• Oogst week 23 – 2023

    Kierkegaard – Een biografie

    Zelden is over een biografie van 800 pagina’s gezegd, dat ze soepeltjes wegleest. En helemaal als het gaat om een ‘voorloper van het existentialisme en postmodernisme’. Toch verdient Kierkegaard – Een biografie het predicaat pageturner. In gesprek met Filosofie Magazine zegt biograaf Joakim Garff: ‘Kierkegaard lezen is meer dan Kierkegaard begrijpen. Ik heb het gevoel door hém begrepen te worden!’ De theoloog móést het leven van de filosoof dus wel optekenen. Dit deed hij al in 2000, maar Uitgeverij Ten Have kwam recent met een heruitgave van de Nederlandse vertaling uit 2016.

    Oud zou Kierkegaard niet worden, slechts 42 jaar. In zijn relatief korte leven schreef hij enorm veel, terwijl hij tegelijk middenin de maatschappij stond. Hij nam zelfs dagelijks een mensenbad, zoals Garff dat noemt. In naburige kroegen zette Kierkegaard dan zijn voelsprieten uit om te zien wat er écht leefde onder de Kopenhaagse bevolking. Hij had een hekel aan alles en iedereen die in een ivoren toren zat, de Deense kerk voorop. Garff, als lector werkzaam in het Søren Kierkegaard Research Center, ziet deze biografie als zijn absolute eerbetoon. Hiermee wordt Kierkegaard namelijk net zo tastbaar als hij bij leven was.

     

    Kierkegaard - Een biografie
    Auteur: Joakim Garff
    Uitgeverij: Uitgeverij Ten Have

    Xerox

    Meerdere Nederlandse schrijvers zijn gek op kantoortaferelen. De dames van Toren C probeerden al The Office te kopiëren. Recente papieren voorbeelden zijn Uitrollen is het nieuwe doorpakken van Japke-d. Bouma en De verwarde cavia van Paulien Cornelisse. Hier komt een nieuwe roman bij: Xerox van debutant Fien Veldman (Leeuwarden, 1990). In 2021 won Veldman de Joost Zwagerman Essayprijs met Not really making it. Haar kritische beschouwing over de maatschappelijke ongelijkheid vanaf de basisschool, galmt na in Xerox.

    Het boek is vernoemd naar een bedrijf dat echt bestaat. Nu is het afwachten of de onderneming ook blij is met deze gratis reclame… Dat Veldman eveneens een korteverhalenwedstrijd won voor De Correspondent, is te merken in Xerox. Ze introduceert zelfs een geheel eigen stijloefening in haar roman: de monologue printérieure. De hoofdpersoon steekt ellenlange preken af tegen een kopieerapparaat. Afgaande op de eerste geluiden over dit boek, kan gelukkig gesteld worden dat Xerox in geen geval Japke d. Bouma of Paulien Cornelisse kopieert.

    Xerox
    Auteur: Fien Veldman
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Het paard van mijn vader: miniaturen

    Jozef Deleu mag minder bekend zijn dan Hugo Claus, hij is minstens van hetzelfde kaliber. Deleu, in 1937 geboren te Roeselare, heeft zo’n beetje alle onderscheidingen van België bemachtigd die er te behalen zijn, zowel literair als maatschappelijk. Ook maakte hij zich hard voor een culturele uitwisseling en erfgoedbehoud van Vlaamse en Nederlandse taalschatten met onder meer Stichting Erfdeel. Talloze poëziebundels bulkten al van betrokkenheid, bondigheid en liefde voor de taal. Nu is daar Het paard van mijn vader: miniaturen. Deleu maakt beeldschone miniatuurversjes.

