• Ademloos luisterend en enthousiast applaudisserend publiek

     

    Na twee weken dagelijke literaire festiviteiten in Utrecht sloot ILFU op 5 oktober traditiegetrouw af met de Nacht van de Poëzie.



    Onder het motto van M. Vasalis, ‘Er is geen nacht oneindig en geen stilte stil’, traden 
    tijdens de 41ste Nacht van de Poëzie twintig Nederlandse en Vlaamse dichters op in Tivoli Vredenburg in Utrecht. Voordat de de Nacht begon dwaalden bezoekers vol verwachting door de immer onoverzichtelijke rondgangen. Eenmaal in de zaal aanbeland trekken grote schermen de aandacht, waarop geprojecteerde foto’s van dichters die tijdens eerdere Nachten hebben opgetreden. Het vervult de bezoeker met een zekere nostalgie en droefenis. Want oh, oh, oh, wat zijn er al veel van die gasten niet meer onder ons! Gerrit Komrij, Leo Vroman, F. Harmsen van Beek, Menno Wigman en ga zo maar door: allemaal dood.

    Het woord oorlog

    De brute actualiteit van de boze buitenwereld gaat aan de grote rode zaal vol poëzie in Utrecht niet voorbij. Zelden viel op een avond als deze zo vaak het woord ‘oorlog’. Terloops misschien – maar toch. Mahat Arab, Spoken Word Artist, geboren in Ethiopië en opgegroeid in Arnhem die vorig jaar de Nacht afsloot en traditiegetrouw de Nacht mag openen, brengt zijn taal en professie meteen in stelling met de zinsnede: ‘ik dacht dat poëzie verzet was’. Anna Enquist, grand old lady van de Nederlandse poëzie, wil volgens de aankondiging iets belangrijks zeggen met ‘gevonden voorwerpen’. De zaal luistert ademloos, applaudisseert enthousiast, en ook bij Enquist valt het woord: ‘Vrijheid heeft steeds nieuwe oorlog nodig’. Peter Verhelst (’een prijsbeest’) leest eveneens een oorlogsgedicht voor. Met Daan Doesborgh staat er een dichter op het podium die net zo goed performer is. Ook hij refereert aan oorlog (met water als inzet) en raakt het publiek met een ontroerend gedicht over een jong gestorven vriend: 

    ‘Spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan
     Bestaan in het volle licht van het bestaan’

    Bibi Dumon Tak was vereerd dat ze voor deelname aan de Nacht werd gevraagd. Ze had echter naar eigen zeggen zo weinig poëzie geschreven dat ze vreesde de toegemeten zeven minuten niet vol te krijgen – maar dat lukte prima. Haar voordracht liep over van aandacht en liefde voor dieren. Tamelijk onpoëtisch en zeer indringend nam de dichteres de zaal mee op sleeptouw in het kielzog van een transport per vrachtwagen van pasgeboren kalfjes. Honderden kilometers lang, kriskras door Europa. En een non-fictie prozafragment over evenhoevigen (wel de koe, niet de tapir) liet zich perfect poëtisch vertolken. 

    De lach, die toch kwam

    Ted van Lieshout spreekt het publiek direct aan als hij de denkbeeldige vraag verwoordt: ‘Ga je ons laten lachen? Nee.’ Waarna een aangrijpend gedicht volgt over zijn overleden jongere broer. De toehoorders krijgen geen tijd om het effect op zich te laten inwerken, want hoe pregnant Van Lieshout het publiek met dit gedicht ook benadert, hij doorbreekt de opgeroepen stemming door de voordracht direct te vervolgen met de verzuchting, ‘Erg hè?’. Waarna er alsnog genoeg is om hard om te lachen.

     

     

    Als immer tijdens de Nacht worden voordrachten van dichters afgewisseld met entr’acts. Deze zijn doorgaans van zeer hoog niveau. Zo kreeg theatermaker Steef de Jong het publiek op de banken met zijn hartveroverende presentaties: vernuftige kartonnen constructies, De Jongs performance en de verbeelding van de toeschouwers leidden tot een uitzinnig geheel. Hilarische slapstick, origineel en onweerstaanbaar: van een negentiende-eeuws operettefragment van Jacques Offenbach tot een optreden van Queen en een uitstapje naar de Oostenrijkse Alpen, waar Maria von Trapp de vreugde van muziek bezingt. Schijnbaar moeiteloos en opgewekt brengt Steef de Jong het in een dik kwartier allemaal voor het voetlicht.

     

     

    Heel anders van aard was de muziek van het Cello Octet Amsterdam. Deels ritmisch ‘monotoon’ en modernistisch, deels toegankelijk met een schitterende uitvoering van ‘Within you without you’ van The Beatles. Waarbij ‘When I’m 64’ de zaal zachtjes meezong.

    Geëngageerde poëzie  

    Ramsey Nasr dichtte en acteerde geëngageerd over Wilders en Rutte. En hoe een gedicht uit 2010 tegen de achtergrond van de actualiteit aan schrilheid heeft gewonnen. Met zijn opzwepende voordracht oogste Nasr een enorm applaus. En wat je voelde aankomen gebeurde inderdaad: Nasr citeerde de regels van Vasalis die het motto zijn van deze Nacht en vervolgde geëmotioneerd: ‘Lang leve Palestina’. Maarten Inghels probeert naar eigen zeggen al twintig jaar te stoppen met schrijven. Gelukkig slaagde hij daar niet in – en blijkens zijn website doet hij bovendien nog veel meer. Zijn voorstel voor een voetbalwedstijd tussen tweemaal elf bomen (een team inheemse, een team uitheemse bomen), die in de loop van honderd jaar ‘naar elkaar toe groeien’ was een verbluffend staaltje van de grenzeloos rekbare mogelijkheden van de poëzie. Roan Kasanmonadi – schrijver, danser, psychiater in opleiding – demonstreerde aanstekelijk en overtuigend dat de wijze waarop games zijn gestructureerd, ook een prima kapstok kunnen zijn voor gedichten.    

    Soms ongemakkelijk, immer poëtisch

    De  entr’acte van Brilhang, rapper uit Knokke-Heist, paste met zijn prachtige teksten, uitgevoerd in het West-Vlaams en indringend begeleid op een synthesizer naadloos tussen de andere poëtische voordrachten. Veel dichters vertolkten gedragen lange teksten, bezwerend, verhalend, soms sprookjesachtig, soms ongemakkelijk, immer poëtisch. De finale entr’acte van de Nacht behelsde een muzikaal spektakel opgevoerd door een ensemble bestaande uit negen vrouwen dan wel non binaire bandleden. Veel bezoekers waren al vertrokken maar de blijvers hadden gelijk en dansten de vermoeidheid uit hun ledematen. En konden zo om kwart voor drie nog aandachtig luisteren naar de laatste dichter, Yentl van Stokkum, die traditiegetrouw volgend jaar de 42e Nacht mag openen.

