• Oogst week 17 -2020

    Gekkenwerk

    Er verschijnt zoveel moois dat we er soms niet onderuit kunnen een titel meer op te nemen in de oogst van de week dan de gebruikelijke drie. Te beginnen met een roman over de geheimen van een oorlogsjournalist door Minka Nijhuis, een boek met 575 haiku’s van Kees van Kooten (Haikoots wel te verstaan), een nieuwe gedichtenbundel van Daniël Vis en een lijvig boek over de koloniale geschiedenis buiten de Verenigde Staten van Daniel Immerwahr.

    Minka Nijhuis (1958) verbleef als oorlogscorrespondent onder andere in Syrië, Irak, Oost-Timor en Afghanistan vanwaar zij verslag deed voor verschillende media. Voor haar journalistieke werk ontving ze in 2017 de Nieuwspoort Prijs van het Vrije Woord. Ze schreef meerdere non-fictie boeken over haar ervaringen, in 2009 werd ze met haar boek Birma: land van geheimen genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs. Gekkenwerk is haar eerste roman, een roman in briefvorm waarin Lotte, beginnendd als stewardess maar met de ambitie om oorlogscorrespondent te worden, schrijft ze haar neef Alexander. Brieven die een uiteenzetting zijn van haar gedachten, haar plannen en ondernemingen. Deze neef schrijft evenwel nooit terug, er komen geen brieven van hem in de roman voor, maar de gerichtheid waarmee Lotte aan hem schrijft, maken hem tot een belangrijk personage in deze roman.

     

     

    Gekkenwerk
    Auteur: Minka Nijhuis
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    575 Haikoots

    Kees van Kooten is een liefhebber van de haiku. Als bewonderaar raakte hij er min of meer door besmet en kon het schrijven ervan niet meer laten. Een haiku is een versvorm van zeventien lettergrepen en bestaat uit drie versregels van respectievelijk vijf, zeven en vijf lettergrepen. Dat het er 575 zijn geworden is dan ook te herleiden naar de opbouw van de haiku.

    Voor de ooit vermaarde Bescheurkalender (1973-1986) van Van Kooten en De Bie, schreef hij zo nu en dan al de zogenaamde Haikoot. Hoewel de oorspronkelijke haiku overwegend gewijd is aan de natuur, gaat een Haikoot over van alles en nog wat. Deze werkwijze resulteert in originele waarnemingen van ons aller doen en laten. 575 Haikoots is een ruime en bonte verzameling Haikoots en voorzien van passende foto’s door Van Kooten zelf.
    Hier is er een:

    uitgevallen roos
    siert nog even de paden
    met een feesttapijt

    575 Haikoots
    Auteur: Kees van Kooten
    Uitgeverij: De Harmonie

    Amerika buiten de Verenigde Staten

    Daniel Immerwahr is een Amerikaanse historicus die onderzoek deed naar de koloniale gebieden buiten VS, zoals de Guano-eilanden en de Filipijnen. In Amerika buiten de Verenigde Staten vertelt Daniel Immerwahr over gebieden die geen vertegenwoordiging hadden in het Amerikaanse Congres, maar er wel door werden bestuurd. In het geval van Puerto Rico is dat tot op de dag van vandaag nog zo.

    Hoewel dit niet strookt met het beeld dat Amerika van zichzelf heeft als voormalige kolonie, is het tot ver in de twintigste eeuw de situatie dat de Stars and Stripes wapperen op eilanden en militaire bases over de hele wereld. Na de Tweede Wereldoorlog nam de VS afstand van het kolonialisme. De tegenwoordige wereldwijde invloed van Amerika doet echter in wezen niet onder voor imperiale macht, zelfs vandaag heeft het nog gebieden over de hele wereld. Een boek over Amerika dat je visie op dit land doet veranderen.

    Amerika buiten de Verenigde Staten
    Auteur: Daniel Immerwahr
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het weefsel

    De dichter Daniël Vis (1988) won in 2014 het NK Poetry Slam. In datzelfde jaar publiceerde hij Crowdsurfen op laag water, waarover Menno Wigman zei, ‘Eindelijk weer een jonge dichter met een grote mond. En hij maakt het nog waar ook.’
    In 2018 volgde zijn tweede bundel Insect Redux.

    Het werk in zijn nieuwe bundel Het weefsel wordt ‘onvoorspelbaar en rücksichtlos’ genoemd. Hierbij een kleine voorproeve:

    ‘de gestalte
    op dat schilderij van munch —

    de opengesperde mond —

    schreeuwt niet,
    maar legt de handen tegen het hoofd

    om de schreeuw niet te horen.

    de angst,

    een fundamentele
    gebeurtenis —

    dat ik er ben —

    en opnieuw
    ontstaan

    de draden die het gekopieerde dna
    in de zich delende cel verdelen —

    een techniek
    van het aanwezig blijven.