    Op alfabetische volgorde schrijft Deleu gedichten die slechts zeven regels bevatten. De fragmentarische verzen, waarin soms één woord slechts een regel beslaat, doen denken aan het vitalisme van Marsman. Vitaal is Deleu op 86-jarige leeftijd in elk geval nog altijd. De kleur van de kaft is bruin. Is dat omdat Het paard van mijn vader in de herfst van Deleus leven is geschreven? Waarschijnlijk niet. Gevoel voor melancholie en weemoed? Mogelijk. Toch is Deleu een te goede observator om de lezer te vermurwen met een vage zweem van romantiek. Sober, maar niet stil, aldus De Standaard.

    Het paard van mijn vader: miniaturen
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Poëziecentrum VZW
  • Nog even geduld

    Nog even geduld

    In 2010 realiseerde de Rotterdamse kunstenaarsgroep Observatorium het project ‘Warten auf den Fluss’. Dit vond plaats in het Ruhrgebied bij de rivier de Emscher, te Essen. Deze rivier was gekanaliseerd en sterk vervuild door zware industrie, maar sinds 2010 is er veel verbeterd door de bouw van waterzuiveringsinstallaties. Bovendien moest een natuurherstelproject de meanderende vorm van de rivier in originele staat herstellen. De strook grond tussen de Emscher en het er evenwijdig aan lopende Rijn-Hernekanaal werd veranderd in een natuurlijk aandoend gebied met ooibos en andere oevervegetatie.

    In het kader van deze ‘Emscherkunst’ heeft Observatorium een zigzaglopende brug gebouwd van achtendertig meter lang. Deze bestaat uit drie paviljoenen met loopbruggetjes ertussenin. Deze brug dient als een plek voor ‘productief wachten’, totdat de nieuwe rivier haar natuurlijke loop zal hernemen. De gehele installatie heet ‘Warten auf den Fluss’.

    In 2016 was de Duitse dichteres Barbara Köhler (1959-2021) een van die gasten die wachtten op het stromen van de rivier. Het uitzicht op de omgeving, de rust van het wachten en de omgang met internationale gasten brachten haar tot het schrijven van 42 gedichten als even zo vele vensters op de wereld. Deze gedichten zijn gebundeld onder de titel 42 vensters op Warten auf den Fluss en werden vertaald door Ton Naaijkens.

    Alle gedichten zijn geschreven in gelijke rechthoekige blokken van negen versregels met 62 tekens, alle van dezelfde breedte. Door deze experimentele vorm lopen de gedichten uitgelijnd van de linker- naar de rechtermarge van de bladzijde en ze symboliseren daardoor de brug die de rivier moet overspannen. De strenge beperking die de dichter hiermee zichzelf oplegt, dwingt tot reflectie, tot het terugschroeven van taal tot haar meest samengebalde zeggingskracht. De bundel is rustgevend, zoals wachten kan zijn. De gedichten zijn helder, meditatief in hun overpeinzingen en associaties. Köhler laat hier als waarachtig dichter zien wat taal vermag.

    Brug – overzetten – übersetzen – vertalen – versprechen – beloven – loven

    Voor de vertaler moet het een gigantisch werk geweest zijn. Dit ligt uiteraard aan de vorm, omdat het gedicht in het Nederlands niet altijd op dezelfde manier uitgelijnd kan worden, maar ook aan de verschillende talen die samenkomen: welke buitenlandse woorden vertaal je, welke laat je staan? Welke betekenis geef je aan een woord dat meerdere betekenissen kent, of in een andere taal iets geheel anders inhoudt? Köhler geeft aan dat het woord ‘hier’ in het Frans en het Nederlands een geheel andere betekenis heeft, en accentueert het woord ‘wacht’ dat zowel imperatief als zelfstandig naamwoord kan zijn. Ook speelt ze met ‘warten’ en ‘Gegenwart’ en het begrip ‘present’, dat tijd, aanwezigheid en geschenk kan betekenen:

    WIR HABEN GEWARTET, we hebben gewacht. We hebben ons herinnerd
    & we hadden de tijd. We hebben samen gegeten, gedronken, feest
    gevierd, gepraat, gezwegen; we zijn gaan slapen & gaan dromen.
    ’s Morgens werden we wakker & waren op ‘n andere plaats, in de
    tijd. En de tijd was vrij en we waren wakker, wach, we waakten
    & wachten – dat was een zonder-woord-gevoel: tegenwoordigheid,
    GEGENWART, in gesprek ook, met je tegenover: ’n tegengeschenk,
    tegenwoord, tegenwoordig. Present, geschenk & gift. Er was een
    woord voor, een bed voor een tijd en voor een rivier: gemaakt.
    