    Buiten de zaal was er gedurende de hele Nacht de roezige dynamiek van boekverkoop, stands van poëzie-uitgevers, tijdschriften als Vooys en Awater, signeersessies. Wie wilde kon terecht in een literaire tattooshop of naar een poëzie apotheek.
    ‘Wat goed dat dit bestaat!’, begon dichter Bernard Wesseling zijn voordracht. Daaraan hoeft niets meer te worden toegevoegd.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Vlaamse boekenkast

    Vlaamse boekenkast

    De tomatenplanten voor het raam aan de tuinkant worden ondersteund door een stok en rechtgetrokken door een touw, bovenaan een lat omhoogehouden. Zo blijven ze fier rechtop. Ik wil ook een stok om rechtop te kunnen blijven. Na een weekend Antwerpen, het reizen in overvolle treinen, trilt het hart, spreek ik met raspende stem. Daartegenover klinkt het zachte Vlaams nog in me door, de ongewone zinsopbouw, gebruik van werkwoordsvormen. Terwijl ik bedachtzaam de trap opga, (onregelmatig bonkt het hart), denk ik, ‘niet panikeren!, niet panikeren!’ Een gevleugelde uitspraak van een van onze lieve vriendinnen waar we dit weekend logeerden, is ‘Nu. nie. panikeren hé!!!’ Uitgesproken op bezwerende toon tegen haar vrouw, of haar kinderen. Waarbij ze beide handen tot schouderhoogte opgetrokken, bezwerend naar beneden brengt. Meestal wordt er dan eerst nog wat gepanikeerd, waarna alles rustig wordt. Wij genieten daarvan, de passie die daarin zit. Maar vooruit, eerst ga ik de werkkamer dweilen. Er komt een nieuwe tafel, een statafel, door Mijn lief gezaagd en getimmerd, om het verderfelijke zitten, (het nieuwe roken, is het niet?) te vermijden. 

    Het was nieuws deze week, dat omwonenden die blootgesteld zijn aan het ultrafijnstof veroorzaakt door de bedrijvigheid op Schiphol, een vergrote kans op hart- en vaatziekten hebben, dood door hartfibrilleren werd met name genoemd. Ik dacht, ultrafijnstof is in alle steden, we hebben ermee te doen. Laat me denken aan toen ik door Antwerpen fietste, ik me opeens afvroeg of de inhoud van een Belgische boekenkast veel verschilt van een Nederlandse. En ja, natuurlijk doet ie dat, in het huis van onze vriendinnen stonden hoofdzakelijk Vlaamse auteurs: Dimitri Verhulst, Annelies Verbeke, Saskia De Coster, Hugo Claus, Peter Verhelst, Lieve Joris, Lize Spit (zonder een spoor van Van Essen), Louis Paul Boon. Voor het slapen nam ik Voor het vergeten van Verhelst uit de kast, over het sterven van zijn moeder aan een hartaneurysma. Wat een teder boek, een moeder te willen behouden door over haar te schrijven.

    Fragmenten die tot de verbeelding spreken. Verhelst beschrijft hoe de vader thee zet in de keuken, een broodje erbij, dit mee naar boven neemt. Onderwijl loopt zijn vrouw, de moeder van Verhelst, van de badkamer naar de slaapkamer. Traag is haar gang, ze beroert met haar hand de witte blouse die over de balustrade gedrapeerd ligt. Of, zo wil de schrijver het, dat zij haar witte blouse, waarin ze de avond tevoren gekleed ging voor een feestje, licht beroert, een zwevend afscheid. Ze zegt dat ze nog ‘even’ gaat liggen (dat ‘even’ is funest). Op dat punt, (wetende dat zij sterven zal aan een bloedend hart) wil ik roepen, ‘ga niet liggen, blijf wakker, maak de symptomen zichtbaar’. Maar ach, wat weet ik ervan, enkel dat ik niet ga liggen als mijn hart tekeer gaat. Vermoedend dat de dingen die de dood tot gevolg hebben dan zijn beloop zullen krijgen. De vader belt hem op, ‘Ik denk dat ma aan het doodgaan is’. Mijn hart klopt, niet panikeren, wring de dweil uit, schuif de hoge tafel naar binnen. Schrijf op een archiefkaartje, vergeet Verhelst niet, schaf dat boek aan. Denk aan scheurende aderen, dat dat zomaar kan.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ziet graag andermans boekenkast.

  • Verhelst voert metaforiek tot het uiterste door

    Verhelst voert metaforiek tot het uiterste door

    Op de titelloze voorkant van de nieuwe bundel Zon van de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) spreekt de afbeelding voor zichzelf. Wat volgt is een lijvige bundel waarin het ene na het andere sterke beeld wordt opgeroepen. Zon is Verhelsts eerste volwaardige bundel na de verzamelbundel Koor waarin hij zijn gedichten herschikte en aanpaste. In de tussentijd verscheen ter gelegenheid van de poëzieweek het geschenk Wat ons had kunnen zijn. Zeven van deze tien gedichten komen in Zon in licht gewijzigde vorm en onder andere titels voor, waaruit opnieuw blijkt hoe soepel Verhelst zijn materiaal recyclet. De bundel heeft een strakke compositie en telt acht delen waarin de zon als metafoor centraal staat. Tussen de delen staan vijf losse gedichten onder de titel ‘Sun Arise’, genummerd 1 t/m 5. Deze zijn elk voorzien van een motto dat ontleend is aan een lied van zanger Phosphorescent; bij elk gedicht verschijnen van de songtekst volgende regels.

    Het is interessant te zien hoe het openingsgedicht ‘Wachten op Godot 1 (Samuel Beckett)’ uit Wat ons had kunnen zijn is omgebouwd tot het eerste ‘Sun Arise’- gedicht. Met een paar minieme aanpassingen gaat het niet langer over toneel (het thema van het poëziegeschenk), maar past het naadloos in de nieuwe bundel. Er wordt niet meer gewacht op ‘jullie’, de nadruk ligt nu geheel op de ‘ik’. Diens verlangen heeft daardoor een (nog) meer existentiële lading gekregen. Verhelst brengt verlangen en eenzaamheid tot mythische proporties door de zon en de zee tot decor van zijn gedichten te maken. 

    Jeugdherinneringen

    In de eerste afdeling ‘Marines’ bevinden we ons aan de kust. Het wordt meteen duidelijk dat het om jeugdherinneringen gaat:

    ‘Juichend renden we de trap op,
     stonden voorovergebogen met ellebogen op de knieën
     te hijgen op het dak, hesen ons op
     de reling, gehurkt tegen de wind in
     kwamen we overeind, spreidden de armen
     om de wereld te redden.’

