• Schilderes van stillevens in woorden

    Schilderes van stillevens in woorden

    Het beroemdste korte verhaal in de literatuur is waarschijnlijk dat van Ernest Hemingway: ‘For sale: baby shoes, never worn’. Zes woorden en in Nederlandse vertaling (‘Te koop: babyschoentjes. Nooit gedragen’) zelfs maar vijf. Het is de vraag of Hemingway het zelf bedacht heeft, want er bestaan vrijwel gelijkluidende advertenties uit oude kranten. In elk geval zág hij er het verhaal in.
    Eén van de verhalen uit het eind vorig jaar verschenen Onze vreemden van Lydia Davis is getiteld ‘Excuses voor het storen’. Het beslaat twintig pagina’s met zo’n tweehonderd van dergelijke zinnen uit oproepen in kranten, buurtapps of Facebook.  Ze zijn door Davis verzameld omdat ze steeds weer een verhaal doen vermoeden. De adverteerders beginnen hun vraag af en toe met een excuus voor de storing van de lezer – vandaar de titel van deze verzameling. Davis rangschikt de oproepen bovendien zo dat ze onderling samen lijken te hangen door een chronologie: ‘Mahoniehouten sopraan-ukelele van Ohana met koffer. In perfecte staat, nauwelijks aangeraakt’ wordt bijvoorbeeld gevolgd door ‘Ukelele weg! Dank u.’  Ook deze verbindingen doen weer verhalen vermoeden: waarom werd de ukele afgedankt? Wie nam hem over? Leerden de twee personen elkaar kennen?

    De Amerikaanse Lydia Davis (1947) is naast schrijver vertaler van Franse literatuur (onder andere Proust). Haar eigen werk omvat voornamelijk essays en korte verhalen. In die laatste categorie geldt zij min of meer als ‘the Queen of the short story’. Dat wordt bevestigd door de talloze prijzen die ze ontving. Ook in het Nederlands is veel werk van haar verkrijgbaar.

    Boekenlegger

    Onze vreemden is opnieuw een sterk staaltje van hoe ze met een paar woorden een hele wereld of een karakter weet neer te zetten. Bijvoorbeeld in ‘Smachtende oude vrijster’ dat er in zijn geheel zo uitziet:

    Wat is het
    dat haar heel licht aanraakt in het bad
    terwijl ze achterover ligt in het warme water?
    Ach,
    een drijvende boekenlegger…

    Dat lukt Davis ook in de wat langere stukken, zoals ‘Winterbrief’, met zijn veertien pagina’s het langste in de bundel. Het is een brief van een moeder aan haar ‘kinders’. Ze is met haar man op een vakantie en ze schrijft ‘wat we zoal hebben uitgevoerd’. De dagen brengen weinig opwinding met zich mee, maar onderhuids komt de lezer van alles te weten over de relatie tussen haar en de vader van haar kinderen zonder dat daar over wordt uitgewijd. Dat gebeurt hooguit in verzuchtingen als ‘Ik weet dat dit niet erg boeiend is, maar zo is ons leven.’

    Zoutkorrel

    Veel van de verhalen bevatten niet echt een pointe. Het zijn eerder sfeerschetsen of observaties, die vaak poëtisch zijn. Hoe sterk is bijvoorbeeld deze bijna-haiku (zowel in het Engels als in het Nederlands wordt niet strikt aan het aantal vereiste lettergrepen voldaan) ‘Achternamiddag’:

    Zo lang als de schaduw is,
    die over het aanrecht valt,
    van deze zoutkorrel.

    Davis beschrijft situaties die je aandacht vestigen op eigenaardigheden van de taal of van  intermenselijke contacten. In het titelverhaal ‘Onze vreemden’ lezen we onder andere (de verteller is verhuisd en heeft dus een nieuwe buurman): ‘door wat we met elkaar gemeen hebben worden we samen een soort familie. We lijken op een familie en niet op een familie, aangezien we als vreemden bij elkaar zijn gekomen en een tijdelijk verbond vormen, terwijl familieleden vaak vreemden voor elkaar worden en alleen nog verbonden blijven door bloed. Een buurman wordt een soort neef of ouder. En anders wordt een buurman een bittere vijand, een ondraaglijke aanwezigheid die je grondgebied belegert’. Waarna in dit verhaal nog eens tien andere schetsen van mogelijke verhoudingen tussen buren volgen.

    Commotie

    In enkele verhalen laat Davis zien hoe zij / haar personages betrokken zijn bij bijvoorbeeld het milieu. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het verhaal ‘Brief aan de Amerikaanse Posterijen inzake een affiche’ waarin de verteller zich druk maakt over verzending van bestellingen in te grote verpakkingen – zeer herkenbaar; en in ‘Best Who gives a C’, een brief die gaat over de opdruk van zo’n tekst op verpakking van WC-papier. Daarmee word je als koper liever niet gezien (‘Who gives a C’ betekent ‘Iedereen heeft er sch*** aan’), schrijft ze de fabrikant.

    Davis schrijft geen letter teveel. In haar verzameling beschouwingen De schoonheid van weerbarstig proza uit 2019 staat een essay waarin ze uitlegt hoe ze soms maanden kan doen over één zin. Aan de hand van een voorbeeld laat ze zien hoe die ene zin steeds weer werd bijgeslepen. Dat leidt tot een beknoptheid en kernachtigheid waarin alle overbodigheid is weggesneden. Een prachtig voorbeeld is het verhaal ‘Treinincident’. Daarin wordt met humor en zonder opgeklopte bewoordingen de commotie beschreven die de ik-figuur in een treincoupé veroorzaakt als ze naar het toilet moet en wil voorkomen dat haar spullen worden gestolen.

    Wellicht het mooiste stuk in Onze vreemden is ‘Hoe hij in de loop van de tijd is veranderd’. Het is de beschrijving van de teloorgang van een voormalige geleerde die steeds meer van de zinvolle invullingen van zijn leven verliest waar hij een grote waarde aan hechtte. Zonder dat Davis uit is op effectbejag voel je steeds meer compassie met de man.
    Een paar jaar geleden zei Davis in een interview met The Guardian dat ze in dit verhaal (toen nog alleen los gepubliceerd in een Amerikaans magazine) een fictieve gedaanteverandering van Thomas Jefferson in Donald Trump voor ogen had. Dat wetend wordt de beschrijving zoveel groter en tragischer: in nog geen acht pagina’s lezen we hier het mentale verval van de VS.

    Onze vreemden is meesterlijk en overrompelend.

     

     

  • Oogst week 9 -2024

    Mijn moeder lacht

    De Belgische regisseur Chantal Akerman (1950 – 2015) begon al op jonge leeftijd met films maken, en is vooral bekend van de film die zij op 25-jarige leeftijd maakte en die wordt beschouwd als een van de eerste en grootste voorbeelden van de feministische film: Jeanne Dielman, 23 Quai du Commerce, 1080 Brussel uit 1975. De film werd in 2022 door het Britse Film Institute uitgeroepen tot ‘beste film aller tijden’.

    Daarvóór had zij al diverse films op haar naam staan waaronder Hotel Monterey (1972) en Je, Tu, Il, Elle (1974), maar ook daarna heeft zij nog tal van films gemaakt. Akerman was en bleef een inspiratie voor een hele generatie regisseurs.

    Akerman kwam uit een Joods-Pools gezin. Haar moeder met wie zij een hechte band had, was een overlevende van Auschwitz. Haar grootouders stierven daar. De band met haar moeder en de oorlogsgeschiedenis van haar familie zijn terugkerende thema’s in haar werk.

    Akerman schreef Mijn moeder lacht toen ze haar moeder verzorgde toen die in 2013 op sterven lag. Mijn moeder lacht gaat over haar jeugd, de ontsnapping van haar moeder uit Auschwitz, haar liefde voor haar vriendin C. en de angst voor de tijd na het overlijden van haar moeder.
    Niña Weijers schreef het voorwoord bij Mijn moeder lacht.

