• Oogst week 7 — 2026

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis

    In Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis bespreekt Alicja Gescinska tien toonaangevende vrouwen in tien biografische portretten. Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar. Vrouwen die streden tegen onderdrukking, tegen de ontmenselijking en vernietigingsdrang van de twintigste eeuw. Veel van hen werden vervolgd voor hun daden van verzet: ze stierven in kampen of leefden in ballingschap.

    Alicja Gescinska (1981) is een Pools-Belgische filosoof en schrijver. Ze werd geboren in Warschau en vluchtte op zevenjarige leeftijd naar België. Daar groeide ze, na een kort verblijf in een asielcentrum in Brussel, op in het Oost-Vlaamse dorp Lede. Gescinska studeerde Moreelwetenschappen en promoveerde in 2012 tot Doctor in de Wijsbegeerte aan de Universiteit Gent. Sindsdien werkt ze als onderzoeker, docent en schrijver. Ze schrijft zowel fictie als non-fictie en in 2017 won ze de Debuutprijs voor haar roman Een soort van liefde. Vrouwen in duistere tijden is haar meest recente boek. 

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis
    Auteur: Alicja Gescinska
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Moet dwalen

    Isi Witlamm snakt naar romantische liefde, naar eeuwige zelfs. Een allesbepalend en misschien wat gevaarlijk verlangen. Want wat kun je redelijkerwijs van het leven verwachten? In Moet dwalen laat Charlotte Mutsaers hem, de titel zegt het al, dan ook hopeloos verdwalen. Met zijn visie van eeuwige liefde als baken blijft Isi geloven dat hij de weg weer zal vinden. Wellicht tevergeefs.

    Charlotte Mutsaers (1942) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze studeerde Nederlands, werkte als docent en volgde de avondopleiding tekenen en schilderen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (sinds 1968 Gerrit Rietveld Academie). Sinds de jaren tachtig verschenen er veel romans, verhalen, poëzie en essaybundels van haar hand. Haar werk werd genomineerd voor alle grote literaire prijzen, waarvan ze onder andere de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs ontving.

    Moet dwalen
    Auteur: Charlotte Mutsaers

    Uitgeverij: Prometheus

    Meester van de trommels


    In Meester van de trommels laat José Eduardo Agualusa zijn personage Leila Pinto het liefdesverhaal van haar grootouders vertellen. Dit verhaal, over Jan en Lucrécia, is verweven met de geschiedenis van het Koninkrijk Bailundo en het hedendaagse Angola. Agualusa doet hiermee een alternatieve werkelijkheid uit de doeken: antikoloniaal en bedoeld om te laten zien hoe veelvormig de geschiedenis van een land kan zijn.

    José Eduardo Agualusa (1960) is een Angolese schrijver en columnist van Portugees-Braziliaanse afkomst. Hij studeerde landbouwkunde en bosbouw in Lissabon en woont momenteel op Ilha de Moçambique, waar hij werkt als schrijver en journalist. Zijn eerste boek, een roman, verscheen in 1989. Sindsdien publiceerde hij een groot aantal romans, korte verhalen en novelles. Agualusa won meerdere prijzen waaronder, in 2017, de International Dublin Literary Award. Zijn boeken werden vertaald in vijfentwintig talen.

    Meester van de trommels

    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Koppernik
  • Monument voor een vriend

    Monument voor een vriend

    Willem Otterspeer schreef een biografie over dichter, schrijver, criticus, programmamaker en boekenmens pur sang Michaël Zeeman (1958-2009). Otterspeer dekt zich van tevoren terdege in: hij en Zeeman waren goed bevriend, wat vragen kan oproepen over de vereiste objectiviteit. Als we dat gehad hebben kan de lezer al snel constateren dat de vriendschap de biografie vooral warmbloedig maakt: goed geschreven, betrokken en liefdevol. Wat ook snel duidelijk wordt is dat we met een hoofdpersoon te maken hebben die alles is behalve gewoon. En dit maakte Zeeman ook raadselachtig. Otterspeer schreef de biografie om zijn vriend te begrijpen. Aan het slot van hoofdstuk een wordt de lezer flink nieuwsgierig gemaakt: ’Zijn leven was lezen, zijn lezen schrijven, zijn schrijven schandaal. Elke minuut ervan was boeiend.’

    De grote gebeurtenis in Zeemans leven was de arrestatie in 1986 op verdenking van grootschalige boekendiefstal. Die zou hebben plaatsgevonden gedurende de jaren dat Zeeman werkte bij boekhandel De Tille in Leeuwarden. Wat de een beschouwde als verduistering, was voor de ander een uitbetaling in natura, in alle openheid, ter compensatie van gewerkte overuren en opgeofferde vrije dagen. De administratie van een en ander bleek een gatenkaas, voor zover deze überhaupt werd bijgehouden.

    Zeeman werd opgesloten en intensief verhoord. Toen hij onverwacht na enkele dagen werd vrijgelaten realiseerde hij zich twee dingen: dat hij niet ‘gewoon’ meer wilde zijn, geen burgerman, en het belang van vriendschap. Otterspeer behandelt deze cruciale episode uit het leven van Michaël Zeeman indringend. Na langdurig procederen kwam een veroordeling er uiteindelijk niet. ’Hij heeft het niet gedaan maar hij heeft het ook niet niet gedaan,’ aldus Otterspeer. Dat de affaire Zeeman blijvend heeft beschadigd wordt overtuigend duidelijk.

    Slaag en vrouwen

    Michaël Zeeman was een domineeszoon. Het intense gevoel voor taal en boeken ging van de vader op de zoon over. Tot in kerkdiensten en uitvaarten imiteerde de kleine Michaël zijn vader, met zijn zusjes als toehoorders en deelnemers in het spel. Overigens werd de verstandhouding met de ouders met de jaren slechter en slechter: steeds meer gekenmerkt door afstandelijkheid en onbegrip, en gelardeerd met veel slaag.

    De liefde komt in Zeemans leven: hij stort zijn hart uit bij de vrouw die door biograaf Otterspeer wordt aangeduid met de letter ‘M.’ omdat zij niet herkenbaar in het boek wil figureren (ze is de enige niet). Ze wordt overladen met post, vol van hartstocht en (beschouwingen over zijn) belevenissen. Na verloop van tijd echter rest de illusie. Er volgen andere vrouwen en al snel is een patroon herkenbaar: van overrompelend en liefdevol geluk, met als keerzijde een verstandhouding die al snel zwaar te lijden heeft onder Zeemans angstaanvallen, gewelddadigheid en ontrouw.

    In diverse functies ontwikkelt Zeeman een tomeloze inzet. Als boekhandelaar en uitgever, als bestuurder/organisator bij de Rotterdamse kunststichting, als initiatiefnemer voor literaire projecten in Leeuwarden, als student-assistent bij de opleidingen Filosofie in Utrecht en Groningen. Het duizelt de lezer geregeld, want daarnaast schreef Zeeman ook nog toneelrecensies, literaire kritieken en poëzie. Vanaf begin jaren negentig van de twintigste eeuw fungeert Zeeman als chef kunst bij de Volkskrant en ook daar was zijn inzet groot. Hij maakte plannen, ontvouwde perspectieven en visies, schreef zelf bovenmatig veel. En hij stelde hoge eisen aan zijn collega’s.

    Fascinerende schelm

    Biograaf Otterspeer dist het allemaal smakelijk en meeslepend op. Zeeman en de poëzie. Zeeman en het proza. Zeeman als televisiepersoonlijkheid. Geregeld vat Otterspeer samen, of herneemt hij het voorafgaande, vaak compact en overtuigend, met af en toe een cliffhanger. Het is bijna verslavend om zinnen te lezen als ‘Kwetsbaarheid is de kwintessens van zijn poëzie’ of ‘… die vreemde combinatie van zelfkennis en zelfmisleiding die bij Michaël, door de intensiteit en omvang ervan, een wezenskenmerk is’ of ‘ambitie was het product van zijn talent, faalangst het resultaat van zijn opvoeding. Met elkaar vermenigvuldigd leverden ze de fascinerende figuur van de schelm op (…) die bluf tot kunst- en levensvorm maakte’.

    Overigens verliep Zeemans werkzame leven bij de Volkskrant inderdaad tumultueus. Een sleutelroman waarin collega’s voor sommigen herkenbaar optraden leidde tot spanningen die niet Zeemans vertrek tot gevolg hadden, maar een functie elders. En niet tot Zeemans verdriet: hij werd cultureel correspondent te Rome.