    De herinneringen zijn scherp, maar lijken ook onwerkelijk: ‘Er moet toch iemand zijn/die ons op het dak zag staan.’ Het leven was nog puur: ‘We hadden nog niemand zien sterven toen’. Waarna het al snel om verlies gaat: ‘Nog altijd/vraag ik me af waar alles wat we niet kregen uiteindelijk is gebleven’. 

    Stille herinneringen

    In de gedichten gaat het vaak om een ‘ik’ en een ‘jij’. Er is sprake van (mogelijk) gemis. De ander wordt soms gezien in een soort droom, zodat elke logica ontbreekt. Zo kan het perspectief voortdurend wisselen: ‘Ik sliep toen je de kamer uitging/Je liep de pier op met je koffer,/maar ik sliep niet meer toen je de kamer uitging/ […] / Toen je niet op de boot stapte,/keek je evenmin over je schouder,/ging je de kamer binnen/waar je naast me lag te dromen/dat je van de boot stapte – is er dan toch een overkant?’ Er worden herinneringen opgehaald aan gelukkiger tijden vol gelukzalige beelden: ‘Herinner je je die bocht waar de platanen als bleekgroene gipsen armen/Ieder apart reden we de hele dag om elkaar in de velden te omhelzen.’ Vaak is er een verlangen naar de ‘thuiskomst’ van de ander, die met veel verbeeldingskracht wordt opgeroepen. Een andere keer dringt de herinnering zich spontaan op: ‘Blijf nu maar weg, dacht ik, je was er al zo lang niet meer, maar/door een gat in de tijd spring je mijn leven weer in’. De ander verschijnt op een sterk zintuiglijke en lichamelijke manier, waardoor die nog meer aanwezig lijkt:

    ‘Laten we naar bed gaan en niet praten. Ik zal de stilte
     in je oogleden wrijven, in de kam van je neus, je hals,
     je borst, je navel, je geslacht, je voetzolen. Zoals toen
     je arm achter je hoofd.

    Soms heb je het gevoel dat je naar huis wil,
    maar je bent al thuis.’

    Veelkleurigheid

    Verhelsts stijl is zeer lyrisch. Hij schildert de meest fantastische beelden in soepel lopende regels:

    ‘Met brood in mijn handen rende ik de branding in tot ik de bodem
     niet langer voelde, trappelend hield ik het brood voor me uit dat zich volzoog
     en in vlokken uiteenviel toen duizenden visjes uit het niets,
     traag wentelende diamanten helix om me heen,
     het brood tussen mijn vingers uit pikten.’

    De gedichten zijn net zo veelkleurig als de zonneschijn: beschreven worden het oranje of de ‘helrode wolken’ van de avondschemering tot ‘een ochtend met lila strepen’. Opgeteld levert dat hele prisma van kleuren wit op: de zon is ogenschijnlijk monochroom: ‘éénkleurmonoliet, fel licht, ijswit’. Je zou het kunnen zien als je in de zon kon kijken. Verhelst speelt met alle mogelijke betekenissen en symboliek: het verlangen naar eenheid, het uiteenvallen van het leven in vele facetten. Dan bestaat er ook nog zoiets als een zonsverduistering: de dichter wijdt er een hele afdeling gedichten aan. De zon is een dankbare metafoor.

    Het is geweldig hoever Verhelst de metaforiek doorzet: de zon is als  de bemaande kop van een leeuw, die weer op een zonnebloem lijkt. Hij laat al die beelden in elkaar overgaan tot ze uiteindelijk in hemzelf samenvloeien. 

    ‘Als een zonnebloem een leeuw is
     op een stengel, stug, ruw behaard,
     de manen felgeel,

     en een leeuw een zon is op vier poten
     met stekelige corona, grillig plasma,
     uitslaande vlammen,

     laat die leeuw dan in mij plaatsnemen,
     eerst leunend op de voorpoten, gehurkt,
     en dan plots overeind, stokstijf.’

    Strategie

    De leeuw heeft ook een negatieve connotatie. Verhelst verwerkt hiervoor onder andere een fabel van De La Fontaine: De wolf en het lam, waarin de wolf verandert in een leeuw en het lam in een schaap. De moraal is dat de sterke altijd van de zwakke wint en alle rede hiervoor moet wijken. De stap naar rechts-populistische politici is dan snel gemaakt. Verhelst bouwt gedichten op uit citaten van N-Va politici Bart De Wever en Theo Francken (oud-staatssecretaris voor Asiel en Migratie) en van Thierry Baudet. Zelf vat de dichter hun cynische, xenofobe boodschap samen in het gedicht ‘STRATEGIE 3 – ontmenselijkt – beleg in angst als kapitaal’, waarin het gaat om ‘wij’ en ‘zij’:

    ‘Als de zij-vos niet te allen tijde bang van is van ons, bestaat de kans dat de zij-vos
     moet worden gevangen omdat hij niet langer voor zijn eigen eten kan zorgen.
     Geef de zij-vos daarom nooit eten, het dier wordt er niet door geholpen.

     Voorzie elke week een ramp. Ontferm je telkens als eerste over het puin.
     Bouw prachtige angstfabrieken. Voer angst in als munteenheid.’

    Het is een verrassende wending in de bundel, die een geheel nieuw thema aanroert, maar door de beeldspraak in dezelfde sfeer blijft. Het laatste gedicht (‘Sun arise! 5’) verwijst naar een demonstratie in Kiev in 2013 waar een jongen oog in oog met de oproerpolitie piano speelde. Het laat zien dat muziek, kunst, en poëzie ons kunnen samenbrengen. Het belangrijkste gevoel dat na lezing van Zon overblijft, is die van hoop.

     

     

  • Oogst week 50 -2019

    Zon

    ‘Als ik in het donker wacht
    houd ik een zakdoek aan mijn mond
    om mij ervan te vergewissen dat ik bloed
    want enkel wie kan bloeden kan ook dromen.’

    Het zijn de eerste regels van het openingsgedicht van Peter Verhelst in zijn nieuwe bundel Zon. Verhelst heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan aan poëzie, proza en theaterteksten en kijkt thuis uit op een indrukwekkende prijzenkast. Zon gaat over begeerte, eenzaamheid en verlies in apocalyptische tijden: ‘De zon is prachtig en mededogenloos’, zei hij in een interview op de Belgische radio, waaraan hij zijn kwaadheid toevoegde over de klimaatconferentie in Madrid: ‘ik probeer boven mijn kotsgeluid uit te komen (…) Mijn woede wordt te groot’. Een woede die in Zon meeklinkt als Verhelst bijvoorbeeld teksten van Bart de Wever verwerkt.