     

     

     

    Het weefsel
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Prometheus
  • Eigenaardigheden

    Eigenaardigheden

    Ik ga naar buiten om zeven sprintjes rond het huizenblok te trekken. Wacht de postbode op achter de deur, als hij het pakje op de stoep legt, kom ik naar buiten. In huis ren ik de twee trappen op en af, op en af, ren twintig rondjes om de bank die in het midden van de kamer staat. We moeten blijven bewegen. Daarna zet ik koffie. En nee hoor, ik voel me niet belachelijk wanneer ik dit doe. Astrid Roemer schreef Over de gekte van een vrouw, ik las het voor het eerst midden jaren tachtig. Een heftig boek, veel vrouwenbloed, waanzin en onbestemde gevoelens van de jonge Surinaamse vrouw, Noenka. Het hele boek is een onbesuisde zoektocht naar eigenheid, eigenheid van alle vrouwen. Het verhaal drijft op de emoties van Noenka. Negen dagen na haar trouwdag verlaat ze haar man, hij verkrachtte haar tijdens de huwelijksnacht. In het dorp kan ze niet blijven, er wordt geroddeld, je verlaat je man niet. Als onderwijzeres komt ze niet meer aan het werk. Bezwerend proza, woekerend. 

    Als haar moeder ziek is gaat Noenka naar haar toe, ‘Zo dichtbij ontmoette ik de dood dat ik haar koele omarming voelde. Ik gooide de bloemen weg die ik meegenomen had. Ook de paternoster en de zilveren trommel met zandkoekjes. Een zuster stond bij haar bed. Ze groette. Ik knikte niet terug. Ik wilde stappen achteruit doen, mijn ogen dichtknijpen, mijn neus, maar een magnetische kracht rukte al mijn zintuigen open. “Mama”, riep ik door het doffe dreunen heen. Ik wilde haar tegenhouden, terugroepen, want ik zag dat ze zich ergens anders bevond dan ik. Ergens waar mensen niet worden toegelaten. Daar waar geen grond is voor de voeten, geen hemel voor het hoofd. Ik pakte haar vast: haar lichaam tegen mij aangedrukt, zacht, teer, licht en koel, als een ruiker bloemen, zonder takken en zonder groen.’

    Deze maand zou Astrid Roemer als eerste de serie ‘Grote schrijvers interview’ in De Balie openen. Ianthe Mosselman, organisator van deze serie zou haar interviewen. Daarom was ik opnieuw begonnen met lezen van Over de gekte en Olga en haar driekwartsmaten. De titel alleen zet al aan tot nadenken. Ik had me verheugd Roemer te horen spreken over haar werk, te ontdekken wat haar gedreven heeft. Over vrouwen die zich een weg banen naar zichzelf, over vrouw zijn. Heftige brokken proza die door alle gelaagdheden heen, iets raken, betekenis vrijgeven. Maar goed, alles is afgezegd, uitgesteld.

    Roemers laatste roman Gebroken wit, werd vorig jaar door Persis Bekkering besproken. Bekkering schreef dat het soms leek of Roemer ‘elke poging tot redactie moet hebben geweigerd’. Die gedachte komt onverwijld als je haar werk leest. Maar ook ‘dat je iets mist als je daar te lang bij blijft hangen’. En ja, het zijn deze eigenaardigheden die het lezen van haar boeken tot een ongekend avontuur maken. Daar moet je je aan overgeven om tot enige essentie te kunnen doordringen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Alle vrouwen zullen vleugels hebben

    Alle vrouwen zullen vleugels hebben

    Het circus is een magische plek, waar de werkelijkheid even wordt opgeschort voor een show die je transporteert naar een wereld waar alles mogelijk is. Voor Angela Carter, de auteur van Circusnachten is niets onmogelijk, ook een vrouw met vleugels niet. In de extravagante wereld van Carter staat alles op zijn kop. De vertaling van Leonoor Broeder brengt dit eigenzinnige werk van een gevierde schrijver naar ons taalgebied. Circusnachten draait om de enigmatische Fere. Deze trapezekunstenaar is de ster van het circus van kolonel Kearney, dat begint aan een transcontinentale tour met in het kielzog de journalist Jack Walser. In rijk proza wordt een wervelend verhaal verteld.

    Onorthodoxe heldin

    Het eerste hoofdstuk begint met de journalist Walser die Fere interviewt over haar leven. We horen hoe Fere bekend is geworden en over haar peetmoeder Lizzie. Naar eigen zeggen is ze uit een ei gekomen en op een dag wordt ze achtergelaten voor een bordeel in Londen van ene Ma Nelson,  een vrouw die in admiraalskostuum gekleed gaat. Opgevoed door prostituees en onder de hoede van Ma Nelson, is Fere een mascotte voor het huis. In deze ‘’volmaakt vrouwelijke wereld’’ komen op zekere dag haar vleugels door. Ze leert ze te gebruiken en onderneemt met hulp van Lizzie al snel haar eerste vlucht.

    Na een kort verblijf in het rariteitenkabinet van de duivelse Madame Shreck sluit Fere zich aan bij een circus. Daar wordt ze wereldberoemd, meer door haar exotische vleugels dan door haar talent. In eerste instantie is Walser licht cynisch en niet geneigd om dit fantastische verhaal te geloven. Maar gaandeweg raakt ook hij onder de betovering van Fere. Walser wil meer weten van deze wonderlijke vrouw en besluit haar te volgen. Hij sluit zich aan bij het circus dat bestaat uit een kleurrijke verzameling individuen. Walser is aanvankelijk in deze wereld een toeschouwer. Hij wordt door de whisky drinkende kolonel Kearney uit Kentucky, de baas van het circus, bij de clowns ingedeeld. Een vernederend en gevaarlijk bestaan waar hij achter komt als hij slachtoffer wordt van een aantal bizarre incidenten. 

