Volgend jaar viert Peter Handke zijn zestigjarig jubileum als schrijver. In 1966 verscheen zijn debuut Die Hornissen (De wespen, 1979) en trok zijn toneelstuk Publikumsbeschimpfung (Hooggeëerd publiek, 1968) internationale aandacht. Geboren in Oostenrijk, woonde de jonge Handke in de DDR. Later reisde hij over de hele wereld en sinds 1990 woont hij in de regio van Parijs. Handke is een bijzonder productief auteur, maar zelfs van een Nobelprijswinnaar wordt niet alles vertaald. Al kun je je afvragen waarom de roman Der Hausierer (1967) als enige van zijn vroege werk nooit in het Nederlands werd vertaald.
Wanneer Handke, zoals vaak, zijn werk in Oostenrijk situeert, dan gaat het eigenlijk om een klein stukje van dat land, het deel van Karinthië dat grenst aan Slovenië. Zoals in Nog altijd storm (Immer noch Sturm, 2010) vertaald door Miek Zwamborn. Zij is dichteres en wellicht daardoor geschikt om deze tekst te vertalen die leest als een roman, maar ook als een toneelmonoloog. Zowel in Duitsland als in Oostenrijk kreeg dit boek een theaterprijs. ’t Barre Land speelde in april dit jaar, ter gelegenheid van de verschijning van Zwamborns vertaling een aantal monologen daaruit. Toch is de tekst moeiteloos als een poëtische, theatrale roman te lezen.
De verteller en zijn overleden familie
De verteller, die gezien zijn familiegeschiedenis sterk lijkt op Handke zelf, zit aan het begin van het verhaal op een bank naast een appelboom voor een boerderij in het Oostenrijkse Jaundal, aan de grens met Slovenië, dat Handke voor de gelegenheid als Jaunfeld heeft herdoopt. Er doemen plots overleden familieleden op die op deze plek hebben gewoond. Zijn grootouders en hun vijf kinderen: drie ooms, een tante en zijn moeder, leden van de ‘Svinec-clan’. Een of meer familieleden spreken de verteller toe. Als een clanlid zwijgt, houden de anderen hun adem in. De ‘droom’ van de verteller begint in 1936, ‘een gelukkig jaar’. Twee jaar voor de Anschluss, waarbij de ‘austrofascistische Bundesstaat Österreich’ werd ingelijfd in het Derde Rijk. Daarna volgen er scenes uit 1942, het geboortejaar van de verteller, ook het jaar waarin de drie broers moeten dienen in het Duitse leger, en uit 1945, het jaar van de Duitse capitulatie.
De moeder van de verteller wil van het leven genieten. Haar zuster Ursula was werkster en woont daarna teruggetrokken in de koestal. De oudste broer Gregor heeft slechts een oog, studeerde over de grens in Joegoslavië voor fruitboom verzorger en heeft het ouderlijk erf van een appel- en perenboomgaard voorzien. Hij werd daarin een echte expert. Wanneer Gregor voor militaire dienst in Nederland verblijft, is zijn hoogtepunt dat hij oog in oog komt te staan met de Schone van Boskoop. Broer Valentin is een rokkenjager en een wereldburger. Hij wil per se goed Engels leren spreken en misschien ooit emigreren naar Amerika. Het nakomertje (Benjamin) valt in zeven sloten tegelijk en heeft een hekel aan alles en iedereen.
In de oorlog zit Gregor als soldaat in Nederland, verveelt Valentin zich in Noorwegen en bevindt Benjamin zich in de Oost-Europese steppen, vanwaaruit ze brieven naar huis schrijven.
Omdat de moeder de brieven van haar broers voorleest, speelt ze een belangrijke rol in het tweede deel van het boek. Daarbij is haar grote liefde, de vader van de verteller, een Duitser. Het kind wordt dan ook door de clan verwenst. Peetoom Gregor over de baby: ‘Ja, hij daar is mijn vijand. De koekoek die ons inheemsen tot op de laatste piep en donsveren uit het nest zal smijten. Futiel schepsel, vormbeginsel van de grote vijand, van de usurpator. Familievijand – volksvijand. De wieg uit met jou, het hondenhok in met dat bastaardkind.’
Stel je voor: de verteller hoort dit aan, op de bank als bejaarde man, ouder dan zijn grootvader tegenover hem, in aanwezigheid van de zuigeling die hij ooit was. Fascinerend, maar ook ontroerend.
