• Oogst week 22 – 2025

    Hazenklop

    Hanneke van Eijken (1981) is hoogleraar Rechtsstaat en democratie aan de Universiteit Utrecht. Als dichter publiceerde ze in literaire tijdschriften, waaronder Tirade, Het Liegend Konijn en Deus ex Machina. Ze debuteerde met de bundel Papieren veulens (2013), waar ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs mee won. Ook ontving ze de Zeeuwse boekenprijs accolade voor het beste debuut en werd met dezelfde bundel genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In haar vierde poëziebundel Hazenklop verkent ze in zorgvuldige en beeldende taal de begrippen tijd en ruimte en het deel uitmaken van een kudde.

    ‘Honger

     Iedereen krijgt een klomp klei
     een koude, grijze homp
     op mijn tafel ligt een toekomst
     die zich vermomt

     we modelleren zachte lijnen, warme handen
     een buik die plat is nodig, vruchtbaar
     wanneer gewenst

     aandacht is mooie klei waarvoor ik een hoog cijfer krijg

     hoe klamp ik me vast
     aan wie in mij staat te stampen?

    Hazenklop
    Auteur: Hanneke van Eijken
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Onvolledig alfabet

    Annelie David (1959) is danser, choreograaf, dichter en vertaler Duitse poëzie. Vanaf 2003 verscheen haar werk in verschillende literaire tijdschriften. Haar poëzie werd in 2004 bekroond met de Dunya Poezieprijs. Haar debuutbundel Machandel verscheen in 2013. Voor haar bundel Schokbos (2020) werd ze genomineerd voor de Grote Poezieprijs. De thema’s in Davids poëzie zijn ontheemding, migratie en natuur.

    In Onvolledig alfabet onderzoekt zij in de vorm van prozagedichten vragen over identiteit, familiegeheimen, verlies van plek en taal. Gesitueerd in de intieme wereld van een tuin, van oudsher beschouwt als paradijselijk, ervaart de lezer door de sporen van een verloren taal iets over de gevolgen van gedwongen vertrek, de onvolledigheid van herinneringen en het verlangen naar het onbekende.

    ‘V staat voor

     vluchten afgeleid van vlucht [ontvluchting]. Als kind had ik er geen
     beelden voor. Het woord weerkaatste nooit van de vredige muren, werd bui-
     ten de kamers, het huis, de tuin gehouden die schuilplaats waren, refugium,
     vergeetruimte, plek om te helen, het gemis te dempen onder een deken van
     zwijgen. Vluchten is een naamloze aanwezigheid die schuilgaat in het licht
     van de stille dingen…

     

    Onvolledig alfabet
    Auteur: Annelie David
    Uitgeverij: PoëzieCentrum

    Soms blijft iets

    Froukje van der Ploeg (1974) debuteerde in 2006 met de dichtbundel Kater. Sindsdien publiceerde ze nog drie dichtbundels. Ze ontving de Hollands Maandblad Poëziebeurs en werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs. Regelmatig wordt haar werk in literaire tijdschriften en in bloemlezingen gepubliceerd, en treedt ze op festivals op. 

    In haar nieuwe bundel trekt Froukje van der Ploeg lering uit alles wat beklijft. Met humor en zonder schroom onderzoekt ze het ongemak, de verandering en het welbehagen van lichamen, noteert ze de levensverhalen van andere mensen en toont ze hoe een spin die met klompen over de slaapkamermuur loopt grote gevolgen kan hebben. In brieven aan Imke en op weg naar huis, door het park, maakt ze de balans op. Een godin zaait verwarring op aarde, een vrouw kijkt opgerold de tijd weg en huizen doen huizen na.

    Femicide

    Neem altijd de kortste route door het park
    kijk, je ogen wennen aan het donker, zie
    scherp de sterren boven de bomen, de egel
    in de bosjes, slapende mannen zonder dak  

    De maan fietst met je mee, want de dood
    wacht voor jou nooit in dit park
    87 procent van je gevaar woont in huis
    zit op je bank, je vriend of bijna-ex  

    Je vader, broertje, buurman. Zij willen
    bezit van je nemen, weten waar je was
    met wie je sprak, wat je zei, fiets verder
    door vergeten wijken van een stad  

    En leer nieuwe vrouwen kennen
    in je klas, in de kroeg, als je rent
    langs het water en neem soms een man mee
    door het bos, want met jou zijn ze veilig.