    

    Zelfs zonder kennis te hebben genomen van het origineel kan de lezer slechts concluderen dat Naaijkens op voortreffelijke wijze een titanenwerk volbracht heeft.

    Vloeiend stromen, vloeiend spreken, vloeiend sterven

    Köhler doet bespiegelingen over heden en verleden, de naderende dood en taal. Hiertoe laat zij zich inspireren door de brug, het natuurschoon eromheen en de stilte. Zoals de brug de oevers van de rivier verbindt, slaan de gedichten een brug tussen mensen en hun verschillende talen. Köhler zoekt nauwkeurig naar verbanden, overeenkomsten en verschillen in vooral het Duits, Nederlands, Engels en soms Frans. Ze onderzoekt de zogenoemde ‘Valse vrienden’, woorden die in twee talen dezelfde uitspraak en schrijfwijze hebben, maar van betekenis verschillen. Köhler maakt bezwaar tegen het begrip ‘vals’ met betrekking tot deze woorden, omdat ze juist een nieuw perspectief bieden op wat bekend en vertrouwd, of vreemd en afstandelijk is:

    DOOD is een echte Valse Vriend, wijst ook in het Nederlands op
    een grens in de tijd, in de ruimte, bis hierher: tot hier dus,
    as far as this & auf Wiedersehen: tot ziens, adieu, de mazzel,
    tot morgen: und bis morgen. So long, hoe zit ‘t, hoe lang nog?
    het eindigt en verandert, anders wordt het en wordt anders, ‘t
    kan veranderd worden, kan worden en weer worden – wat dood was
    of dood verklaard, aangeduid werd, tot morgen of overmorgen en
    onder andere: onder meer, among (but not under) others, elders
    en met anderen, (in of onder water?) ander leven: zonder meer?
    
    

    De dood, die ‘echte Valse Vriend’ vormt met het leven een paradox. Leven is namelijk een beetje sterven en andersom. De bundel is opgedragen aan haar vader, die in 2016 stierf. Eén aan hem gewijd gedicht fungeert als venster in de bundel. De dood wordt ook gekoppeld aan de Emscher, die eerst dood was en door het wachtende project herleeft. Rivieren zijn ‘grenzen die we als rivier waarnemen’, aldus Köhler. Rivieren lopen naar het dodenrijk, maar kunnen worden overgestoken door bruggen. Ze noemt hierbij specifiek de zigzagbruggen in Japan, die bedoeld zijn ‘om demonen te verwarren’. Bovendien liet de dichter al doorschemeren dat het leven een wachten op de dood is.

    Poëzie is pauzeren

    De gedichten filosoferen over taal, leven en dood. Het eerste en het laatste gedicht zijn in dezelfde bewoordingen geschreven en maken daarmee de cyclus compleet. De verschillen in beide gedichten zijn aan te wijzen in een verschuiving van verleden tijd naar tegenwoordige tijd en omgekeerd. Bovendien zijn de in het eerste vers uitgesproken verwachtingen uiteindelijk werkelijkheid geworden:

    WE HEBBEN GEWACHT: wir haben gewartet. Müde und wach en wakker
    en moe. We hebben tijd samen doorgebracht, waarheen? Wohin? Où
    or where to? Op ’n rivier, op ’n plek, in twee, nee drie talen
    speelden we het Waiting Game, ein Geduldspiel, speldden we uit
    wat zou kunnen zijn, worden, wat was. Wat wachten inhoudt, wat
    wat het was. Wie wij was, wie wachtte. Men wachtte op ons, wij
    werden onthaald, men had geduld met ons & had met ons opgeteld
    Geduld. En verloren we het geduld toen, aan wie en wanneer? En
    wat hadden we aan al dat wachten? En komt ons toe wat nu komt?
    
