• Zonderlingen en buitenbeentjes

    Zonderlingen en buitenbeentjes

    De vrouw naast me in de rij rolde een mouw van haar shirt op en liet me de tatoeage op haar rechterarm zien, de namen van haar vijf katten. Terwijl ik me nauwelijks hersteld had, rolde ze ook de andere mouw op om de namen van haar dode katten te laten zien, gegraveerd op haar linkerarm. Ik mompelde meelevende woorden en vroeg me af hoe het toch steeds gebeurde. We stonden allebei te wachten en zij was begonnen over het weer te praten. Maar zelfs al zou ik de stappen van het gesprek kunnen reconstrueren, dan nog bleef het een mysterie waarom ze mij had uitgekozen als luisteraar. Ik val wel vaker ten prooi aan conversaties met de plaatselijke zonderlingen en buitenbeentjes. Misschien voelen ze dat ik respect voor hen heb, zoals ik dat heb voor iedereen die boven het maaiveld uitsteekt. Het leven zou zonder hen in ieder geval een stuk minder interessant zijn.

    Ook in de literatuur wemelt het van de waanzinnigen, en je hoeft er niet eens voor naar het buitenland. In Waanzin in de wereldliteratuur, het Boekenweekessay van 2015, noemde Pieter Steinz een aantal schrijvers die werden opgenomen in een psychiatrische inrichting:  Gerrit Achterberg, die in een vlaag van waanzin zijn hospita doodde, Jan Arends, en Maarten Biesheuvel, die dacht dat hij Jezus was: ‘Schrijven is een gave van God en krankzinnigheid al helemaal. Je moet een paar jaar in het gekkenhuis hebben gezeten en eruit weten te komen’. 

    Maar Steinz vergat Hans Andreus te noemen. Andreus werd  opgenomen vanwege een ernstige neurose, die hem agressief maakte tegen zijn geliefde. In 1956/57 zou Andreus dit verwerken in de Sonnetten van de kleine waanzin, die beschouwd worden als een hoogtepunt in zijn werk. Van hem is ook het gedicht:

    Geschiedenis

    ‘Hier en daar een dorpsgek
    vecht nog zijn eigen oorlog,
    leunt nog tegen zijn leeggeruimd
    toneel van de wereld en wacht nog

    op volgende week betere komedianten.’

    Alle dichters zijn gek, zei Lord Byron. Goede literatuur heeft een beetje gekte nodig, zegt Steinz. Net als het dagelijkse leven, zeg ik. De kattendame en ik gingen ieder ons weegs, als goede vrienden, nadat ik had gezegd dat ook ik de namen van mijn overleden katten op mijn lichaam droeg, maar dan op een plaats die ik daar met goed fatsoen niet kon laten zien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en veellezer.

  • Verbindende literatuur

    Verbindende literatuur

    Dit jaar is het honderd jaar geleden dat het tijdschrift en de gelijknamige Nederlandse kunststroming De Stijl het levenslicht zag. Het tijdschrift had een enorme impact, die tot vandaag de dag en tot ver buiten onze landsgrenzen voerde. Met als onbetwist stijlicoon de Rietveldstoel van Gerrit Rietveld, een ietwat oncomfortabel ogende, oorspronkelijk ongeverfde houten stoel. Maar dat oncomfortabele was volgens Rietveld geen probleem: ‘Zitten is een werkwoord, als je moe bent ga je maar liggen.’ Een sales-pitch die potentiële kopers niet echt overtuigde; de verkoop van de stoel kwam pas op gang toen Rietveld zijn stoel in de primaire kleuren schilderde die hij had afgekeken van schilder Bart van der Leck. Kleuren die de stoel zouden verankeren in ons, nee, in het Europese culturele DNA. Het is dan ook logisch dat de vorig jaar overleden Pieter Steinz de Rietveldstoel heeft opgenomen in zijn illustere overzicht van ‘de kunst die ons continent bindt’. Samen met onder andere de klassieke Griekse vaas, gotische kathedraal, Déesse van Citroën en Ulysses van James Joyce. Allemaal Made in Europe, een inzicht dat volgens Steinz een welkom tegengif is voor de continentale verdeeldheid die zo alomtegenwoordig lijkt te zijn.