    Geliefde dode

    Al lezende leren wij Michaël Zeeman aan Otterspeers hand beter en beter kennen: als veelgevraagd presentator en gespreksleider, als bibliomaan, als denker en publicist over Nederlandse identiteit, over de rol van de elite, over het multiculturele vraagstuk. Indrukwekkend bij dit alles zijn Zeemans toewijding en radicaal internationale oriëntatie. Maar Zeeman was ook een intrigant, die er behagen in schiep conflicten op te stoken. Zijn verhoudingen met vrouwen waren complex, om het vriendelijk te zeggen. Hij was romantisch, genereus en veeleisend, hals over kop straalverliefd en vroeg of laat toch weer verveeld, jaloers, ontrouw.

    Vooral toch was Zeeman erudiet, belezen, creatief, onconventioneel en onstuitbaar. Zijn veel te vroege dood op 50-jarige leeftijd, als gevolg van een ruim twee maanden daarvoor vastgestelde hersentumor, treft de lezer als een aangrijpend verlies, omdat er nog zoveel gaande was, omdat dit leven nog niet af was.
    Wat wel af is is dit bijzondere, rijke boek over een bijzonder mens. Samen met een eerder samengestelde keuze uit Zeemans artikelen, verschenen in 2010, vormt de biografie een monument voor een geliefde en bewonderde dode. Deze biografie over zijn vriend Michaël Zeeman, aldus Willem Otterspeer, ‘maakt de complexiteit van het verschijnsel mens duidelijk. Zoiets gaat niet ten koste van de vriendschap, maar is er het bewijs van.’ Waarvan akte.

     

  • Tussen twee werelden

    Tussen twee werelden

    Rita Törnqvist-Verschuur (1935) gaat al ruim een halve eeuw mee op het Nederlandse literaire toneel als kinderboekenschrijfster, vertaalster en romanschrijfster. Als meisjes stoer zijn is haar laatste bijdrage aan haar omvangrijke oeuvre.

    Dit boek mag een memoir genoemd worden waarin Verschuur op haar niet altijd gemakkelijke leven terugkijkt. Ze schrijft haar verhaal chronologisch in de ik-vorm en in fragmenten, soms van een halve bladzijde.

    In al haar werk heeft ze altijd uit haar eigen leven geput, waaronder ervaringen als kind in de oorlog, op haar achtste verlaten worden door haar moeder, leren omgaan met een stiefmoeder die ze ‘moeder’ moet noemen, halfbroertjes en -zusjes krijgen. Haar vader die haar meeneemt naar Zweden, waar ze nieuwe vriendinnen maakt en wat haar liefde voor de Zweedse taal aanwakkert. Ze gaat Zweeds en Oudgrieks studeren in Amsterdam, om dat af te ronden met Scandinavische talen in Uppsala en haar doctoraal weer in Amsterdam te halen. In Zweden verpandt ze haar hart aan de liefde; ze ontmoet de vader van haar drie kinderen, de literatuurwetenschapper Egil Törnqvist. En Astrid Lindgren. Ze omarmt haar nieuwe thuisland, maar uiteindelijk hoort ze nooit ergens bij.

    Vertaalster

    In Als meisjes stoer zijn beschrijft Verschuur haar ontmoetingen met Zweedse schrijvers en dichters, met wie ze bevriend raakt en die ze wel naar het Nederlands wil vertalen. Tegen een vriendin zegt ze: ”Er zijn twee dichters Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer, die me elk een kersverse poëziebundel hebben gegeven en daar zijn gedichten bij die maar door mijn hoofd blijven spoken.” “Zou je daar iets mee willen doen?” vraagt de vriendin en ze antwoordt: “Terwijl ik luiers sta te wassen verschijnen er af en toe flarden in het Nederlands, precies op het ritme van het Zweeds, en die onthoud ik dan. Tijdens wandelingen met mijn zoontje komen er soms hele zinnen, en die krabbel ik op een papiertje als we pauzeren in de speeltuin.”

    Ze vertaalt tientallen boeken van Astrid Lindgren, en tal van Zweedse schrijvers en dichters, zoals August Strindberg, Torgny Lindgren, Per Olaf Enquist en de Noor Knut Hamsun. En omgekeerd introduceert ze Jan Wolkers bij het Zweedse publiek: ze vertaalt Turks Fruit in het Zweeds. Aanvankelijk zag ze het niet zitten. ‘Eerlijk gezegd zit ik hier toch wel wat tegenaan te hikken, want dit boek staat bol van de vrouwonvriendelijke seks.’ Maar na een bezoek van een stijve overbuurman, die haar ziet als de vrouw van, krijgt ze er wel zin in en ‘Na hevige aandrang van Wolkers bezwijk ik voor Turks Fruit.’
    Toch kriebelt er ook iets anders: ze wil haar eigen verhalen publiceren. Haar eerste kinderboek verschijnt in 1976, het begin van een lange reeks waar ze ook diverse prijzen mee won.

    Het leeuwendeel van haar kinderboeken is fictie, die ze publiceerde onder de naam Rita Törnqvist. Na 1993 begon ze haar herinneringen op te schrijven onder haar meisjesnaam Rita Verschuur. Een overlap met eerder gepubliceerd werk is er niet, daarom publiceert ze Als meisjes stoer zijn nu als Rita Törnqvist-Verschuur.

    Verschuur beschrijft veel boeiende ontmoetingen die ze gedurende haar leven had met schrijvers en mensen van faam, ze citeert soms een gesprek, overgenomen uit haar dagboek, of een inzicht dat haar is bijgebleven. Zo was daar in haar jeugd haar tekenleraar Anton Pieck. ‘De meeste leraren draaien gewoon hun lesje af, maar er zijn er een paar die hun best voor ons doen. Eén daarvan is Anton Pieck. Hij heeft borstelige wenkbrauwen boven bruine ogen, die diep in zijn gezicht liggen en vriendelijk staan. Toch is hij heel beroemd, want je ziet overal op kaarten en kalenders zijn vrolijke tekeningen, meestal wintertaferelen (…) moeder haalt er haar neus voor op, maar ik kruip er juist helemaal in.’

    Veel later in haar leven wordt Gerhard Durlacher, holocaust overlevende, een goede vriend die haar de weg wijst naar de roman Black dogs van Ian Mc Ewan. Het boek opent haar de ogen voor de gevaren die er zijn als je naïef of vol vertrouwen in het leven staat, vooral in de omgang met mannen.

    Rode draad

    Als meisjes stoer zijn is niet zomaar een terugblik op een boeiend leven, het hoofdthema is de man-vrouw verhouding en grensoverschrijdend gedrag. De kleine Rita werd geconfronteerd met een ‘oom’ die het nodig vond om zijn tong in haar mond te stoppen bij een zogenaamd goed gemeende nachtzoen. Ze had een onbestemd gevoel bij het mannelijke bezoek in haar moeders huis als ze daar wel eens logeerde, ze verbrak haar verloving met Ernst omdat ze haar gevoelens voor hem wantrouwde om vervolgens naar Zweden te vluchten.

    Hoe een onveilige jeugd het verloop van je leven bepaalt is niet alleen voor een meisje een terugkerend thema. Zo beschrijft ze hoe zij met een vriendinnetje een jongen uit haar klas een regenworm liet eten. ‘(…) Dan houden we een regenworm onder zijn neus en zeggen dat hij die op moet eten. Dat wil hij niet. Pas als we hem een lafaard noemen en een moederskindje, slikt hij de wurm in één keer door.’ Die gebeurtenis vervult haar met schaamte en de herinnering blijft de rest van haar leven aanwezig.

    Na tien jaar in Zweden te hebben gewoond, verhuisde Törnqvist met haar gezin terug naar Nederland. Haar man kreeg een interessante baan en zij werd gezien als de vrouw van, in Zweden was ze onafhankelijker. Bovendien was ze moeder en kon ze haar schrijverij ternauwernood combineren met de huishoudelijke taken. In die tijd had ze een heel nare aanrandingservaring in het Spanderswoud in Bussum, die als een rode draad door haar leven en het boek blijft lopen en de aanleiding is van haar behoefte om ervaringen met grensoverschrijdend gedrag van mannen te noteren. Jaren later toen ze gescheiden was, waren er mannen die vriendschap wilden, waarbij soms ook grenzen werden overschreden. Het waren #metoo gebeurtenissen nog voor het woord bestond.