     

    Soms blijft iets
    Auteur: Froukje van der Ploeg
    Uitgeverij: Querido
  • Te weinig sporen om naar iets concreets te leiden

    Te weinig sporen om naar iets concreets te leiden

    Is dit een dichtbundel, waarbij de tekeningen de illustraties vormen, of is dit een boek met tekeningen, waarbij dichtregels zijn gezet? Dat is nauwelijks te onderscheiden, want de samenwerking tussen Tom Marien als dichter en Pascale Petterson als illustrator verleent hun bijdrage hetzelfde gewicht. De dichtbundel oogt, mede door het folioformaat, als een prentenboek. Marien schreef al eerder prentenboeken, maar die waren bedoeld voor kinderen van 6 tot 8 jaar terwijl deze bundel voor volwassenen geschreven is. De gedichten werden vrijwel allemaal eerder gepubliceerd in literaire tijdschriften en de bundel zelf stond op de shortlist voor de Granateprijs voor de mooiste en best passende titel in 2024. 

    Hoe zwart ruikt, is ook na lezing van deze geïllustreerde bundel niet duidelijk, maar dat de inhoud inktzwart is, blijkt al snel. Er zijn tekeningen van verdrietige kinderen, foto’s waarin gezichten weggekrast zijn, met zwart en grijs als hoofdkleur met af en toe een onheilspellende vlek rood zoals naakte vrouwen met bloedende vagina’s. Het lijkt een duister en macaber sprookje voor volwassenen te zijn, met moeders als boze heksen en betoverde kinderen. Het boek bevat slechts enkele gedichten, waarvan de versregels over de pagina’s verspreid zijn. De tekeningen zijn niet bedoeld als illustraties bij de gedichten, maar zorgen eerder voor sfeer en context.

    Overvleugelde gedichten

    Petterson heeft haar eigen gedachten bij de gedichten in beelden omgezet. De gedichten worden af en toe overvleugeld door de tekeningen, die weliswaar suggestief zijn, maar toch de angst en dreiging weten weer te geven die deze bundel kenmerkt. Dichter en illustrator zijn voor deze bundel een perfecte samenwerking aangegaan, ze completeren en versterken elkaar.

    De bundel is verdeeld in een proloog, bestaande uit een gedicht, vervolgens twee afdelingen: ‘Happy family’ met zes gedichten, en ‘de jongen/de heer’ met twee gedichten, en een epiloog die ook door een kort gedicht van twee versregels gevormd wordt: ‘ wij willen overwoekerd worden/ zoals tuinmuur door klimop’. Het doet sterk denken aan het gedicht Een ongelovige van Adriaan Roland Holst: ‘Heen en weer geslingerd/ zonder rust of duur:/ was ik maar een wingerd,/ had ik maar een muur.’

    Kinderen en vrouwen vormen voor het merendeel de onderwerpen van de gedichten. Zij lijken bedreigd te worden door moeders, mannen, badmeesters, eenzaamheid:

    ‘Niks in de handen

     zo staat er een taartje

     en zing ik een lied
     je moeder blaast een kaarsje uit

     peter en meter zijn niet uitgenodigd
     hun cadeaus worden geleverd door postnl

     ik prijs het vochtgehalte van de cake
     je moeders ogen blinken

     je kirt niet je peutert niet in je gebak
     je zwijgt zoals je nu een jaar lang doet

     bij alles wat gebeurt
     is zoveel dat niet’

    Dreigende beelden

    De lezer moet zelf vaststellen wat er aan de hand is. Een tekening laat met streperige zwarte lijnen een kind zien, een meisje met een vuurrode strik in het haar, dat moedeloos in de verte staart. Achter haar is de schim van een kind, een geest haast, met een vuurrode feestmuts op. Je denkt aan dode broertjes (‘tandeloos voert ze gesprekken/ met de broer die ze nooit had’), aan incest, mishandeling, inteelt, maar het blijft gissen. Ook de gedichten over vrouwen en badmeesters hebben iets dreigends over zich. De vrouwen die de kinderen een klap geven als ze naar hun vaders vragen, de badmeesters die de angst voor het water bij de kinderen alleen maar versterken. 

    ‘bolle ogen hebben zij
     vol spiegelwater zonder chloor
     omdat ze telkens denken:

     dit is het ergste
     wat een jongen
     overkomen kan

     Maar wat is dat dan? 