    Een prachtig tegengif dat ik graag tot me neem, ook al is die continentale binding niet nieuw voor mij. Zeker in literair opzicht, wat weer duidelijk bleek toen ik eind 2016 de balans opmaakte van mijn lezerij dat jaar. Ik had alleen Europese ,of beter gezegd West-Europese boeken gelezen, een enkel uitstapje naar het Oosten daargelaten. De tweeëntwintig boeken die ik had gelezen kwamen uit slechts zes landen: Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië, Nederland en Rusland. Blijkbaar hadden deze landen mij in 2016 alles te bieden wat mijn lezershart begeerde. Ik kon dan ook, om een oude stadsgenoot van me te parafraseren, eigenlijk maar tot één conclusie komen: ‘zoo ik ièts ben, ben ik een Europeaan’.

    Maar alhoewel ik in 2016 literair gezien verre van een globetrotter ben geweest verveelde ik me geen moment. Ik las soms een kleinood van nipt honderd pagina’s, maar ook uitschieters met een tienvoudige omvang. Waaronder prachtige boeken, over moeders (Nederland en Engeland), de Tweede Wereldoorlog (Frankrijk en Duistland), de ondoorgrondelijkheid én onvermijdelijkheid van een volksaard (Rusland en Italië), die diepe indruk op me maakten. Allemaal ‘Made in Europe’ dus.

    Toch knaagt het licht aan mij. Is die Europese eenkennigheid niet te beperkt? Moet ik niet weer eens voorzichtig over de grenzen van ons continent gaan kijken? Philip Roth misschien, of Gabriel García Márquez of Kobo Abe? Of misschien iets van een hedendaagse Amerikaanse, Afrikaanse of Aziatische auteur? Het zou mijn wereld vast verruimen. Maar als ik dan mijn ogen laat glijden over De bekeerlinge van Hertmans, dat ik nu aan het lezen ben, besef ik dat ik daar nog niet aan toe ben. Ik dompel me weer onder en geniet van een ongemakkelijke mengeling van kruistochten, pogroms en een verboden liefde. Het verhaal zelf is niet het mooiste dat ons continent heeft voortgebracht, maar de roman scoort daarbij wel hoge ogen. Europeser dan dit kan een boek bijna niet zijn.

     

  • De oogst van week 48

    Door Ingrid van der Graaf

    Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen, klinkt als een onverbrekelijk verbond van een liefdevolle relatie. Vanaf hun eerste gezamenlijke reizen naar het Zuiden eind jaren vijftig, bleven August Willemsen (1936-2007) en Marian Plug (1937) elkaar een halve eeuw lang schrijven. Deze correspondentie, onder de titel Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen bijeengebracht door Marian Plug en Joost Meuwissen, geeft niet slechts een beeld van een bijzondere onderlinge vriendschap, maar ook van het verloop van twee indrukwekkende kunstenaarslevens. Dit brievenboek vertelt het verhaal van een levenslange, (half)verliefde vriendschap tussen een van de belangrijkste literaire vertalers die Nederland heeft gehad en een beeldend kunstenares. De brieven, geschreven tussen 1957 en 2005, omvatten bijna het hele levensverhaal van Willemsen, vanaf zijn eerste ‘vlucht naar het Zuiden’ tot aan zijn laatste jaren, na zijn Australische avontuur. Uitgegeven in de serie Privé Domein bij de Arbeiderspers. Prijs € 24,95

     

    53a8d4ec625334.02506915Een gids voor de popmuziek uit de laatste drie decennia van de vorige eeuw is een stuk wereldgeschiedenis op zich. In 2011 verscheen Luisteren &cetera (gids voor popmuziek uit de jaren zeventig), welke door een recensent van LiterairNederland met groot enthousiasme verwelkomd werd.
    In het tweede deel Luisteren &cetera, beschrijven Pieter Steinz en Bertram Mourits aan de hand van 25 meest invloedrijke albums en stromingen uit de jaren tachtig en negentig een verrassend beeld van muziek die je al kende of die je wilt leren kennen. Van new wave en punk tot hiphop, van heavy metal tot dance. De jaren tachtig zijn het decennium waarin de popmuziek volwassen begon te worden – vooral door na de decadente jaren zeventig weer te vertrouwen op de kracht van muzikale eenvoud. Uitgegeven bij Atlas / Contact, 288 blz., Prijs: € 19,99.

