• Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Een prachtige, poëtische en theatrale roman

    Volgend jaar viert Peter Handke zijn zestigjarig jubileum als schrijver. In 1966 verscheen zijn debuut Die Hornissen (De wespen, 1979) en trok zijn toneelstuk Publikumsbeschimpfung (Hooggeëerd publiek, 1968) internationale aandacht. Geboren in Oostenrijk, woonde de jonge Handke in de DDR. Later reisde hij over de hele wereld en sinds 1990 woont hij in de regio van Parijs. Handke is een bijzonder productief auteur, maar zelfs van een Nobelprijswinnaar wordt niet alles vertaald. Al kun je je afvragen waarom de roman Der Hausierer (1967) als enige van zijn vroege werk nooit in het Nederlands werd vertaald.

    Wanneer Handke, zoals vaak, zijn werk in Oostenrijk situeert, dan gaat het eigenlijk om een klein stukje van dat land, het deel van Karinthië dat grenst aan Slovenië. Zoals in Nog altijd storm (Immer noch Sturm, 2010) vertaald door Miek Zwamborn. Zij is dichteres en wellicht daardoor geschikt om deze tekst te vertalen die leest als een roman, maar ook als een toneelmonoloog. Zowel in Duitsland als in Oostenrijk kreeg dit boek een theaterprijs. ’t Barre Land speelde in april dit jaar, ter gelegenheid van de verschijning van Zwamborns vertaling een aantal monologen daaruit. Toch is de tekst moeiteloos als een poëtische, theatrale roman te lezen.

    De verteller en zijn overleden familie

    De verteller, die gezien zijn familiegeschiedenis sterk lijkt op Handke zelf, zit aan het begin van het verhaal op een bank naast een appelboom voor een boerderij in het Oostenrijkse Jaundal, aan de grens met Slovenië, dat Handke voor de gelegenheid als Jaunfeld heeft herdoopt. Er doemen plots overleden familieleden op die op deze plek hebben gewoond. Zijn grootouders en hun vijf kinderen: drie ooms, een tante en zijn moeder, leden van de ‘Svinec-clan’. Een of meer familieleden spreken de verteller toe. Als een clanlid zwijgt, houden de anderen hun adem in. De ‘droom’ van de verteller begint in 1936, ‘een gelukkig jaar’. Twee jaar voor de Anschluss, waarbij de ‘austrofascistische Bundesstaat Österreich’ werd ingelijfd in het Derde Rijk. Daarna volgen er scenes uit 1942, het geboortejaar van de verteller, ook het jaar waarin de drie broers moeten dienen in het Duitse leger, en uit 1945, het jaar van de Duitse capitulatie.

    De moeder van de verteller wil van het leven genieten. Haar zuster Ursula was werkster en woont daarna teruggetrokken in de koestal. De oudste broer Gregor heeft slechts een oog, studeerde over de grens in Joegoslavië voor fruitboom verzorger en heeft het ouderlijk erf van een appel- en perenboomgaard voorzien. Hij werd daarin een echte expert. Wanneer Gregor voor militaire dienst in Nederland verblijft, is zijn hoogtepunt dat hij oog in oog komt te staan met de Schone van Boskoop. Broer Valentin is een rokkenjager en een wereldburger. Hij wil per se goed Engels leren spreken en misschien ooit emigreren naar Amerika. Het nakomertje (Benjamin) valt in zeven sloten tegelijk en heeft een hekel aan alles en iedereen.

    In de oorlog zit Gregor als soldaat in Nederland, verveelt Valentin zich in Noorwegen en bevindt Benjamin zich in de Oost-Europese steppen, vanwaaruit ze brieven naar huis schrijven.

    Omdat de moeder de brieven van haar broers voorleest, speelt ze een belangrijke rol in het tweede deel van het boek. Daarbij is haar grote liefde, de vader van de verteller, een Duitser. Het kind wordt dan ook door de clan verwenst. Peetoom Gregor over de baby: ‘Ja, hij daar is mijn vijand. De koekoek die ons inheemsen tot op de laatste piep en donsveren uit het nest zal smijten. Futiel schepsel, vormbeginsel van de grote vijand, van de usurpator. Familievijand – volksvijand. De wieg uit met jou, het hondenhok in met dat bastaardkind.’