    Maar er zijn ook positieve ervaringen. Als ze met haar dochter diep in de Zweedse bossen loopt krijgen ze een lift van twee Oost-Europese mannen in een jeep. Haar dochter is een stuk minder naïef en waarschuwt haar moeder niet te openhartig te zijn, maar het loopt goed af. Dat vrouwen, jong of oud, altijd op hun qui-vive moeten zijn en dat meisjes al jong geconfronteerd worden met de seksuele macht van de man is de rode draad in dit boek, en heel actueel. Tijdens een kinderboekencongres in Columbia ziet Törnqvist tienermeisjes op een muurtje zitten wachten tot er een wordt opgepikt door een kerel die haar meeneemt naar een hotelkamer. Het raakt haar diep en ze voelt zich schuldig dat ze het meisje geen geld gaf, zodat ze die avond gewoon naar huis had kunnen gaan. Al betwijfelt Törnqvist of het kind niet toch weer terug naar haar muurtje was gegaan.

     Tijdsbeeld

    Haar oude dag geniet ze in Bergen. Ze wandelt door de duinen en ontmoet veel bekenden, en ze reist veel. Onder meer naar haar zoon in Amerika, waar ze is tijdens de aanslagen van 9/11, later naar Oekraïne, nog voor de Russische inval. Of met haar kleindochter naar Florence. Wanneer er borstkanker bij haar wordt geconstateerd doet ze een stapje terug, maar ze wijst de hormoontherapie af – tot ongenoegen van de specialist. Ze leeft nu in bonustijd. Dit proces beschrijft ze indringend in haar boekje Met wortel en tak, dat in 2014 verscheen.

    Als meisjes stoer zijn is een relaas van een boeiend leven van bijna een eeuw, een tijdsbeeld met veranderende inzichten en een inventarisatie van Törnqvists ‘belevenissen met het raadsel Man’.

     

  • Verstrengeld in herinneringen

    Verstrengeld in herinneringen

    In de omvangrijke roman Mordechai neemt schrijver Marcel Möring de lezer mee in een verhaal over afkomst, herinnering en de kracht van literatuur. Het is tegelijk een portret van een eigenzinnige schrijver en een spiegel van een geschiedenis waarin hij verstrikt raakt. Hoofdpersoon Mordechai Gompertz (72) is een literair zwaargewicht: gevierd, omstreden en vaak onderwerp van roddel. Toch blijkt zijn onaantastbaarheid slechts uiterlijk vertoon. Een ogenschijnlijk onbeduidend incident – een enkel woord dat hem uit balans brengt – zet een reeks gebeurtenissen in gang waardoor zijn zorgvuldig opgebouwde reputatie begint af te brokkelen. Wanneer hij tijdens een interview door het lint gaat, valt de façade van onafhankelijkheid uiteen.

    Möring tekent Mordechai als een man die nooit heeft willen knielen of zich voegen. Die houding maakt hem tot iemand die zijn eigen weg kiest, onafhankelijk van anderen, waardoor hij ook in eenzame situaties terechtkomt. In zijn terugblik ontdekt Mordechai bovendien dat zijn werk minder autonoom is dan hij altijd dacht. Elk boek blijkt te zijn ingegeven door echo’s uit zijn familiegeschiedenis: een terloopse opmerking van een tante, een gebaar van een grootvader, een herinnering die hij nooit volledig heeft losgelaten. Het verleden laat zich niet wegdrukken, hoezeer hij zich er ook tegen verzet: ‘Dat er aan het verleden niet viel te ontsnappen wist hij ook wel, maar dat familie die al heel lang niet meer bestond hem achtervolgde, wekte zijn ergernis. Heel precies kon hij er zijn vinger niet op leggen, maar hij was zich vaag bewust van het gevoel niet alleen Mordechai Ephraim Gompertz te zijn, maar ook, misschien wel vooral, een verlengstuk, een schakel, een gevolg.’

    Het onontkoombare verleden

    Daarmee overstijgt Mordechai het persoonlijke relaas. Het is een generatieroman die laat zien hoe trauma’s, overtuigingen en herinneringen van voorouders hun schaduw werpen over het heden. Een terugkerend motief zijn de ‘stoflagen van de geschiedenis’ die in de kleren blijven hangen. Tegelijkertijd verweeft Möring actuele thema’s door zijn verhaal, zoals #MeToo, politieke polarisatie en de vraag hoe ver literatuur mag gaan in het verkennen van seksualiteit.

    De zinnen in Mordechai hebben een zorgvuldig ritme, maar vooral de dialogen vallen op: geestig, doorspekt met subtiele ironie. Sommige scènes blijven onuitwisbaar: de slapstickachtige spanning rond de Nobelprijs, of de intieme en tragische momenten met Klara, de geliefde met wie hij dertig jaar samen was. Leven en schrijverschap weerspiegelen elkaar voortdurend, waardoor de roman een meta-laag krijgt.

    De schaduwzijde van ambitie

    Toch werkt Mörings stijl niet altijd in het voordeel van het boek. Waar hij naar grandeur streeft, kan de lezer eenzelfde vermoeidheid ervaren als Mordechai bij het doorploegen van omvangrijke familiegeschiedenissen. ‘Wat was het waardoor ze een dikke pil van bijna zeshonderd pagina’s over een geslacht van Joodse kaartenmakers kochten?’ vraagt hij zich af – een vraag die soms net zo goed voor deze roman en zijn lezers geldt. Regelmatig kabbelt het verhaal voort zonder duidelijke richting, en blijft het uiteindelijke doel van het relaas vaag en diffuus.

    De roman is opgezet als een mozaïek waarin herinneringen, literaire reflecties en filosofische bespiegelingen elkaar afwisselen. Dat geeft het boek een onmiskenbare rijkdom, én zorgt voor verwarring. Thema’s als geschiedenis, religie, politiek en liefde verdringen elkaar, zonder dat er één echt tot volle bloei komt. Het fascinerende idee dat elke roman voortkomt uit familie-invloeden raakt daardoor vaak naar de achtergrond.

    Ook Mörings eruditie is dubbel: verwijzingen naar schrijvers als Umberto Eco, Hella Haasse of Samuel Beckett en uitstapjes naar kabbalistische tradities voegen zeker allure toe, maar zijn niet altijd op natuurlijk wijze in het verhaal ingebed. Op die momenten hapert de vertelling en overheerst het gevoel van intellectualistisch vertoon. Wie verwacht het boek vlot te kunnen uitlezen, komt bedrogen uit.

    Op zoek naar verzoening

    Tegenover de overvloed aan reflectie staat Mordechais verlangen naar handelen. De roman laat zien dat psychologie en filosofie niet alleen in introspectie zichtbaar worden, maar ook in concrete daden. De hoofdpersoon is het levendigst wanneer hij kookt, iets repareert, schrijft, of zich in de chaos van het bestaan stort. Het slapstickachtige Nobelprijs-hoofdstuk markeert daarin een keerpunt: voor het eerst voelt Mordechai zich vrij temidden van de wanorde.

    Ondanks de zwaarte eindigt de roman verrassend hoopvol. Waar eerdere boeken van Möring vaak kil en somber sloten, gloort hier verzoening. In de tuin van zijn voorouders ontdekt Mordechai dat er een plek kan bestaan die als thuis voelt – een ervaring die hij nooit eerder kende en die de roman een onverwachte zachtheid meegeeft.

    Mordechai is een roman van uitersten: groots van opzet en vaak psychologisch scherp, maar tegelijkertijd soms overladen en fragmentarisch. Het boek balanceert daardoor tussen briljante passages en de valkuilen van eruditie; het volgen van die balanceer-act levert een geheel eigen spanning voor de lezer op.

     

  • Bekloppen van muren

    Bekloppen van muren

    Ik wenste me ineens een ruim zittende trui, afgetrapte schoenen. Ik had genoeg van haar dat goed zit, gestifte lippen, juiste schoenen. Met woorden tracht ik de lijnen van mijn ongenoegen af te bakenen. Ik rammel maar wat met letters als was het een pokerspel. Geen woord valt samen met een ander woord. Annie Dillard heeft het over een hamer. ‘Je lijn van woorden is een hamer. Je beklopt de muren van je huis. Je tikt tegen de muren, lichtjes, her en der. Na jaren aandachtig tikken weet je op welk geluid je moet letten.’ Ik stel me zo voor dat ik al kloppend de holle frasen op het spoor kom, de doffe klanken.

    Ik doe het mezelf aan. Met elk nieuw boek begeef ik me op onbekend terrein, raak door zinnen verbijsterd. Het boek Wolf gaat over de vermissing van een broertje, een nakomertje. Na vijf maanden vermist te zijn geweest wordt hij dood gevonden in de bossen van Lapland met een Moleskine notitieboekje om zijn lijf gebonden. Hoe hij daar gekomen is, waarom hij daar was, waarom zijn familie niets wist van zijn wens te willen verdwijnen, daar zoekt de schrijfster Lara Taveirne naar.