     

    9200000030212937Suttree van Cormac McCarthy gaat over de aan lager wal geraakte Cornelius Suttree die in een woonboot op de Tennessee aan de rand van Knoxvillewoont. Hij voorziet in zijn bestaan door te vissen in een stinkende riool. Hij kiest voor een bestaan als rivierrat, en in de roman klinken de stemmen van de ‘ratten’ met wie hij zich omringt. In The Times Literary Supplement wordt Cormac McCarthy als  geboren verhalenverteller en schrijver van een volmaakt natuurlijke stijl neer gezet. En ook: ‘Elk verhaal, elk gegeven gaat bij Cormac McCarthy altijd tot in het hart van de tragedie.’ Wrang en hard maar toch humoristisch en van een vernietigende schoonheid, dat is Cormac McCarthy’s magnum opus Angel (1979), waaraan hij twintig jaar heeft gewerkt. Het verhaal van de havelozen, de zwarte krotbewoners en de verre nazaten van de Saksische clans die ooit golf na golf Amerika overspoelden. Ook bij de Arbeiderspers. Prijs: € 19,95.

     

    indexLiterair tijdschrift Terras betreedt met haar zevende nummer nieuwe gronden. Er worden utopieën op aarde bezocht, zoals de stad Taipei, de kassen van het Westland, het Coney Island van Lawrence Ferlinghetti, de zandbak van Grace Paley, het brandende gras van de onteigende landerijen rond Harare, het Hongarije van László Krasznahorkai en de sleutels van afgesloten wijken in Lima. De utopieën van de geest worden gezocht i, het Parijs van Georges Perec, de Haagse tantes van Wim Noordhoek, de luchtspiegelingen van Robert Desnos, diverse droomgebieden en de nieuwe domeinen waar de dichter Brinkmann in al zijn frustratie naar op zoek was.  Napels, Brjansk en Donego komen in beeld alsook een door de grond opgezogen fabriek in Guatamala en de rotstekeningen van Marlene van Niekerk en het stadje Monster. Maar Terras #7 is allerminst een utopie, er is werkelijk land in zicht! Nieuw land valt hier te bestellen.

     

  • Talkshow Letteren &cetera in Spui25 te Amsterdam op 31 januari

    Agenda

    Pieter Steinz interviewt iedere laatste donderdag van de maand drie auteurs in Spui25 te Amsterdam.

    De schrijfsters Christine Otten en Vrouwkje Tuinman en de Virginia Woolf-vertaalster Boukje Verheij zijn te gast in de eerste aflevering van Letteren &cetera. In deze anderhalf uur durende talkshow spreekt Pieter Steinz (directeur Nederlands Letterenfonds), met drie auteurs die op verschillende manieren door het fonds gesteund zijn.

    Op donderdag 31 januari interviewt Steinz als eerste Vrouwkje Tuinman, die sinds haar debuut als dichter in 2004 poëzie afwisselt met proza. Deze maand verscheen haar nieuwe roman De rouwclub, over de nabestaanden van een plotseling overleden festivaldirecteur. Hoe verhoudt Tuinmans tragikomedie zich tot het steeds populairder wordende genre van de rouwroman? En hoe grappig mag je schrijven over de dood?.

    De tweede gast is Boukje Verheij, die voor de Perpetuareeks een nieuwe vertaling maakte van Virginia Woolfs negentig jaar oude meesterwerk Mrs. Dalloway. Hoe vertaal je een literair monument dat ook nog eens bekend staat om de uitzonderlijke stijl; de streams of consciousness en, de lange zinnen met bijstellingen, stukken tussen haakjes en strategisch geplaatste puntkomma’s die Mrs Dalloway de dromerige sfeer geven die de tragiek van haar personages des te schrijnender doet uitkomen?