    Stel je voor: de verteller hoort dit aan, op de bank als bejaarde man, ouder dan zijn grootvader tegenover hem, in aanwezigheid van de zuigeling die hij ooit was. Fascinerend, maar ook ontroerend.

    Taal als motief

    Taal vormt een cruciaal motief in Nog altijd storm. Tijdens de oorlog is het in het Reich verplicht om in het openbaar Duits te spreken. Daarom is het Sloveens van de clan door de Duitsers verboden als ‘ondermensenkoeterwaals’, dat de censor in de soldatenbrieven van de broers zwart kleurt. Zelfs de namen worden officieel verduitst: Svinec wordt Swinetz. De grootvader vervloekt daarom alle Duitsers, ‘van Arnulf tot Ziegfried, van de Anneliesen tot de Zieglindes’.

    De clan heeft een visie op de eigen taal. Allerlei woorden mogen van de grootouders in hun huis niet worden gebruikt. Zoals ‘liefde’, ‘geschiedenis’, ‘tragedie’ en ‘ik’. De moeder van de verteller herkent haar zoon aan zijn taal, zoals ook de rest van de familieleden: ‘Aan jouw taal herken ik je, apenzoon. Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal (…). Niemand in het hele land spreekt zoals wij, zal zoals wij gesproken hebben.’

    In de oorlog sneuvelen twee broers. Ursula sluit zich aan bij de partizanen, gevolgd door broer Gregor, die deserteerde uit het Duitse leger. Na veel ontberingen en sterfgevallen heeft hun lokale verzet van Sloveense Karinthiërs uiteindelijk een deel van de streek in handen. Trots dat ze al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog als enige verzetsgroep in heel het Derde Rijk zelf een gebied hebben veroverd. Waardoor Oostenrijk zelfs na de Nazi capitulatie bij de onderhandelingen met de geallieerden in een gunstige positie kwam te verkeren.

    Mede daarom en tot de grote teleurstelling van ‘dappere hazenharten’ als oom Gregor, kwam het Sloveense deel van Karinthië uiteindelijk niet bij Joegoslavië. Handke gaat hier verder niet op in, maar het nabije Tolmin, dat door Joegoslavische partizanen werd bevrijd, ging in 1947 wel degelijk van Italië naar dit buurland. Ondanks het ‘familievijand – volksvijand’ heeft oom Gregor een bijzondere band met zijn petekind, ook omdat hij de oorlog heeft overleefd. Overigens in een land dat de hevig ontgoochelde Gregor niet meer herkent, zijn boomgaard is afgebrand en vervangen door een parkeerplaats voor pantserwagens.

    Levensgeschiedenis als materiaal

    De boerderij, de grootouders en hun vijf kinderen komen ook in ander werk van Handke voor. Soms in iets andere gedaanten en omstandigheden. Het gaat er dan ook niet om, zo dicht mogelijk bij de werkelijke levensgeschiedenis van Peter Handke te komen, maar om de verschillende manieren waarop de schrijver die als materiaal gebruikt. Al in zijn debuutroman spelen brieven van en associaties over een oom Gregor die in november 1943 sneuvelde, een belangrijke rol. In Dwars door de dorpen (1981), net als Nog altijd storm een soort dramatisch gedicht, keert een Gregor terug naar zijn vaderland dat hij niet meer herkent. Vervolgens, in het epos Herhaling (1986) lezen we Filip Kobals zoektocht naar zijn verdwenen broer Gregor. En een zekere Gregor Keuschnig is een personage in zowel Het Uur van de Ware Sensatie (1975) en Niemandsbaai (1994) als Nacht op de rivier (2008).

    In Mein Tag in anderen Land. Ein Dämonengeschichte (2021) lijkt het personage dat jarenlang door demonen wordt geteisterd sterk op de fruitboomteler oom Gregor, met het petekind als de verteller en ‘chroniqueur’. Helemaal aan het slot van Nog altijd storm herinnert de verteller zich een epifane ervaring in een voormalig goudgraversdorp in Alaska, dat hij ooit bezocht. Tussen het massale gekrioel van de toeristen ontdekte hij een paar inheemse bewoners. Die bleken een eigen code te hanteren om over en door de toeristen heen met elkaar te communiceren.