    Gevleugelde victorie

    De actie speelt zich af tegen die achtergronden namelijk Londen, Sint-Petersburg en Siberië. In een bonte stoet trekt het circus van kolonel Kearney door drie continenten om voor keizers op te treden. Waar het eerste hoofdstuk over het verleden van Fere gaat, richt het tweede zich op Walser. In Sint-Petersburg beschrijft hij zijn indrukken van de stad en de andere leden van het circus. Door hun interactie leren Fere en Walser elkaar steeds beter kennen, en ontdekt Walser kanten van zichzelf die volledig onvermoed waren. Zo wordt hij op een haar na opgegeten door een tijger terwijl hij iemand probeert te beschermen en wordt hij als kip gebruikt in het laatste avondmaal-nummer van de clowns. 

    In Sint-Petersburg volgt een serie doldwaze avonturen. Fere wordt gesaboteerd tijdens een repetitie, de clowns beginnen een chaotische knokpartij. En tijdens het optreden verliest de Grote Buffo zijn verstand en probeert Walser te vermoorden. Er moet tevens een tijger afgeschoten worden. Fere moet de avond redden met haar optreden. Na het optreden in Sint-Petersburg trekt het circus dan ook in een flink verminderde bezetting door naar Siberië. Onderweg worden de rails echter opgeblazen door bandieten die iedereen behalve Walser ontvoeren. Het laatste deel van het verhaal speelt zich af in Siberië, waar Walser en Fere met elkaar herenigd worden, deze keer op haar voorwaarden. Walser moet gered worden door Fere, een omkering van het traditionele sprookje, wat typisch is voor Carter die onder andere een feministische bewerking van klassieke sprookjes heeft geschreven: The bloody chamber.

    De roman speelt rond het einde van de negentiende eeuw, een tijd vol verwachting. De nieuwe eeuw moet ingeluid worden door personen als Fere. Zij is de manifestatie van de nieuwe eeuw, zo roept ze zelf uit: ‘’Nog eenmaal zal de oude wereld om haar as draaien en dan zal de nieuwe dageraad dagen, dan, ah, dan! Dan zullen alle vrouwen vleugels hebben net als ik.’’ Fere is dus de echte heldin van het boek, een overvloedige vrouw die scheten laat, gulzig eet en een stem heeft ‘’galmend als de alt of zelfs de bariton van een vuilnisemmer.’’ Fere is tegelijk symbool en vrijgevochten individu. En door haar stipt Carter de vraag aan wat het betekent vrouw te zijn, en bekeken te worden.

    Vrouwelijke mythes

    De vorm van Circusnachten is die van een klassieke schelmenroman, de stijl is groots en meeslepend. En passant schiet Carter als een komeet door de hele literaire geschiedenis, ze haalt de hele (mannelijke) canon erbij. Maar ze geeft haar eigen interpretatie aan deze literaire giganten. Ze worden geherinterpreteerd in de vrouwelijke mythologie rond Fere. Zo is er een prominente plek ingeruimd voor de mythe van Leda en de zwaan, waarvan een schilderij hangt in het bordeel van Ma Nelson. 

    Carter schrijft op een volstrekt originele manier met een barok taalgebruik. Ze maakt rijkelijk gebruik van metaforen en subtiele woordspelingen. De humor is een rode draad door het hele boek. Net als de vraag naar de echtheid van de vleugels van Fere. Het is een complex verhaal, er gebeurt erg veel en soms wordt er veel gevraagd van de lezer. Al is het alleen maar om mee te gaan in de meer dan fantastische plotwendingen en de onmogelijkheden van het verhaal. Tijdens de ontsporing van de trein bijvoorbeeld verdwijnen de tijgers in de scherven van een spiegel. Een beeld wat doet denken aan de tijgers van William Blake. Maar voor wie door de ironische stijlvorm heen prikt wacht een wereld als geen ander.

    Walser vraagt zich in het begin van het boek af in hoeverre de mythe rond Fere werkelijkheid is. Het zou goed kunnen dat Fere Walser op sommige punten heeft weten te bedriegen. Carter maakt zich ook vrolijk over de verwarring van de lezer. Ze weet de hele chaos als een spreekstalmeester te dirigeren tot een bevredigend einde. Het eindigt niet met een knal, maar met de uitbundige lach van Fere: ‘’De wervelende tornado van Fere’s lach plantte zich voort over de gehele aarde, alsof het een spontane reactie was op de gigantische komedie die zich daar zonder ophouden afspeelde.’’

    Angela Carter viert Met Circusnachten de triomf van de verbeelding en geeft hiermee het genre van het magisch realisme een nieuwe impuls. 

  • Onzekerheid

    Onzekerheid

    Het weer zit nog steeds niet mee, de donkergrijze luchten, de somberte en die kletterende buien. Ik kom nergens; oefening in quarantaine voor als het coronavirus komt. Ik las God en de sociale dienst van Mizee, een strijd met de sociale dienst, en haar God: scenariodocent op de schrijversvakschool. In bed lees ik Blauwe nachten van Joan Didion. Over de dood van haar dochter Quintana, de bloemen in de lange haren van haar kind, handen die elkaar raken, wang tegen wang.
    En ’s ochtends de krant. In de Trouw van donderdag een foto op de voorpagina van Arielle Veerman, ex-vrouw van Joost Zwagerman. Het trok mijn aandacht. Ik ben niet heel bekend met het prozawerk van Zwagerman. Wel met zijn columns, essays en als gedreven kunstkenner. Het interview gaat over een boek dat Arielle Veerman geschreven heeft, over de periode dat zij zich gedemoniseerd voelde, dat het nu tijd is voor haar kant van het verhaal. En ja, ik was ook wel benieuwd naar haar verhaal.