    

    Wachten en geduld hebben. Het zou een handleiding kunnen zijn voor het lezen van poëzie, voor de gedichten van Barbara Köhler: lezen, wachten en geduld hebben, tot haar taal bezinkt en verbinding maakt tussen wat je al wist en wat zij je laat zien.

     

     

  • Oogst week 49 – 2020

    Zonder papieren

    ‘In een democratie heeft eenieder / het onvervreemdbare recht / om een idioot te zijn’. Een regel die de gedachten van lezers in deze roerige tijden misschien meteen laat richten op zekere presidenten en partijvoorzitters. In het gedicht waaruit deze regels komen worden ze gevolgd door ‘U ook. Moet toch wel gezegd worden […]’

    Het gedicht staat in de bundel Wirrwarr van Hans Magnus Enzensberger die begin dit jaar uitkwam bij Suhrkamp Verlag en is nu in Nederlandse vertaling opgenomen in Zonder papieren. Die bundel is samengesteld door literair vertaler René Smeets, die twee maanden geleden ook al Straks gaat het jenever sneeuwen, een bloemlezing van gedichten over jenever, uitbracht. Zonder papieren is een keuze van de gedichten die Enzensberger (in november 91 jaar geworden) tussen 1950 en 2020 schreef.

    Zonder papieren
    Auteur: Hans Magnus Enzensberger
    Uitgeverij: Poeziecentrum vzw

    De andere kant – Pohemen

    Wie Gellu Naum (1915 – 2001) niet kent – en dat zijn waarschijnlijk heel wat literatuurvolgers – zou bij het woord Pohemen gemakkelijk aan een landstreek kunnen denken zoals Bohemen. Maar in de woordenwereld van de Roemeense surrealist staat ‘pohemen’ voor poëzie die hij afwijst. Daaronder begrepen zijn eigen gedichten.

    Uitgeverij Vleugels is sterk in het onder de aandacht brengen van literatuur die buiten de mainstream blijft, maar verrassende wijzen van naar de wereld kijken vertegenwoordigt. Zo ook De andere kant – Pohemen, na Zenobia de tweede bundel van Naum die in het Nederlands vertaald is. Beide door Jan H.Mysjkin, vertaler van en naar het Frans en Roemeens.

    De andere kant – Pohemen
    Auteur: Gellu Naum
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Tegenwind

    In Tegenwind zijn 34 stukken gebundeld die Anna Enquist schreef voor kranten en tijdschriften, als inleiding bij werk van anderen of als lezingen en toespraken. Ze zijn gerangschikt in zes delen die overeenkomen met de van haar bekende interessegebieden kunst, psychotherapie, schrijven, muziek, sport en filosofie.

    De stukken zijn persoonlijk van toon en wisselend van lengte. Zeer persoonlijk is bijvoorbeeld haar studeergeschiedenis van Schumanns Toccata, opus 7 met afbeeldingen met afbeeldingen van acht pagina’s uit de partituur.