    In het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel is vanaf half maart t/m half juli 2024 een expositie over het werk van Chantal Akerman te zien.

    Meer informatie over Chantal Akerman is terug te vinden op de website van de Chantal Akerman Foundation.

    Mijn moeder lacht
    Auteur: Chantal Akerman
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Starfighter

    Binnenkort verschijnt er bij uitgeverij Palmslag het boek Starfighter van Jan Kloeze.
    Op de flaptekst is te lezen: ‘Aanvankelijk is Job een dromerige jongen die in de jaren tachtig opgroeit met een onverdraagzame vader en een behoeftige moeder. Hij is bereid ver te gaan om zijn ouders het hoofd te bieden; hij kruipt in de grond, brengt een offer, strijdt letterlijk tegen het leger, dreigt bij partnerruil zijn vaders plaats in te nemen en schaart zich aan de kant van het zwarte schaap in de familie. Steeds echter blijft hij met lege handen achter.

    Jaren later kenmerkt zijn volwassen leven zich door voorzichtigheid. Hij durft niet meer voluit te leven. Gedwongen door zijn vrouw treedt hij toe tot een therapiegroep aan de Waal. Daar wordt hij als het ware wakker geschud. Hij verandert in een handelende man die na het overlijden van een vriendin besluit tot een radicale actie. Dat zet een reeks gebeurtenissen in gang, alsnog leidend tot de confrontatie met zijn verleden.’

    Jan Kloeze (1959) studeerde met Starfighter af aan de ‘Schrijversvakschool’ Amsterdam.

    Starfighter
    Auteur: Jan Kloeze
    Uitgeverij: Uitgeverij Palmslag (2024)

    Onze vreemden

    Onze vreemden is een verhalenbundel van de Amerikaanse Lydia Davis. Daarin treffen de mensen elkaar kortstondig, op allerhande plaatsen en in allerlei situaties. Davis observeert en constateert. Ze schrijft over toevalligheden en over gewone dagelijkse zaken.

    Davis (1947) schrijft (ultra) korte verhalen, romans en essays. Met haar The Collected Stories (in het Nederlands in twee delen verschenen als Bezoek aan haar man en Varianten van ongemak), brak ze internationaal door. In 2013 ontving ze voor haar oeuvre de Man Booker International Prize.

    Davis is ook vertaler. Ze vertaalde o.a. werk van Proust, Foucault en Flaubert al dan niet met haar eerste echtgenoot Paul Auster. Ook selecteerde en vertaalde ze korte verhalen van ‘onze’ korteverhalenschrijver A.L. Snijders die in 2016 in de bundel getiteld Grasses and Trees verschenen.

    Haar verhalen zijn heel kort, 1 tot 3 pagina’s, soms zelfs alleen een paar zinnen, zoals op pagina 14 het verhaal ‘Een klein beetje’ over Agnes Varda:

    ‘Agnes Varda, de Franse filmregisseur,
    zei tijdens een interview
    dat ze het leuk vond om een beetje te naaien
    een beetje te koken, een beetje te tuinieren, een beetje voor de
    baby te zorgen,
    maar alleen een klein beetje.’

     

     

    Onze vreemden
    Auteur: Lydia Davis
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact (2023)
  • Oogst week 24 – 2023

    Vlindertje van methusalem. Essays over natuur en landschap.

    In deze rubriek worden ook boeken getipt die al wat langer uit zijn. Zoals Het vlindertje van Methusalem van filosoof en natuurhistoricus Johan van de Gronden dat vorig jaar verschenen is. Het is een prachtige verzameling essays waarin Van de Gronden de weg van zijn speurtochten en onderzoek beschrijft terwijl hij door Midden-Amerika reist en de trek van de bedreigde monarchvlinders zijn aandacht trekt. Deze vlindersoort volbrengt reis van duizenden kilometers en meerdere generaties door rond Allerzielen in Mexico aan te komen. In Zuid-Afrika zoekt Van de Gronden naar de resten van een verdwenen taal en in het Franse Ermenonville overdenkt hij de invloedrijke nalatenschap van de Zwitserse natuurfilosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778).

    Van de Gronden in de inleiding: ‘De essays in dit boek zijn geleidelijk aan tot stand gekomen, terloops ontsnapt aan de waan van alledag. Ze kennen alle een, om eens een medische term te gebruiken, grote latentietijd. Natuurlijk zijn er momenten geweest waarop ik me heb afgevraagd of ik dit ene lucifershoutje nou echt moest afsteken terwijl om ons heen het vuur al hoog oplaaide. Ach, als het vonkje van de verwondering overspringt op een enkeling die even de stilte van het boek verkiest boven het geraas van de wereld, dan is het goed.’

    En dat is waarom wij lezen, dat er een vonkje mag overspringen.

     

    Vlindertje van methusalem. Essays over natuur en landschap.
    Auteur: Johan van de Gronden
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep

    Het bouwen van een zenuwstelsel

    In Het Bouwen van een zenuwstelsel een memoirschrijft Margo Jefferson (1947) over de kunstenaars en musici die haar hebben gevormd en waarom die zo belangrijk voor haar waren. Jefferson is sinds de jaren zeventig een van Amerika’s meest gerenommeerde essayisten en critici. In 2015 werd ze vooral bekend door de publicatie van Negroland, haar eerste boek over zichzelf.

    Jefferson groeide op in een witte welgestelde wijk die haar levenshouding bepaalde. In Het bouwen van een zenuwstelsel breekt Jefferson zichzelf eerst af, en bouwt zichzelf vervolgens weer op door haar gelauwerde kritieken te vervlechten met de woorden van overleden familieleden. Ze beschrijft sleutelmomenten uit haar leven, vermengd met gedramatiseerde berichten van mensen die haar vergezelden.  Zo ontstond een remix van haarzelf en herontdekt Jefferson haar identiteit en de vorm van deze memoir.

    In een interview in de Volkskrant zei Jefferson: ‘Wij waren ons er zeer van bewust dat de witte buitenwereld ons scherp in de gaten hield. Het cliché wilde dat zwarte vrouwen uitgesproken sensueel waren en daarnaast geschikt waren voor zwaar werk. Dat wij intellectueel of kunstzinnig zouden kunnen zijn, was totaal ondenkbaar.’

    Het bouwen van een zenuwstelsel
    Auteur: Margo Jefferson
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2022)

    Cannery Row is de straat waar deze roman zich afspeelt en die door Steinbeck wordt beschreven als: ‘een stinkboel, een geknars, een soort licht, een klank, een manier van leven, een nostalgie, een droom. Op Cannery Row ligt alles op een kluitje of verspreid, een en al blik en ijzer en roest en versplinterd hout, brokkelige bestrating en percelen onkruid en schroothopen, keten van golfplaat waar sardines worden ingeblikt, kroegen, restaurants, bordelen, stampvolle kruidenierswinkeltjes, laboratoria en logementen.’

    Cannery Row speelt zich af gedurende de Grote Depressie en beschrijft de belevenissen van een aantal zonderlinge types, zoals de Chinese kruidenier Li Chong, de zeebioloog Doc, de bewoners van het bordeel van Dora en vooral van Mack en zijn jongens, een groep van vier die leeft aan de rand van de maatschappij, zijn eigen wetten en regels stelt en er een bijzondere levenswijze op na houdt.

    Uit Cannery Row: ‘De winkel van Li Tjong mocht dan geen toonbeeld van netheid zijn, het assortiment was een mirakel. Het was er klein en stampvol maar in die ene ruimte kon je alles vinden wat je nodig had of wat er van je gading was: kleren, zowel vers als ingeblikt voedsel, sterkedrank, tabak, visgerei, machineonderdelen, boten, touw, petten, varkenskarbonades. Je kon bij Li Tjong terecht voor pantoffels, een zijden kimono, een miniflesje whisky en een sigaar.’