    Dat Moleskine boekje werd door de Zweedse politie, toen hij gevonden werd, in beslag genomen. De familie wachtte er met smart op. De hoop er een boodschap in te vinden die een aanwijzing over het ‘waarom’ zou kunnen geven, was als de beruchte strohalm. Als dan een Zweedse mail binnenkomt, wordt die hoopvol geopend. Gaande de vertaling van de mail begrijpen ze dat het dagboek nog niet vrijgegeven kan worden. ‘De vertaling voelde als het uitpakken van een fout gekozen cadeau.’ Hoe teleurstelling voelbaar wordt. Als later een kopie van het dagboek wordt bezorgd, belt haar moeder, na het gelezen te hebben, haar op. ‘Die broer van je, hij had schrijver moeten worden.’ Dat is ook wat ik dacht toen ik de in het boek opgenomen dagboekfragmenten hem las: dit is waarachtig een schrijver.’

    ‘(Al sinds mijn vertrek zit ik met een knagende hersenbreker in mijn kop. Die gast die Brommer op zee schreef, hoe heette die? Arie, denk ik. Maar ik weet het niet zeker. Als ik de voornaam kan achterhalen dan komt de rest vanzelf. Ik zou het graag aan iemand willen vragen, zoals aan de vrouw die schuin tegenover me zit en eruitziet als iemand die barst van de variaweetjes, maar ik durf niemand aan te kijken, laat staan tegen iemand te praten. Merde! Hoe heet die kerel toch? Het lijkt absurd dat ik me daar in het aangezicht van de dood nog druk om maak, maar intussen geloof ik echt dat ik pas vredig kan sterven als ik het weer weet. Maak je kenbaar, meneer Brommer op zee! Fluister uw naam.)’

    Dat ik hem wil influisteren: J.M.A. Biesheuvel… Maarten Biesheuvel.

    En dan. Beroemde schrijvers zijn waardeloos als ze het met echte woorden moeten doen. Ik hoorde van een schrijver die buiten zijn literaire werk nog geen boodschappenbriefje kon schrijven (Hemingway?), van een schrijver die verschillende versies nodig had om een helder te-laat-op-school-kom-briefje voor zijn kind te schrijven.

    Bij Taveirne is er een verweg familielid, een beroemd en gelauwerd schrijver die hen steun betuigt. ‘Een paar dagen nadat je was gevonden – we zaten verschanst in het ouderlijk huis – viel er een brief van de beroemde schrijver in de bus. Mijn moeder riep ons allen bij elkaar. Er lag verwachting in haar ogen. Verwachting die op ons oversloeg. In die envelop, dat geloofden we, zaten de woorden die de pijn het zwijgen zouden opleggen.’ Maar er was geen brief, maar een kaart waarop stond, ‘Hier zijn geen woorden voor’. Haar moeder staart naar de kaart, draait hem om en om, kijkt in de envelop, (alsof daar de woorden ingevallen zijn). Taveirne op dat moment: ‘Als de beroemde schrijver geen woorden voor ons had, dan waren we officieel reddeloos verloren.’

    Dit boek heeft me te pakken. Herinneringen aan een verdwenen broer, de liefde, de wanhoop en het waarom van dit boek. ‘Ik heb het nodig om het onder woorden te brengen, omdat ik het anders niet kan geloven.’ Tot haar broertje schrijft ze, ‘Ik hoop dat jij het niet erg vindt dat ik jou hertekend heb. Herschreven. (…) Alles om je te beschermen tegen het echte verdwijnen.’
    Taveirne heeft met zoekende en liefdevol kloppende hamer de woorden gevonden (‘je lichaam in een verhaal gewikkeld’) waarmee ze een jongen tot leven bracht. Een broertje, een nakomertje, een zoon die het in zich had schrijver te worden. En dan nog, dat verlangen naar een afgedragen trui.

     

     

    Wolf / Lara Taveirne / Prometheus (2024) / 236 blz.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Zoektocht naar identiteit

    Zoektocht naar identiteit

    Bijna vijftig jaar geleden verscheen En dan is er koffie van Hannes Meinkema (1944-2022), pseudoniem van Hannemieke Stamperius. Het boek deed nogal wat stof opwaaien vanwege de vele seksscènes, het roken van stickies en de losse levenswijze van personage Rosa. Voor jonge vrouwen die het lazen ging er een wereld open. Een wereld van feministische gedachten die nog nooit zo luid uitgesproken waren, hoewel de woorden emancipatie of feminisme nergens genoemd worden. In dit boek denkt iedereen, behalve protagoniste Rosa, juist stereotype en conservatief en precies dat is de spiegel die laat zien hoe bekrompen de denkwereld in die tijd was ten opzichte van seks en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. En dan is er koffie is opnieuw uitgegeven en het nu te herlezen is een verrassende herkenning. Het is niet gedateerd, maar ook niet meer van deze tijd, hoewel de liefdesperikelen van adolescenten, hun zoektocht naar eigen identiteit, rolpatronen, eenzaamheid en onbegrip, van alle tijden zijn.

    Vijftig jaar geleden brak Meinkema door met deze ‘familieroman Koffie’, zoals ze het boek noemde, aldus haar dochter Vita Stamperius in het voorwoord. Deze nieuwe uitgave bij Prometheus kreeg als ondertitel ‘De oerroman van het feminisme’ mee. Een belangrijke feministische roman is het zeker, net als De schaamte voorbij van Anja Meulenbelt, dat in hetzelfde jaar verscheen.

    Familierelaties

    En dan is er Koffie is in een opmerkelijke vorm gegoten. Van maandag tot en met zondag lezen we over de gedachten en bezigheden van de verschillende familieleden. Iedereen leeft toe naar zondag, de dag waarop vader Jacques jarig is. Korte stukjes vanuit steeds een ander perspectief met een cliffhanger aan het einde, of het stukje stopt in media res, zonder dat daar echt op teruggekomen wordt.

    We volgen vooral oudste dochter Rosa, zij heeft de meeste perspectieven. Maar ook haar broer Jaap, zijn vriendin Josien, haar zus Arja, haar vader Jacques en moeder Cora en haar vriendje Douwe komen aan het woord vanuit de derde persoon. Dat is even wennen, maar nergens onduidelijk, het is zelfs verfrissend om hun onzekere gedachten en vooroordelen over seks, hun leugens en angsten dat ze er niet bij horen te volgen. De mannen denken patriarchaal en dominant, zoals vader Jacques. ‘Andere vrouwen staan op tijd op om het ontbijt voor hun man te maken, maar Cora niet, hoor. Cora wil verwend worden. In een zwak moment is-ie ermee begonnen en zo is Cora: voor je ‘t weet heeft ze je zover gebracht dat je er een gewoonte van maakt.’

    De vrouwen denken onderwerpend en verzoenend, zoals een van de vriendinnen van Douwe, die in het midden laat of ze aan de pil is. ‘(…) hij denkt dat ze ‘m slikt. (…) “heb je wel eens eerder een vriendje gehad?” “Natuurlijk.” Wat een vraag. Alsof er een vrouw bestond die nee zou zeggen. “En wat deed je eraan?” “Ik slikte de pil.” “Mooi dan is dat dus oké.”’

    Branie en zachtheid

    Rosa is 26 en docente Nederlands en maatschappijleer op een middelbare school. Ze is vrijgevochten, bloedmooi, kleedt zich wulps, drinkt oude jenever als een kerel, blowt en heeft seks met wie maar wil. Rosa denkt na en laat zich niet temmen, ze is de feministe avant la lettre en shockeert graag: haar collega’s, haar ouders, haar vrienden. Ze heeft een vage relatie met Douwe, die ze op afstand houdt omdat ze niet in een keurslijf wil zitten en geen verwachtingen bij hem wil wekken. Toch is hij de enige die haar begrijpt. Het mooie en sterke van Rosa’s personage is dat ze ondanks haar branie ook verlangt naar aandacht van haar ouders, erbij willen horen, warmte en begrip, terwijl ze die tegelijkertijd afwijst. ‘Ze kan zichzelf niet uitstaan. Die hele rotfamilie zou haar niets moeten kunnen schelen, geen moer. En toch doet het pijn.’