    Tegenwind
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Een dichter met een intense aandacht voor leven en liefde

    Jozef Deleu (1937) is bij veel poëzielezers misschien wel het meest bekend vanwege zijn functie als stichter en hoofdredacteur van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat tweejaarlijks verschijnt en gedichten onder de aandacht brengt die nog niet elders gepubliceerd werden. Ook heeft hij diverse bloemlezingen samengesteld, waaronder een van het werk van Guido Gezelle en het Groot Verzenboek, een dwarsdoorsnede van de beste Nederlandse gedichten van de 20e eeuw. Dat Deleu zelf ook dicht, is waarschijnlijk veel minder bekend. Toch heeft hij sinds zijn debuut in 1963 zeven dichtbundels gepubliceerd, deze zijn nu integraal opgenomen in de verzamelbundel Ondoorgrond, gedichten 1963-2019, tezamen met twee bundels lyrisch proza en de laatste, niet eerder verschenen dichtbundel Tussentijd. Voor zijn dichtwerk ontving Deleu in 1965 de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen en in 1995 de Prijs voor Poëzie van West-Vlaanderen.

    Monumentale verzameling

    Het is zoals te verwachten een monumentale verzameling geworden. De gedichten daarentegen zijn niet zo omvangrijk en nemen slechts een klein gedeelte van de bladzijde in. Deleu is geen man van een grote omhaal van woorden. Elk woord in zijn gedichten lijkt zorgvuldig gewikt, gewogen en gekozen:

    Schrijven

    woord
    voor
    woord

    troost
    bedenken
    in tekens

    verzonken
    leven
    herbeleven

    essentie
    zonder
    overdaad.

    (Uit: Overboord, 2012)

    Het hoogst noodzakelijke

    Deleu houdt zichzelf strak in de hand, de gedichten doen stoïcijns aan, beheerst en teruggebracht tot het hoogst noodzakelijke. Dat dit een kunst is die pas na vele jaren geperfectioneerd is, valt goed waar te nemen als de vroege bundels vergeleken worden met het latere werk. De dichter lijkt steeds minder te hoeven uitleggen terwijl de zeggingskracht van de gedichten juist groter wordt. De eerste bundels tonen nog overmoed en grote gevoelens, die uit de latere bundels zijn ingetogener, verstild. 

    Een verdere vergelijking van de verschillende bundels laat zien dat ze ook iets gemeenschappelijk hebben, het thema van leven en dood, tijd en vergankelijkheid. Er is vrijwel geen gedicht in zijn gehele werk te vinden dat niet het woord ‘dood’ in zich draagt. Deleu lijkt geobsedeerd door de dood, maar aanvaardt het feit dat er een einde is met hetzelfde stoïcisme dat zijn gedichten kenmerkt. Zo luidt de titel van de bundel uit 2005 Gras dat verder groeit, als een verwijzing naar de Bijbelse woorden ‘Alle vlees is als gras’ uit Jesaja 40:6. 

    Toch doet de titel van het verzamelde werk, Ondoorgrond, vermoeden dat ondanks de preoccupatie van de dichter met de dood, dit niet geleid heeft tot weten wat dood en leven inhouden. Maar Deleu streeft ook niet naar die kennis; hij laat het geheim intact.

    Over de dood

    Over de dood
    moet je schrijven
    als over het leven.

    Een doordeweekse dag
    valt de regen niet meer
    laat de zon zich niet meer zien.

    De dieren gaan schuilen
    voor de grauwe as, de dag
    is even zwart als de nacht.

    De postbode komt
    met een brief die je
    niet meer verwacht.

    Zo eenvoudig het leven
    zo eenvoudig de dood
    alles even.

    (Uit: De jager heeft een zoon, 1995.)

    Dichten voor kinderen en vrouw

    Omdat de dood geaccepteerd wordt als een vaststaand feit, kan de dichter zich ten volle richten op het leven voor de dood. Juist het besef dat alles tijdelijk is, verhevigt het genot van schoonheid en het carpe diem. Veel gedichten gaan over de volheid van de natuur in het algemeen, over bloemen, dieren en kleine kinderen. Ook over de eigen kinderen schrijft Deleu met liefde en aandacht voor kleine details; deze gedichten behoren tot de mooisten. En in elke bundel staat wel een gedicht dat opgedragen is aan zijn vrouw Anne-Marie. Ook hieruit spreekt de intense aandacht voor het leven en de liefde. 