    De lezer moet onmiddellijk denken aan de moeder van de vertellen die hem hierboven toevertrouwde: ‘Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal, kunnen elkaar zo tenminste herkennen, ieder van ons kan de ander als een van ons herkennen.’

    Handke herinnert ons hiermee aan de realiteit dat er tot op de huidige dag – en misschien meer dan ooit – veel en veelsoortige ontheemden in onze wereld bestaan. Daarmee is Nog altijd storm meer dan een prachtige, poëtische en theatrale roman alleen.

     

  • Paradijs

    Paradijs

    Zondagmiddag, alleen thuis en de regen klettert tegen de ruiten. Tijd om eindelijk eens de film te bekijken die ik al zo lang wil zien, Der Himmel über Berlin van Wim Wenders uit 1987. Gedurende anderhalf uur loop ik rond in het West-Berlijn van 1986, de Muur staat er nog. Twee engelen in zwarte trenchcoats met grote witte vleugels kijken in zwart-wit op de stad neer. Zelf kunnen ze alleen door kinderen gezien worden, niet door volwassenen, al proberen ze die te troosten in hun bestaan door af en toe een hand op hun schouder te leggen. Maar ze kunnen niet voorkomen dat mensen eenzaam zijn, zelfmoord plegen, verdriet hebben. Toch wekt hun leven bij een van de engelen het verlangen om ook mens te zijn, gewoon om ‘in je handen te kunnen wrijven als het koud is.’ Maar als hij dan inderdaad mens wordt, in een prachtige, poëtische scene waarin hij door de andere engel als een pasgeborene in de armen wordt gedragen, dan moet hij ook het lot van de mensen ondergaan en de angst en de twijfel leren kennen, in het besef dat hij nu sterfelijk is en niets meer voor altijd is. Ook de liefde niet, die voortaan vergezeld gaat van onzekerheid. Een lang gedicht van Peter Handke wordt in fragmenten voorgelezen gedurende de film en zegt meer dan een uitleg kan doen: 

    Als das Kind Kind war,
     wußte es nicht, daß es Kind war,
     alles war ihm beseelt,
     und alle Seelen waren eins. 

     Wie kann es sein, daß ich, der ich bin,
     bevor ich wurde, nicht war,
     und daß einmal ich, der ich bin,
     nicht mehr der ich bin, sein werde? 

     Als das Kind Kind war,
     warf es einen Stock als Lanze gegen den Baum,
     und sie zittert da heute noch.*

     Maar wat ik voor altijd onthouden wil van deze indrukwekkende film is hoe de eindeloze zwerftocht van de engelen hen in een bibliotheek brengt, waar achter bijna elke lezer een andere engel staat met een hand op de schouder van de mens die verdiept is in een boek. Om hem te helpen beter te begrijpen wat hij leest? Om hem, via hun aanraking, als een doorgeefluik goddelijke wijsheid te laten invloeien? Of willen de engelen simpelweg ook een boek lezen, maar zijn ze niet bij machte om zelf de bladzijden om te slaan? Ook ’s nachts, als een eenzame poetsvrouw haar stofzuiger heen en weer beweegt over het tapijt, zijn de engelen aanwezig in de bibliotheek. Ze hangen wat rond, in afwachting van het uur waarop de deuren weer opengaan en de mensen weer zullen binnenkomen. Had Jorge Luis Borges dan toch gelijk toen hij zei dat de hemel een soort van bibliotheek moet zijn?  

    Wanneer ik de volgende keer naar de bibliotheek ga, zal ik heel langzaam de bladzijden van mijn boek omslaan, totdat een lichte druk op mijn schouder me beduidt dat ik verder lezen kan. Onthoud dit: altijd als je een boek leest, staat er een engel naast je. 

     

    *Uit: Peter Handke, Das Lied vom Kindsein, geschreven voor de film.


    Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Fotosynthese 17 – Engelen bestaan

    Fotosynthese 17 – Engelen bestaan

    Op de foto zien we drie mannen op de rug. Zonnig weer. Ze wachten ergens op. De man rechts houdt een bord omhoog, hij maakt reclame voor een website. Zo weten we dat de foto met Berlijn en de Muur te maken heeft. De website heb ik snel gevonden: Gegen Vergessen und Verdrängen der SED-Diktatur in der DDR 1949-1989 is het motto. Er worden op de site tentoonstellingen aangekondigd, tips voor boeken en artikelen om te lezen. En na een paar keer klikken weet ik waarop de mensen staan te wachten bij de Bernauer Straße. Er wordt een herdenkingsmonument en bezoekerscentrum over de Muur geopend. Het is 1998. Vorig jaar, op 9 november 2019, dertig jaar na de val van de Muur, was opnieuw een herdenking op deze plek.

    Ich

    Als ik aan de Muur denk, zie ik Der Himmel über Berlin (1987) van cineast Wim Wenders voor me. Hoe vaak heb ik die film gezien? Minstens vijf keer.
    Twee engelen, Damiel (Bruno Ganz) en Cassiel (Otto Sander) hebben als standplaats Berlijn. Ze reizen door de tijd – de beelden zijn zwart-wit – en luisteren onopgemerkt naar de mijmeringen van de inwoners, verlichten de gedachten van iemand die zit te tobben. Kinderen kijken vaak naar boven, ze kunnen de engelen zien.
    Op een dag besluit Damiel – hij is verliefd geworden op een trapeze-artieste – dat hij wil deelnemen aan het leven. Als engel kun je terug naar de aarde maar je verliest je onsterfelijkheid: je kunt nooit meer engel worden.

    In de film worden als een monologue intérieur teksten voorgelezen van Peter Handke, die meeschreef aan het scenario.

    Als das Kind Kind war,
    war es die Zeit der folgenden Fragen:
    Warum bin ich ich und warum nicht du?
    Warum bin ich hier und warum nicht dort?
    Wann begann die Zeit und wo endet der Raum?
    Ist das Leben unter der Sonne nicht bloß ein Traum?
    Ist was ich sehe und höre und rieche
    nicht bloß der Schein einer Welt vor der Welt?
    Gibt es tatsächlich das Böse und Leute,
    die wirklich die Bösen sind?
    Wie kann es sein, daß ich, der ich bin,
    bevor ich wurde, nicht war,
    und daß einmal ich, der ich bin,
    nicht mehr der ich bin, sein werde?’

    De teksten van Handke in deze film zijn poëtisch, filosofisch en worden voorgelezen alsof het flarden van gedachten zijn. De teksten dragen de beelden van de film. Maar wie spreekt? Wie is in staat de gedachten van een kind zó te doorgronden als in bovenstaande tekst? Dat moet wel een engel zijn. Uit de filmbeelden leid je af dat kinderen de enigen zijn die een engel kunnen zien. Op een zebrapad staat een kind stil en ziet de engel die (vanuit het perspectief van een drone) hoog op een kerktoren in Berlijn staat en naar beneden kijkt, waar alle volwassenen gehaast doorlopen en niets zien. Maar het kind kijkt naar boven, in de lens, het ziet de engel en kijkt tegelijkertijd mij aan. Even later een vergelijkbare scène: een kind achter het raam van een bus, het kind ziet de engel (mij) en ze (we) herkennen elkaar. Wij en de kinderen kunnen het verhaal volgen zowel vanuit het perspectief van de engel als vanuit de mens in het aardse bestaan. We delen een geheim: engelen bestaan.