     

    Auteur: John Steinbeck
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Oogst week 9 – 2023

    De Pool

    Een concertkring in de gotische wijk van Barcelona organiseert maandelijks een recital. Deze keer hebben ze een bekende maar controversiële Poolse Chopinvertolker uitgenodigd, want, zegt een lid van het organisatiecomité dat verstand van muziek heeft en voorstelde de pianist uit te nodigen: ‘Hij heeft een nieuwe generatie Chopinvertolkers in zijn geboorteland de weg gewezen.’

    In zijn nieuwe roman, De Pool, beschrijft de Australische, van oorsprong Zuid-Afrikaanse, veel gelauwerde schrijver J.M. Coetzee de moeizame liefde die volgt. De pianist wordt na het concert mee uit eten genomen door het organisatiecomité, onder wie Beatriz. Zij houdt niet van zijn Chopin-interpretaties, maar de man zelf met zijn lange zilvergrijze haren is een uitgesproken persoonlijkheid die haar wel boeit.

    De pianist valt als een blok voor Beatriz en maakt avances die zij, getrouwd, afweert. Hij vliegt terug naar Berlijn, maar als hij later weer naar Spanje komt om er een masterclass te geven, doet hij een nieuwe poging en nodigt Beatriz uit. Zij neemt de uitnodiging twijfelend aan. Coetzee, bekend om grote thema’s als liefde en geluk, goed en kwaad, dierenleven, angst en eenzaamheid, tekent in De Pool een ongemakkelijke liefde. Beatriz is twintig jaar jonger dan de pianist en ook taal en cultuur belemmeren moeiteloos spontaan contact.

     

    De Pool
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee 2023

    Het laatste voorjaar

    Lerares Duits Ese besluit in Het laatste voorjaar van Minke Douwesz nogal plotseling tot een fietstocht vanuit Nederland naar Jalta om daar het huis van Tsjechov te bezoeken. Nadat ze op school in conflict kwam met een directeur en een onderwijsvernieuwer die met trendy ideeën bevoorrechte leerlingen wil doen excelleren, heeft ze haar baan opgezegd. Ze is tegen de plannen, maar geen van haar collega’s steunt haar. Bovendien is haar geliefde, Martie, overleden.

    Deze gebeurtenissen hebben Ese doen besluiten tot de afmattende fietstocht door Duitsland, Polen en Oekraïne. Kou, regen en malende gedachten over de gebeurtenissen op school, over de relatie met Martie, over het hedendaagse leven met het ongelimiteerd consumeren van velen en de achteloze omgang met de natuur drukken op Ese’s toch al eenzame tocht.
    Lange tijd laat Douwesz onvermeld wat er precies met Martie is gebeurd. Gaandeweg wordt duidelijk waarom Ese – behalve om het ontslag en Martie’s overlijden – nog meer besloot tot de plotselinge en niet bepaald voor de hand liggende stap.

    Met veel details tekent Douwesz Ese’s dagelijkse werkelijkheid en wisselt ze haar kleine beslommeringen af met overpeinzingen over wereldomvattende onderwerpen.

     

    Het laatste voorjaar
    Auteur: Minke Douwesz
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot 2023

    De Liefdader

    In De Liefdader van Stasio Komar werkt de Nederlandse Julian bij een liefdadigheidsorganisatie en reist hij naar Brazilië om te onderzoeken met welke goede doelen aldaar kan worden samengewerkt. Hij ontmoet er Arnold Burgers, eveneens een Nederlander, die een grote organisatie voor hulp aan straatkinderen leidt. De organisatie is populair, evenals Burgers, maar deze directeur is ook gevreesd in de favela’s van Rio. Julian komen geruchten over zijn seksuele avontuurtjes met minderjarigen in de sloppenwijken ter ore. Hij onderzoekt het verleden van Burgers, stuit ook op gesjoemel met donaties en valse medische titels en gaat vragen stellen. Behalve Burgers zelf is ook niemand in zijn omgeving daarvan gediend, want de achterban is afhankelijk van de financiën van de organisatie. Julian wordt door Burgers monddood gemaakt en uiteindelijk sluit de hele Braziliaanse hulpsector hem buiten.

    Voor Burgers’ gedrag zijn bewijzen noch beschikbare getuigen, tot er compromitterende foto’s opduiken van Burgers en zijn kliek in gezelschap van kinderen. Dan zijn er twee getuigen, die echter worden omgebracht. Burgers gaat op zoek naar de foto’s, wat slecht voor hem afloopt. Helaas raken ook de foto’s verloren.
    De roman laat zien hoe één man zijn gang kan gaan dankzij zijn macht en dankzij degenen die koste wat het kost goed doen voorop willen stellen.

    Stasio Komar (1947) studeerde Frans en had verschillende werkzaamheden waaronder ontwerpen en vertalen. Hij was muzikant, publiceerde zes dichtbundels en werkte als ontwikkelingswerker waardoor hij uit de eerste hand een inkijk in de hulpverleningswereld kan geven. Hij is nog steeds betrokken bij Braziliaanse hulpprojecten. De Liefdader is zijn eerste roman.

     

     

    De Liefdader
    Auteur: Stasio Komar
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman 2022
  • Spel met identiteit en werkelijkheid

    Spel met identiteit en werkelijkheid

    Wie de wereld van de tweede roman van de Franse filosoof, romanschrijver en recensent Maurice Blanchot (1907-2003) betreedt, denkt aan de ene kant in die van Franz Kafka terecht te zijn gekomen. Aan de andere kant proeft de lezer in deze roman uit 1942 een vooruitwijzing naar de nouveau roman van bijvoorbeeld Samuel Beckett en verder in de tijd. De invloed op Blanchots werk door met name filosofen als Hegel en Heidegger en de invloed van Blanchots werk op Emmanuel Levinas (de filosoof van de a/Ander) en Jacques Derrida (la différance) is groot, al is zijn naam voor het grote publiek minder bekend. Daar wil uitgeverij Kievenaar terecht verandering in brengen.

    Het is niet een woord als ‘gedaanteverwisseling’ van de bewaarder van een gebouw waar je oog op blijft rusten, meteen al aan het begin van Aminadab. Het is de sfeer van zowel Het kasteel als van Voor de wet van Kafka die het hele boek ademt. Dat niet alleen, ook de thematiek kent overeenkomsten, al kun je het boek van Blanchot uiteindelijk wel anders duiden. Dat is dan meteen de eigen kracht ervan.

    Licht en donker

    Aan het begin geeft een meisje aan de hoofdpersoon van het boek, Thomas, ‘een kort teken met haar hand dat leek op een uitnodiging, om onmiddellijk daarna het venster te sluiten zodat het vertrek weer in duisternis werd gehuld’. Thomas gaat het gebouw binnen en wordt rondgeleid door de bewaarder/conciërge. Deze vertelt dat iedereen binnen mag komen ‘als hij daar een reden voor heeft’. Dat wil zeggen: een appartement wil huren. Het ene appartement is nog aparter dan het andere.
    De rondleiding krijgt een wending wanneer Thomas zonder nadere uitleg aan een andere man, Dom, wordt vastgeketend en zij in een ‘met zorg gemeubileerde en aangenaam verlichte’ kamer worden ondergebracht. Blanchot speelt hier – net zoals in het vervolg van de roman – met donker en licht: de donkere vensterkamer van het meisje, de lichte kamer waarin Thomas en Dom worden ondergebracht.
    Het is ook licht dat valt op het gezicht van Dom, plus daarop nog een gezicht ‘dat door een tatoeëerder was aangebracht’. Hier speelt Blanchot, net als eerder Hegel en later Levinas, met het begrip identiteit. Het zijn allemaal details (licht/donker, een dubbel gezicht) die je aan het denken zetten over vraag of het boek ten diepste over werkelijkheid en waarheid gaat. ‘Zijn ervaring had hem al geleerd dat de bewoners van het pand niet altijd de waarheid spreken’, schrijft Blanchot bijvoorbeeld over Thomas. Het verdiept, maar kan ook afremmen, terwijl de lezer vanaf deze zinsnede nog ruim driehonderd pagina’s te gaan heeft. Pagina’s zonder hoofdstukindeling en zonder witregels om op adem te komen.