    Diep in eigen ziel kijken

    De dichter wordt nergens expliciet in de beschrijving van wat er gebeurt in de gedichten, maar houdt het bij vaagheden. Dat is weliswaar intrigerend, maar vraagt veel van de lezer. Die moet diep in de eigen ziel kijken voordat hij de gedichten en tekeningen aan een ervaring kan koppelen om een interpretatie of duiding aan het geheel te geven. 

    Marien schrijft op zijn website dat hij ‘wilde weten hoe ongeluk ruikt’, dat hij getracht heeft ‘verschillende lagen van misère te verkennen.’ Misschien is de dichter daar voor zichzelf in geslaagd, maar voor de lezer heeft ook na lezing van deze bundel het onheil nog steeds geen geur. Als lezer blijf je met veel vragen zitten die onmogelijk te beantwoorden zijn omdat er te weinig aanknopingspunten zijn. Alle poëzie vraagt om inzet en inlevingsvermogen, maar de sporen die door Marien zijn uitgezet zijn te vaag om naar iets concreets te leiden. Dat zal ook niet de bedoeling van de dichter zijn geweest. Maar wat er aan beeld en poëzie in de geur van zwart wordt aangereikt, is niet genoeg om blijvend de aandacht te vragen.



  • Nagenoeg perfect

    Nagenoeg perfect

    Flapteksten zijn nuttig, zo lang ze zich beperken tot feitelijke informatie over de schrijver en het onderhavige boek. Zo valt er op de achterkant van Nagenoeg van Filip Rogiers te lezen dat dit een debuutbundel is, samengesteld uit gedichten waarvan sommige er meer dan dertig jaar over deden om tot stand te komen. Het merendeel van de gedichten verscheen eerder in Het Liegend Konijn en Poeziëkrant. Ook wordt vermeld dat Rogiers journalist is en een verhalenbundel en een roman geschreven heeft. Maar nadat er ook nog even iets over de inhoud van de bundel wordt verteld, wordt de lezer vervolgens de mogelijkheid ontnomen om zelf een mening te vormen: ‘[…] de vaak gitzwarte en meedogenloos harde inhoud van nagenoeg elk gedicht in deze bundel. Soms lijken Rogiers’ gedichten op in taal gestolde depressies.’ Dit is niet echt een aanbeveling – wie wil er gestolde depressies lezen? – maar het is bovendien niet waar. Nagenoeg elk gedicht? Ja, er staan gedichten in deze bundel die weliswaar somber van teneur zijn, maar er zijn er ook minstens even veel die teder, mijmerend of hoopvol zijn. Wat te denken van het gedicht ‘Vrouw’:

    ‘Soms als sikkel aan mijn hemel staat zij,
    een dwaallicht, een stuk van haar voor mij.

    Toch blijft zij driekwart achter, houdt zij
    van mij, blijft zij vol. En ik in al haar wanen.

    Zij keert altijd weer
    weg naar haar volle staat,
    zij kan niet anders dan kantelen.

    Volta, wassen naar haarzelf,
    naar de vrouw in haar holte.’

    Een gitzwarte, in taal gestolde depressie? Een eerbetoon voor de geliefde is het, liefdevol uitgedrukt in zorgvuldig overwogen klanken die herhaald worden in de diverse strofen. De vergelijking van de vrouw met de schijngestalten van de maan om mysterie en verandering uit te drukken is al eeuwenoud, maar Rogiers heeft ook zichzelf als minnaar het gedicht binnengesmokkeld. Het gedicht staat in de eerste afdeling, Passages getiteld, waarin beschreven wordt hoe alles voorbijgaat: tijd, mensen, relaties. Door middel van foto’s en herinnering probeert de dichter de tijd te laten stollen en te bestendigen.

    In de afdeling Nagenoeg reikt de dichter naar idealen en probeert hij te vervolmaken wat onaf is. Dat hij daar niet helemaal in slaagt, wordt al aangekondigd door de titel van deze afdeling, eveneens de naam van de gehele bundel.

    Bruno volente

    De bundel bestaat uit acht korte afdelingen van nooit meer dan zeven gedichten, vaker hooguit twee of drie. De onderwerpen zijn zeer divers, omdat Rogiers zich laat inspireren door mensen uit de geschiedenis of de huidige media: een uit drie gedichten bestaande afdeling behandelt een televisiedocumentaire over een man die lijdt aan het syndroom van Asperger. In een andere afdeling, Campo de’ Fiori, spreekt Giordano Bruno. In 1600 veroordeelde de Kerk hem tot de brandstapel, omdat hij beweerde dat het heelal oneindig was en de aarde slechts een stip daarin. Dit was volgens het Vaticaan ketters, omdat het bedreigend was voor de gevestigde orde. Rogiers citeert een citaat van Bruno, dat veronderstelt dat zijn rechters meer angst hadden om het vonnis uit te spreken dan Bruno had om het te ondergaan.