    Ten slotte een gesprek met Christine Otten, een van de sterren van de Nederlandstalige literaire non-fictie. In haar zesde, autobiografische roman Om adem te kunnen halen beschrijft ze hoe ze zich met haar tachtigjarige vader verzoent en daarmee teruggaat naar haar jeugd in Deventer en de geëngageerde arbeidersmilieus van haar ouders. Steinz zal met Otten praten over puur autobiografisch schrijven, over het Nederland van zestig jaar geleden, en over het zo gedateerd lijkende ideaal van verheffing van de arbeidersklasse.

     

    Donderdag 31 januari
    Entree is gratis, wel reserveren via de website van Spui25.
    Tijd: 17.00-18.30.

    De volgende edities van Letteren &cetera vinden plaats op donderdag 28 februari, donderdag 28 maart, &cetera. Aanvang steeds om 17.00 in Spui25 in Amsterdam.

     

  • Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Zondag 18 november waren Oek de Jong en Ester Naomi Perquin te gast aan de Lijnbaangracht tijdens een Literaire salon. Interviewer en dichter Jos van Hest ging met hen gesprek over hun werk. Dit alles omlijst door muziek van Lex Goes en afgewisseld met een gesproken column van boekhandelaar Ton Schimmelpennink van Boekhandel Schimmelpennink.

    Ester Naomi Perquin publiceerde dit voorjaar haar derde bundel Celinspecties. Sinds 2007 publiceerde zij drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen en de laatste op de nominatie staat voor de VSB Poëzieprijs 2013. Haar werk wordt uiteenlopend beoordeeld van lief tot pervers maar vooral verontrustend. Wat zeker is, is dat Perquin een scherp gevoel heeft voor het alledaagse. Het alledaagse waaruit, wanneer zij haar ogen erop richt, bevreemdende en niet minder, schokkende voorstellingen ontstaan.

    Vier jaar werkte Perquin full time als nachtelijk cipier, ‘cipieresse’, zoals ze zelf zegt, in een gevangenis. Een bizarre keuze constateerde Jos van Hest voor een jonge vrouw. En vroeg naar haar ervaringen als gevangenisbewaarder.
    Ten eerste wilde Perquin de opvatting rechtzetten dat zij in het gevang is gaan werken om de Schrijversvakschool te kunnen betalen. Zij deed dit werk al vóórdat zij de schrijfopleiding ging volgen (in 2006 afgestudeerd). Wat wel klopte is dat zij haar schrijfopdrachten tijdens de nachtdiensten schreef.

    Om dit werk te kunnen doen kon je kiezen of je je als lellebel of als ijskonijn zou gedragen, vertelt Perquin. Om geen last te krijgen met de gedetineerden was Perquin een ijskonijn die het hoofd koel hield bij dreigende sterfgevallen (niet doodgaan nu ik dienst heb!), reanimeerde waar het nodig was en bluste brandjes. Veel gebeurde er niet tijdens zulke nachten. ‘Het meest gebeurt achter gesloten deuren ’s nachts. Meest vieze dingen’. Stelt Perquin zich voor.

    Op de vraag of het materiaal uit de bundel Celinspecties al geschreven werd tijdens die nachtdiensten, vertelt Perquin dat dat niet het geval was. Ze schreef met name veel brieven aan vrienden, die ze later gebruikte voor het schrijven van Celinspecties.

    Jos van Hest noemt het een onthutsende bundel, vindt hem mooi en lelijk tegelijk; ‘mooi in taal en lelijk in het portret van het kwaad’. Perquin wil niets liever dan dat deze bundel op zijn rauwheid beoordeeld wordt. Ze ontving de opmerking in een recensie van Pieter Steinz, die het gedicht David H. (waarin een verkrachter aan het woord is) ‘pervers’ noemde, als een compliment. Waarmee ze ook wil onderstrepen dat een verkrachter in wezen niet gestoord is. Dat je verkrachters aantreft onder de meest normale mannen (binnen het huwelijk, vriendenkring, familie). En dat dàt gegeven pas verontrustend is.