    Verschuivingen

    Zoals Dom een tweede gezicht heeft, zo spiegelen de trappen in het gebouw elkaar en worden antwoorden herhaald als waren het echo’s. Een jonge huisknecht is bijvoorbeeld maar een zwakke afspiegeling van de echte huisbedienden, sommige vrijwilligers imiteren de gewoonten van het personeel. Over identiteit gesproken! Hierdoor ‘werden ze achterbaks, leugenachtig, tiranniek!’
    Op die manier lijkt er bovendien geen sprake te zijn van vooruitgang, zoals er ook wordt vermeld dat bij de inrichting van het gebouw ‘veranderingen uit den boze’ zijn. Er vinden alleen verschuivingen plaats. Ook wat betreft de karaktertrekken van Thomas. Aan het begin laat Blanchot hem vaak diep gekwetst zijn, verbaasd, in zijn wiek geschoten of geërgerd, maar deze aanduidingen blijven gaandeweg de roman achterwege.
    De wereld van het huis is, met andere woorden, verstard, versteend. Wat er ook gebeurt, het huispersoneel en de bewoners leren er niets van. Voor rede is niemand vatbaar. Het is alleen de ervaring die ze wijzer kan maken. De huurders gaan ervan uit dat ze het hele huis huren en niet een appartement. Het zet ze aan ‘tot nieuwe woedeaanvallen en nieuwe wraakplannen, alsof [ze] diep waren beledigd door een vijand die [ze] tot in het diepst (…) had achtervolgd’.

    Straf en wraak

    Op een gegeven moment vindt er een aardbeving plaats en een deel van het plafond bedelft veel mensen en dingen. Een straf die aan duistere machten wordt toegeschreven. Onder de overlevenden zijn huisbedienden die hun werk direct weer oppakken met onnozel overkomende werkjes, te midden van alle puinhopen, zoals het afvegen van een tafel.
    Dit staat in schril contrast tot wat de huisbedienden óók gewoon zijn te doen: ‘zich van bepaalde huurders ontdoen, door hun verblijf buitengewoon ongemakkelijk te maken.’ Die bepaalde huurders zijn ernstig ziek. Geen wonder dat ze de huisbedienden haten. Deze zijn overigens uit alle bewoners van het huis gerekruteerd.
    Beide elementen, het afvegen van de tafel en het rekruteren uit de bewoners, doet denken aan wat in dezelfde tijd dat Blanchot de roman schreef in de concentratiekampen gebeurde: mensen die de straat met een tandenborstel moesten reinigen en bewaarders die onder de joodse kampbewoners werden gerekruteerd.

    Eén van de ziekenverzorgsters heet Barbe. Thomas verbeeldt zich ‘dat als hij haar jurk maar kon aanraken, hij onmiddellijk de slaap zou vatten’. De zieken zijn niets zonder haar. Ze brengt licht, waar de huisbedienden donkerte scheppen. Barbe heeft een boodschap voor Thomas, of was het Dom? Ze beschrijft zichzelf als tussenpersoon, die een beroep kan ‘doen op andere krachten’ dan de hare. Ook ziet ze zichzelf als ‘een nederig dienstmeisje’. Sommige omschrijvingen roepen reminiscenties op aan de Bijbel, namelijk aan Maria, de moeder van Jezus van Nazareth. Net als overigens de titel van het boek, die verwijst naar figuren uit het Oude Testament, maar ook de naam is van een broer van Levinas, die in een concentratiekamp werd vermoord.

    Van boven tot onder

    Barbe kent het huis van boven tot onder en dat is iets dat Thomas ook tot doel heeft: ‘contact te leggen tussen de mensen hierboven en ons’, tussen hemel en aarde of misschien zelfs de onderwereld. Waarbij aangetekend dat op de bovenste verdieping niemand woont en het eigenlijk de bedoeling is dat Thomas zijn bestemming ergens in de souterrains vindt, waar bij werkelijk thuis en vrij kan zijn. Ook hier is er sprake van een veelzeggend detail: de trappen leiden allemaal naar beneden. Geen trap gaat naar boven.
    Uiteraard kun je boven en beneden ook interpreteren als respectievelijk verstand en geest. Met de rede heeft Thomas als gezegd niet veel op, met ervaring des te meer.

    Aminadab is een intrigerend boek, voor avontuurlijke lezers, filosofisch ingestelde lezers, lezers die van Kafka of het surrealisme houden. Méér dus dan je misschien op het eerste gezicht zou denken. Lof aan de vertaler, Peter Bergsma, en aan de uitgever van deze roman.

     

     

  • Hoe een Nobelprijswinnaar doorbrak met een klucht

    Hoe een Nobelprijswinnaar doorbrak met een klucht

    Tortilla Flat, de roman uit 1935 die John Steinbeck bekendheid bracht, is een lofzang op armoede. Geen verontschuldiging ervan, geen aanklacht ertegen, nee een ode aan paisanos, de lanterfantende en wijnzuipende armoedzaaiers die deze roman bevolken. Het boek verscheen tijdens de jaren van de Grote Depressie en de ‘Dust Bowl’ (de droogte en stofstormen, die een grote rol spelen in De druiven der gramschap). Peter Bergsma verzorgde een nieuwe Nederlandse vertaling.

    Geld maakt ongelukkig

    John Steinbeck (1902-1968) was niet de enige Amerikaanse schrijver uit deze periode die schreef over de minst gefortuneerde bevolkingsgroepen. Bijvoorbeeld William Faulkner deed dat eveneens (As I lay dying), John Fante zeker ook (Ask the dust). Tortilla Flat is echter bijzonder, omdat het de miserabele omstandigheden van de bezitlozen niet als problematisch voorstelt. Danny, de hoofdpersoon, en zijn vrienden voelen zich doorgaans gelukkiger zonder dan met bezittingen. Geld en goed zijn voor hen eerder een last, behalve als het om kleine hoeveelheden gaat die direct kunnen worden omgezet in vierliterflessen wijn. Dit blijkt al snel wanneer Danny twee huizen erft in de buurtschap ‘Tortilla Flat’, een klassieke probleemwijk nabij de stad Montery, aan de kust van Californië. Zijn nieuwe status als bezitter van twee woningen past hem helemaal niet. Hij verhuurt het ene direct aan iemand van wie hij al weet nooit een cent te zullen ontvangen. Wanneer dat huis niet veel later afbrandt, valt er een last van Danny’s schouders. In het overgebleven pand komen steeds meer vrienden te wonen. Alleen bed en beddengoed behoudt Danny als privébezit. Maar dan nog; op zeker moment houdt hij het niet langer uit en ontvlucht hij de woning om weer vrij te kunnen leven in de stegen en velden.

    Idealen en absurditeit

    Het drinken van grote hoeveelheden wijn, vervoerd in gecamoufleerde flessen (om te voorkomen dat ongenode derden er lucht van krijgen) en genuttigd uit jampotten, daarom draait het in het huis van Danny. Sinds Hemingways The sun also rises werd er op papier niet zoveel gezopen. Ook hier betreft het door de Eerste Wereldoorlog getraumatiseerde mannen, die niet geloven in het belang van werk en een gezinsleven. Toch zijn de paisanos van Steinbeck niet zonder idealen. In het voorwoord vergelijkt de auteur ze met de ridders van de Ronde Tafel. Hij hijst deze dronkenlappen en kleine criminelen op het schild. En dat zonder ironie, de schrijver heeft duidelijk genegenheid voor zijn personages. Ontroerend is het gedeelte waarin de vrienden azen op het geld dat een zwerver al jaren oppot, totdat ze horen dat die er een gouden kandelaar voor wil kopen. Dit als geschenk voor een katholieke heilige, vanwege een gelofte die werd uitgesproken om een hond te redden. Ze scharen zich allemaal achter het voornemen van de zwerver en vanaf dat moment is de geldschat volkomen veilig.