    De taal is voor Deleu het middel bij uitstek om een brug te slaan tussen het leven en de dood. Zijn woorden en gedichten moeten de vluchtigheid van het leven vangen en bestendigen. Deleu schrijft om niet te vergeten, om de tijd te laten voortbestaan. Via de taal wordt elk gedicht als een stolp over een moment in de tijd gezet en wordt daardoor bewaard. 

    Binnen dit verzameld werk staan de bundels met lyrisch proza als uitzondering op de regel. Gezangen uit het achterland (1981) bestaat uit een Voorzang, zes ‘Bewegingen’ en een slotzang. Deze lange prozagedichten vertellen hoe een vrouw, Cecilia, aan haar man Felix terugdenkt, die in de Tweede Wereldoorlog van de honger krankzinnig is geworden en gestorven is in een inrichting, het ‘Gesticht’. Ze herleest zijn brieven – waarvan Deleu de spelling met opzet verouderd heeft – en herdenkt hem met liefde, maar probeert ook een manier te vinden om verder te gaan met haar leven in de wetenschap dat ‘alles de moeite waard blijft. Ondanks alles.’

    Ook in deze gedichten die zo duidelijk anders zijn, blijft Deleu trouw aan zijn thema’s: de dood moet aanvaard, de tijd onderworpen en beheerst worden.

    Klassiek in zijn thematiek

    Het is opmerkelijk dat de redacteur van een tijdschrift dat plaats biedt aan nieuwe dichters zelf zo klassiek is in thematiek en versvorm. Deleu experimenteert niet, met vorm noch inhoud. Zijn poëzie is niet maatschappelijk geëngageerd noch modern of vernieuwend. Deze traditionele gedichten zijn tijdloos, niet onderhevig aan mode of trend, juist door hun onveranderde consistentie. Ze maken indruk doordat ze ontdaan zijn van elke afleiding van het wezenlijke, de kern. Zo geconcentreerd teruggebracht naar het allernoodzakelijkste tonen ze door de hele bundel heen de constante kwaliteit van een groot dichter.

    Nu Deleu drieëntachtig jaar is geworden, is deze verzameling van zijn complete werk als een eerbetoon aan zijn lange dichterschap. Het laatste gedicht uit het verzameld werk is zeer toepasselijk getiteld Nalatenschap:

    […]
    wat wij deden
    of nalieten te doen
    wat wij opbouwden
    of bestreden
    was openbaar

    van verlies was geen sprake
    op winst werd
    nooit gehoopt –
    niets ging verloren

    De dichter lijkt hier de balans op te maken van zijn hele leven en zijn poëtisch oeuvre en kan tevreden constateren dat ‘niets verloren ging’. Of met deze nalatenschap tevens zijn loopbaan als dichter wordt afgesloten, is nog de vraag. Misschien verrast Deleu zijn lezers nog.

     

     

  • Tijdloosheid – of het verlangen ernaar

    Tijdloosheid – of het verlangen ernaar

    Door Wouter de Vries

    Nog geen jaar geleden verraste Henk van der Ent mij met een bij Uitgeverij kleine Uil uitgegeven boekje waarin het indrukwekkende boekenweekgeschenk van Jacques Presser een vervolg krijgt. Het sluit aan bij de vraag uit De nacht der Girondijnen: mogen wij oordelen over de helse daden die door anderen worden verricht? Het was destijds ook het eerste boek dat ik van hem las. Sterker nog: ik had nog nooit van Henk van der Ent gehoord en overigens ook niet van Anton Ent (zijn dichtersnaam) of van Marieke Jonkman (zijn vrouwelijke afsplitsing). Ent was nieuw voor mij maar sinds kort ben ik toch zeer content met de kennismaking, want Henk kan dichten als Anton.