    Al dichtend balanceert Perquin langs de zelfkant van het kwaad in Celinspecties. Op de vraag of het geen gevaarlijke bundel is, gezien de misdaden waarmee ze naar buiten treedt, zei Perquin: ‘Ik voel wanneer iets kan’. En dat is de koers die je als dichter vaart. Zo schreef ze het gedicht Bart V., over een supermarktoverval waarbij geschoten werd.
    ‘(…) Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’ Kort daarna was er het winkelcentrumdrama in Almere.

    Ze vraagt zich af hoe lang iemand een misdadiger blijft. Haarzelf overkwam het dat ze een ex-gedetineerde herkende voor de schappen van een supermarkt. Een pleger van een roofoverval met geweld. De jongeman stond voor het schap te mopperen dat artikelen op de verkeerde plek lagen. Een oude vrouw naast hem mopperde vrolijk mee en Perquin dacht: ‘Ja, ja, ik ken jou’. Waarna ze zich direct afvroeg wanneer iemand boef  ‘af’ is.
    Het soort gedetineerde waar Perquin het meest van houdt, is de ‘ik was het niet’- gedetineerde, waarover het meesterlijke gedicht ‘Verklaring’

    ‘Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
    (…)

    Ik had geen idee wat er speelde, trouwens iedereen die ik
    daar zag heeft me erbuiten gelaten vanwege
    dat ik er niet was. Niet tijdens die nacht.
    (…)

    Misschien was het een plantenbak. Die plantenbak viel
    Horizontaal op haar gezicht en tamelijk hard en
    Misschien wel verschillende keren maar
    Ze zeggen zoveel, het was een opmerkelijk donkere nacht.

    Ik weet nog dat ik thuis waar ik dus was
    Van uit mijn bed naar buiten keek
    En dacht zulk diep zwart
    Zie je maar zelden.’

    Aan het eind van het gesprek herinnert Perquin zich het punt in haar leven waarop ze ontdekte hoe poëtisch te kunnen schrijven. Het was tien jaar geleden, toen ze een regel las van Erik Menkveld die een kamer binnenkomt waar een boxer op het tapijt ligt en opeens denkt: Ik had die boxer kunnen zijn: ‘ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet…’ Dat was Ester Naomi Perquins keerpunt, het moment waarop ze wist van waaruit te schrijven; vanuit de ander, de ander willen/kunnen zijn. Ter afsluiting las ze het gedicht Vanmorgen werd ik opgebeld, te vinden in haar tweede bundel Namens de ander waarin deze wens de ander te zijn, ten diepste besloten ligt.

    Na de pauze, waarin Lex Goes op toetsenbord verschillende nummers uit de jaren vijftig speelde, waaronder Spiegelbeeld alsook Schubert D894, die een rol spelen in het boek Pier en oceaan en de bezoekers zich tegoed deden aan het buffet, zette Jos van Hest zich opnieuw achter de gesprekstafel. Deze keer met Oek de Jong om het te hebben over diens Magnum Opus Pier en oceaan.

    Waarom een 800 pagina’s tellend werk geschreven, vraagt Van Hest.
    Oek de Jong vertelt dat dit ongewild zo gegroeid is. Hij schreef de eerste 100 pagina’s van een boek waarvan hij dacht dat het niet veel omvangrijker zou worden dan dat. Tot hij begreep dat hij het midden had geschreven van een omvangrijker werk. Een autobiografisch werk waarop hij zich heeft voorbereid door Proust te herlezen en waarin motieven uit zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken terugkomen. Dit debuut was tevens zijn eerste autobiografische werk waarin de moeder een prominente rol speelt, net als in Pier en oceaan, in de gedaante van Dina, een jonge vrouw in de jaren vijftig die met lesbische gevoelens speelt en zich desondanks zwanger laat maken door de man waarmee ze vervolgens trouwt.