    Het boek moet echter ook weer niet al te serieus worden genomen. Zie bijvoorbeeld de archaïsche aanvangsbeschrijvingen bij elk hoofdstuk: ‘Hoe Danny, terug uit de oorlog, erfgenaam bleek te zijn, en hoe hij zwoer de weerlozen te beschermen’, enzovoorts. Tortilla Flat heeft de kenmerken van een klucht, met alle promiscuïteit en dronkenschap die daarbij horen. Delen ervan zouden als komisch toneelstuk kunnen worden opgevoerd door een plaatselijk amateurgezelschap. Een grappige anekdote gaat over een moderne, elektrische stofzuiger die Danny zijn minnares cadeau doet. Elektriciteit is er niet in de buurtschap, maar dat maakt voor de dame in kwestie weinig uit; ze produceert het zoemende geluid dat het apparaat hoort te maken gewoon zelf en stijgt hoog in aanzien bij haar vriendinnen.

    Sfeervolle beschrijvingen

    Een boek dus dat de maatschappelijke normen terzijde schuift en er een alternatieve wereldorde voor in de plaats stelt, waarin degenen zonder baan en zonder ambitie aan het langste eind trekken. Dit alles wordt ook nog eens opgetekend in een bijzonder fraaie stijl. Het vijfde hoofdstuk opent bijvoorbeeld zo: ‘De middag trad even onmerkbaar in als de ouderdom bij een gelukkig mens. Een beetje goud drong het zonlicht binnen. De baai werd blauwer en geribbeld door de zeewindrimpelingen. De eenzame vissers die geloven dat de vis bijt bij vloed verlieten hun rotsen, en hun plek werd ingenomen door andere, die ervan overtuigd waren dat de vis bijt bij eb.’
    Dergelijke korte intermezzo’s vind je om de haverklap terug in dit boek. Vaak gaat het over het weer, de natuur of de tijd. De schrijver weet hiermee de sfeer van de havenstad goed te vangen.

    In 1962 kreeg John Steinbeck de Nobelprijs voor literatuur toegekend, een destijds bekritiseerde keuze. Het is te hopen dat Peter Bergsma na drie moderne Steinbeck-vertalingen voor Van Oorschot (Muizen en mensen, Ten oosten van Eden en Tortilla Flat) ook de gelegenheid krijgt zich te storten op De druiven der gramschap, want dit tijdloze werk van de Nobelprijswinnaar verdient een recentere vertaling dan die uit 1940. Tortilla Flat is echter meer dan een opwarmer; wie het openslaat zal ontdekken dat het moeilijk is om geen sympathie te krijgen voor Danny en zijn broederschap van de druif.

     

  • Een taaie kluif

    Een taaie kluif

    In het nieuwe boek van de Japans-Engelse schrijver Kazuo Ishiguro, Klara en de Zon (2021) is de hoofdpersoon een geavanceerde robot: Klara, een Kunstmatige Vriendin, een KV.

    De roman begint in de KV-winkel in een drukke straat met veel hoogbouw. Klara wacht met andere KV’s totdat een kind haar zal uitkiezen. De Cheffin, met hoofdletter, vertelt hoe ze zich moet gedragen om uitgekozen te worden. Als op een dag een kind in haar geïnteresseerd is, reageert Klara niet op haar, tot ongenoegen van de Cheffin. Klara verontschuldigt zich, legt uit dat ze zo reageerde omdat ze ‘voor dat bewuste kind, misschien niet de beste keus zou zijn.’  De Cheffin wijst haar terecht: ‘Het is de klant die de KV kiest, nooit andersom.’ De Cheffin benoemt Klara’s kwaliteiten: ‘Klara heeft zoveel unieke eigenschappen, we zouden hier de hele morgen kunnen blijven staan. Maar als ik er één zou moeten benadrukken, nou, dan zou het haar lust tot leren en observeren zijn. Haar vermogen om alles wat ze om zich heen ziet in zich op te nemen en te combineren is verbazingwekkend.’ De manier waarop Klara haar omgeving ‘scant’, in kegels, driehoeken en andere vormen benadrukken haar robotzijn. Ze ziet de patronen van de Zon op muren en vloeren.

    De kracht van de zon

    Twee belangrijke gebeurtenissen buiten de winkel zijn bepalend voor het verloop verhaal. In de etalage vangt Klara veel Zon en daardoor voelt ze zich energiek. Ishiguro gebruikt ook hier een hoofdletter. Klara ziet hoe een zwerver (‘Bedelman’) en zijn hond bewegingloos in de schaduw op straat liggen. Ze concludeert dat zij dood zijn. De volgende dag ziet ze ‘dat een speciaal soort voeding van de Zon hen had gered.’ Een tweede gebeurtenis heeft te maken met werkzaamheden in de straat. Een grote asfalteermachine – de ‘Cootings-machine’ – stoot zwarte rook uit en verduistert de winkel waardoor de KV’s een tijdje geen energie van de Zon meer krijgen.

    Speciale hulp gevraagd

    Klara komt bij Josie, haar Moeder en Melania Huishoudster in huis. Zij houdt Josie nauwlettend in gaten, geprogrammeerd als zij is om dienstbaar te zijn. Ook hier is Klara afhankelijk van de energie van de Zon. Ze ziet dat de Zon ondergaat achter de schuur van McBain en ze interpreteert dat als: de Zon gaat daar slapen. Dan blijkt Josie ziek te zijn. Moeder tegen Klara: ‘Het moet soms prettig zijn om geen gevoelens te hebben. Ik benijd je.’ Klara reageert: ‘Ik geloof dat ik veel gevoelens heb. Hoe meer ik observeer, des te meer gevoelens er voor me beschikbaar komen.’ Klara herinnert zich hoe de Zon Bedelman en zijn hond beter heeft gemaakt. Ze denkt dat de zon ook Josie kan genezen. Daarom wil ze naar de woonplaats van de zon, de schuur van McBain. In die bijna religieuze ruimte met oranje licht en stofdeeltjes dansend in het zonlicht, probeert ze de zon gunstig te stemmen. Ze stelt een overeenkomst voor: Stel dat ik in staat zou zijn de vervuilende machine kapot te maken, zou jij dan, in ruil willen overwegen je speciale hulp aan Josie te geven?

    Elitemaatschappij

    De wereld van Klara wordt groter. Eerst kent ze alleen de winkel en het huis van Josie. Later maakt ze met de familie uitstapjes naar de stad. Zo krijgt de lezer een idee van hoe de toekomstige maatschappij eruit ziet. Veel kinderen zijn genetisch gemanipuleerd, ‘opgetild.’ Deze elitekinderen krijgen les via beeldschermen en kunnen later naar de universiteit. Rick, het speelkameraadje van Josie, is niet opgetild en hij kan daarom niet studeren. Kinderen kunnen daardoor ‘in deze wrede wereld’ geen fatsoenlijk leven krijgen. Klara geeft hem daarom bijles. De tegenstellingen in de maatschappij zijn groter geworden. Veel ouderen zijn ‘vervangen’ door robots.  ‘Uit dienst getredenen’ moeten geherhuisvest worden. KV’s mogen mee het theater in: ‘Eerst pikken ze de banen in. En daarna de plaatsen in het theater.’  Het is een maatschappij met veel veranderingen. ‘Iedereen moest nieuwe manieren vinden om zijn leven te leiden.’ Groepen komen gewelddadig tegenover elkaar te staan, de oude beroepselite bewapent zich. Drones worden ingezet om mensen te observeren.