    Geestverwanten

    Het is zeker niet voor het eerst dat Handke een scenario schreef, samen met Wenders maakte hij vier films. Hij schreef vele toneelteksten, in 1978 verscheen zijn roman Die Linkshändige Frau (1976) als film. Cameraman van die film, Robbie Müller (die ook jarenlang met Wim Wenders samenwerkte), daarover: ‘Handke hield zich aan de roman en zei gewoon: “Morgen doen we pagina 42 tot 45.” Alles wat je in de film ziet, staat in het boek. Ik had het herlezen en ontdekte dat elk camerastandpunt in de zinnen besloten lag.’
    Wat dit betreft zijn Marguerite Duras en Peter Handke geestverwanten. De stijl in hun romans is sober, bij Handke bijna kaal, niet mis te verstaan en ontdaan van alle franje. Naar de mening van Handke kon je de roman Die Linkshändige Frau letterlijk verfilmen, scenario en roman vallen samen. Duras ging daarbij – vooral in haar latere werk zoals De minnaar uit Noord-China (1991) – nog veel verder door regieaanwijzingen, camerabewegingen en zelfs de gewenste casting van een hoofdrol in de tekst van de roman op te nemen. Duras was dan ook een cineaste, Handke niet. Hij is een man van de taal, het beeld volgt uit de taal. De taal is in het geval van Handke niet alleen de geschreven/gedrukte taal, niet alleen de gesproken, maar ook de taal van de gedachte. De taal van ons innerlijk.
    Der Himmel über Berlin is ook een film over taal. De scène in de enorme bibliotheek illustreert dit. Als kijker hoor je wat de engelen horen: een geroezemoes van gedachten, van teksten die door de bibliotheekbezoekers gelezen worden, flarden van herinneringen en steeds maar zich herhalende dwanggedachten. Als je zorgen hebt ga je ‘malen’. De engel corrigeert waar nodig, fluistert woorden in het oor. En geeft daarbij een gedachte het beslissende zetje dat tot inzicht leidt bij de degene die het wordt ingefluisterd. Een glimlach wordt zichtbaar en de onrust verdwijnt. Later herhalen zich dit type scènes in de metro.
    De engelen zijn alert met taal. Handke schreef het alsof ze de gedachte die ze horen net een stap voor zijn, op tijd om in te kunnen grijpen. Je moet goed naar een ander kunnen luisteren om met jouw woorden de vastgelopen gedachte van die ander vlot te trekken. Zodat die het gevoel heeft dat hij zélf tot inzicht is gekomen, lijkt Handke te zeggen.

    Vaak heb ik de scène bekeken, vlak na de sprong waarmee het aardse bestaan van de engel begint, als Damiel die vlakbij de Muur op de grond ligt, bijkomt en om zich heen kijkt. Vlak daarvoor een snel shot van een straatnaambord. Een plek bestaat pas echt als je die een naam geeft, lijken Wenders en Handke te zeggen. Waldemarstraße, een straat in het vrije West-Berlijn.
    In mijn gedachten zou ik daar bij de halte begraafplaats Frieden-Himmelfahrt in de metro kunnen stappen. Het is een half uurtje naar de plek waar de drie mannen op de foto staan, de aanleiding voor deze tekst.

    Koffie

    Wanneer houdt een engel op engel te zijn? Op het moment dat hij zich bewust wordt dat hij op de grond ligt? De beelden zijn dan in kleur. Als je kleuren ziet ben je een mens, lijkt Wenders te zeggen. Maar nog preciezer laat hij het zien: als Damiel opstaat, het stof van zijn kleren slaat, kijkt hij naar de graffiti op de Muur. Hij vraagt aan een passant naar de kleuren, zegt ze hardop. Als je de kleuren een naam geeft, ben je mens. Er zit bloed op zijn hand, hij bekijkt het, benoemt het. Rood! Likt er enthousiast aan, voelt zijn lichaam, hij blaast (het is koud buiten) in de holten van zijn handen. Is hij nu mens?
    Wenders laat hem nog even lopen over de Engeldamm, hij mag nog een beetje engel zijn. Hij drinkt koffie bij een snackbarretje op straat, verwarmt zijn handen aan de kartonnen beker. Ja, zo doen wij dat ook. Je begint de dag met koffie, dan voel je je weer mens.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

     

  • Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Liever dwarsliggen dan gemakkelijk scoren

    Het was voorwaar niet zomaar een uitgemaakte zaak dat Peter Handke (1942) in 2019 de Nobelprijs voor de Literatuur zou krijgen. De eigengereide Oostenrijker heeft in zijn eigen land niet alleen bewonderaars, maar ook felle tegenstanders, en zijn opmerkelijke houding ten aanzien van de Joegoslavische burgeroorlog is omstreden. Vooral zijn beslissing om het in dat conflict op te nemen voor Servië en een toespraak te houden op de begrafenis van Slobodan Milošević wordt hem begrijpelijkerwijs nog steeds kwalijk genomen. Overlevenden van de genocide in Srebrenica eisten tevergeefs dat de prijs werd ingetrokken.