    Er zijn vage toespelingen op de vader-dochter relatie. Rosa haat haar vader, een ouderwetse huisarts, die liefst zo min mogelijk gestoord wordt door zijn gezin. Hij is niet Rosa’s biologische vader. Haar moeder was eerder getrouwd, een onthulling die op de laatste bladzijde nog een verassing in petto heeft. Met haar moeder heeft ze een verdraagzame relatie. Mooi beschrijft Meinkema hoe de moeder heel andere verwachtingen koestert over haar dochter, wanneer ze samen voor Rosa een jurk gaan kopen die tenminste decent genoeg is om zondag aan te trekken. ‘Het plastic tasje staat naast de stoel. Cora kijkt er even in, voelt aan de stof. Misschien toch niet zo’n slechte keus, bij nader inzien. “Keurige jurk,” zegt Rosa ervan. “Doe je ‘m zondag aan?” vraagt ze, ze hoopt een beetje achteloos. “Als je dat graag wilt.”’ Natuurlijk doet Rosa de jurk zondag niet aan.

    Heerlijk herkenbare cliché’s 

    Zus Arja is dol op haar vader, maar ook zij wordt door hem niet echt gezien. Zonder dat het uitgesproken wordt, worstelt Arja met lesbische gevoelens voor een lerares. Broer Jaap stapt in de voetsporen van zijn vader, hij studeert medicijnen en is corpsbal. Hij woont stiekem samen met Josien, hun relatie druipt van de geheimen en wederzijds onbegrip. Josien verlangt naar het huwelijk en een gezin, zonder echt te beseffen wat dat betekent voor haar eigen vrijheid. Jaap wil een vrouw die hem gehoorzaamt en waarmee hij voor de dag kan komen. De stereotype relatie die gedoemd is te mislukken als hij begrijpt dat hij niet haar eerste vriend was. ‘Hoelang woonde ze al niet bij ‘m, en geen woord al die tijd. Hem laten geloven dat-ie de eerste was.’

    In het laatste hoofdstuk vindt vaders verjaardag plaats, iedereen is aanwezig. De verwachtingen zijn hoog gespannen en de cliché’s die horen bij zo’n verplicht feestje zijn heerlijk herkenbaar geschreven.

    Niemand lijkt echt sympathiek in En dan is er koffie, maar door hun gedachten te kennen worden de personages zo ontzettend menselijk dat sympathie er niet meer toe doet. Met haar sterke, toegankelijke stijl loodst Hannes Meinkema de lezer vlot door het leven van verschillende vrouwen. Ze haalt seksualiteit uit de taboesfeer en beschrijft hun gevoelens op een manier die vijftig jaar geleden nog niet gewoon was. Dit boek opnieuw uitgeven was een goed idee. Oudere generaties, feministen uit de jaren zeventig, zien dat vrouwen een stuk vrijer en geëmancipeerder zijn geworden. Hun kinderen, dochters, zullen waarschijnlijk denken: ‘Goh, er is nog heel wat te doen.’

     

     

  • Oogst week 2 -2025

    Oogst week 2 -2025

    Waar alle wegen ophouden

    Sana Valiulina (1964) werd geboren in Estland in de toenmalige Sovjet Unie. Haar ouders vluchtten er vandaan, Sana keerde later terug om in Moskou Noorse taal- en letterkunde te studeren. Over die studietijd schreef zij haar debuutroman Het kruis (2000). Gedreven door de liefde woont ze sinds 1989 in Nederland. Ze werkt als vertaler en docent Russisch, en schrijft columns en boeken in het Nederlands.

    In Waar alle wegen ophouden volgt ze de tocht van haar vader die hij als krijgsgevangene van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog aflegde. Die duurde veertien jaar, en bracht hem van Rusland naar Bretagne, Normandië en via Engeland weer terug naar Rusland. Daar kreeg hij als ‘landverrader’ tien jaar strafkamp.
    Valiulina vindt haar vader raadselachtig en onpeilbaar. Maar ‘Het recht op geheim is een van de fundamentele rechten van de mens’ zegt ze.

    ‘De laatste keer dat ik hem zag was door de stoffige achterruit van de bus. (…) ik bleef midden op de rijweg staan om naar het vertrouwde, onbewogen gezicht onder de blauwe pet te kijken (…) Volgens mij stak hij nog een keer zijn hand op als antwoord op mijn wanhopige zwaaien, om het moment stil te zetten. Wat natuurlijk niet gebeurde. (…) Weer gingen onze wegen uiteen, ik naar Amsterdam, en hij?’
    Veel van Valiulina’s werk gaat over haar verleden in de Sovjet Unie. Waar alle wegen ophouden is haar tiende boek, opgedragen aan alle Sovjetkrijgsgevangenen en hun families.

     

    Waar alle wegen ophouden
    Auteur: Sana Valiulina
    Uitgeverij: Prometheus 2024

    Het voetkussenboek

    De Belgische schrijver en vertaler Jos Vos (1960) is anglist, neerlandicus en japanoloog. Hij woont in Oxford, woonde voordien jaren in Japan en is getrouwd met een Japanse. Hij doceert, vertaalt en schrijft artikelen en boekbesprekingen.

    Zijn Het voetkussenboek is een verzameling essays die over van alles en nog wat gaan, door elkaar lopen en met elkaar verweven zijn. Het is gebaseerd op Het hoofdkussenboek uit de 10e eeuw waarin de Japanse hofdame Sei Shonagon alles opschreef wat haar opviel, aantrok of afstootte in mensen en haar eigen belevenissen.

    Ook Vos schuwt geen onderwerp. Het boek gaat over dichters die de schepping prijzen, over ganzen en over Het Verhaal van Genji, een Japanse roman uit begin 11e eeuw. ‘Toen ik Genji zat te vertalen – een project dat zeven jaar van mijn leven heeft gekost – was ik dolblij met elke gans die ik hoorde.’ Het gaat over wat hij allemaal zag aan film en tv, zoals The Thunderbirds, Doctor Doolittle, en vele andere. Over liedjes uit de jaren zestig en zeventig, over de dichters die hij via Gerrit Komrij leerde kennen, over Het hoofdkussenboek, over oude rockgroepen, zoals The Who en The Rolling Stones. Over het tv-feuilleton Heimat, over Prousts Combray (‘Telkens als ik Combray inkijk zie ik tante Léonie in bed liggen tegen het raam van mijn opa’s huis’). Over de groenten in de tuin van zijn opa. Over Nederland, over zijn kindertijd. En steeds komt het verhaal van Genji terug in de hele grote caleidoscoop die Het Voetkussenboek is.

     

    Het voetkussenboek
    Auteur: Jos Vos
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2024

    De cultuur van het narcisme

    Oorspronkelijk verscheen De cultuur van het narcisme in 1979. Christopher Lasch (1932-1994, historicus en sociaal criticus), bekritiseerde daarin de cultuur van de toenmalige Amerikaanse samenleving en het kapitalisme waarin geen enkele overtuiging schuilging. De Tweede Wereldoorlog en daarna de opkomst van de consumptiemaatschappij waren de grondslag voor een narcistische persoonlijkheidsstructuur: het ik kwam centraal te staan.

    Lasch laat zien dat de samenleving van zijn tijd werd getekend door een therapeutische en narcistische cultuur. De jeugdcultuur komt op, er is angst voor veroudering en bewondering voor roem. Alles draait om het ik. Mensen willen zichzelf leren kennen, hun psyche is het belangrijkste en om die te bevredigen leren ze over oosterse wijsheid, doen ze aan yoga, gaan in therapie, leren over hun gevoelens en relaties enzovoort. Het doel is genot. Therapeuten moedigen een hedonistische levenshouding aan en dienen hun eigen commerciële belang. Lasch heeft ook kritiek op reclame en massamedia omdat de waarheid daarin vaak van ondergeschikt belang is. De parallellen met de huidige tijd zijn duidelijk. ‘Genieten’ is nog steeds een doel en bekentenisliteratuur is er te over, om er maar twee te noemen.

     

    De cultuur van het narcisme
    Auteur: Christopher Lasch
    Uitgeverij: Athenaeum 2024
  • Oogst week 24 – 2024

    Ondergang – Prigozjin, Poetin

    De Brit Mark Galeotti is historicus, politicoloog en een van de belangrijkste Ruslandkenners. Anna Arutunyan is een Russisch-Amerikaanse journalist en analist. Tot februari 2022 woonde ze in Rusland. Beide auteurs zijn verbonden aan het Nederlandse kennisplatform Raam (op Rusland, Oekraïne en Belarus).

    Ondergang, Prigozjin, Poetin opent met aantekeningen van de auteurs. ‘Toen we voor het eerst over dit project begonnen na te denken wisten we geen van beiden zeker of hij, als persoon, een boek verdiende, vooral omdat zoveel over zijn leven, optreden en familie een groot, steevast fel bewaard geheim bleef.’ Toch vonden de auteurs hem als het ‘archetype van het Poetin-regime’ interessant genoeg voor nader onderzoek.