    Ik herinner me een filmpje waarin Zwagerman op een houten bank op een winderige dijk in Tuitjenhorn zit. Na de scheiding had hij zich daar teruggetrokken in hun vakantiehuisje. Hij zei zoiets als, ‘Tja, daar zit je dan,’ verweesde blik in de ogen. Hij zei het niet met zoveel woorden, maar dat het aan zijn ex lag, begreep de kijker wel. Hij had het in ieder geval niet zien aankomen. De dingen keerden zich, hij begon een jarenlange hetze tegen haar in ellenlange nachtelijke mails.
    In Blauwe nachten schrijft Joan Didion: ‘Kan het zijn dat we pogingen doen om verlating te vermijden? Kan het zijn dat dergelijke pogingen worden bestempeld als “krampachtig”? Moeten we ons de vraag stellen wat daarna gebeurt? Moeten we ons de vraag stellen welke woorden vervolgens opkomen? Is een van die woorden niet “angst”? Is een ander woord niet “onzekerheid”?’

    Er zijn boeken die geschreven moeten worden, Arielle Veerman moest De langste adem schrijven, de andere kant van een leven zichtbaar maken. De rafelige randen en de onvolkomenheden die de ontoereikende mens in dit alles laat zien. Denk aan de achterkant van een stad gezien vanuit de trein. De verveloze kozijnen, vergeten wasgoed en vuilcontainers, gammele schuurtjes, grauw beton, incompleet meubilair. Dingen die verborgen blijven, maar om een beeld compleet te maken gezien moeten worden. Een momentum in een leven, er moet gesproken worden en van de doden niets dan goed. ‘Mijn drijfveer was:’ zegt Arielle Veerman, ‘begrijpen wat er is gebeurd. Ik heb niets weggegumd, ik spaar mezelf niet. Ik heb mijn eigen achtergrond, met gescheiden ouders en mijn jeugddepressie; ook die maakt dat ons gezamenlijk leven zich zo heeft ontwikkeld.’ Een openhartig interview, het boek moet nog gelezen worden, daarover later meer.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV of blijft binnen alwaar ze schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Bookspot Literatuurprijzenfeest voor Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen

    Bookspot Literatuurprijzenfeest voor Wessel te Gussinklo en Sjeng Scheijen

    Twee gelukkige schrijvers sleepten vanavond de Bookspot Literatuurprijs in de wacht. Sjeng Scheijen met de De avant-gardisten (Prometheus) in de categorie non-fictie, die dit jaar voor het eerst werd uitgereikt, en Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar (Koppernik) in de categorie fictie. Eerder deze week won Wessel te Gussinklo met De hoogstapelaar al de Zeeuwse Boekenprijs 2019. De Bookspot Literatuurprijs is een van de belangrijkste literaire prijzen in het Nederlandstalig gebied. Beide schrijvers winnen elk een geldbedrag van 50.000 euro.
    De prijzen werden door Winnie Sorgdrager, voorzitter van de Stichting Jaarlijkse Literatuurprijs, uitgereikt tijdens een literaire avond in de Centrale Bibliotheek in Den Haag.

    Webwinkel Bookspot kent ook een Bookspot Lezersprijs, die vorige week gewonnen werd door Peter Buwalda met Otmars zonen en gisteren won Manon Uphoff met haar roman Vallen is als vliegen de BookSpot Scholierenprijs 2019.

    De overige genomineerden voor fictie waren Nicolien Mizzee met Moord op de moestuin (Nijgh en van Ditmar) en Marente de Moor met Foon (Querido).
    De overige genomineerden voor non-fictie waren Mirjam van Hengel met Een knipperend ogenblik (Bezige Bij), Lieve Joris met Terug naar Neerpelt (Atlas Contact), Maaike Meijer met Hemelse mevrouw Frederike (Bezige Bij) en Thomas Rueb met Laura H. (Das Mag). Zij ontvangen ieder een geldbedrag van 2.500 euro.

    De jury van de BookSpot Literatuurprijs bestond dit jaar uit: Jan Dertaelen, boekverkoper bij De Groene Waterman in Antwerpen en recensent; Maite Karssenberg, auteur en historica; Sebastiaan Kort, recensent voor NRC; Maartje Kroonen, boekverkoper bij Boekhandel Bijleveld te Utrecht; Daan Stoffelsen, boekverkoper, recensent en hoofdredacteur van literair tijdschrift De Revisor; Jelle Van Riet, literair journaliste voor De Standaard; Jeroen Vullings, literatuurcriticus Vrij Nederland en Nieuwsweekend.

     

    Lees op Bookspot Literatuurprijs de motivatie voor alle prijstoekenningen.

     

  • Oogst week 45 – 2019

    Allesverpletterende

    Allesverpletterende is de titel van het deze week verschenen derde boek van Nicolien Mizee met faxen aan Ger Beukenkamp. De vorige twee delen waren De kennismaking uit 2017 en De porseleinkast uit 2018. ‘Allesverpletterende’ is één van de aanspreekvormen die Mizee gebruikt in haar correspondentie met Ger. ‘Een oprechte stem die zichzelf niet spaart’, schreef Inge Meijer in een column op deze site over Mizee. Zij vond het tweede deel al diepgravender en onderzoekender dan het eerste. De recensie van De porseleinkast door Thomas de Veen in NRC Handelsblad kreeg zelfs de kop mee: ‘Nog een paar van deze verslavende boeken en Mizee wint de P.C. Hooft-prijs’. Dat belooft wat voor Allesverpletterende.