    Het veelgeplaagde nobelprijscomité – als gevolg van een onverkwikkelijke affaire kon er in 2018 aanvankelijk zelfs geen prijs worden uitgereikt – wees erop dat het om een literaire onderscheiding ging, waarbij de politieke overtuiging of daden van de winnaar irrelevant zijn. Daar valt wel iets voor te zeggen, want als we geen onderscheid meer maken tussen het persoonlijke gedrag of de opvattingen van een auteur en zijn werk, kunnen we Louis-Ferdinand Céline, Knut Hamsun en zovele andere schrijvers met bedenkelijke sympathieën eenvoudigweg niet meer lezen.

    Herziene uitgave van experimenteel werk

    Die Angst des Tormanns beim Elfmeter verscheen in 1970. In 1972 kwam er een Nederlandse vertaling uit, getiteld De angst van de doelman voor de strafschop. Die was jaren niet meer verkrijgbaar, tot uitgeverij Koppernik vorig jaar besliste om de vertaling door Gerrit Bussink te laten herzien en opnieuw op de markt te brengen. Het verschijningsjaar spreekt boekdelen. In de vroege jaren zeventig ging de literatuur overal in Europa door een sterk experimentele fase. In Frankrijk had je de nouveau roman, met figuren als Alain Robbe-Grillet, wiens indrukwekkende Een regicide overigens ook bij Koppernik verscheen. Kort gezegd ging het om een poging om de traditionele conventies van de verhalende roman te doorbreken, ‘verouderde’ concepten als plot of intrige te negeren en de lezer doelbewust vervreemdende, zelfs weerzin oproepende literatuur voor te schotelen.

    Peter Handke, die als bewonderaar van onder meer Marguerite Duras ongetwijfeld bekend was met de nouveau roman, laat zijn afkeer van ‘beschrijvingsdrang’ en ‘verhalen’ tot uiting komen in De angst van de doelman voor de strafschop. In dat korte boek – ‘roman’ is wellicht niet de juiste omschrijving – volgen we Josef Bloch, een monteur die om volstrekt irrationele redenen aanneemt dat hij ontslagen is: ‘Toen hij zich ’s morgens op zijn werk meldde, werd monteur Josef Bloch, die vroeger een bekende doelman was geweest, meegedeeld dat hij ontslagen was. Tenminste, als zodanig legde Bloch het feit uit dat toen hij in de deur van de bouwkeet verscheen waar zich juist de arbeiders bevonden, alleen de voorman van zijn tienuurtje opkeek, en hij verliet het bouwterrein.’

    Objectiviteit op losse schroeven

    De schijnbaar objectief beschreven werkelijkheid van de openingszin wordt dus onmiddellijk daarna op losse schroeven gezet. We volgen Bloch op een schijnbaar zinloze dwaaltocht door de stad waarbij banale gebeurtenissen emotieloos worden beschreven: de hoofdpersoon neemt een hotelkamer, belt vrienden, gaat naar de bioscoop of neemt de tram. Zoals een doelman een willekeurige hoek kiest als hij een strafschop wil tegenhouden, laat Bloch zich onverschillig door het toeval leiden. De werkelijkheid interpreteren lijkt een onmogelijke opgave voor hem: ‘Tegen de vrouw die hem in de bus – door haar tasje open te maken en daarin met verschillende voorwerpen te spelen – al had aangeduid dat ze zich onwel voelde, zei hij: “Ik ben vergeten een briefje achter te laten”, zonder te weten wat hij met de woorden ‘briefje’ en ‘achterlaten’ eigenlijk bedoelde.’