    ‘Zjenja – Jevgeni Viktorovitsj Prigozjin – werd in 1961 geboren (…) Hij was slim genoeg om te kunnen dromen over een specialistische carrière, maar niet zo slim of intellectueel gedisciplineerd dat een topuniversiteit hem zou verwelkomen, (…) atletisch genoeg om te kunnen dromen over de roem en weelde van een leven als topsporter, maar niet genoeg om het te bereiken. (…) Of het nu uit woede, desillusie of simpele hebzucht was, Zjenja richtte zich op de misdaad.’ In de gevangenis ontdekte hij zijn ondernemerstalent.

    De hoofstuktitels typeren Prigozjin als Crimineel, Entrepreneur, Kok, Minigarch, Trollenbaas, Condottiere, Aasgier, Krijgsheer, Rebel en Spook. Hij was Poetins chef-kok, en hield zich bezig met drugs, wapens en grote witwasoperaties en lucratieve (goud, hout, diamant) militaire operaties in Afrika. Met zijn Wagnerleger werd hij een toonaangevende politieke figuur. De opstand tegen Poetin werd zijn einde, al zijn er Russen die geloven dat hij zijn eigen dood in scène heeft gezet. De auteurs beschrijven niet alleen Prigozjins opkomst en ondergang maar onderzoeken ook de impact die hij had en heeft op het Kremlin.

     

    Ondergang - Prigozjin, Poetin
    Auteur: Mark Galeotti, Anna Arutunyan
    Uitgeverij: Prometheus 2024

    De instructies

    De instructies is het zevende boek van Carolina Trujillo (Montevideo, 1970). In 1991 debuteerde ze in Uruguay, waarheen ze na een verblijf van enkele jaren met moeder en zus in Nederland was teruggekeerd, met de Spaanstalige roman De exilios, maremotos y lechuzas die een eerste prijs won. Later kwam Trujillo weer terug naar Nederland waar ze aan de Filmacademie scenarioschrijven studeerde. In Nederland debuteerde ze in 2002 met de roman De bastaard van Mal Abrigo, over twee jongetjes uit een verpauperd cocaïnedorp. Trujillo laat hen president en minister van defensie worden. Behalve schrijfster is ze columniste bij de NRC.

    Hoofdpersonen in De instructies zijn Mol en Nora. Nora is een geradicaliseerd dierenrechtenactiviste en Mol laat zich door haar beïnvloeden. Het komt tot het in brand steken van een slachthuis. Mol wil zich bezinnen maar het lukt hem niet zich van Nora los te maken. Hij moet van haar instructies schrijven over brandstichting in een slachthuis en welke fouten je daarbij moet vermijden.

    Het is Trujillo’s specialisme om onrecht, schuldgevoel, verdriet en ander drama op laconieke en humoristische wijze te vertellen. ‘Het was oud en nieuw, een uur na middernacht toen ik, een volwassen vent met een vaste baan en in bezit van een verklaring van goed gedrag, gekleed in een zelfgemaakt varkenspak aan de rand van een industriegebied in een sloot viel. Het ijskoude water kwam meteen tot mijn borst, mijn voeten vonden geen vaste bodem en ik kon niet zien waar de wal was omdat de capuchon met varkensoren over mijn ogen was gezakt.’

    De instructies
    Auteur: Carolina Trujillo
    Uitgeverij: Koppernik 2024

    Laatste cahiers 1951-1959

    In negen schoolschriften maakte filosoof, journalist en schrijver Albert Camus (1913-1960) sinds 1935 aantekeningen over zijn leven en werk met de bedoeling deze cahiers ooit te publiceren. In 1962 en 1964 werden de eerste twee gepubliceerd, in 1989 de laatste cahiers. De Arbeiderspers geeft deze nu uit in de serie Privédomein onder de titel Laatste cahiers 1951-1959.

    Camus is vooral bekend om zijn De mens in opstand, De pest – dat in de coronaperiode weer veel gelezen werd – De vreemdeling en De mythe van Sisyphus. In de laatste twee verwerkte hij ideeën over het existentialisme. Hij stond in contact met Sartre en De Beauvoir en hield in de VS lezingen over het existentialisme. Vaak worden de filosofen op een lijn gesteld, maar Camus verschilde in denken van Sartre. Bij Sartre ging het om het intellectuele bestaan, bij Camus om het tastbare. Uiteindelijk vervreemdden ze van elkaar.

    Volgens Camus was het leven absurd en zinloos en had het geen betekenis of bedoeling. Dat absurdisme verwerkte hij in romans, essays en in theaterstukken. ‘Wat men een reden om te leven noemt, is tevens een uitstekende reden om te sterven,’ is een van zijn aforismen.
    De notities uit de Laatste cahiers beslaan soms een verhalend stuk tekst, soms slechts een zin. ‘Roman. “Zijn dood was niet bepaald romanesk. Met hun twaalven werden ze in een cel voor twee gestopt. Hij kreeg geen adem en raakte bewusteloos. Hij stierf, tegen de groezelige muur gedrukt, terwijl de anderen, om bij het raam te komen, hem de rug toekeerden.” * Bij haar eiste het geluk alles, zelfs het doden. * Natuurlijkheid is geen aangeboren deugd; ze moet worden verworven.’ Het nawoord van René Puthaar werpt licht op de aantekeningen.

     

    Laatste cahiers 1951-1959
    Auteur: Albert Camus
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2024, serie Privédomein
  • ‘Zeg maar dat het geen visstick is’

    ‘Zeg maar dat het geen visstick is’

    Is Mirthe van Doornik net als haar protagonist een goede kok omdat ze in haar recente boek Een tafel bij het raam (Prometheus, 2023) maaltijdbereidingen beschrijft waarbij het water je in de mond loopt? Een goede schrijver is ze in ieder geval wel en een zeldzame bovendien. Zoals van sommige cabaretiers wordt gezegd dat ze de lach aan hun kont hebben hangen, zo kleeft bij Van Doornik die lach aan haar pen.

    Van Doornik laat elke scène met de kok Alp in het honderd lopen, onder meer door voortdurend incompetente mensen op te voeren. De eigenaar van het restaurant is een egocentrische sukkel die per se wil dat Alp de recepten van zijn overleden moeder gebruikt, zonder dat de kok daar een millimeter vanaf mag wijken.

    Dieren in de keuken

    In de bediening werkt een jongen (steeds uitsluitend als zodanig aangegeven: de jongen) die zich verzet tegen het bereiden van dode dieren in de keuken en in het restaurant zelfs geld probeert in te zamelen voor het behoud van de egel. Een gevonden schildpad die in winterslaap hoort te zijn, bewaart de jongen in de koelkast, de hysterisch hygiënische kok tot wanhoop drijvend. De afwashulp weigert af te wassen en een jongen met afstand tot de arbeidsmarkt (door de kok Umami genoemd) leert weliswaar tot vijf tellen, maar kan uiteindelijk niet omgaan met de stress die de kok om zich heen verspreidt.

    Ook de kok zelf laat steeds meer steken vallen. Hij zet mensen het restaurant uit omdat ze hun eigen glazen hebben meegenomen, omdat ze een enorme hond ‘als een aangeschoten haas’ naast de tafel laten liggen of omdat ze weigeren een perfect bereide artisjok te eten. Het liefst voert hij bovendien een kinderverbod in als hem wordt gevraagd de kop van een prachtig gebrade dorade af te snijden omdat een aanstellerig meisje het dode oog eng vindt. ‘Zeg maar tegen haar dat het geen visstick is,’ gebiedt hij de jongen. Maar dan gaat hij er toch zelf op af en ontspoort ook deze scène schitterend.

    Zijn ouders zijn helemaal van de pot gerukt, misschien omdat ze – zoals Van Doornik schrijft – zich er al mee hadden verzoend dat ze geen kinderen konden krijgen en hun zoon ze had laten schrikken door opeens het tegendeel te bewijzen. Moeder stuurt elke thuishulp weg. Ze klaagt en moppert over het eten dat de kok regelmatig bij zijn ouders op de stoep zet, zonder binnen te komen. Haar grootste wens is een traplift. Vader, steeds Hennie genoemd en net zo egocentrisch als moeder, valt zijn zoon voortdurend lastig met weerberichten.