    Zon
    Auteur: Peter Verhelst
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    Het gewicht van de woorden

    De Zwitserse filosoof Peter Bieri schrijft romans onder het pseudoniem Pascal Mercier. Zijn Nachttrein naar Lissabon uit 2004 was zijn definitieve doorbraak in Nederland. Het werd in 2013 verfilmd en een jaar later liep in Nederland een theaterproductie naar de roman. Geeft de 57-jarige Gregorius in Nachttrein plotseling zijn oude leven in Bern op om in Portugal het leven van de arts Prado te onderzoeken, in zijn nieuwste roman Het gewicht van de woorden lijkt de inzet vergelijkbaar. Nu gaat het om de zestiger Simon Leyland die nog maar kort te leven heeft en besluit zijn uitgeverij in Triëst achter te laten om terug te gaan naar Londen waar hij in de vroegere brieven aan zijn vrouw duikt. De roman begint met een motto van de Portugese schrijver Pedro Vasco de Almeida Prado (een ander dan de fictieve Prado uit Nachttrein): ‘…als je de juiste woorden vindt, is het alsof je wakker wordt bij jezelf, er ontstaat een nieuwe tijd: het heden van de poëzie’.

    Het gewicht van de woorden
    Auteur: Pascal Mercier
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De Warnow

    Een man, een schip, een droom is de veelzeggende ondertitel van De Warnow. NRC-journalist Hans Steketee deed in 2013 in zijn krant verslag van de zoektocht naar een gammele loodsboot waarop schipper Arnoud Brinkman met onder andere zijn vriendin Tirza via Schotland naar Noorwegen was vertrokken om daar het Noorderlicht te zien. Ze werden in een storm nog maar net gered. Er ontstonden felle discussies die er toe leidden dat een aantal opvarenden aan wal ging. Maar Brinkman besloot door te gaan. Zijn schip raakte vermist.
    Steketee besloot dieper in het leven van de schipper te duiken in een mengeling van verbazing over diens roekeloosheid en bewondering voor de overgave aan avontuur en kameraadschap. De Warnow is een spannend verslag geworden van een onderzoek naar wie Brinkman was en naar wat er gebeurd kan zijn met zijn boot.

    De Warnow
    Auteur: Hans Steketee
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Oogst week 47 (2018)

    Zijnsvariaties. Verbovelden

    Gelijktijdig met de uitreiking van de eerste Sybren Poletprijs, -een oeuvreprijs van een Nederlandstalige auteur die schrijft in de geest van Polets werk– is vorige week de bundel Zijnsvariaties Verbovelden van Sybren Polet verschenen.

    Zijnsvariaties Verbovelden is een bundel die is samengesteld uit handgeschreven versies van voltooide gedichten die postuum gevonden werden en nog niet eerder gepubliceerd zijn. Als eerbetoon aan de dichter geven de Polet-Stichting en Uitgeverij Wereldbibliotheek deze bundel uit met facsimiles van het handschrift en de door Elice de Gier en Laurens Ham bezorgde tekst.

    Vorige week, op 18 november 2018, werd de Sybren Poletprijs 2018 uitgereikt aan dichter, roman- en theaterschrijver Peter Verhelst. Vanaf nu wordt de prijs elke drie jaar uitgereikt.

    Polet zelf zou blij geweest zijn met deze winnaar. De jury haalt in het juryrapport zìjn woorden die hij over het werk van Verhelst schreef in Crito, ik ben de literatuur nog een haan schuldig, een bundel notities uit 1986:

    open of opengewerkte structuren als uitvalbases naar zich uitdijende periferieën, permanente overschrijdingen van eerder, door anderen of zelf gestelde, grenzen, het ontkennen van te centralistische uitgangspunten via middelpuntvliedende constellaties nadát – vaak tevergeefs – een centrum gezocht werd of centra werden ontworpen.’

     

    Zijnsvariaties. Verbovelden
    Auteur: Sybren Polet
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek (2018)

    Wat doen wij hier?

    De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson (1943) zal op 15 december 2018 de openinglezing houden op de Nexus-conferentie ‘The Battle Between Good and Evil’.

    Robinson, filosoof, theoloog en professor Creative writing en bekend van o.a. van de romans Gilead, Thuis en Lila, wordt als een van de meest toonaangevende religieuze denkers van onze tijd beschouwd.

    Haar meest recente boek is Wat doen wij hier? ‘In een roerige tijd waarin we volgens Marilynne Robinson tussen links en rechts heen en weer worden gesleurd in een draaikolk, vraagt ze zich af wat het betekent om mens te zijn.
    Dankzij haar kennis van theologie, geschiedenis en literatuur brengt zij een verloren verleden in verband met het heden, en schenkt zij aandacht aan grote levensvragen als: waarom bestaan wij, hoe moeten wij leven? In prachtig proza pleit ze voor het omarmen van de ideeën van grote denkers, en reflecteert ze op het hedendaagse politieke klimaat en op geweten, geloof, geluk, liefde, schoonheid en wat het betekent om te leven.’

     

    Wat doen wij hier?
    Auteur: Marilynne Robinson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2018)

    De wereld als leugen

    Paul Gellings vertelt op zijn website waar zijn nieuwe boek De wereld als leugen over gaat:

    ‘Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshowpresentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen. Volgt een spel van aanhalen en afstoten en uiteindelijk een wonderlijke biografie die Myra’s woede wekt en Milan zelfs op niet mis te verstane bedreigingen komt te staan. Hij beseft dat er in zijn geval geen scheidslijn meer loopt tussen bovenwereld en onderwereld en dat hij een passend antwoord moet zien te vinden op zijn netelige situatie.
    Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Met name schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak. Tijl is een soort grote broer, een mentor, die Milan geregeld aan het denken zet en hem ook probeert te behoeden voor het wespennest waarin Milan zich heeft gestoken door zich met iemand als Myra Melchior in te laten.
    Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden…’

    De wereld als leugen
    Auteur: Paul Gellings
    Uitgeverij: Uitgeverij Passage (2018)

    Revisor 21

    Tot slot aandacht voor Revisor nummer 21, waarin nieuw werk is verschenen van Alejandra Costamagna, Elisabeth Tonnard, Gilles van der Loo, Jens Meijen, Victor Frölke, Merel van Slobbe, Jilt Jorritsma, Han van der Vegt, Nikki Giovanni, Mathijs Deen, Miek Zwamborn, Roman Helinski en Marieke Lucas Rijneveld.