    Tijdloosheid – of het verlangen ernaar. Wellicht is dit het belangrijkste thema in de laatste bundel Coolsingenwind van Anton Ent. De Noordzeekust duikt op, de IJssel met daarachter “lichtgroene oneindigheid / Waarnaar we verlangden wisten we niet”. De anemonen in Normandië die daar “al eeuwen groeien en bloeien” en op de Coolsingel die niet meer bestaat blijft Erasmus integendeel wél onsterfelijk. Het contrast tussen het niets en de eeuwigheid. Er spreekt een verlangen uit Ents gedichten en misschien is dat wel een religieus verlangen. In het verleden richtte hij al aandacht op religie en dat resulteerde in een essay waarin hij onder zijn eigen naam zijn positie tegenover het christendom verhulde. Hij wilde een agnosticus zijn, iemand die God niet verwoordt maar beleeft en waarneemt. Niet raar dus dat er veel natuurbeelden in zijn gedichten voorkomen, dat er een sterk contrast is tussen zwart en wit; tussen dood en leven. Misschien zijn de laatste zinnen uit het gedicht ‘Namiddaghitte’ wel het meest veelzeggend: “In het dorp pinkelt geen enkel lichtpunt / Haveloos bereiken we het kerkplein”.

    Bij nader inzien wordt er nog meer duidelijk. De bundel bestaat uit zeven afdelingen. Zeven is symbolisch een goddelijk getal. Met vindt het terug in alle religies, in de geschiedenis, medische wereld, natuur, en zo voort. Het duidt op een oneindige volmaaktheid en dus op tijdloosheid.

    Een opvallende afdeling is de laatste die ‘Marieke Jonkman’ is getiteld. Marieke Jonkman blijkt een vrouwelijke afsplitsing van Henk van de Ent te zijn. Onder dit pseudoniem publiceerde hij gedichten die zich van Anton Ent onderscheidden door een meer cynische en sceptische kijk op de dingen. Ondertussen kwam wel dezelfde vragen naar voren. In de laatste afdeling bestaat uit tien zogenaamde moedergedichten waarin een strijd wordt gevoerd met haar kinderen. Het zou volgens mij niet raar zijn om hier het verband tussen moeder en kind en dichter en gedicht te leggen. Jonkman zou dan de moeder over Ents gedichten zijn, ziet hij de cynische, sceptische Jonkman als zijn kritische alter ego? Of is de feminiene Henk van der Ent een zelf gecreëerde moeder en heeft het alles met een verlies te maken?

    Want verlies is een thema dat in zijn eerdere bundel Ode aan de ooivaar een bijzonder plaats inneemt. Hierin beschrijft het verlies van hechte bekenden mythisch; het krijgt dezelfde religie over zich als de natuurbeelden in Coolsingelwind. Maar dan blijkt het ten slotte allemaal om tijdloosheid te gaan. En was dat ook niet al het stadium waarin Alberto Pareira in Per Saldo na zijn zelfmoord verkeerde? Wellicht is er niet veel verschil tussen Henk, Anton en Marieke. Alleen hun stijl verschilt.

    De mystiek van Ent, de religieuze ondertoon, geeft de gedichten een puur karakter, misschien is ‘schoon’ wel een beter woord. We zouden het religieuze verlangen nog kunnen uitbreiden met erotisch of poëticaal verlangen, maar dit verlangen wordt uiteindelijk weer opgeslokt door dat ene grote verlangen. Tijdloosheid. En daar is Ent wonderbaarlijk goed in geslaagd. Laat ik daarom afsluiten met een gedicht dat daar volgens mij een goed voorbeeld van is:

    Strandwandeling

    Twee aalscholvers? Zodra ik nader
    twee zeevissers in lieslaars en groen
    regenpak, twaalf meter van elkaar

    Ik passeer en kijk na tien minuten om
    De vissers staan als broeders pal naast elkaar

    Een half uur later zijn ze in elkaar geschoven
    tot een zwart vermoeden. Man? Paal?