is gebaseerd: de tijd, die werd onderworpen aan de klok en de kalender, de waarheid, waarvoor de Bijbel eeuwenlang werd aangezien, en de geschiedenis, waarin ervaringen en herinneringen worden vastgelegd. Of niet, want geschiedenis is niet zelden, al of niet bewust, gekleurd. Wonderlijke anekdotes en merkwaardige inzichten vormen een kleurrijk panorama dat De Rooy voorschotelt, gesteund door inzichten uit de evolutietheorie en de neuropsychologie.

    De auteur is gespecialiseerd in de eigentijdse geschiedenis van Nederland. Zijn terreinen zijn opvoeding, onderwijs en cultuur.

     

    De tijd, de waarheid en de geschiedenis – hoe onze wereld in elkaar zit
    Auteur: Piet de Rooy
    Uitgeverij: Querido 2025
  • Oogst week 22 – 2025

    Hazenklop

    Hanneke van Eijken (1981) is hoogleraar Rechtsstaat en democratie aan de Universiteit Utrecht. Als dichter publiceerde ze in literaire tijdschriften, waaronder Tirade, Het Liegend Konijn en Deus ex Machina. Ze debuteerde met de bundel Papieren veulens (2013), waar ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs mee won. Ook ontving ze de Zeeuwse boekenprijs accolade voor het beste debuut en werd met dezelfde bundel genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In haar vierde poëziebundel Hazenklop verkent ze in zorgvuldige en beeldende taal de begrippen tijd en ruimte en het deel uitmaken van een kudde.

    ‘Honger

     Iedereen krijgt een klomp klei
     een koude, grijze homp
     op mijn tafel ligt een toekomst
     die zich vermomt

     we modelleren zachte lijnen, warme handen
     een buik die plat is nodig, vruchtbaar
     wanneer gewenst

     aandacht is mooie klei waarvoor ik een hoog cijfer krijg

     hoe klamp ik me vast
     aan wie in mij staat te stampen?

    Hazenklop
    Auteur: Hanneke van Eijken
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Onvolledig alfabet

    Annelie David (1959) is danser, choreograaf, dichter en vertaler Duitse poëzie. Vanaf 2003 verscheen haar werk in verschillende literaire tijdschriften. Haar poëzie werd in 2004 bekroond met de Dunya Poezieprijs. Haar debuutbundel Machandel verscheen in 2013. Voor haar bundel Schokbos (2020) werd ze genomineerd voor de Grote Poezieprijs. De thema’s in Davids poëzie zijn ontheemding, migratie en natuur.

    In Onvolledig alfabet onderzoekt zij in de vorm van prozagedichten vragen over identiteit, familiegeheimen, verlies van plek en taal. Gesitueerd in de intieme wereld van een tuin, van oudsher beschouwt als paradijselijk, ervaart de lezer door de sporen van een verloren taal iets over de gevolgen van gedwongen vertrek, de onvolledigheid van herinneringen en het verlangen naar het onbekende.

    ‘V staat voor

     vluchten afgeleid van vlucht [ontvluchting]. Als kind had ik er geen
     beelden voor. Het woord weerkaatste nooit van de vredige muren, werd bui-
     ten de kamers, het huis, de tuin gehouden die schuilplaats waren, refugium,
     vergeetruimte, plek om te helen, het gemis te dempen onder een deken van
     zwijgen. Vluchten is een naamloze aanwezigheid die schuilgaat in het licht
     van de stille dingen…

     

    Onvolledig alfabet
    Auteur: Annelie David
    Uitgeverij: PoëzieCentrum

    Soms blijft iets

    Froukje van der Ploeg (1974) debuteerde in 2006 met de dichtbundel Kater. Sindsdien publiceerde ze nog drie dichtbundels. Ze ontving de Hollands Maandblad Poëziebeurs en werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Regelmatig wordt haar werk in literaire tijdschriften en in bloemlezingen gepubliceerd, en treedt ze op festivals op. 

    In haar nieuwe bundel trekt Froukje van der Ploeg lering uit alles wat beklijft. Met humor en zonder schroom onderzoekt ze het ongemak, de verandering en het welbehagen van lichamen, noteert ze de levensverhalen van andere mensen en toont ze hoe een spin die met klompen over de slaapkamermuur loopt grote gevolgen kan hebben. In brieven aan Imke en op weg naar huis, door het park, maakt ze de balans op. Een godin zaait verwarring op aarde, een vrouw kijkt opgerold de tijd weg en huizen doen huizen na.