    Revisor 21
    Auteur: Revisor
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Voor de Poëzieweek 2018 schreef Peter Verhelst het Poëziegeschenk

    De Vlaamse dichter, romancier en regisseur Peter Verhelst (1962) schreef het Poëziegeschenk 2018, dat bij de aankoop van een dichtbundel van 12,50 euro, als geschenk wordt meegegeven bij de boekhandel. Het thema is Theater en het motto is ‘Uitstromend, in het pluche van de zaal’. Hier ziet u hem tijdens de nacht van de Poëzie 2015

  • Oeuvre van dertig jaar in een bloemlezing

    Oeuvre van dertig jaar in een bloemlezing

    Peter Verhelst (1962) is sinds zijn debuut Obsidiaan  (1987) een ongrijpbare dichter gebleven. Mogelijk heeft dit te maken met de onvatbare thema’s die de Vlaming tot zijn voornaamste ammunitie heeft gemaakt: verlangen, herinnering, een drang tot behouden dan wel vernietigen – en dat alles uitgedrukt in een non-duaal spectrum, waarin de scheidslijnen tussen het lichamelijke en geestelijke fluïde of geheel afwezig zijn.

    Koor bevat ruim 120 gedichten verzameld uit iedere bundel en uit ongepubliceerd werk van Verhelst en sluit af met een nawoord van Stefan Hertmans. De titel verwijst naar de over de bundels Master (1992) en Zoo van het Denken (2008) verspreide dichtcyclus ‘Koor’, maar roept tijdens het lezen gaandeweg steeds meer associaties op met het koor uit de Griekse treur- en blijspelen. Dat analyseerde en reageerde vaak op de gebeurtenissen en handelingen van de hoofdrolspelers, zonder dat zij hier in al haar buitenstaanderswijsheid enige invloed op had.

    Voor een oeuvre dat zich over een periode van dertig jaar uitstrekt, zijn de thema’s en stijl in de bloemlezing relatief uniform en constant. De auteur richt zich onder meer op de paradoxale natuur van het herinneren en vergeten, waarbij een drang tot behouden dan wel wegdrukken van gedane zaken domineren. De personen in de gedichten staan hier vaak machteloos tegenover – en moeten toezien dat dierbare momenten hen ontvlieden en dat het veranderende heden ook hun verleden niet onaangeroerd raakt. In andere woorden: het veranderen van wie je bent transformeert ook wie je was, want de herinnering blijft niet constant maar verandert mee .

    Een voorbeeld vinden we in ‘Tegen het vergeten’, waarin staat: ‘Laten we elkaar zo herinneren / voor de herinneringen dingen met ons doen.’ en dat eindigt met ‘De echo van je zucht. / De echo van de echo van je zucht.’ Of in tegenhanger ‘Voor het vergeten’:

    ‘Zolang we niet vergeten, gaat niets verloren. /
    Laten we dus vergeten, maar alleen /
    zoals we door te praten iets uiterst traag kunnen laten verdwijnen’.

    Dit lijken onstoffelijke onderwerpen, maar lichaam en geest zijn één in het non-duale werk van Verhelst. Dat geeft zijn poëzie op het eerste oog een overheersend fysiek karakter: het gaat veel om lichamen (het ‘mijne’, het ‘jouwe’) waar dingen langs- of afglijden en die bergen bestijgen of in het water afdalen. Wanneer de lezer de woorden op zich laat inwerken, ontwaart hij uiteindelijk een complete belevingswereld in deze lijvenactie. Dat effect is wat Verhelsts werk zo krachtig en uniek maakt. Uit ‘Wiener Sängerknab’:

    ‘Ik heb nooit om liefde gevraagd. /
    Ik stond toch aan de verkeerde kant /
    je rug in porties radeloosheid te versnijden. […]
    Aan jou heb ik zoveel te danken. /
    Braamkleurigheid van mijn lippen. Een met doornen omkranst hart. /
    Een uit rozen gevlochten kroon.’

    De kernthema’s die Verhelst in drie decennia tijd tot zijn kracht gemaakt heeft, zijn tegelijkertijd soms een valkuil. De onderwerpen en sfeer zijn zo eensluidend dat zij door de vele herhaling sleets en monotoon kunnen worden. Dit effect wordt versterkt doordat Verhelst enkele favoriete termen veelvuldig recyclet. Zo komen we meerdere malen ‘fosforescerend’, ‘ijsvogels’, ‘matador’, ‘rozen keren terug’ en vooral ‘hoofd in de nek’ tegen.

    Die dreigende eentonigheid is zonde, omdat Verhelsts antropologische observaties juist zo spitsvondig en diepgaand zijn. Het vergt een zekere inspanning van de lezer om die analyses volledig te ontleden. Beter  is dan ook  de bloemlezing niet in één ruk uit te lezen, maar gefaseerd in te nemen.

    Hoewel Verhelst zelf absent is in zijn gedichten (de ‘ik’ en ‘wij’ in sommige teksten zijn niet noodzakelijk synoniem voor de auteur), is er een hoofdrol weggelegd voor de blik van de schrijver. De wijze waarop Verhelst minutieuze bewegingen observeert en in detail beschrijft, om hier beelden uit te destilleren die voor veel grotere zaken staan, bieden originele en verfrissende perspectieven op het (schijnbaar) alledaagse. De tot zijn eigen ergernis vaak voor postmodernist uitgemaakte auteur is bekend van zijn uitspraak uit het gelijk getitelde essay ‘Op engagement zul je mij niet betrappen’. Dat blijkt grotendeels bewaarheid in Koor, waarin hij niet zozeer naar de wereld verwijst als er wel zelf één schept. Verhelst deelt zijn unieke kijk op het menselijke denken en handelen. Dat uit zich in regels als ‘soms / luisteren we aan termietenheuvels om niet alleen te hoeven zijn.’ en ‘Jarenlang heb ik op u gewacht / Alles heb ik gedaan om u te negeren.’

    In de bundel zijn naast losse gedichten ook enkele dichtcycli verzameld, die vaak iets directer en minder mystiek van aard zijn. Zoals in ‘Blijf’, waar Verhelst onomfloerst schrijft: ‘Het is zo moeilijk je tedere dingen op een tedere manier te herinneren’. Minder diep zijn deze werken allerminst, de emotie en betekenislagen lijken er zelfs tastbaarder. Vaak is er een “jojo-leeservaring” nodig om de cycli en veel losse gedichten volledig te interpreteren, omdat een onverwachte wending aan het einde van een gedicht ineens het even daarvoor gelezene een totaal andere of extra betekenis geeft. Zoals in het gedicht ‘Vaas’, dat pas bij de laatste regel ineens over zelfmoord blijkt te gaan.

    Koor kan  taaie kost zijn, maar dat moet vooral een aanmoediging zijn. De sfeer in alle gedichten is zwaar en mystiek; de strenge Verhelst maakt op dit vlak geen uitzonderingen. Maar wie alle lagen van de lichamelijke metaforen ontrafelt, kan rekenen op een flinke esthetische beloning en onvoorziene nieuwe inzichten. Koor is zeker een aanrader voor lezers die duistere en ernstige poëzie – die je wereldbeeld opschudden – niet schuwen.