    Oek de Jong ondernam een zoektocht in de literatuur naar de juiste vorm die aan zijn schrijverschap zou voldoen om dit werk te kunnen schrijven. Hiervoor las hij de Anton Wachter romans van Simon Vestdijk waarbij hij voornamelijk onderzocht waaruit Anton was ontstaan.
    Op de vraag of er meer autobiografisch werk te verwachten is antwoordde De Jong dat hij er acht jaar over gedaan heeft deze roman te schrijven. Het omzetten van herinneringen en een tijdsbeeld naar een literair terrein dat vervolgens getransformeerd moet worden tot een roman kost veel tijd, verklaarde De Jong. Het schrijven van een autobiografisch werk is een zoektocht naar jezelf, het grote vragen naar wie en wat je bent. De Jong: Stendhal vroeg zich op vijftigjarige leeftijd af, terwijl hij met een stok in het zand de namen schreef van alle vrouwen die hij niet gekregen had, wat voor een man hij was.

    Jos van Hest merkt op dat het werkwoord ‘zien’, het meest voorkomende werkwoord in het boek is; zien, waarnemen; gezien worden. Wat maakt dat in het boek de dingen tot op de huid en zeer zintuiglijk beschreven zijn.

    Op de vraag waar de titel Pier en oceaan vandaan komt, vertelt De Jong dat hij daar lang naar gezocht heeft. De titel is uiteindelijk ontleend aan een houtskooltekening van Mondriaan, gemaakt in Domburg en die nu in het Kröller Muller museum hangt waarop Pier en oceaan staat geschreven. Toen de keuze op Pier en oceaan viel heeft De Jong pas de scène erin geschreven waarin Abel een kaartje krijgt van zijn vriendin op de Rietveld academie met dit werk erop. Van Hest concludeerde dat Pier en oceaan, losgemaakt van het tijdsbeeld en het autobiografische zeer goed te lezen is. Een zeer goed Oek de Jong boek.

    De literaire salon is een fijn concept voor schrijvers en literatuurliefhebbers. Na afloop trokken de bezoekers, verzadigd van lichaam en geest en enkele boeken rijker, de stad in of huiswaarts.

  • Recensie door:  Jaap M. Jansen

    Recensie door:  Jaap M. Jansen

    Misschien herkent u het: vóór de aanschaf van een naslagwerk over literatuur of muziek, eerst even in het namenregister kijken of die ene goede schrijver of die ene geweldige band er ook in wordt genoemd. Nu, voor degenen die dit zonderlinge gedrag delen: wees gerust, Luisteren &cetera stelt u niet teleur. The Byrds? Staan The Byrds er wel in? Zoek, zoek, zoek… ja! Gelukkig… En The Doors? Ze zijn The Doors toch niet vergeten?

    Om maar direct met de deur in huis te vallen en aldaar de loftrompet af te steken: dit werk is een ware menukaart. Aan de hand van 25 albums verkennen de auteurs de meest toonaangevende popmuziek uit de jaren zeventig – popmuziek in de brede zin, let wel. Van ska en reggae tot countryrock, van funk tot experimentele jazzrock: het staat er allemaal in. Elk van de albums (die overigens chronologisch zijn geordend) wordt op eenzelfde manier behandeld: eerst een afbeelding van de albumhoes en een bespreking van de plaat zelf, dan een puntig overzicht van de invloeden op het album, de overige albums van de betreffende artiest en ‘aanraders’, en ten slotte een verhandeling over het bijbehorende muziekgenre, met nog enkele luistertips. En dat allemaal 25 keer. Hemels.