    Allesverpletterende
    Auteur: Nicolien Mizee
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Liever dier dan mens, Een overlevingsverhaal

    Journalist Pieter van Os, onder andere voor De Groene, wist van het bestaan van de in Polen geboren joodse Mala Rivka Kizel, die tegenwoordig Marilka Shlafer heet en in Amstelveen woont. Ze is nu tweeënnegentig. Van Os had de grote lijnen van haar wonderlijke overlevingsverhaal al eens gehoord van haar kleinzoon en zocht contact met haar. Hij las haar memoires, voerde gesprekken met haar en bereisde de plekken waar ze gewoond heeft. Ze overleefde de oorlog doordat ze inwoonde bij een nazigezin in Zerbst. Ze gedroeg zich alsof ze volksduitse was. Ontroerend is het moment waarop de Amerikanen bij de bevrijding ontdekken dat Mala geen Duitse is als ze meezingt met een jiddisch lied dat enkele joodse soldaten onder de Yankees hebben ingezet. In Liever dier dan mens vertelt van Os meeslepend zijn zoektocht en de odyssee van Mala door Polen, de Oekraïne, Duitsland, Israël en Nederland.

    Liever dier dan mens, Een overlevingsverhaal
    Auteur: Pieter van Os
    Uitgeverij: Prometheus

    M.

    M. De zoon van de eeuw van Antonio Scurati werd in Italië bekroond met de belangrijkste literaire prijs van het land, de Premio Strega. De M uit de titel is Mussolini, maar dan niet in retrospectie. Scurati is in deze vuistdikke roman in het hoofd gekropen van de Duce, of beter: de aanstaande Duce. Hij leefde zich helemaal in in de psyche en het taalgebruik van een man die er van overtuigd was dat hij een grote rol zou gaan spelen in zijn land en de wereld. Maar Scurati wilde het latere oordeel van de geschiedenis daar zoveel mogelijk buiten houden. ‘De toekomst is van ons. Al ga je op je kop staan, er is niets aan te doen, ik ben net als een dier, ik ruik de tijd die komt’, denkt de dan 36-jarige Mussolini. Hij is klaar voor de oprichting van zijn fascistische partij. Het is 1919.

    M.
    Auteur: Antonio Scurati
    Uitgeverij: Podium
  • Oogst week 40 – 2019

    Hogere natuurkunde

    Hogere natuurkunde is de vierde dichtbundel van Ellen Deckwitz. Het thema is de doorwerking van ervaringen in Jappenkampen in Indië op de tweede en derde generatie. Deckwitz’ oma Koos deelde die ervaringen met Ellen, maar nauwelijks met anderen. Ze bespaarde haar kleindochter daarbij de gruwelijke details niet. Na oma’s dood in 2014 ontdekte Ellen dat zij alleen stond met die verhalen en ging ze op zoek naar andere nakomelingen van gevangenen uit de Jappenkampen. ‘Je zult moeten leren verdragen wat in je zit’, zegt ze in NRC Handelsblad. Therapie biedt geen oplossing. Het schrijven aan Hogere natuurkunde hielp haar wel. Op 29 september sprak ze over haar bundel in VPRO Boeken.

    Hogere natuurkunde
    Auteur: Ellen Deckwitz
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Dorsmans dood

    Mieke Smilde is rechtbankjournalist. In haar tweede roman, Dorsmans dood, beweegt ze zich volledig op haar vakgebied. Ze roept vragen op over de invloed van publiek en media op de waarheidsvinding in rechterlijke oordelen, maar ook over wat iemands afkomst betekent voor zijn latere werk. Rechter Pieter Coorn, van oorsprong een Rotterdamse stadsjongen, moet in hoger beroep beoordelen of een Bulgaarse verdachte inderdaad Esther Dorman heeft vermoord. Hij stelt nogal wat fouten vast die de familie en de pers liever niet horen. Ook met Miek Smilde is een interview te beluisteren in VPRO Boeken, op 22 september.

    Dorsmans dood
    Auteur: Miek Smilde
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Vaderliefde

    Het veelzijdige oeuvre van P.F. Thomése (De weldoener, De onderwaterzwemmer en de bijna burleske J. Kesselsromans) kende tot nu geen werk dat zo autobiografisch was als Schaduwkind (over de dood van zijn dochtertje Isa), ook al draagt Nergensman uit 2009 de ondertitel ‘Autobiografieën’. Daar is nu Vaderliefde aan toegevoegd. Hij schreef het na de dood van zijn beide ouders. Het verhaal gaat over veel meer dan zijn vader. Aan de hand van brieven, nagelaten spullen en persoonlijke herinneringen construeert hij zijn familiegeschiedenis tot ver terug, met aan het slot de vraag hoe hij zelf als vader in die geschiedenis zal worden opgenomen.
    Op 6 oktober zal Thomése in VPRO Boeken te gast zijn over Vaderliefde.

    Vaderliefde
    Auteur: P.F. Thomése
    Uitgeverij: Prometheus
  • Lezen zonder kompas

    Lezen zonder kompas

    Wiljan van den Akker heeft al enkele dichtbundels op zijn naam staan en schreef samen met Esther Jansma onder het pseudoniem Julian Winter ook een roman. Verdwaald is zijn eerste verhalenbundel. Een eerste vaststelling: dit is een zeer gevarieerd boek. Sommige verhalen bevatten fantastische elementen en doen onder meer denken aan de experimentele verhalen van de Argentijnse Julio Cortázar, andere zijn dan weer iets klassieker, maar in het algemeen lijkt de auteur toch veeleer te kiezen voor dromerige, verre associaties dan rechtlijnige verhalen met een duidelijke plot. Daarbij dreigt natuurlijk wel het risico dat ook de lezer verdwaalt.