     

     

  • Record aantal dichtbundels verkocht tijdens 5e Poëzieweek

    Record aantal dichtbundels verkocht tijdens 5e Poëzieweek

    Kijk, dat is mooi nieuws. De Poëzieweek vierde dit jaar haar eerste lustrum en tijdens deze week werden er meer dichtbundels (11 %) verkocht dan tijdens een gewone week.  Stapjes in de goede richting, waarmee gezegd wil zijn dat het doel van De Poëzieweek: ‘poëzie bekender maken bij een breder publiek’ in vijf jaar tijd zijn werk begint te doen. Poëzie zal het land stukje bij beetje veroveren en zoals Dichteres des Vaderlands Ester Naomi Perquin de optimistische woorden uitsprak bij de aanvaarding van haar functie: ‘Deze dag zal de geschiedenis in gaan als de dag waarop het volk weer de lezer van poëzie werd,’ Hoop doet leven en poëzie hoopt op nog meer lezers van poëzie.

    Best verkochte bundels
    Op de lijst van best verkochte dichtbundels in die week staat Peter Verhelst met Koor (Bezige Bij) in Vlaanderen op de eerste plaats. Tim Hofman met de Gedichten van de broer van Roos (Meulenhoff) is de best verkochte poëziebundels in Nederland. Het Poëziegeschenk door Jules Deelder, Rotterdamse kost verscheen in de grootste oplage ooit, 17.000 exemplaren.

    Op de tweede plaats van best verkochte bundels staat de nieuwe ‘dikke Komrij’ van Ilja Leonard Pfeijffer, De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten (Prometheus), gevolgd door Nachtroer (De Arbeiderspers), van Charlotte Van den Broeckde. Op de vierde plaats (waarmee Verhelst twee plaatsen inneemt op dit lijstje) staat Zing zing (Prometheus) van Peter Verhelst, de bundel waarmee hij de Herman de Coninckprijs 2017 in de wacht sleepte.

    Zie hier een overzicht van de activiteiten die tijdens de Poëzieweek plaatsvonden.

    Volgend jaar wordt de Poëzieweek gehouden van 24 januari t/m 31 januari 2018.

     

     

  • Terugblik op de Poëzieweek

    Terugblik op de Poëzieweek

    Lees je de tijd af in gedichten dan kom je tot de ontdekking dat ze sneller verglijdt wanneer ze in poëzie wordt gevat. Anders gezegd; poëzie verheft het gerammel aan normen en waarden en Beruhigt de wereld tot een aantal overzichtelijk opgestelde strofen.

    In de loop van de voorbije Poëzieweek  (26 jan. t/m 1 febr.), gaf Dichter Des Vaderlands Anne Vegter het poëziestokje door aan Ester Naomi Perquin, werden de winnaars van verschillende poëzieprijzen bekend gemaakt, won Else Kemps het jaarlijks Nederlands Kampioenschap Poetry Slam en werd de Turing Gedichtenwedstrijd gewonnen door Dorien de Wit. En niet te vergeten, kreeg iedereen die in de poëzieweek een gedichtenbundel kocht, het poëziegeschenk   – Rotterdamse kost, geschreven door Jules Deelder – cadeau.

     

    Herman de Coninck Prijs en VSB Poëzieprijs
    9789044629699-cover--178
    Tijdens Gedichtendag (do. 26 januari) werd bekend gemaakt dat Peter Verhelst de Herman de Coninckprijs gewonnen heeft met zijn bundel: Zing zing. Ook won hij de publieksprijs voor het mooiste gedicht ‘Als je geen contact meer hebt met de dingen’. Het gedicht verscheen op de Gedichtendagposter.
    Voor deze prijs komen oorspronkelijk Nederlandstalige bundels van Vlaamse auteurs in aanmerking. Een uitzondering wordt gemaakt voor buitenlandse auteurs die in het Nederlands schrijven en die een bijzondere band  hebben met Vlaanderen. Aan de prijs is een bedrag van 6.000 euro verbonden.

     

    Ibinsbergenn Groningen werd de VSB Poëzieprijs uitgereikt aan Hannah van Binsbergen voor haar bundel Kwaad gesternte. De jury is van mening dat: “Niets aan Kwaad gesternte verraadt dat het een debuutbundel is, of het moet nu juist de onbevangenheid zijn waarmee de dichteres haar lezers tegemoet treedt, niet gehinderd door de last van de verwachtingen.”
    De VSB Poëzieprijs is dé jaarlijks prijs voor Nederlandstalige poëzie en de winnaar ontvangt een bedrag van 25.000 euro.

     

    NK Poetry Slam 2017 in Utrecht
    Vrijdag 27 januari vond de finale van het Nederlands Kamioenschap Poetry Slam plaats. In Utrecht streefde Else Kemps de zeven andere deelnemers met verve voorbij en werd winnaar van de 15e editie. Hoewel de jury unaniem koos voor het sterke performerschap van Gijs ter Haar, koos het publiek (die uiteindelijk de beslissende stem heeft), in de finalebattle voor de sterke teksten van Else Kemps. Vorig jaar was Kemps een ijzersterke tweede op het NK en winnaar van de Turing Gedichtenwedstrijd 2016. Hierna gaat ze Nederland vertegenwoordigen op het EK Poetry Slam in Ierland en het WK in Parijs.


    Dichter Des Vaderlands in Rotterdam
    Het mooiste nieuws in die week was natuurlijk dat Ester Naomi Perquin gekozen was tot Dichter Des Vaderlands voor de komende twee jaar.
    Poëzie als middel tot communicatie, was de inzet van scheidende Dichter Des Vaderlands Anne Vegter. Het instrument om poëzie te begrijpen is de lezer zelf; ‘Gedichten gaan in principe altijd over de wereld om je heen en jij bent het middelpunt’, aldus de dichteres in een gesprek op Radio 1. Vegter ontdekte tijdens de vier jaar in haar functie als DDV, dat het een uitdaging is  iets in gang te zetten met poëzie. Op haar laatste dag als Dichter Des Vaderlands presenteerde Vegter de website HALLO GEDICHT!, waar een keur aan gedichten uit de moderne Nederlandstalige poëzie voor elke geïnteresseerde lezer toegankelijk wordt gemaakt.
    Ook laat ze een mooie bundel na: Wat helpt is een wonder: gedichten van de Dichter des Vaderlands 2013-1017. Deze zijn ook te vinden op Dichter des Vaderlands.