    Mooie beelden

    Ishiguro heeft een sobere stijl. Veel dialoog, beschrijvingen zonder opsmuk. Af en toe maakt hij gebruik van mooie beelden. Bijvoorbeeld als Josie en Rick samen zitten te tekenen, over hun mogelijke toekomst samen. Hun tekeningen doen wel wat denken aan Chagall: ‘Tekening-Josie en Tekening-Rick leken door de hemel te zweven, de bomen, wegen en huizen ver onder hen gereduceerd tot miniatuurformaat. Achter hen, in de sectie van de hemel, vlogen zeven vogels in formatie. Tekening-Josie hield met twee handen een grotere vogel omhoog, die ze als een speciaal cadeau aanbood aan Tekening-Rick.’

    Levenslessen

    De roman van Ishiguro bevat meerdere levenslessen. ‘Opgetild of niet, echt talent mag niet onopgemerkt blijven.’ De diepere les van Klara en de Zon is dat ieder mens bijzonder is, dat wat het unieke van iemand bepaalt van binnen zit, het menselijk hart: ‘Iets wat ieder van ons bijzonder en individueel maakt.’
    Ishiguro laat de lezer nadenken over de gevaren van robots met kunstmatige intelligentie. Hoe zit het met hun gevoelens, empathie en de manier waarop zij leren? Dergelijke robots kunnen op basis van foutieve observaties overgaan tot ongewenste acties. Zij maken mensen overbodig, waardoor spanningen in de maatschappij toenemen.

    Veel vragen

    Je blijft als lezer wel met een boel vragen zitten. Waarom is zo’n geavanceerde robot niet verbonden met het internet? Het apparaat krijgt ook geen updates en heeft geen toegang tot de wetenschap, maar kan wel een van de niet opgetilde kinderen bijles geven. En waarom weet ze niet dat ze opgeladen wordt door zonne-energie? De lezer moet het allemaal maar geloven.
    Van de toekomstige maatschappij krijgt de lezer een akelige indruk. De tegenstellingen tussen groepen worden groter. Het kan zelfs uitlopen op geweld, maar Ishiguro werkt die verhaallijnen niet verder uit.
    Klara en de Zon bevat belangrijke levenslessen en geeft veel stof tot nadenken over de uitdagingen en gevaren van zelflerende kunstmatige intelligentie. De lezer blijft met veel vragen zitten. Van hem wordt een flinke dosis doorzettingsvermogen gevraagd om het boek uit te lezen.

    Bekroond schrijver

    Kazuo Ishiguro (1954) stond met zijn romans meerdere keren op de shortlist voor de Booker Prize. Voor zijn derde roman De rest van de dag (The Remains of the Day) uit 1989 won hij die prijs. Na een oeuvre van zeven romans ontving hij in 2017 de Nobelprijs voor literatuur. Ishiguro is geboren in Japan (Nagasaski, 1954), maar groeide vanaf zijn zesde op in Engeland. Peter Bergsma maakte van Klara and the Sun een uitstekende vertaling.

  • Oogst week 11 – 2021

    Ik zeg Emily

    De poëziebundel Ik zeg Emily is het debuut van Yentl van Stokkum, waarin een jonge dichter een bezoek brengt aan het graf van Emily Brönte (1818-1848, de middelste van de gezusters Brönte, die onder andere Wuthering Heights schreef). De verteller raakt bezeten door de vroeg gestorven Emily, haar leven en werk, en lijkt een verbond aan te willen gaan met de ziel van de dode dichter.

    ‘het verlangen naar Emily is simpel
    en ik wil de associatie vermijden met woorden als
    kwetsbaar ode oprecht liefdevol romantisch romantiek (…)’

    Daartoe reist de verteller naar het graf van Emily Brönte in Scarborough (‘mag ik zeggen dat het graf tegenvalt’). Het ‘hier en nu’ klinkt door in hoe de reis wordt beschreven: de verteller raakt niet alleen aan Emily en haar historische belang, maar ook aan hoe het is om nu vrouw te zijn, bijvoorbeeld in ‘advies voor een jonge alleen reizende vrouw’.

    Yentl van Stokkum (1991) is toneelschrijver en dichter. Ze schreef al voor Hard//hoofd, er is werk van haar opgenomen in de bundel NYX van de feministische uitgeverij Chaos en ze begon tijdens het Slow Writing Lab waaraan ze deelnam met het schrijven van poëzie over Emily Brönte.

     

    Ik zeg Emily
    Auteur: Yentl van Stokkum
    Uitgeverij: Hollands Diep

    Een Alpenroman

    Goed nieuws voor degenen die verzuchten dat er tegenwoordig nog maar zo weinig Vestdijk wordt gelezen: Een Alpenroman is heruitgegeven. De roman deed bij verschijning in 1961 nogal wat stof opwaaien: Vestdijk beschrijft in zijn roman de lesbische liefde tussen de Nederlandse Lucie Ebbinge en Duitse Anna Brandner, die serveerster is in het hotel, in feite kuuroord, waar Lucie verblijft te Oberstdorf. Vestdijk beschrijft hun liefde zeer gedetailleerd, wat hem op onbegrip bij recensenten kwam te staan. Er werd geschokt gereageerd op de lesbische liefde van Lucie en Anna: ‘Dit boek is ziek, zo ziek.’ (Algemeen Handelsblad);  ‘verboden vorm van geslachtelijke liefde’ (Trouw). Maar niet enkel die liefde analyseert Vestdijk: maatschappelijke tegenstellingen en religieuze waarden en belangen spelen eveneens een belangrijke rol.

    Een Alpenroman verscheen voor het eerst bij De Bezige Bij, en is nu door Uitgeverij kleine Uil opgenomen in de zogenoemde Regenboogreeks, met daarin ‘klassiekers uit de lhbt-literatuur’.

    Een Alpenroman
    Auteur: Simon Vestdijk
    Uitgeverij: Kleine Uil, Uitgeverij

    Klara en de Zon

    In Klara en de Zon van Kazuo Ishiguro is het titelpersonage een ‘Kunstmatige Vriendin’, ofwel: een robot, nauwelijks van een echt mens te onderscheiden, met dezelfde zachtheid en toewijding. Dat Klara de wereld anders waarneemt – technisch gesproken – maakt niet dat ze niet naar menselijk contact smacht en wacht tot iemand haar meeneemt om deel te laten uitmaken van het eigen gezin. Dat laatste gebeurt: ze komt terecht bij de ziekelijke tiener Josie. Wanneer Josie zelf niet in staat is om haar rol binnen het gezin te vervullen, wordt Klara zo geprogrammeerd dat zij dat voor haar kan doen. Daarmee worden thema’s als genetische manipulatie, A.I. en big data aangesneden. Over de verhouding van Klara en de Zon tot de tijd waarin we leven, stelde Ishiguro in een recent interview met The Guardian het volgende:

    ‘“What happens to things like love in an age when we are changing our views about the human individual and the individual’s uniqueness?” he asks. “There was this question – it always sounds very pompous – about the human soul: do we actually have one or not?”’

    Ishiguro won in 2017 de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn The Remains of The Day werd bekroond met de Booker Prize en verfilmd met Anthony Hopkins in de hoofdrol.

    Klara en de Zon
    Auteur: Kazuo Ishiguro
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

    Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

    In De naam van de wereld (2000) van de Amerikaanse auteur Denis Johnson (1949-2017) werkt universitair docent Geschiedenis Michael Reed bij de faculteit Geesteswetenschappen in het midwesten van de VS, en gaat hij ‘ogenschijnlijk verlamd of onverschillig’ door het leven, nadat hij vier jaar eerder zijn vrouw en dochter verloor door een auto-ongeluk. Hij bleef doen wat hij al jaren deed. ‘Ik kwam opdagen waar ik was uitgenodigd. Ik las heel wat af in de bibliotheek. Ik ging in mijn eentje naar de film. Ik keek naar de schaatsers op het campusmeertje. Heel wat vaker dan ik aan de grote klok zou willen hangen had ik denkbeeldige gesprekken met ene Bill’. Bill is suppoost bij een museum en wisselt zelden een woord met bezoeker Michael.