    Wiljan van den Akker is professor in de moderne letterkunde en een van die letterkundigen die de literatuur niet alleen onderzoeken en doceren, maar ook zelf bedrijven. Of dat een vruchtbare wisselwerking is, staat niet op voorhand vast. Zo is de Vlaamse letterkundige Paul Claes bijvoorbeeld een gewaardeerd literatuurkenner en vertaler, zijn eigen werk is ongenietbaar omdat het te cerebraal is.

    Geen ontspanningsliteratuur

    Het eerste verhaal, ‘De dodenvisser’, draait onder meer om ene Kueng (‘Niemand haatte hem, niemand hield van hem. Hij bestond gewoon’), een ‘dodenvisser’ die lijken opvist uit de rivier die door zijn Chinese gehucht stroomt, en een vreemdeling die onverwachts verschijnt. Het tweede verhaal, ‘Een levendige handel’, houdt dan weer verband met het eerste: het speelt zich af in dezelfde regio. Het hoofdpersonage, dat op zoek is naar zijn verdwenen dochter, komt daar via een folder in aanraking met ene Wei Gongsun, ook al zo’n ‘dodenvisser’.
    Verbanden zijn er dus wel, maar de puzzelstukjes lijken – met opzet – niet in elkaar te passen en er worden meer vragen gesteld dan opgelost. In die zin is Van den Akker veeleisend voor zijn lezers: zij moeten aan het werk. Dit is geen vrijblijvende ontspanningsliteratuur, zoveel is duidelijk. Daar is niets mis mee, maar wellicht was het beter de bundel te openen met een van de toegankelijkere verhalen, zodat de lezer zich geleidelijk vertrouwd kan maken met de onconventionele verteltechniek van de schrijver.

    Toen boeken nog verboden werden

    ‘Inzake de ovens’ speelt zich af in Roermond in 1901. Het gaat om een brief van een bibliothecaris die verboden boeken van de Index Librorum Prohibitorum moet laten verbranden. Die in 1966 afgeschafte lijst heeft overigens wel degelijk bestaan en werd in katholieke landen gebruikt om te beslissen welke boeken gelovigen al dan niet mochten lezen. De grootschalige boekverbrandingen in speciaal daarvoor bedoelde ovens in dit verhaal en de door besmette boeken overgedragen ziekten zijn fictief, maar dat boeken van de index lang onder de toonbank werden verkocht staat wel degelijk vast:

    ‘Het gaat hier om vunzige winkeltjes in achterafstraatjes waarin dubieus uitziende heren of juffrouwen tronen te midden van de afgodengalerij, die is bezwangerd door een giftige Sodom-atmosfeer. De klanten komen en gaan even geluidloos als de boeken die daar staan. Haastig wordt de catalogus bekeken, snel de keuze gemaakt, besmuikt vijf cent betaald.’

    Zelfde setting ander standpunt

    In het daaropvolgende verhaal, ‘Nieuwe reglementen’, krijgen we opnieuw te maken met een ander personage dat dezelfde setting vanuit zijn standpunt belicht: ene Van Ginniken heeft de taak om de verboden lectuur in de verbrandingsovens te vernietigen, maar komt op een dag in de verleiding om in zo’n verderfelijk boek te bladeren. De schrijver van deze bundel lijkt de lezer erop die manier toe te willen brengen om dezelfde situatie op meerdere manieren te beschouwen, om af te stappen van een eenduidig, monolithisch wereldbeeld en ruimte te maken voor meerduidigheid. Dat is een interessant uitgangspunt, maar in ‘Metamorfosen’, waarin op elkaar aansluitende situaties met uiteenlopende personages in Berlijn, Sydney, Amsterdam, Durban en Londen drijft hij dat procedé wel wat ver. Het verhaal wordt daardoor nodeloos ingewikkeld.

    Ook ‘Het vermoeden’ begint raadselachtig, met de zin ‘Het lag er opeens’. Dat ‘het’ is iets mysterieus, een onbestemde, bezielde levensvorm: ‘Na een dag of tien was het duidelijk dat het daar zou blijven liggen. Uit niets kon worden afgeleid dat het zich ongemakkelijk voelde. Het begon eerder vastberadenheid uit te stralen. Onder invloed van het weer veranderde het voortdurend van kleur. Als de zon erop scheen, begon de buitenkant te iriseren waardoor het een blauwgroenige gloed kreeg. Zodra er een wolk tevoorschijn kwam, verdween de straling en werd het weer gitzwart.’

    Soms lijkt het alsof de auteur de lezers bewust in het duister laat zitten tot hij het kaarsje voor hen aansteekt, maar het licht gaat nooit helemaal aan waardoor de mysterieuze spanning goed stand houdt. Het idee wordt nog verder uitgewerkt in het daaropvolgende ‘Opgelost’, waarin een muziekschool de deuren moet sluiten na een incident met een tot gigantische proporties uitgegroeid ‘iets’: ‘Even dachten we dat het door de wind kwam, maar iets enorms scheurde ze open, vulde de achterwand en schoof naar voren. Onstuitbaar perste het zich naar voren, vulde het podium en veegde de muzikantjes de orkestbak in. Het blurpte over de podiumrand, bedolf de gillende kinderen en bedekte de ene rij toeschouwers na de andere.’