    In vijf gedichten van vijf distichons laat Rogiers Bruno het woord voeren tegen de kopstukken van de Katholieke Kerk. Omdat Bruno een wetenschapper is, heeft Rogiers de gedichten een ordelijke en regelmatige indeling gegeven: die beginnen met een gebiedende wijs (‘Wen er maar aan, u daar in het paars’) om aan te tonen dat Bruno zich niets gelegen laat liggen aan de kritiek van de kerk. Vervolgens stort Bruno zijn toorn uit over zijn rechters, die geen wetenschappelijke bewijzen willen aanvaarden. Liever blijven zij halsstarrig geloven in iets wat niet bestaat. Elk gedicht eindigt met een distichon die begint met de woorden ‘Uw Christus’, waarna Bruno ongezouten zijn mening geeft: ‘Uw Christus kus ik liever niet,/ uw klem lik ik eerder dan uw hiel.’ (Het spreken werd Bruno voor straf belet door een ijzeren klem in zijn mond.)

    Rogiers maakt alleen in deze gedichten gebruik van eindrijm en binnenrijm (‘en staak het gemekker over uw verwekker.’), misschien omdat er geen vrije verzen geschreven werden in de 16de en 17de eeuw en hij zo dicht mogelijk bij Bruno zelf probeert te blijven. Het is een mooie cyclus van felle, doordringende gedichten:

    V

    ‘Lik dan, vlam, onheilig vuur, dit
    is niet mijn maar uw laatste uur.

    Liever ben ik vijand dan laffe buur.
    Mijn graf uw straf, uw boek

    een voetnoot bij mijn woorden.
    Feller dan uw toorts zijn de zonnen

    die u sterren waant. Mij wacht
    een verlichte dood, u het duister.

    Uw Christus draag geen kroon,
    in uw hemelrijk staat geen troon.’

    Buitenbeentjes als inspiratiebron

    Een andere afdeling die geïnspireerd is door een historisch persoon – zij het fictief – heet Meid. Hierin staan slechts twee gedichten, geschreven bij de textiele werken van de kunstenares Louise Bourgeois. Hiermee bracht ze een ode aan Eugenie Grandet, de heldin van Honoré de Balzacs gelijknamige roman. In het eerste van de twee gedichten probeert Eugenie een spaarzame, kuise en onderworpen dienstmeid te zijn, zoals haar gierige vader van haar verlangt. In het laatste gedicht heeft de ontluikende liefde voor haar neef haar echter getransformeerd tot het begin van de vrouw die ze zou willen zijn. Haar neef probeert haar te verleiden ‘en verbloemt mij/ van meid tot meisje/ zoals het raam/ het ijs.’

    Ook de reeks De onfatsoenlijken haalt zijn inspiratie elders. Ditmaal resoneert het gelijknamige boek van de journalist Jan Antonissen op de achtergrond. Hij schreef over zijn ontmoetingen in Europa met mensen die “met de nek worden aangekeken, […] het racistisch stemvee van de populisten.” In zes gedichten schetst Rogiers een beeld van deze vaak eenzame, want verfoeide buitenbeentjes die niet passen in de samenleving en die hardnekkig blijven vasthouden aan hun eigen gedachtespinsels.

    III

    ‘Hij heeft het niet begrepen hoe
    de tijden zijn gekeerd. Hij stemt
    op de verkeerden, smaak en rede
    zijn hem vreemd. Hij is te klein,

    te laaggeschoold, de wereld
    draait te snel en is te groot.

    Dat zeggen zij die deugen.
    Wat hij zegt, blijft ongehoord.’

    Flaptekst voor in het closet

    De voorlaatste afdeling is getiteld Closing time. Zo genoemd met het album van Tom Waits in gedachten? Het zou kunnen, want een van de gedichten in deze afdeling draagt als motto ook een paar zinnen uit het lied ‘Jesus alone’ van Nick Cave. De inspiratiebronnen van Rogiers komen van heinde en verre. Ze brachten hem tot het schrijven van intieme en weloverwogen gedichten, die af en toe somber zijn – welke dichter is dat nooit? – maar die toch voornamelijk tederheid laten zien, deernis en een besef dat de wereld groter is dan de eigen gezichtskring. Deze bundel is verrassend veel gevarieerder dan de tekst op de achterkant aankondigt. Lees die daarom niet. Laat de gedichten voor zichzelf spreken.