    Femicide

    Neem altijd de kortste route door het park
    kijk, je ogen wennen aan het donker, zie
    scherp de sterren boven de bomen, de egel
    in de bosjes, slapende mannen zonder dak  

    De maan fietst met je mee, want de dood
    wacht voor jou nooit in dit park
    87 procent van je gevaar woont in huis
    zit op je bank, je vriend of bijna-ex  

    Je vader, broertje, buurman. Zij willen
    bezit van je nemen, weten waar je was
    met wie je sprak, wat je zei, fiets verder
    door vergeten wijken van een stad  

    En leer nieuwe vrouwen kennen
    in je klas, in de kroeg, als je rent
    langs het water en neem soms een man mee
    door het bos, want met jou zijn ze veilig.

     

    Soms blijft iets
    Auteur: Froukje van der Ploeg
    Uitgeverij: Querido
  • Dingen achterlaten

    Dingen achterlaten

    Wandelen zou ik, elke dag, in het Leudal van Limburg, waar het goed wandelen moet zijn. Maar eerst met de poes naar de dierenarts voor een check-up. Altijd goed dit te doen. Poes had een ontstoken kaak door een afgebroken hoektand. Het diertje had  er niets van gezegd, had nu dagelijks antibiotica nodig. Er diende zich de mogelijkheid van vakantie in eigen huis aan. Ik bekeek de omgeving met de ogen een vakantieganger. Ik zei, wat een prachtige tuin hebben ze hier, en die twee heerlijke hangmat-achtige met canvas beklede stoelen! Ik leunde erin achterover, staarde naar de hemel (blauw met witte wolkjes) zoals ik er nog nooit naar gestaard had. 

    De volgende ochtend gingen we naar een van de kleinste filmtheaters van Nederland in het nabij gelegen stadje Zutphen en zagen de film The Salt Path. Ik leefde mee met Moth en Raynor Winn die hun huis moesten verlaten. Met hun weinige bezittingen in hun rugzak het South West Coast Path liepen, zonder te weten wat ze konden verwachten. Beelden van sterke wind, gekookte pasta of rijst lepelend uit een pan, slagregens, koude nachten in een flinterdunne tent. Hoe ze dit samen doorstonden. Ik kon het niet helpen, tranen nauwelijks te bedwingen. Hoe beiden, de zorgzaamheid, de moed, om elkaar gaven, het was me wat. Dat het de liefde is die blijft, dat je het daarmee moet doen. Ik fluisterde naar de man, laten we de huur opzeggen, rugzakken inpakken, al wat verzameld is achterlaten. Hij glimlachte, begripvol. Ik veegde langs mijn ogen. Beelden van onverbiddelijk voortploeteren, de strompelende Moth. Niemand die hen begrijpt, hoe alleen ze staan. Dat liefde, echte liefde dus, een eenzame aangelegenheid voor twee personen is.

    Na de film dronken we een koffie bij de Italiaan. Ik was hongerig, ging naar de boekhandel schuin tegenover de Italiaan. De man naar de Hema, om sokken, voor als je weet maar nooit. Toen hij afgelopen zondag jarig was, zei de man, we moeten eigenlijk naar Den Haag, die rode lijn. En we gingen. Nu ik fluisterde over dingen achterlaten, rugzakken, wie weet. Bij de boekhandel rommelde ik wat bij de afdeling ‘wandelen’. Zag het prachtige boek Het wilde vrouwenpad van Brigitte Ars. Dat moest ik hebben. De man was geen pad te gek of hij liep het wel.

    Een boek over ‘stoere’ vrouwen die er alleen op uittrokken. ‘Dwalen met Emily Brontë’, ‘Op expeditie met Simone de Beuavoir’, een wandelreis van Nan Shepherd, en hoe Virginia Woolf haar dagelijkse wandelingen liep. ‘In Naar de vuurtoren worden wandelingen bijvoorbeeld gebruikt om de innerlijke gedachten en emoties van personages te verkennen.’

    Hoe ik dan toch weer bij schrijven uitkom. Ja, Willem Brakman, altijd ging hij wandelen. Voor vandaag lopen we van Ruurlo naar Zelhem, vijftien km zegt de man. Wandelen geeft het gevoel ergens aan te ontsnappen. Vooruit lopen, steeds maar door, en dan, de dingen die achterblijven. ‘So, there I go’.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest en haar beweegt.