    Dit soort onwezenlijke uitspraken en andere vervreemdingseffecten zijn schering en inslag. Het is alsof een cameraman de ik-figuur op afstand volgt zonder door te dringen tot zijn innerlijke gevoelens of gedachtenwereld. Er lijkt haast een glazen wand tussen Bloch en de werkelijkheid te staan die het hem onmogelijk maakt om werkelijk contact te leggen met zijn omgeving: ‘Hij ging voor het raam van een restaurant staan; de mensen binnen zaten voor een televisie. Hij keek een tijdlang toe; iemand draaide zich naar hem om en hij liep verder.’

    Doelbewust nergens naar toe

    En dan, plots, pleegt Bloch en verschrikkelijke misdaad, die op dezelfde emotieloze manier wordt beschreven als wanneer hij een kop koffie drinkt of geld opneemt bij de bank. Volstrekt onverstoorbaar zet hij daarna zijn willekeurige dwaaltocht voort en strandt in een grensplaats. Kortom, er ‘gebeurt’ weliswaar van alles, maar er is geen plot. Dit boek, deze antiroman gaat doelbewust nergens naartoe. Als het leven geen samenhangend verhaal is, zo lijkt Handke ons voor te houden, met een duidelijk afgebakend begin, midden en einde, waarom zou een boek dan wel op die manier gecomponeerd moeten zijn?
    Ook de relatie tussen taal en werkelijkheid wordt geproblematiseerd. Nu eens ondermijnt Handke zijn eigen beschrijvingen: ‘Bloch deed de briefkaarten op de bus. Er klonk een hol geluid toen ze in de lege bus vielen. Maar de brievenbus was zo klein dat het helemaal niet hol kon klinken. Bovendien was Bloch meteen doorgelopen.’

    Dan weer is het de taal zelf die niet bij de werkelijkheid schijnt te passen, of die vervormt: ‘De kasten, de wasbak, de reistas, de deur; pas nu viel het hem op dat het leek of hij gedwongen werd bij ieder voorwerp ook het woord erbij te denken. Iedere waarneming van een voorwerp werd onmiddellijk gevolgd door het woord. De stoel, de kleerhanger, de sleutel.’
    Handke gaat zo ver in dat experiment dat hij aan het einde van zijn boek zelfs woorden begint te vervangen door herkenbare, maar ook moeilijker te interpreteren symbolen. Bevorderlijk voor het leesplezier is dat niet, maar het laatste wat Handke dan ook wilde met dit boek, is zijn lezers een paar uurtjes zorgeloos achterover laten leunen in een gemakkelijke stoel om ze vervolgens met een voldaan gevoel naar bed te sturen.

     

  • Nobelprijs voor de Literatuur voor Olga Tokarczuk en Peter Handke

  • Dissonanten

    Dissonanten

    In de rubriek ‘Mijn favoriet’ (NRC) las ik over iemand die een kunstwerk van Hugo Tieleman kocht. Bij zijn aankopen let hij er altijd op, scheef hij, of het werk harmonie heeft, ‘zoals muziek geen dissonanten mag hebben.’ Oké, dat is zijn opvatting. Maar net zomin als het leven altijd harmonieus verloopt, net zo goed mag – of misschien moet – muziek op z’n tijd dissonanten hebben om dit te kunnen uitdrukken.

    Deze opvatting speelde door m’n hoofd. Eerst bij een grote boekwinkel in de stad, waar tussen de ramsj een piano stond, met een zitje ernaast – om wat te lezen, te mijmeren of naar de piano te luisteren. Een sjofel uitziende, oudere heer in regenjas, stijl Carmiggelt, nam achter de piano plaats en probeerde wat toetsen in allerlei registers uit. Over de hele omvang van het klavier: ping, ping, ping. Als een atonale melodie.

    Het schijnt dat Beethoven altijd ritueel met zijn handpalmen over de toetsen wreef voor hij begon,
    en daar is wel wat voor te zeggen. (Christiaan Weijts)

    En toen, opeens, toen ik de hoop al een beetje had opgegeven, speelde hij vloeiend achter elkaar enkele jazznummers. Bijna was hij uit het dagelijks leven gevallen, maar hij hernam zich, zonder acht te slaan op de mensen om hem heen.

    Ik ben niet mooi meer,
    ik heb in het gesticht gezeten,
    mijn vingers staan stijf van de medicijnen,
    en toch ga ik een blues spelen op de piano
    (Rogi Wieg)

    Ik verliet de boekwinkel en liep naar het theater waar studenten van de Theatervooropleiding Amsterdam een stuk van Shakespeare zouden spelen: Troilus en Cressida. Eén van de studenten zat in een ochtendjas met tijgerprint achter een piano en speelde erop, tussen de bedrijven van zijn rol als Hector door; zoals we van oorlogsmisdadigers weten dat ze graag piano speelden. Tegen het einde van het toneelstuk zegt hij dat zijn dagtaak erop zit, de avond goed doet: Zwaard, rust, je bent verzaad van dood en bloed.

    Met een klappertjespistool wordt Hector gedood. Hij valt van de pianokruk, random wat toetsen aanrakend. Wanneer hij uit de tijd valt, de eeuwigheid in, klinkt weer een atonale melodie. Ping, ping, ping.

    de rest zijn
    afgevallen noten
    die aan het

    behang zijn
    blijven plakken
    (Henk Knibbeler)

    Dissonanten. Zoals het leven op z’n tijd zelf. Het bestaat wel, een geluidloos, teder akkoord / dat alle dissonanten samenvoegt
    (Peter Handke)

    Dat is een moment van stilte in verbondenheid. De mooiste muziek die er is, alles is op zijn plaats, in voorbeeldige harmonie
    (Wisława Szymborska)

     

     

  • Hier is het geen voorwinter

    Hier is het geen voorwinter

    De titel doet denken aan het duistere tijdperk van de hindoeïstische demon Kali, waarin de mens alleen fysiek bestaat en niet geestelijk. Hoewel Handke daar niet expliciet naar verwijst, speelt het verhaal zich af in een vergelijkbare wereld, waarin de mens zelf tot een probleem geworden is. Maar misschien betekent Kali gewoon zout en gaat het over een kalimijn, die volgens Google ook in Oostenrijk te vinden is. Zonder dat de locatie met naam genoemd wordt, moet die ergens in het midden van het Verenigd Europa liggen.

    Het verhaal opent met een dreigende toon, die meteen al intrigeert. ‘Ook mij heeft ze bang gemaakt, maakt ze bang. Maar ik wil de confrontatie met haar aangaan.’

    De vrouw om wie het gaat is een vreemde zangeres die na haar optreden door de verteller wordt gevolgd door een stad vol zwijgende mensen. Ze vindt in de schouwburg een ring en meent dat alles wat ze uitspreekt ook moet gebeuren. De vrouw blijkt een doodaanzegster, die op weg is naar het eiland Dode Hoek waar in een zoutmijn veel emigranten werken en waar ook haar slachtoffer, de zoutbaas, woont.

    Alles speelt zich af in een ijltoestand: de ruimte is niet constant maar dijt zoals in een droom uit, stroken nacht trekken door het daglicht, zoals ’s nachts omgekeerd. Ook in letterlijke zin zijn er veel spiegelingen in de ruiten; een helikopter werpt een zoeklicht op de grond en wijst de vrouw in het donker de weg. Net als in een nachtmerrie komen er opsporingsteams voor, verschijnen er oorlogsvliegtuigen in de lucht, worden er mensen en kinderen vermist.

    Als de winter inzet en de sneeuw valt, zal het leven verstarren, maar zover komt het niet. Het is wellicht het kerstkind dat met zijn intrede nieuwe hoop biedt; zo zit het verhaal vol met verwijzingen en dat maakt deze tekst zeer boeiend.

    Handke kiest een origineel filmisch standpunt en gebruikt een prachtige poëtische taal met daarin nieuwe woorden als ‘orenopenspringing’. Af en toe geeft de verteller commentaar op zijn waarnemingen. ‘Hoezo, een kreet van een valk in de voorwinter? Die heb ik hier gehoord. En bovendien is het bij mij hier geen voorwinter.’
    De strakke lijn houdt de lezer scherp. Handke waarschuwt, maar biedt tegelijk hoop aan een verscheurde wereld waarin mensen vreemden voor elkaar dreigen te worden.