    Reiger

    De dosering van al het gedoe is misschien wat uit proportie. Het gaat maar door. De kok draait zich langzaam vast in een niet aflatende stroom ellende. Om in de stijl van het boek te blijven, het bord is misschien iets te vol. Maar daar staat tegenover dat Van Doornik bijna achteloos blijft strooien met prachtige metaforen, schitterende observaties en heerlijke aforismen. ‘Een reiger tuurde in het water zoals oude mannetjes in bouwputten kijken.’ ‘Niet het gebrek aan vrijheid maakt mensen gek, maar de behoefte aan privacy.’ En in een telefoongesprek: ‘”Dat is het probleem met gekken,” zei mijn moeder toen ik haar weer naar mijn oor bracht. “Ze lijken niet heel erg gek als je ze leert kennen, ze gaan gewoon langzaam steeds gekker doen.”’ Deze moederlijke uitspraak correspondeert fraai met een observatie aan het begin van het boek, als het buiten maar niet wil afkoelen: ‘Waar het op neerkwam was dat we langzaam werden gekookt tot alle gekte vanzelf zou komen bovendrijven.’

    Tafeltje

    Feitelijk zijn dit voorspellingen die van toepassing zijn op de ontwikkeling van de geestelijke gesteldheid van de kok. Zo zitten er meer van die naar elkaar verwijzende pareltjes in het boek. De kok vergelijkt een restaurant bijvoorbeeld met een schip: ‘zodra het afvaart, kun je het niet meer verlaten.’ En als het tegen het eind compleet uit de hand loopt: ‘Wind zal een zeilschip niet doen omslaan, het zijn brekende golven waarvoor je moet oppassen.’ Het is alsof Van Doornik zelf aan een tafeltje bij het raam heeft gezeten terwijl ze deze kok observeerde. Regelmatig zoomt ze dan ook uit, laat ze Alp over zichzelf in de derde persoonsvorm nadenken en ziet hij zichzelf aan het eind van een hoofdstuk of paragraaf bijvoorbeeld als: ‘een kok met zijn mond open, zijn ledematen zo strak aangeschroefd dat hij er nauwelijks nog beweging in kreeg.’

     

  • Taal een eigenaardig ding

    Taal een eigenaardig ding

    Ik lees Astrid H. Roemer, haar laatste roman Dealers Dochter. Een boek over hoe mensen uit een andere cultuur dealen met hun achtergrond, en letterlijk dealen in drugs. Er zijn vijf Surinaamse personages. Er is een drugsmoord. Er is een kind uit Surinaams Nederlandse ouders dat zich nergens thuis voelt, alle personages voelen zich eigenlijk nergens thuis. Het gaat over zwarte en witte mensen, over klasse verschillen. Het begint met een jongen van zestien die op blote voeten vanuit zijn dorp in het oerwoud van Suriname naar Paramaribo gaat. Daar besluit hij met een Nederlandse jonge vrouw die zich over hem ontfermde, mee naar Nederland te gaan. Hij neemt afscheid van zijn ouders. ‘In zijn dorp woonden 350 volwassenen en hij wou wonen in een land van miljoenen mensen. Miljoenen, herhaalde zijn vader. Zal er dan plek voor jou zijn, mijmerde zijn moeder. Was er plek voor mij bij jullie, vroeg hij…’ Als kind van een volk dat zich lang geleden aan de slavernij ontworstelde, wil hij meer van het leven dan het dorp hem kan bieden.

    Tegelijk luister ik naar een interview met Astrid Roemer. Daarin zegt zij dat ze een vat vol woorden is die ze overal vandaan heeft gehaald. Als kind met de liedjes van Annie M.G. Schmidt. Later, toen ze in Nederland woonde, vond ze de boeken van Jeroen Brouwers, Cees Nooteboom, Jan Wolkers, nog voor ze Nederlandse schrijfsters ontdekte. Ze zegt dat ze ‘geneigd’ is om te schrijven, zoals een schilder geneigd is om te schilderen. Waarom ze altijd over vrouwen schrijft?  ‘Misschien wil ik ook aan mannen laten zien, hoe wij vrouwen denken en voelen en hoe ze met ons omgaan. Als een mannelijke auteur een vrouw neerzet dan is het altijd een ander soort vrouw dan ik normaal bij vrouwen zie, maar dan begrijp ik wel hoe mannen ons zien. Snap je?’
    Ze zegt, ‘Literatuur is een eigenaardig ding. Die wil altijd achter het verhaal kijken.’

    De levens van haar personages zijn heftig, het schudt je dooreen, je beseft dat zachte heelmeesters die dansen om de kern van stinkende wonden niets genezen. Er moet ingegrepen worden. Een bittere werkelijkheid waar Roemer ons in meetrekt. Haar zwarte personages trouwen liever een witte Nederlander om integratie te vergemakkelijken. Een van haar personages zegt na een politieke discussie met zijn dochter, ‘Kind, ik wil rustig slapen en het liefst in de armen van een Hollandse vrouw want voor een man die zwart oogt als ik is de wereld overal een hel!’ De dochter, Aqua, vindt het vieren van Surinaamse Immigratiedag belachelijk. ‘Gedenken dat jouw voorvaderen onder valse beloften naar een oerwoud waren gelokt om goedkoop te werken voor een stelletje nietsnutten.’ Toch gaat ze steeds weer met haar ouders mee, want: ‘Wij hebben zo weinig wat ons samenbindt en deze feesten doen dat.’

    Waarna ik iets heb bij te stellen, een beeld, een mening. Roemer lezen is inzichten verwerven. Ze zegt, ‘Er is altijd iets dat ons compleet ontgaat, en dat iets is dat wij, romanschrijvers en dichters, proberen te articuleren.’ In Dealers Dochter staat veel dat ik citeren wil, me in beweging zet, andere gedachten brengt. Zoals Roemer in het interview zegt, ‘Wat tot mij komt als ik een goed boek van een schrijver lees, dan is het vooral iets algemeen menselijks wat voor mij voelbaar wordt.’ Roemer brengt in haar romans de grote onderwerpen uit de geschiedenis van Suriname terug naar persoonlijke verhalen, naar waar haar personages vandaan komen. 

     

     

    Luister naar het prachtige interview van Ianthe Mosselman met Astrid H. Roemer in De Balie (2020).


    Inge Meijer is een pseudoniem, leeft bij een goed verhaal.

  • Een duivelskind dat een spoor van destructie achterlaat

    Een duivelskind dat een spoor van destructie achterlaat

    Nim is een vodje. Ze werkt in een snackbar en stinkt naar mayo en frituurvet, tot ze wordt opgepikt door Alfred Schöne, bankier, die het vrije, vunzige niet schuwt, evenals zijn zoon, Alfa. Ze wordt als een hond uit het asiel gehaald en komt in aanraking met boeken en muziek, opera, dans, een andere cultuur en dompelt zich erin onder. Nim wordt danseres en gaat later met Alfa werken, die een beroemde choreograaf wordt. Ze leert andere mannen kennen, vooral oudere mannen met wie ze seks heeft. 

    Het verhaal begint in 1988 in Amsterdam. Alfred Schöne bezoekt kunstschilder De Zwart in zijn atelier waar hij werkt aan een portret van zijn vrouw. Als de dan 18-jarige Nim binnenkomt met in haar kielzog de veel oudere man, arts, die De Gnoom wordt genoemd, raakt de sfeer tussen de drie mannen gespannen. Alleen Nim reageert ongedwongen en lijkt te genieten van alle aandacht. Ze dartelt rond in een geel balletpakje en zit model voor De Zwart. Ze ontdekt de housemuziek door De Zwart en raakt in de ban van die muziek.  

    Berlijn en New York

    Vier jaar later, in 1992 gaat het verhaal verder in Berlijn waar Nim woont met De Zwart die topfotograaf is geworden. Nim wil dansen en niets anders dan dat tot ‘she loses the plot’. Seks, drugs en house, techno-rock is wat haar beheerst en gaande houdt. 
    In september 2001 gaat ze in New York wonen. De dreiging van 9/11 is voelbaar maar wordt nergens benoemd, behalve in de titel nonplaats / nul en opmerkingen als ‘het vliegtuig is het ultieme vervoermiddel, de belangrijkste technologische ontwikkeling sinds tijden.’ Of zoals in een brief van Dune, een activiste met een baret die later Nims geliefde wordt. ‘Details op straat vervaagden, ik zag alleen de geometrische patronen van de skyline boven me. De verschillende hoogtes van de gebouwen die naar de hemel reikten. Voor- en achtergrond, texturen, materialen leken te trillen in hun materialiteit, de stenen schoven over elkaar heen en perforeerden elkaar en het glas flikkerde in de reflectie van de zon.’ Het is een ijkpunt in de tijd. 