    Zowel in hun voor- als nawoord benadrukken Mourits en Steinz dat de 25 albums slechts een selectie zijn, en dat het hun vooral te doen is om de verwevenheid van de muziekwereld aan het licht te brengen. Welnu, dat blijkt wel. Wat een immense stortvloed aan namen van artiesten, producers, albums en liedjes! We nemen, bij wijze van voorbeeld, het hoofdstuk over The (zojuist genoemde) Doors. Hun album L.A. Woman (1971) is de derde plaat die wordt behandeld, na Bitches Brew van Miles Davis en After the Gold Rush van Neil Young. Elk hoofdstuk is door één auteur geschreven; in het geval van L.A. Woman is Pieter Steinz aan het woord. Hij bespreekt kort de achtergrond van de rockgroep en gaat dan in op de essentie van het album, aan de hand van individuele nummers en achtergrondinformatie. Voor een muziekleek als ondergetekende is dit razend interessant: pardoes krijgt de naam The Doors (bekend van Riders on the Storm, The End en Light My Fire) een gezicht. De tragische geschiedenis van leadzanger Jim Morrison en diens literaire affiniteiten, het Los Angeles van de jaren zestig en bovenal de aanzienlijke diepgang van de albumthematiek: het leest vlot weg, het verbaast, het strooit met namen, het verrast, het maakt dat je als lezer geneigd bent alles vlug over te pennen (want je wil het allemaal onthouden!). En dat is de kracht van dit verbazingwekkend leuk stukje non-fictie: elke naam, elke korte opmerking fascineert.

    Bovenstaande wordt nog eens versterkt door de onvoorstelbaar grote kennis waarover beide auteurs beschikken. Natuurlijk, Mourits en Steinz hebben ieder een passie voor muziek, maar ze staan toch hoofdzakelijk als deskundige ‘literatuurlui’ bekend. Hoeveel albums worden in dit boek genoemd? Een stuk of tweehonderd? Meer? Hoe dan ook, het moge duidelijk zijn dat de heren zich er niet met een jantje-van-leiden van af hebben gemaakt, en dat hun voorstudie vele uurtjes kostelijk luistervermaak heeft behelst. En dit laatste komt ook sterk naar boven in Luisteren &cetera. Wat schrijven de auteurs met veel plezier! Natuurlijk, voor hen is het net zo’n (her)ontdekkingsreis als voor u. Steinz (1963) en Mourits (1969) waren kinderen ten tijde van de door hen besproken periode, en ongetwijfeld hebben zij toentertijd – zo nu en dan – wel eens wat van de grote popmuziek gehoord (zeker Steinz). En (daar komt de herkenningsvraag weer) u herkent toch ook die magische rillingen als u een liedje of deuntje uit uw kindertijd hoort? Oké, van enkele liedjes mogen we hopen dat de heren het in hun jonge, onschuldige jaren nog niet hebben gehoord (het Je t’aime… moi non plus van Jane Birkin en Serge Gainsbourg, of de Bohemian Rhapsody van Queen), maar het K3-kwartet uit de jaren zeventig (ABBA) zal hun toch zeker niet zijn ontgaan.

    Hier schuilt wellicht een pietluttig minpuntje: de auteurs spreken met zoveel inhoudelijke kennis en enthousiasme, dat de lezer het soms even teveel kan worden. De voor een leek toch wat obscure muziekgenres westcoastrock en southern rock worden niet uitgelegd (hoogstens in hun context besproken) en de technische uitweidingen in het hoofdstuk over Miles Davis’ Bitches Brew zijn toch wat te hoog gegrepen voor de gemiddelde lezer.

    Dit echter mag de (her)ontdekpret niet drukken. Luisteren &cetera is een bundel met (uitsluitend positieve) albumrecensies, die geen encyclopedische pretenties koestert (zo drukken de auteurs ons meermaals op het hart), maar die zich daarentegen ontpopt als dé menukaart van de popmuziek uit de jaren zeventig. Bevalt de plaat Born to Run van Bruce Springsteen u? Nou, dan moet u ook eens die proberen, en die, en die, en ga zo maar door. Een regenachtige zondagmiddag? Neem dit werkje te hand, nestel u achter de computer (of tover, voor de blessed few, de elpeeverzameling maar weer eens tevoorschijn) en begin uw (her)ontdekkingstocht. Om met ABBA te spreken: Mourits en Steinz, thank you for the music!

    Luisteren &cetera
    Het web van de popmuziek in de jaren zeventig

    Auteurs: Pieter Steinz en Bertram Mourits
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 19,95