    Geslaagd verhaal

    Het meest geslaagde verhaal is ‘Een mond vol knikkers’. Met veel ironische afstand en zelfspot voert Van den Akker daarin ene David op, een dichter die zich beweegt in de marginale sfeer waartoe de poëzie lijkt te zijn veroordeeld: een wereld van optredens voor anderhalve man en een paardenkop in schimmige achterafzaaltjes waar al sprake is van een groot succes als vrijwilligers na afloop enkele exemplaren kunnen slijten van de oplage van 200 exemplaren op handgeschept papier: ‘Nog even en David zou aan de beurt zijn. Er zou worden geklapt en langzaam zou hij naar de tafel lopen. Zelfverzekerd zou hij een glas volschenken om te laten zien dat zijn handen niet trilden. Vervolgens een beetje in zijn stapel papieren rommelen en zijn bril uit zijn binnenzak halen. Aandachtig bladeren, wenkbrauwen fronsen en een verbaasde glimlach tevoorschijn toveren. Alsof hem zojuist was geopenbaard welke gedichten hij kiezen moest.’ Uit het leven gegrepen, zoals dat heet.

     

  • Door vuur vergaan

    Door vuur vergaan

    Deze roman van Maria Stahlie is balsem voor je geest; het is mooi geschreven en consciëntieus gecomponeerd, met veel oog voor detail en situering in de tijd; het zet je aan tot denken over het bestaan in het algemeen en over je eigen leven.

    Hoofdpersoon is Annette van ’t Hoff.  In de vier delen waaruit het boek bestaat lezen we haar leven. Het eerste deel -‘Vuurdoop’- is gesitueerd in 1972, Annette is dan in haar 11e levensjaar. Haar moeder vertelt haar op 29 (!) februari dat ze een abortus heeft laten plegen. Haar vader was het daar niet mee eens en trekt zich vanaf dat moment terug in zichzelf. Annette’s moeder drukt haar op het hart er met niemand over te spreken, niet met haar vader en ook niet met zus Pauline en broer Max. Annette beseft dan dat het leven niet vanzelfsprekend is, het bestaan evenmin. Ze geeft haar ongeboren broertje – hij zou op 5 september 1972 zijn geboren, de dag van de gijzeling op de Olympische Spelen in München – een naam: Egidius. Dat is de tweede naam van haar vader maar ook de titel van het beroemde klaaglied uit de Middeleeuwen Egidius waer bestu bleven. Dat gaat over de dood van een vriend waarbij de ‘ik’ op aarde ongelukkig achterblijft en aan Egidius vraagt een plekje in de hemel voor hem vrij te laten.
    Nadat haar moeder het haar heeft verteld, gaat Annette naar haar kamer en voelt, al springend op haar bed, een vurig verlangen om te leven, zelf noemt ze het ‘witte hitte’: ‘Zou ze de witte hitte gaan vergeten, de witte hitte die zich op 29 februari vanuit het kuiltje boven haar maag naar alle uithoeken van haar lichaam had verspreid en haar in vuur en vlam had gezet?’ Vanaf dat moment staat haar leven in het teken van die heftige emotionele ervaring: ‘Sinds 29 februari 1972 was de schrikkeldag onlosmakelijk verbonden met Egidius en met het besef dat het niet vanzelfsprekend was om te bestaan. Zonder de zuigcurettage die het ongeboren kind in de buik van haar moeder de kop had gekost, zou Annette waarschijnlijk nooit de witte hitte hebben ervaren die haar op haar tiende als het ware voor de tweede keer in haar leven op de wereld zette. Annette koesterde het postume geschenk als haar meest kostbare bezit en ze was de 29ste februari als een soort van gedenkdag gaan zien, een op maat gesneden gedenkdag bovendien omdat de schrikkeldag net als Egidius buiten de tijd stond.’

    Het tweede deel  -‘Lichterlaaie’- verhaalt over haar tweejarig verblijf in de VS in het kader van haar studie kunstgeschiedenis, ze is dan 21/22 jaar. Ze leert daar de drie broers Rossi kennen, ze trouwt later met een van hen.

    Na haar middelbare school kiest Annette voor een studie medicijnen, maar wordt uitgeloot; in de tussentijd studeert ze kunstgeschiedenis. Aanleiding hiervoor is dat ze voor de tweede keer in haar leven de ‘witte hitte’ heeft gevoeld bij het zien van Stilleven met vis van Pieter Claesz uit 1647.

    Wanneer in de VS een omvangrijke tentoonstelling wordt georganiseerd met stillevens, wordt ze uitgenodigd de persoonlijke assistent van de conservator te worden. Hoewel haar moeder zich fel verzet, hoeft Annette niet lang na te denken: ze gaat ‘op jacht naar een vuur waarvan nooit eenduidig zou kunnen worden vastgesteld dat het brandde, omdat het in verf was verstopt.’

    In de VS komt ze dichter bij het vuur dan ze voor mogelijk had gehouden: ‘De onnavolgbare samenhang die Pieter Claesz gecreëerd had op het paneel dat in het museum van Minneapolis hing had haar in lichterlaaie gezet.’ Dan komt haar begeleider met een artikel over ‘contemplatief kijken’ waarin beschreven wordt hoe ‘je in een kunstwerk af kun dalen, naar het diepe hart van het schilderij.’ Dit doet haar besluiten zich verder te verdiepen in de kunstbeschouwing zodat ze toegang zal hebben tot het ervaren van ‘de witte hitte’.