    Nim ontmoet een jong meisje en realiseert zich haar eenzaamheid, vindt een one-night-stand en daalt af in haar herinneringen. ‘Waar te beginnen met het zoeken van betekenis? Ze wil niet dat alles betekenis heeft, ze wil dat er dingen zijn die zinloos zijn, die gebeuren zonder dat zij daar beter van wordt.’

    Ze denkt terug aan de ‘Lulu’ avonden. ‘Lulu’ was een discotheek in een kelder in Brooklyn waar ze per ongeluk langsloopt en naar binnengaat. ‘[…] we bewogen zonder haperen tussen de witte normies in hoodie en spijkerbroek en Ibizagladjakkers met zonnebril in het haar. Hier dronken ze manhattans en skinny bitches, tot op de tong bezweet, hier dansten ze op de soepele sexy housemuziek die toen vooruitstrevend voelde maar nu goedkoop en oppervlakkig lijkt, alsof ze tussen de simpele drums uit de computer naar vrije ruimte zochten in een leven dat hard en veel en vol was.’

    Lockdown en #Metoo

    In het vierde hoofdstuk gaat het verhaal verder in 2008 in Londen. Er wordt vanuit een heel ander perspectief, door een portier in een discotheek, een andere kant van Nim beschreven. De vrouw (of man?) is geboeid door de verschijning van Nim, die zich Pandora laat noemen, een koosnaampje van Alfa. Ineens zien we Nim door de ogen van haar omgeving. Het is een sterke wending in het verhaal, de lezer krijgt een completer beeld van haar. Het verhaal eindigt in 2020 met verwijzingen naar de pandemie.

    Tijdens lockdown wonen Nim en Dune in een appartement, ze hebben een hond genomen om naar buiten te mogen. Nim schrijft een lange email aan Alfa. Haar eerste en langste lover, zoals ze tegen hem praat en haar herinneringen met hem deelt, drijft de gedachte boven dat Alfa een verpersoonlijking is van #Metoo. Wat hij met zijn danseressen uitspookte was niet mals. Maar het raakt Nim niet, niet echt: ‘Je krijste dat ik je leven heb verwoest. Ik vind het toch nodig om te benadrukken dat je dat van mij niet hebt verwoest. Hooguit moeilijk gemaakt, maar ik kan me niet voorstellen dat één persoon of gebeurtenis die pakweg tachtig jaar voorgoed kan bepalen. Ik krabbel weer op, vind mezelf opnieuw uit – Ik heb mezelf honderd keer opnieuw uitgevonden – en daar zijn dan weer andere moeilijkheden op de weg.’

    Uiteindelijk ontstaat er door deze vorm binnen de vijf hoofdstukken met verschillende perspectieven een compleet beeld van de vrouw die Nim was en is geworden. Zij is een rond personage, wat niet zozeer valt te zeggen van de bijfiguren, haar lovers, Alfa, zijn vader Schöne, De Gnoom, zelfs De Zwart blijven nogal platte karakters.

    Metafoor van verloren tijd

    Wat is de premisse van deze roman, is het een ode aan de techno en house, muziek? Dance, escapisme van een jeugd. Een toekomst die er niet meer is. Zoals te lezen is in het citaat vooraf van de Mexicaanse schrijfster Valeria Lluiselli uit het Archief van verloren kinderen, […] ‘Misschien ervaren we gewoon een afwezigheid van toekomst, omdat het heden te overweldigend is geworden, en de toekomst daarmee onvoorstelbaar.’ Is Nims leven een metafoor van de verloren tijd? Ze wordt een duivelskind genoemd, ze laat een spoor van destructie achter, alle mannen gaan dood in haar leven, behalve Alfa. Ze is vijftig en kijkt in tijden van Corona terug op haar leven waarin geen toekomst is te vinden.

    De repeterende stijl die op de achterflap wordt gesuggereerd las ik er niet in, maar Bekkering kan schrijven. Met korte zinnen raast ze langs ideeën en gedachten die niet altijd van de grond komen.  Er mist soms specie tussen de bouwstenen, zijn er veel losse flodders, net zoals Nim in het leven een losse flodder bleef. 

     

     

  • Pieter van Os wint journalistieke Brusseprijs en Nina Polak jongerenprijs De Inktaap

     

     

    De afgelopen week werden er twee mooie literaire prijzen uitgereikt, De Brusseprijs 2020 voor schrijver en journalist Pieter van Os en De Inktaap voor schrijver Nina Polak.

    Honderdzevenennegentig boeken werden er ingezonden voor de Brusseprijs, de jury had er een hele kluif aan en koos uiteindelijk uit de vijf overgebleven titels voor Liever dier dan mens als winnaar. De prijsuitreiking vond afgelopen zaterdagavond plaats tijdens een uitzending van het radioprogramma Met het oog op morgen. Juryvoorzitter Saskia Belleman zei over Liever dier dan mens, dat ’te zien is hoeveel onderzoek en grote schrijfkracht erachter schuilgaat.’ En ook, ‘Een journalistiek boek van dit verhalend-literaire niveau zie je zelden.’

    Liever dier dan mens gaat over de nu 94-jarige Mala Rivka Kizel (1926), hoe zij uit het getto van Warschau ontsnapte en de oorlog overleefde door steeds andere identiteiten aan te nemen. In tegenstelling tot haar hele familie van wie ze na de oorlog niemand meer terugvond.

    Pieter van Os was jarenlang redacteur van het NRC, woonde een tijdlang met zijn gezin in Polen en is nu woonachtig in Tirana, Albanië. Vanwaar hij zijn journalistieke stukken schrijft voor het NRC en De Groene Amsterdammer.

    Op Literair Nederland verscheen in april van dit jaar een  recensie van Evert Woutersen van het boek. Waarin hij van mening was dat, ‘Het bijzonder is te zien hoe sommige boeken een bestseller worden, terwijl andere boeken nauwelijks worden opgemerkt. Liever dier dan mens is zo’n boek. (…) Het is een boek dat vele lezers verdient.’

    De Brusseprijsis een jaarlijkse prijs voor het beste Nederlandstalige journalistieke boek. Aan de prijs is een geldbedrag van € 10.000 verbonden.

    Lees hier meer over De Brusseprijs van dit jaar.

     

    De Inktaap is dé literaire jongerenprijs van de Nederlandse literatuur en wordt uitgereikt door scholieren. Vele jongeren (dit jaar 1187), in de leeftijd van  van 15 t/m 19 jaar, lezen de winnende titels van de Libris Literatuur Prijs, (gewonnen door Rob van Essen), de BNG Bank Literatuurprijs, (gewonnen door Nina Polak) en de BookSpot Literatuurprijs, (gewonnen door Tommy Wieringa) en kiezen daaruit hun favoriet. Naast Gebrek is een groot woord van Nina Polak waren ook De goede zoon van Rob van Essen en De heilige Rita van Tommy Wieringa genomineerd.

    Nina Polak ging uiteindelijk met de eer strijken en krijgt voor haar roman Gebrek is een groot woord De Inktaap 2020. Dit werd maandag 15 juni bekendgemaakt in de speciale podcastserie van De Inktaap. In totaal lazen 1187 juryleden (scholieren) deze editie van De Inktaap de drie genomineerde titels.

    De winnaar werd bekend gemaakt via een podcast, hier te beluisteren.

    Beoordeling

    Hieronder een greep uit de bevindingen van de juryleden over Gebrek is een groot woord:
    ‘Nina Polak geeft je als buitenstaander het gevoel dat je er toch een beetje bij hoort, dat je onderdeel van de familie bent. Daarom is zij volgens ons de terechte winnaar van de drie. Welkom in onze Inktaapfamilie Nina Polak!’
    ‘Polak schetst duidelijke beelden met haar woorden, veel beeldvorming, maar tegelijkertijd ook heel direct. Poëtisch kan Polak ook zijn, moeilijke woorden zijn er niet in overvloed, wat het boek zeer toegankelijk en fijn om te lezen maakt. Polak is literair gezien het complete pakketje.”
    Gebrek is een groot woord verdient het om door vele ogen geliefkoosd te worden.’

    De Inktaap is de opvolger van de Jonge Gouden Uil, een Vlaams-Nederlands leesbevorderingsproject in de vorm van een literaire prijs, dat liep van 1997 tot en met 2000. Bij de Jonge Gouden Uil lazen jongeren de boeken die waren genomineerd voor de literaire prijs De Gouden Uil en kozen daaruit hun winnaar.

     

    Klik hier voor meer informatie over dit literaire jongeren project.