Taal als motief
Taal vormt een cruciaal motief in Nog altijd storm. Tijdens de oorlog is het in het Reich verplicht om in het openbaar Duits te spreken. Daarom is het Sloveens van de clan door de Duitsers verboden als ‘ondermensenkoeterwaals’, dat de censor in de soldatenbrieven van de broers zwart kleurt. Zelfs de namen worden officieel verduitst: Svinec wordt Swinetz. De grootvader vervloekt daarom alle Duitsers, ‘van Arnulf tot Ziegfried, van de Anneliesen tot de Zieglindes’.
De clan heeft een visie op de eigen taal. Allerlei woorden mogen van de grootouders in hun huis niet worden gebruikt. Zoals ‘liefde’, ‘geschiedenis’, ‘tragedie’ en ‘ik’. De moeder van de verteller herkent haar zoon aan zijn taal, zoals ook de rest van de familieleden: ‘Aan jouw taal herken ik je, apenzoon. Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal (…). Niemand in het hele land spreekt zoals wij, zal zoals wij gesproken hebben.’
In de oorlog sneuvelen twee broers. Ursula sluit zich aan bij de partizanen, gevolgd door broer Gregor, die deserteerde uit het Duitse leger. Na veel ontberingen en sterfgevallen heeft hun lokale verzet van Sloveense Karinthiërs uiteindelijk een deel van de streek in handen. Trots dat ze al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog als enige verzetsgroep in heel het Derde Rijk zelf een gebied hebben veroverd. Waardoor Oostenrijk zelfs na de Nazi capitulatie bij de onderhandelingen met de geallieerden in een gunstige positie kwam te verkeren.
Mede daarom en tot de grote teleurstelling van ‘dappere hazenharten’ als oom Gregor, kwam het Sloveense deel van Karinthië uiteindelijk niet bij Joegoslavië. Handke gaat hier verder niet op in, maar het nabije Tolmin, dat door Joegoslavische partizanen werd bevrijd, ging in 1947 wel degelijk van Italië naar dit buurland. Ondanks het ‘familievijand – volksvijand’ heeft oom Gregor een bijzondere band met zijn petekind, ook omdat hij de oorlog heeft overleefd. Overigens in een land dat de hevig ontgoochelde Gregor niet meer herkent, zijn boomgaard is afgebrand en vervangen door een parkeerplaats voor pantserwagens.
Levensgeschiedenis als materiaal
De boerderij, de grootouders en hun vijf kinderen komen ook in ander werk van Handke voor. Soms in iets andere gedaanten en omstandigheden. Het gaat er dan ook niet om, zo dicht mogelijk bij de werkelijke levensgeschiedenis van Peter Handke te komen, maar om de verschillende manieren waarop de schrijver die als materiaal gebruikt. Al in zijn debuutroman spelen brieven van en associaties over een oom Gregor die in november 1943 sneuvelde, een belangrijke rol. In Dwars door de dorpen (1981), net als Nog altijd storm een soort dramatisch gedicht, keert een Gregor terug naar zijn vaderland dat hij niet meer herkent. Vervolgens, in het epos Herhaling (1986) lezen we Filip Kobals zoektocht naar zijn verdwenen broer Gregor. En een zekere Gregor Keuschnig is een personage in zowel Het Uur van de Ware Sensatie (1975) en Niemandsbaai (1994) als Nacht op de rivier (2008).
In Mein Tag in anderen Land. Ein Dämonengeschichte (2021) lijkt het personage dat jarenlang door demonen wordt geteisterd sterk op de fruitboomteler oom Gregor, met het petekind als de verteller en ‘chroniqueur’. Helemaal aan het slot van Nog altijd storm herinnert de verteller zich een epifane ervaring in een voormalig goudgraversdorp in Alaska, dat hij ooit bezocht. Tussen het massale gekrioel van de toeristen ontdekte hij een paar inheemse bewoners. Die bleken een eigen code te hanteren om over en door de toeristen heen met elkaar te communiceren.
De lezer moet onmiddellijk denken aan de moeder van de vertellen die hem hierboven toevertrouwde: ‘Wij allen hier verzameld zijn te herkennen aan onze taal, kunnen elkaar zo tenminste herkennen, ieder van ons kan de ander als een van ons herkennen.’
Handke herinnert ons hiermee aan de realiteit dat er tot op de huidige dag – en misschien meer dan ooit – veel en veelsoortige ontheemden in onze wereld bestaan. Daarmee is Nog altijd storm meer dan een prachtige, poëtische en theatrale roman alleen.


Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.