    Wanneer ze terugvliegt naar Nederland wacht haar een onaangename verrassing: haar vader is spoorloos verdwenen en heeft haar komst niet afgewacht. Voor Annette onbegrijpelijk, omdat ze zich met hem veel meer verbonden voelt dan met haar moeder. Ze ‘had zich vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat ze degene die haar het leven had geschonken in feite niet echt aardig vond’. Hoewel ze begrijpt dat haar vader weg is gegaan bij haar moeder, voelt ze zich door hem in de steek gelaten.

    In het derde en dikste deel –‘Onder as bedolven’- is Annette 42/43 jaar, getrouwd, heeft twee zonen. Voor wie het werk van Stahlie kent, is Annettes gezin bekend, in haar vorige roman Scheerjongen stond Annettes oudste zoon Aldo centraal. Ze is inmiddels een succesvol kunsthistorica, een gevierd TV presentatrice en doceert aan de universiteit. Ze vindt haar werkzaamheden interessant, haar collega’s collegiaal, ze is geliefd bij haar studenten en televisiekijkers, heeft geen geldzorgen, leidt een gelukkig gezinsleven en woont in een mooi huis in Amsterdam. Haar zegeningen zijn bijna niet te tellen.

    Maar toch is ze niet gelukkig. Ze merkt dat de gloed uit haar leven is verdwenen. ‘De gloed die zich onder de dubbele bodem van haar hart had genesteld, was domweg nergens meer te bekennen.’ Ze weet dat het normaal is dat ‘een mens in de loop van zijn volwassen leven het vuur uit zijn jeugd inruilt voor volwassen verantwoordelijkheden’. Annette twijfelt en tobt over het verlies van de ‘witte hitte’ en de gevoelens die ze gaandeweg kwijt is geraakt en voelt ze zich tegenover haar man en kinderen, zus en broer, schuldig omdat ze doet alsof ze gelukkig is. Ze schaamt zich daarvoor, voelt zich een bedrieger. Haar crisis bereikt een hoogtepunt wanneer ze – op zoek naar het verdwenen vuur – een seksuele relatie begint met een buurman en zo haar relatie met haar man Ben op het spel zet. Haar schuldcomplex groeit hierdoor en ze is dan ook opgelucht wanneer haar minnaar de relatie beëindigt omdat hij een vriendin heeft.

    Naarmate haar schuldcomplex groter wordt, mist ze haar vader; met hem zou ze hierover kunnen spreken: ‘hij zou haar begrijpen als ze hem zou vertellen dat het vuur dat haar in betere tijden had voortgejaagd, onder as bedolven was.’ Wanneer haar broer haar vader heeft opgespoord, durft ze niet naar hem toe. Wanneer ze dan toch gaat en hem ziet, herkent hij haar niet. Ze laat het daarbij en keert terug naar huis.

    In het laatste en dunste deel –‘Egidius’- komt het tot een emotionele ontlading die voor haar louterend lijkt te werken. Ze heeft steeds tegen haar man en kinderen willen zeggen wat er met haar aan de hand is, maar durft dat niet, uit angst hen te verliezen. Ze denkt erover om haar schuld in  te lossen door net als haar vader fysiek te verdwijnen. Maar er gebeurt iets waardoor ze niet langer in zichzelf gekeerd kan blijven. ‘Haar schuld was erkend, ze bestond weer. Annette haalde diep adem (…) Er gloeide een zekerheid op onder de dubbele bodem van haar hart, een zekerheid die het verstand te boven ging.’

    Het is een prachtig en rijk boek, schitterend geschreven en met groot plezier gelezen!

     

     

  • Alleen in mijn gedichten kan ik wonen – Menno Wigman en Rob Schouten

    Gesignaleerd door de redactie:

    Evergreens in de poëzie blijken niet van alle tijden te zijn. De jongste generatie dichters leveren werk dat bijblijft en van de vorige generatie dichters blijkt dat gedichten hun werk gedaan hebben. Wat doe je daar mee?

    In dit beweeglijke landschap van de poëzie hebben Menno Wigman en Rob Schouten de canon opnieuw tegen het licht gehouden, met oog voor traditie, maar vooral met oog voor het nieuwe. En zo komt men in Alleen in mijn gedichten kan ik wonen het repertoire tegen van Marsmans ‘Herinnering aan Holland’ en J.C. Bloems ‘De Dapperstraat’, maar ook de meest gelezen en geciteerde verzen van relatief nieuwe dichters als K. Michel, Tonnus Oosterhoff en Esther Jansma, die hier hun eerste sporen in de canon van onze tijd nalaten.
    Alleen in mijn gedichten kan ik wonen is een overzicht van het mooiste wat de Nederlandse poëzie te bieden heeft, zowel voor poëziekenners als voor hen die nog nooit eerder een gedicht lazen.

    Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist. Rob Schouten (1954) is dichter, literatuurcriticus en columnist van o.a. Dagblad Trouw. Eerder stelden ze de veelgelezen bloemlezingen A Thing of Beauty en Tell Me the Truth about Love samen.

     

    Allen in mijn gedichten kan ik wonen

    Menno Wigman en Rob Schouten
    Blz: 312
    Prijs: € 15.00
    Uitgeverij Prometheus