     

    Persfoto_Ester_Naomi_Perquin_door_Lenny_Oosterwijk_LowResMet blijdschap en opgewekt gemoed werd de nieuwe Dichter Des Vaderlands, Ester Naomi Perquin, ontvangen. Perquin die bij het horen van haar verkiezing op geheel Perquiniaanse wijze zei, “Het was nooit in mij opgekomen dat ik zoiets zou kunnen ambiëren.’ aanvaarde de functie.
    Perquin stapte haar nieuwe ambt binnen met een toespraak die gestoeld leek op een andere spreker die voor zijn vaderland spreekt in termen als: ‘We geven de poëzie terug aan het volk. Deze dag zal de geschiedenis in gaan als de dag waarop het volk weer de lezer van poëzie werd. U kwam met duizenden om onderdeel te worden van een historische beweging. Gevangen in doorzonwoningen zonder boekenkast zullen we u bevrijden. De poëtische slachting stopt hier en nu. Drukkerijen en bibliotheken sloten, dat is het verleden. We kijken alleen nog naar de toekomst. Vanaf vandaag wordt ons land geregeerd door  een nieuwe visie, vanaf vandaag is het poëzie eerst. Poëzie op de eerste plaats. We zullen onze sonnetten terugbrengen… we zullen onze burgers uit de chicklit halen en gedichten bezorgen.We zullen onze dromen terugbrengen. En we zullen ons aan twee simpele regels houden: Koop dichters, en boek dichters. Samen zullen we de poëzie weer sterk maken. En ja, samen zullen we de poëzie weer groots maken.’

     

    Turing Gedichtenwedstrijd en Awater Poëzieprijs
    De prijsuitreiking van de Turing Gedichtenwedstrijd vormt de afsluiting van de Poëzieweek. Aan de wedstrijd deden dit jaar 2572 dichters uit Nederland en België mee. Zij stuurden samen 7815 gedichten in. Dorien de Wit won uiteindelijk de hoofdprijs van 10.000 euro voor haar gedicht ‘Legenda’.
    Volgens de jury bestaan er geen criteria waarmee vast te stellen is wat goed is in een gedicht. “Literaire kwaliteit kun je niet afvinken. Oplagecijfers kan je bijhouden, dichtersoptredens kun je turven, maar kwaliteit is iets wat je ervaart.”

    Tijdens de uitreiking van de Turing gedichtenwedstrijd werd tevens bekend gemaakt dat Eva Gerlach de Awater Poëzieprijs gewonnen  heeft met haar bundel Ontsnappingen. Aan deze jaarlijkse prijs van poëzietijdschrijft Awater is een bedrag van 500 euro verbonden. De winnaar werd gekozen door negenentwintig beroepslezers die een top 3 van de dichtbundels maakten die in 2016 zijn uitgekomen.

     

    Foto Ester Naomi Perquin: Lenny Oosterwijk

     

     

     

  • Nacht van de Poëzie wederom met vele hoogtepunten

    In de door blauwe en roze lampen verlichte zaal van Tivoli/Vredenburg, opende Maarten van der Graaff, die vorig jaar de nacht afsloot, de Nacht van de Poëzie met een stevige aftrap en meer als een Angry Youg Man die blijkbaar ook in hem huist. Waarna presentator Piet Piryns: ‘de romaticus van het abattoir’, Luuk Gruwez aankondigde die voordroeg uit zijn bundel Moeders. En hier begon het dat men het applaudisseren tussen de gedichten door, al niet laten kon. Was het bewondering of waren de dichterlijke gemoederen al te hoog opgelopen?

    Voorafgaande aan de Nacht vond er in een van de ruimten in de catacomben van Tivoli/Vredenburg de tv-opnamen plaats voor het VPRO programma Brands met Poëzie. Zo’n twintig plaatsen voor wie het wel eens wilden meemaken en hoe Wim Brands (hoorde ik naast me) in het echt is. Nu, hij was niet veel anders dan voor of tijdens de opnamen, luidde het oordeel. Wat klonk als een compliment. Er was een format: eerst leest de dichter iets voor uit zijn werk, dat ene gedicht zal de spil van het gesprek zijn. In afwachting van de opnamen, vraagt Brands of er iemand in het publiek een gedicht uit zijn hoofd kent. Een echte Brandsvraag, die de werking van geheugen en herinneringen in het schrijfproces, mateloos intrigeert: wat gaat er om in dat hoofd? Er werd voorzichtig wat geschoven op stoelen en evenzo gelachen. Ellen Deckwitz was er wel goed in, zowel uit eigen werk als uit het werk van anderen declameerde zij uit het hoofd. Vier mooie interviews met Pieter Boksma, Ellen Deckwitz, Hester Knibbe en K. Schippers.

    Verhalen en anekdotes

    De Nacht was vol verhalen en anekdotes, met dank aan de presentatoren Esther Naomi Perquin en Piet Piryns. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd, bij elke toiletdeur die zij opentrok, de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem gezocht had en haar groeiende angst hem op de vloer 12027525_992788844076975_5632214561750089309_naan te treffen terwijl ze deur van het toilet opentrok. En de dichter, die aandachtig luisterde, vroeg: ‘En, lag hij daar?’ Met deze tekst werd K. Schippers aangekondigd die met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien, uit zijn nieuwste bundel Fijn dat u luistert.

     

    ‘Thuis wil ik zijn, al is het maar een nacht.’

    Een dichtregel van Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) waarop de Nacht van de Poëzie werd gedragen. Thuis was men zeker in deze Nacht, misschien wat al teveel. Het publiek was vlot en overweldigend met applaus, joelen en fluiten dat menig dialoog, dat eventueel had kunnen ontstaan tussen zaal en podium, in de kiem werd gesmoord. Nog voor de fragiel ogende Juliette Gréco één noot had gezongen, werd de zaal haast afgebroken  met stampen, roffelende handen op houten relingen en een overweldigend applaus. Haar zang en intonatie waren zeer beheerst en soms haast krampachtig, zoals bij ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel. Het doorlopend fladderen van haar handen leek teveel een maniertje en bewogen steeds net een fractie van een seconde achter de tekst aan. Misschien was het bij een wat minder overweldigend onthaal wel tot een dialoog tussen haar en het publiek gekomen. 12032127_993690873986772_8240695244972306113_nDe ontdekking van dit jaar is Benjamin Clementine met zijn theatrale zangkunsten en intrigerende teksten. In zijn donkergrijze lange coat, stond hij min of meer achter de vleugel die hij merendeels bespeelde met één hand. De rechterhand bewoog mee op de tekst van zijn songs: ‘It does’nt matter any more. En het beroemd geworden Condolence, ‘I swear, you’ve seen me/You’ve seen me here before/before.’

     

     

    Tussen de golven van applaus en performance in, was het een verademing te luisteren naar Hester Knibbe, ‘liefde, liefde, het zit altijd vast aan iemand’ en Anneke Brassinga, één met haar gedichten in haar voordracht. Zij kregen ieder op hun wijze de zaal stil, aandachtig luisterend. Waarna het lachen was met de verzen van Ivo de Wijs, en de wat cynischer, maar daarom des te komischer poëzie van  Lévi Weemoed.