     

     

  • Hoe korter hoe beter, is de leus

    Hoe korter hoe beter, is de leus

    Onlangs werd het twintigjarige bestaan van het literaire tijdschrift Het Liegend Konijn gevierd: al twintig jaar krijgen dichters van hedendaagse Nederlandse poëzie hierin een podium om hun werk te laten zien. De oprichter en redacteur van het tijdschrift, Jozef Deleu (1937), hanteert bij het kiezen van de gedichten kwaliteit als enig criterium. Dat hij zelf ook dichter is, maakt zijn taak misschien gemakkelijker. Hij debuteerde in 1963 met de bundel Schaduwlopen. Sindsdien heeft hij zeven bundels geschreven, die in 2019 samen met zijn lyrisch proza bijeengebracht werden in het verzamelde werk Ondoorgrond. Ook stelde hij bloemlezingen samen uit het werk van andere dichters, zoals Het Groot Verzenboek. Hij ontving diverse prijzen en officiële onderscheidingen voor alles wat hij verricht heeft op het gebied van taal, literatuur en cultuur in Nederland en Vlaanderen. In 2021 verscheen zijn bundel Geluiden voor de laatste dag waarin hij een nieuwe dichtvorm introduceerde: miniaturen. In zijn nieuwste werk, het paard van mijn vader, zet hij deze manier van dichten voort.

    Het is een zeer verzorgd bundeltje, uitgegeven door PoeziëCentrum, met harde bruine kaft met witte belettering. De gedichten zelf zijn in bruine letters in het midden van witte bladzijdes geplaatst. Bruin, omdat de kleur slaat op het paard uit de titel? Veel boeren noemden vroeger hun trekpaard Bruin. Het geheel maakt de indruk van een brevier, een getijdenboek in sobere uitvoering. De soberheid is ook terug te vinden in de drieëndertig gedichten zelf: elke pagina krijgt één gedicht, waarvan de titel één woord beslaat en daarbij gealfabetiseerd is. Een echt abecedarium is het echter niet, omdat sommige letters ontbreken en andere juist meerdere gedichten toebedeeld krijgen. De gedichten bevatten zeven regels, die uit een of twee, hooguit drie woorden bestaan; de laatste twee regels staan als een strofe apart.

    Meesterlijk, op zijn minst

    In eerste instantie doen de gedichten denken aan haiku’s, zowel wat de strakke vorm als de inhoud betreft. Deleu heeft alles weggelaten wat overbodig is om tot de kern van zijn gedichten te komen. Deleu was al nooit een dichter van grote woorden, maar in deze bundel verheft hij het minimalisme tot kunst.

    In deze gedichten kijkt hij beschouwend terug op een lang leven vol herinneringen, zonder spijt. Zijn leven perst hij door een filter, waarna een geconcentreerde essentie overblijft. Deze essentie bestaat niet uit berusting, zoals je misschien zou verwachten, maar eerder uit woede, opstand en verontwaardiging over overheid, de toekomst en de onmacht van de mens om verandering aan te brengen. Deze maatschappelijke betrokkenheid is in vele gedichten aan te wijzen met titels als ‘Brandhaard’, ‘Woede’ en ‘Schrikdraad’. Deleu is nog steeds een bevlogen dichter die zich het wel en wee van de wereld aantrekt. Tegelijk sluimeren de onrust en onzekerheid over het einde van het leven. Voor de oude Deleu wordt dit immers steeds tastbaarder:

    REDDING

    de toekomst
    is veilig
    heilloos
    smeult
    redding

    het einde
    nabij

    Weinig woorden, ontelbare ontdekkingen

    Dergelijke gecomprimeerde gedichten, waarin alles is teruggeschroefd tot het hoogstnodige, verdienen een alerte lezer, bedacht op alles wat ze zouden kunnen bevatten. Om met zo weinig woorden zo veel te kunnen zeggen, getuigt van meesterschap in de dichtkunst. De enjambementen zorgen voor meerdere en verrassende interpretaties. Deze gelaagdheid in zijn taalgebruik heeft Deleu keer op keer weten aan te brengen in deze ultrakorte gedichten, die op veel verschillende manieren gelezen kunnen worden, wat elke keer weer een ander perspectief oplevert. Een sterk voorbeeld is het openingsgedicht:

    ADVIES

    fluister het
    de bomen
    zeg het
    de paarden
    blijf

    overeind in
    allenigheid

    Het gedicht doet meteen denken aan ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus, die ons aanspoort wezenlijke dingen zoals het besef van liefde, niet aan mensen door te geven, maar aan dieren, omdat zij de enige zijn die het zouden kunnen begrijpen. Voor de boerenzoon Deleu is de verbondenheid met de natuur vanzelfsprekend. De mens maakt daar deel van uit en staat er niet boven. ‘blijf/ overeind in/ allenigheid’ kan een trotse bewering zijn om op jezelf te kunnen vertrouwen, maar evengoed een troost om stand te blijven houden, al ben je alleen. Mooi hoe ook hier de regelafbreking tot overpeinzen aanzet en vragen oproept die op verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

    Melancholie, zij het beheerste

    Een ander thema in de bundel is de melancholie, waar ook een stoïcijns dichter als Deleu niet aan ontkomt. Het gaat dan steeds om de zin van het leven, de natuur, de dieren, die met aandacht voor details beschreven worden, want in observeren is de dichter een meester. Waar hij in eerder werk slechts nuchter constateerde en zijn emoties met straffe hand in bedwang hield, wordt in deze bundel een nostalgie naar het verleden merkbaar en een ontroering bij herinneringen. Ook de liefde voor zijn vrouw Anne-Marie komt tot uiting in drie gedichten die de titel ‘Vrouw’ dragen. Hierin eert hij haar, verzekert haar van zijn nooit aflatende liefde na al die jaren van samenzijn.

    Maar ook de dood en de gedachte daaraan zijn prominent aanwezig, wat onvermijdelijk is op de leeftijd van 86 jaar. De dichter is niet sentimenteel, nuchter stelt hij de naderende dood vast, een voldongen feit. Ook al heeft Deleu niet speciaal een gedicht aan de dood gewijd in deze alfabetische reeks, toch lonkt de dood tussen de regels door. De dichter geeft zichzelf advies met een imperatief in het gedicht:

    WOLKEN

    wankelt
    de taal
    op de tong
    beklim dan
    de trap

    naar
    de wolken

    De plaatsing van het gedicht helemaal op het einde van de bundel zal niet toevallig gekozen zijn. Dit gedicht kan tot iedereen spreken. Taal is hier letterlijk levensbepalend en maakt het verschil tussen leven en dood. En wat er met ‘naar / de wolken’ bedoeld wordt, mag iedereen voor zichzelf invullen.

    Zo bevat deze bundel alle thema’s die het oeuvre van Deleu kenmerken: leven, liefde, taal, natuur en dood; een magnum opus van de dichter. In dit kleine boekje fonkelen de miniaturen als juwelen in kaarslicht, als kleinoden die gekoesterd dienen te worden.

     

     

  • Lestips voor scholen en poëzie rendez-vouz met Erik Spinoy

    Lestips voor scholen en poëzie rendez-vouz met Erik Spinoy

    Erik Spinoy (1960) is dichter, essayist en hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Luik. Zijn poëzie is veelbekroond, onder meer met de prestigieuze Jan Campert Prijs voor Dode kamer (2011). In september verschijnt zijn nieuwe bundel Nu is al te laat (De Bezige Bij).

    Klassen uit het middelbaar onderwijs zijn zeer welkom op deze middag. Zij kunnen kennismaken met de dichter door hem op het podium bezig te zien. Zo kan de grote stap tot ‘de Poëzie – met hoofdletter – stap voor stap verkleind worden. Poëziecentrum biedt ook een les­suggestie aan over Erik Spinoy. Deze lestip is voor iedereen gratis verkrijgbaar! De les kan de kinderen klaarstomen voor een bezoek aan Poëzie Rendez-Vous, of simpelweg hun interesse in de poëzie aanwakkeren. Ook over Maarten van der Graaff, Anne Vegter, Charles Ducal (Dichter des Vaderlands) en Anneke Brassinga zijn er lessuggesties beschikbaar. Deze lestips kunnen via educatief@poeziecentrum.be aangevraagd worden.

    Toegang: Gratis
    Info en reserveren: tel. 09 225 22 25 of events@poeziecentrum.be