    In het begin van het boek ontmoet hij tijdens een dinertje onder anderen Heidi Franklin, een historica van de kunstacademie. Ook aanwezig is een jonge studente die voor de aanwezigen cello speelt. Tien pagina’s verder gaat Michael naar het Schone Kunstengebouw om Heidi op te zoeken. Hij wordt verwezen naar een ruimte waar een ‘Cannon Performance’ gaande is. ‘…op een klein podium zat een vrouw met haar benen wijd op een tafel, haar linkervoet opgetrokken naast haar […] die bezig was haar ingezeepte venusheuvel te scheren.’ Dan schrijft Johnson: ‘Het duurde even voordat ik de jonge vrouw herkende die ik […] had ontmoet als Heidi Franklin, dat wil zeggen, de aangeschoten celliste in de blauwe fluwelen jurk.’ Maar bij dat dinertje is Heidi niet de aantrekkelijke roodharige in een blauwe fluwelen jurk (dat is de studente/celliste) maar een ‘vriendelijke maar onbeholpen vrouw, nauwgezet en wanhopig… niet moeders mooiste,’.

    Storende twijfel

    Enkele pagina’s verder schrijft Johnson dat Michael, als hij weer buiten staat, Heidi Franklin straal vergeten was. Ze komt inderdaad in het hele boek niet meer voor. De studente/celliste daarentegen wordt de pijler waarop het verhaal rust. Het is moeilijk voor te stellen dat Johnson met zijn handelskenmerk van trefzekere stijl en precieze zinnen hier een vergissing gemaakt heeft. Bovendien heeft hij er een handje van om zijn personages van een onduidelijke achtergrond te voorzien. Meerdere paspoorten, gevaarlijk werk en al of niet aanverwante dubieuze bezigheden, illegale plannen en vage doelen, doemen veelvuldig op in zijn verhalen en soms zelfs de vraag of iemand überhaupt bestaat. Johnson laat altijd reden tot twijfel. In De naam van de wereld laat hij Michael denken: ‘Zelfs feiten die dingen betroffen bevielen me niet, en op een heimelijke manier kreeg ik een hekel aan de waarheid zelf.’ Als de verwisseling van Heidi en de celliste al een bedoeling had, blijft die tot op het einde een raadsel. En eigenlijk stoort dat.

    Spel

    Steeds “toevallig” komt Michael ergens de kunststudente/celliste tegen. Ze blijkt de merkwaardige naam Flower Cannon te bezitten, waar ze later een verklaring voor geeft. Ze vertelt hoe ze als kind eens, via een man die haar meenam, terechtkwam in een huisje van peperkoek en dat daar wel of geen blind meisje aanwezig was. Van het blinde meisje overpeinst Michael of het misschien de geest van zijn overleden dochtertje was. Zo haspelt Johnson wederom personages door elkaar.

    Na de eerste toevallige ontmoeting denk je als lezer, nee, het zal niet waar zijn, niet de banaliteit van jonge vrouw – oudere man, na de regelrechte verwijzing naar het seksuele tijdens de performance en kort daarna als hij haar toevallig als stripper ziet optreden. Maar jawel, steeds duikt Flower Cannon weer op in losse situaties en scènes waarin een spel van aantrekking en afstoting lijkt te worden gespeeld. Het maakt de indruk van een zwaktebod van de auteur, iets wat niet des Johnsons is. Het is ook niet de bijna-seks met Flower die tot Michaels catharsis zal leiden. Schrijver Auke Hulst heeft het in zijn haast lyrische nawoord over de ‘diepere lagen’ van hun ontmoetingen. En die zijn nou juist ongeloofwaardig, want nietszeggend en semi-vertrouwelijk. De diepgang mag de lezer er zelf bij bedenken.

    Kerkzang

    Denis Johnson vindt zichzelf een christelijke schrijver die zich afvraagt hoe het zit met de existentie van God in een onrustige wereld, zo memoreert de New York Times in mei 2017 de dan net overleden schrijver: ‘Ik heb het gevoel dat God ons nogal grappig vindt. Maar dat is alles wat ik uit naam van God kan zeggen. Hij houdt zich niet met mij bezig.’ Dit zien we terug in De naam van de wereld. Nadat Michael Flower Cannon vanuit een supermarkt volgt komt hij in een grote kerk bij een sekte terecht. De volgende pagina’s worden gedomineerd door de kerkdienst en de aanwezigheid van Flower, en komt Johnsons idee van God naar buiten. ‘… ik had er inmiddels al behoorlijke tijd grondig de pest aan, aan die moordenaar, die dader, in wiens wezenloze zilveren ogen niemand te onbetekenend was, te onopmerkelijk, te onschuldig en klein om over het hoofd te worden gezien bij het uitdelen van drama.’ Dit ‘almachtige ding’ dat Michael ‘als een duisternis en een last’ beschouwde verdwijnt tijdens de kerkzang waaraan hij zelf ook meedoet. Hij is bevrijd van zijn lijden, er is geen God. Maar Johnson zou Johnson niet zijn als niet ook dit boek getuigt van zijn fijnzinnige onderkoelde humor. ‘Ik ben zo iemand die denkt dat hij wijs kan houden, en dus zong ik mee, en niemand snoerde me de mond. Tot even over zes […] loofden we het lege universum. Ik voelde onze harten almaar omhooggaan in een eindeloze interval zonder dat ze iets in de weg werd gelegd. Heel mijn gelukzalige bevrijde ziel kwam mijn keel uit.’

    Stem van de schrijver

    Na de bijna-seks ziet hij Flower Cannon niet meer. De rouw wordt minder. Zijn baan is hij inmiddels kwijt want zijn contract werd niet verlengd. De laatste twee pagina’s van De naam van de wereld doen denken aan andere boeken van Denis Johnson. Michael laat zich dan inhuren om als journalist naar oorlogsgebieden te gaan, waarmee we weer op vertrouwd terrein zijn. In exotische oorden, geweld, avontuur, risico, misdaad, de zelfkant van de maatschappij, overlevingsstrategieën en illegaliteit, prevaleert de stem van de schrijver die zich niet liet kennen. In scherpe zinnen blootgelegd menselijk tekort en weemoed zijn in Johnsons verhalen nooit afwezig. Rauwheid in De gulheid van de zeemeermin, drugs in Jezus’ zoon, oorlog en spionage in De lachende monsters en Tree of smoke. En juist daar, in de hardheid van het leven lijkt Johnsons ongrijpbare ziel te wonen. Niet in de banaliteit die maar niet wil wijken in De naam van de wereld, ondanks de prachtig gestileerde zinnen. Het maakt dit boek een beetje teleurstellend.

     

     

  • Oogst week 21 – 2020

    De naam van de wereld

    In De naam van de wereld van Denis Johnson heeft de hoofdpersoon, Michael Reed, zich gaandeweg opgewerkt van leraar Maatschappijleer op een middelbare school tot universitair docent aan een Faculteit der Geesteswetenschappen.

    Johnson neemt het academisch reilen en zeilen op de hak en zijn schijnbaar lethargische personage ook, ‘Ik gaf kleine werkgroepen, vroeg slimme, ongerichte studenten boeken te lezen die ik zelf al gelezen had en luisterde daarna hoe ze werkstukken blootstelden aan de kritiek van de rest van de groep. Met andere woorden, ik voerde niets uit.’

    Reed draagt een groot verdriet met zich mee: zijn vrouw en dochter zijn overleden als gevolg van een auto-ongeluk. Als zijn dienstverband beëindigd dreigt te worden, spreekt Reed nieuwe contacten aan en begint hij opnieuw richting te geven aan zijn vastgelopen leven.

     

    De naam van de wereld
    Auteur: Denis Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De smaak van wilde peren

    Er is meer buitenlandse literatuur geoogst: De smaak van wilde peren, van Ewald Arenz. In deze roman draait het om de bijzondere vriendschap die tussen de personages Sally en Liss ontluikt.

    De jonge Sally schopt overal tegenaan, Liss is juist rustig en beheerst – iets wat duidelijk ook in hun vertelstijl wordt weerspiegeld, vlak voor ze elkaar ontmoeten in een wijngaard en Liss om Sally’s hulp vraagt.

    De smaak van wilde peren is het eerste boek van Arenz dat naar het Nederlands is vertaald.

    De smaak van wilde peren
    Auteur: Ewald Arenz
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Maanscherf

    Laurens van den Broek (1989) schreef met Maanscherf zijn debuutroman: een roman waarin hij vader-zoonverhoudingen, reizen en de voorspellende kracht van natuurverschijnselen met elkaar verbindt.

    Het hoofdpersonage, ex-ornitholoog Alphonse (of kortweg Fons) van Felius, reist af naar Les Sept Îles om de populatie jan-van-genten die daar leeft nader te onderzoeken. Langzaamaan lijkt zijn rationele inborst te worden aangetast.

    Het idee voor Maanscherf kreeg gestalte tijdens zijn deelname aan het schrijfkamp van Das Mag, in 2014. Naast schrijver is Van den Broek ontwerper.

    Maanscherf
    Auteur: Laurens van den Broek
    Uitgeverij: Palmslag
  • Mild vernisje over het schrijnende bestaan

    Mild vernisje over het schrijnende bestaan

    Dat in de vijf verhalen uit de bundel De gulheid van de zeemeermin aftakeling en de dood terugkerende thema’s zijn wil niet zeggen dat zwartgalligheid de boventoon voert. Integendeel. Met humor beschrijft Denis Johnson in een mengeling van melancholie en sarcasme het wedervaren van de ik-personen in dagelijkse en minder doorsnee omstandigheden. Veel komt ongetwijfeld uit zijn eigen leven en veel heeft Johnson bekleed met overtuigende fictie.

    In het titelverhaal blikt Bill, een reclameman, terug op kleine situaties zoals werk, bezoek, het in ontvangst nemen van een prijs (waarbij een beknelde zenuw hem belemmert de voorgenomen fraaie toespraak te houden), en een telefoongesprek met een ex. De ex is terminaal ziek en wil voor ze sterft nog graag eens uiten hoe zij onder hem en hun huwelijk geleden heeft, onder zijn ontrouw en leugens. Halverwege het gesprek overvalt Bill de angst dat hij niet meer weet of hij nou zijn eerste of zijn tweede ex aan de telefoon heeft: ‘(…) of ze echt haar naam had gezegd toen ik opnam en wist ik opeens niet meer van welke reeks vergrijpen ik spijt had…’ Treurigheid en komedie gaan hand in hand, net als bij de bloemrijke typeringen elders in het boek, zoals ‘gediplomeerde eunuch’, of ‘met alleen een T-shirt aan waar zijn niet erg aantrekkelijke reet onderuit hing’ en ‘uit de stad Oskaloosa rammelden een heleboel onaangepaste types los’.

    Pseudofictie
    Niet alleen bij de exen, ook in het verhaal ‘Doppelgänger, poltergeist’ gaat het om wie is wie. De hoofdpersoon, een universitair literatuurdocent, vertelt het verhaal van een begaafde leerling, dichter en vriend die zich een half leven laat beheersen door de complottheorie dat de dode Elvis Presley niet de echte Elvis zou zijn. Zelf maakt de docent zich zorgen over een van de gedichten van de vriend, namelijk of hij hem daarin niet te kijk zet, eveneens een identiteitskwestie. In hoeverre dit iets met Johnsons eigen werkelijkheid van doen heeft is de vraag, maar dat hij er in zijn verhalen rijkelijk uit put lijkt zeker, gezien zijn opmerking in ‘Triomf over het graf’, waarin hij verklaart::’Ik ben me ervan bewust dat het gebruikelijk is in dit soort semiautobiografische verhalen – dit soort pseudofictionele memoires – de namen van mensen te veranderen, maar dat heb ik niet gedaan.’ Die laatste toevoeging kunnen we vermoedelijk wel onder de fictie scharen.

    Onduidelijke achtergronden
    Johnsons vorige boek, de roman De lachende monsters, kenmerkt zich door net zulke vaagheid en versluiering van feiten aangaande personages. Hoofdpersoon Ronald Nair is een Deen met zwart haar en grijze ogen, maar in het bezit van een Amerikaans paspoort. Hij zou in dienst van een anti-spionageafdeling van de Navo naar Sierra Leone gekomen zijn om communicatiesystemen van de organisatie te onderzoeken. De maat die hij in Sierra Leone ontmoet, Michael Adriko, is een Afrikaan met een even onduidelijke achtergrond. Zeker is dat de mannen zich eerder samen inlieten met duistere zaakjes en nu kans zien om met oplichting en een blokje uranium rijk te worden. Het boek is een schelmenroman, waarin het criminele luchtje aan Nair en Adriko uit zucht naar geld en avontuur doet denken aan ondeugende jongensstreken. De rauwheid zit hem, behalve in hun eigen gedrag waarin ze elkaar beslist niet ontzien, vooral in de achtergrond vol geweld, bendes en geheime diensten in het toch al niet in vriendelijke stabiliteit uitblinkende Sierra Leone, Oeganda en Congo.

    Niet geschreven brieven?
    In ‘Het starlight op Idaho’ uit de verhalenbundel roept Johnson wederom twijfel op over wat pure fictie en wat realiteit is. Een ik, Marc Cassandra, schrijft vanuit een afkickcentrum brieven aan oude bekenden, familieleden, de satan en zijn dokter en stelt tussendoor de vraag of de brieven echt geschreven zijn. Johnson heeft zelf in afkickcentra gezeten om van drugs- en alcoholverslavingen af te komen, waardoor de lezer al snel geneigd is om alles te beschouwen als afkomstig uit Johnsons eigen leven, behalve dat zijn familie aan de onderkant van de samenleving resideerde. Marc heeft een labiele, apathische vader, een broer die de neus van zijn vriendin tot moes geslagen heeft, een moeder in de gevangenis en een oudste broer ‘die door de staat Texas niet met een schaar wordt vertrouwd.’. Johnson tekent de medeverslaafden in korte, rake bewoordingen, waarmee hij toont hoe dicht mensen in klinieken bij elkaar kunnen staan en hoe groot tegelijkertijd de afstand tussen hen kan zijn. Als Marc van de Refsusal af mag ontstaat helderheid en hoop, een gegeven dat waarschijnlijk wel rechtstreeks stoelt op Johnsons persoonlijke ervaring.

    Menselijk gebrek
    De rauwheid die in ‘De lachende monsters’ nog volop aanwezig is, heeft in ‘De gulheid van de zeemeermin’ een mild vernisje gekregen. Ook al gaat het er in een gevangenis bruut aan toe, en loopt een zieke, verloederende collega-schrijver op ‘gevlochten Japanse slippers, waarvan de gele bandjes voeten omklemden van een mythische gruwelijkheid – knobbelig, dooraderd, met teennagels als roofvogelklauwen’, in de verhalenbundel is het toch boven alles het menselijk gebrek waarin de wreedheid van het bestaan tot uiting komt. Gebleven is het spelen met identiteiten en een fluctuerende werkelijkheid.

    Berusting
    De lust tot avontuur is in De gulheid van de zeemeermin overgegaan in berusting. Dat dood en weemoed over het leven voortdurend aanwezig zijn, zal zijn oorzaak vinden in het feit dat Denis Johnson tijdens het schrijven van de verhalen wist dat hij zou sterven. Hij overleed in mei 2017 op 67 jarige leeftijd. Met zijn korte verhalen, romans, poëzie, toneel en non-fictie en vele gewonnen prijzen gaat hij als een belangrijk auteur de Amerikaanse literatuurgeschiedenis in.