     

    11987199_992793087409884_8579969130201574497_nPeter Verhelst maakte indruk met zijn gedicht over de foto van de Syrische peuter op het strand. Afhankelijk van wat we zien hoelang dit op ons netvlies blijft: ‘Zelfs toen we niet meer keken bleef het liggen op het strand/zelfs toen het weggehaald was bleven we het zien liggen’.
    Na de dip van de Nacht, en zoals Piryns het zo treffend verwoordde dat ‘je het niet kon maken nu thuis aan te komen’,  blies Ilja Leonard Pfeiffer ( ‘Zij hadden mij de nacht beloofd’), de Nacht nieuw leven in met zijn verschijning en voordracht. Ook Pieter Boksma, maakte indruk. Hij  vond het tijd worden voor een revolutie en dan een dichtertje op de troon ‘zodat men weer genieten kan van dansende zonnevlekken op een bospad’.

    Ode aan dode dichters

    Deze Nacht waren drie dode dichters aanwezig. Mike Boddé bracht een ode aan Drs. P (1919-2015) door op aanstekelijke wijze over hem te spreken en zijn liederen te zingen. Dat deed hij op zo’n zelfde wijze, dat het leek of Drs. P himself aanwezig was. Ester Naomi Perquin las het gedicht God te zijn van Joost Zwagerman voor. En vertelde dat Rogi Wieg eindeloos kon bellen. De laatste keer dat zij met hem sprak zei ze na vier uur bellen: Rogi, ik heb ook nog wat te doen.’ Waarop Rogi zei: ‘Ja, naar mij luisteren.’ Indrukwekkend was de video waarvan hij en wij in de zaal ook, wisten dat hij op het moment van uitzending er niet meer zou zijn, en waarin hij hij licht geëmotioneerd zegt: ‘Ik ga nooit meer een gedicht schrijven.’

    Terwijl voor het podium op de vloer het publiek op kussens de laatste uurtjes van de Nacht doorbrengt, de geur van zweetvoeten zijn hoogtepunt bereikt, maakt Typhoon er 12049638_992786484077211_4116692214999661065_neen feestje van met een swingend einde. Waarna Charlotte Van den Broeck met een ongelofelijke woordkracht de zaal bezwoer en de Nacht waardig afsloot. Zoals Van den Broeck haar gedichten declameerde, zo zou je het willen. Eindelijk eens een gedicht uit het hoofd leren zodat, als bijvoorbeeld Brands erom vraag, je het zo op kunt zeggen. Van den Broeck verliet het podium met een mondig ‘Goedenacht’, waarin een glimlach hoorbaar was. Mooi was het.

     

     

    Foto’s: Charlotte Van den Broeck / Peter Verhelst / K. Schippers : Annemarie Sint Jago
    Foto’s: Zaal / Benjamin Clementine: Michael Kooren

     

  • Niet alles is te begrijpen maar mooi is het wel

    Niet alles is te begrijpen maar mooi is het wel

    Peter Verhelst wordt in het algemeen beschouwd als een ‘moeilijke’ schrijver. Hij heeft een aantal prijzen voor zijn werk ontvangen en er wordt wel eens gegrapt dat hij meer prijzen heeft dan lezers. Boeken als Tongkat en Zwerm zijn enerzijds bekend vanwege hun ondoordringbaarheid en anderzijds vanwege hun prachtige beelden en gedurfde opzet. Laten we zeggen dat Verhelst voor een hermetische auteur veel gelezen wordt (niet alleen in België). In zijn nieuwste boek Geschiedenis van een berg bevestigt Verhelst zijn reputatie; je hoeft niet alles te begrijpen om het mooi te vinden.

    Dichter, romanschrijver en theatermaker Peter Verhelst is pas sinds 1999 gestopt met zijn werk als leraar in Brugge om zich fulltime op zijn schrijverschap te richten. Hij heeft in een relatief korte tijd een enorme hoeveelheid werk afgeleverd. In het geval van Geschiedenis van een berg heeft hij zich beperkt tot een novelle. We lezen over het paradijselijke leven van de verteller voordat hij wordt ontvoerd door mensen. En over de helse tocht door de woestijn en per schip over zee, naar een ander land. De verteller blijkt een aap, het gaat om dieren, maar de hele tocht doet denken aan het vervoer van menselijke slaven van eeuwen geleden. De dieren die de tocht overleven worden gedwongen gecultiveerd, ze worden omgevormd tot mensen. Ze leren lezen en praten (converseren) en zich menselijk te gedragen. Wanneer ze voor het eerst sinds hun civilisatie weer buiten komen blijken ze terecht te zijn gekomen in een soort pretpark, Droomland. De verteller werkt zich met succes omhoog in de sterk hiërarchische samenleving binnen het park. Maar hoe hoger hij komt, hoe duidelijker het wordt dat er iets mis is achter de schermen. Ondertussen hebben we ettelijke prachtige beelden en scènes gelezen en lijken we verzeild in een science-fictionroman. We lezen ademloos door omdat het verhaal steeds spannender wordt.

    Na een gewelddadige climax volgt een nasleep waarin verschillende hedendaagse sociale problemen voorbij komen. Het verhaal wordt een allegorie waarin vluchtelingen, illegalen, mensenhandel en bijkomende problemen als armoede, criminaliteit en ziekte ter sprake worden gebracht. De tegenstelling natuur en cultuur is een thema in het boek. Een aantal mensen heeft in de loop van het verhaal beestachtige trekjes gekregen terwijl een aantal dieren juist meer mens (beschaafder) is geworden. De ruïnes van Droomland raken overwoekerd door bloemen en planten en worden op deze manier weer natuur. De botsing tussen natuur en cultuur kent uiteindelijk meer verliezers dan winnaars lijkt de conclusie van Verhelst. De geleerde les neigt naar cultuurrelativisme; laat anderen met rust en in hun waarde.

    Verhelst heeft een gewelddadig sprookje geschreven met prachtige beelden en een toverachtige sfeer die overgaat in een ruw, hard thrillerachtig verhaal. Zijn boek doet denken aan Het leven van Pi en Beatrice en Vergilius van Yann Martel. Niet alleen door de dubbelrol van de dieren, maar ook door de wrede werkelijkheid die min of meer indirect ter sprake komt. Beiden proberen hedendaagse problemen in een fabelachtig verhaal te verzinken. Uiteindelijk is bij Verhelst de bedoeling minder duidelijk dan bij Martel. Het lijkt bij Verhelst meer te gaan om de mooie beelden, de spanning en de sfeer dan om een duidelijk statement over de samenleving of het vertellen van verhalen. Lezers met een sterke behoefte aan duiding kunnen Geschiedenis van een berg beter links laten liggen. Voor lezers die houden van boeken met prachtige, droomachtige scènes die af en toe overgaan in een nachtmerrie is deze nieuwe Verhelst een aanrader.

     

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman