• Myriem El-Kaddouri wint C. Buddingh’-prijs 2025

    Myriem El-Kaddouri wint C. Buddingh’-prijs 2025

    Poetry International maakte onlangs bekend dat de C. Buddingh’-prijs 2025, prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut, gaat naar Hier ligt de waarheid in overdaad (Pelckmans) van Myriem El-Kaddouri (1994). El-Kaddouri  werd in 2023 West-Vlaams Kampioen Poetry Slam, sindsdien draagt ze haar poëzie voor op uiteenlopende podia. Ook is ze tot 2026 Letterzetter (stadsdichter) van Kortrijk.

    In Hier ligt de waarheid in overdaad stelt El-Kaddouri de vraag aan wie de geschiedenis toebehoort. “El-Kaddouri’s waarheid komt dagelijks voorbij, schuilt in de kleinste gedragingen, passeert de vingers als een kraal van een tasbih. In een wiegende cadans raakt ze voorzichtig het verleden aan – zoals ons bloed na een lange reis uiteindelijk weer het hart bereikt”, aldus het juryrapport. De jury las in deze bundel waarheden die zich ongenaakbaar aan hen opdrongen.

    Overige genomineerden zijn:
    Vuurbloem van Roan Kasanmonadi (Lebowski Publishers),
    Bolster van Elise Vos (uitgeverij De Zeef) en
    De dansvloer is van iedereen van Maaike de Wolf (uitgeverij De Arbeiderspers).

    De jury bestond dit jaar uit Mustafa Kör, Mia You en Idwer de la Parra (juryvoorzitter).

    Zaterdag 14 juni staan alle genomineerden op het Poetry International Festival in de multidisciplinaire showcase Buddingh’ Talent.

    Zie hier voor meer informatie over het programma en kaartverkoop.

     

  • Brood en poëzie

    Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • Poëzie in de strijd tegen de Goleman

    Poëzie in de strijd tegen de Goleman

    De wolkendragers van Peter Holvoet-Hanssen is een dichtbundel die niet uitsluitend gedichten van hemzelf bevat, maar die de resultaten draagt van een groot project waaraan meer dan dertig individuele dichters, collectieven en verschillende andere groepen aan hebben bijgedragen. Deze groepen bestonden uit klassen van middelbare scholen, patiënten van de oncologische afdeling van een ziekenhuis, psychiatrische patiënten en nog veel meer mensen. Dat leverde een bonte stoet gedichten op, waarbij Holvoet-Hanssen de eindredactie op zich nam, maar vaker nog werden de gedichten afgedrukt zoals ze ontstaan waren. 

    De rode draad in deze overvloed van gedichten is de strijd van de wolkendragers tegen de Goleman, een reus die aan de Golem doet denken, een mensfiguur uit klei gemaakt. Deze Goleman bedreigt de wereld van de mensen als vijand van alles wat mooi en goed is. Onder de wolkendragers bevinden zich de dichters die hem bevechten door middel van het woord, ieder op zijn eigen manier. Dat levert een verzameling aan gedichten op in allerlei varianten en uiterlijke vormen, van prozagedichten tot aan typografische gedichten. Het doet nog het meeste denken aan de werkwijze van Paul van Ostayen, een dichter die door Holvoet-Hanssen gezien wordt als zijn grote voorbeeld. 

    Verzet tegen de Goleman

    De bundel bestaat uit drie afdelingen: bovenstroom, onderstroom en tegenstroom. Het gedicht dat aan de afdelingen vooraf gaat, kondigt het verzet tegen de Goleman al aan in de laatste strofe:

    het totaalmoment kijkt met een derde oog; nu brandt de stad
    in de verte tussen zee en hemel als een een kamertje
    in je hoofd en zo is dit gedicht gedaan, het tilt je op
    fluistert in je oor: ‘laat ons verrijzen als vers brood uit het
    bont geslagen deeg des levens, glippend door de tanden van zes
    hondenuilen want wij zijn van wind en als het lot ons vangt
    vliegeren wij weg’- sta recht, zeg: ‘Goleman, wat heb jij pech
    want jij kent geen voetjes in het zand met uitzicht op het licht’

    (Uit: Trinacria, Vuurtorenstraat)

    Hierna volgen gedichten over Antwerpen, geschreven door leerlingen van een middelbare school, waarin verandering en beweging belangrijke motieven zijn. Vervolgens worden gedichten ‘uit de zeef van een goudzoeker’ afgewisseld met prozafragmenten uit de memoires van een Vlaamse SS-ooorlogsreporter en een bladzijde uit het dagboek van een bemanningslid van een Duitse onderzeeboot. Na een vissersopstand als intermezzo wordt een toneelscene beschreven over een auto-ongeluk met dodelijke afloop, waarbij de ‘snarenraker’ het laatste woord heeft: de dood is niet het einde. 

    Overweldigende verzameling gedichten

    Als de Goleman zelf aan het woord komt, blijkt hij het verlangen te hebben een mens te zijn, ook al weet hij niet wat dat inhoudt en kan hij geen hoogte krijgen van de mensen. De dichter krijgt een opdracht:

    Mensenkind, jij moet schrijven over Amaradja, droomgeliefde smaragd.
    laat je woorden als spreeuwen samentroepen. Tik met je dichter-snavel
    op de taal, de sterren melkwit. Goochelarend, dit moet ik je melden:
    zolang je gedichten maakt die Goleman niet zou kunnen bedenken,
    zolang blijf je in leven. Betreed gebieden die onze meester niet onder
    woorden, niet onder de verzenknie krijgt. Kom vogeltje, chip chip chip.

    (Uit: Logo van het blauwe hekje)

    In de tweede afdeling, onderstroom, zijn vuur en licht de belangrijkste elementen. Ook hier wordt in proza gesproken over de Tweede Wereldoorlog als een dreiging uit het verleden, waarbij Marinus van der Lubbe als wolkendrager opgevoerd wordt. Ook hij kwam in opstand tegen een allesoverheersende Goleman. Als lichtvoetige tegenhanger komen hierna weer de kinderen aan het woord in lyrische gedichten, en ook Orpheus en Eurydice, een zeemeermin, een Tibetaanse lama en Aristophanes worden opgevoerd in de gedichten. De bonte verzameling van allerlei gedichten is overweldigend, de vormen zijn velerlei, van toneeldialogen, prozateksten tot aan lyrische ontboezemingen: als een kolkende stroom overvalt deze bundel de lezer, die moet zien dat hij niet kopje-onder gaat.

    Vaak is niet duidelijk wat het betreffende gedicht te maken heeft met de overige en lijkt het er aan te zijn toegevoegd zonder reden. Overdaad schaadt in dat geval, er wordt voldoende duidelijk gemaakt dat woorden van poëzie en schoonheid elk kwaad in de wereld moeten afweren: ‘[…] Goleman de reus hoort ‘wij zijn van de wind’, ons medicijnlied / krijgt hij niet geplet, het is een koepelrok van sterrenzang / daarom dansen wij de Wolkenmaker, wapenen ons met dit woord / […]’. (Uit: Een amulet uit Onderland

    Avonturenroman

    In de laatste afdeling, tegenstroom, staan voornamelijk bijdragen van dichters als Delphine Lecompte, Tonnus Oosterhoff, Joke van Leeuwen, Peter Holvoet-Hanssen zelf en vele anderen, die het door middel van hun poëzie opnemen tegen de Goleman. De gedichten zijn zo verschillend als hun dichters: sommige beslaan slechts één regel, er wordt gespeeld met typografische kenmerken en er zijn veel verwijzingen te ontdekken naar andere literatuur, met name poëzie, en naar bekende namen. 

    In het gedicht Windvanger, dat puur associatief lijkt te zijn geschreven, wordt de Goleman werkelijk gevaarlijk als hij naar de stad wil oprukken. De afloop van deze aanval wordt niet beschreven, maar er wordt troost geboden in geval de Goleman toch zou winnen:

    WOLKENDRAGER in een weide een witte ezel, die knielt voor mij – waarom

    EZEL voor de appel, windvanger, de appel in jou

    ZOTTE MUS het is poëzie maar ik proef het gif en vind geen troost

    DE APPEL de golem overweldigt ons maar in mij zit mijn kroost
    er zullen altijd pitjes zijn die ertoe doen
    een steen
    kan drie steentjes zijn – de pijn een druppel voor de stroom

    DE PITJES schrijf ons niet af al zijn we klein – in ons vrucht
    de boom

    Deze bundel leest als een avonturenroman, als een sprookje. Er wordt heel wat van de lezer gevraagd, maar wie het waagt zich als een nieuwsgierig kind mee te laten voeren door de tomeloze fantasie van de diverse dichters, zal een ervaring rijker zijn.

     

     

  • Van monoloog naar dialoog

    Van monoloog naar dialoog

    De poëzie in Nederland kent niet veel politiek geëngageerde dichters. Namen die meteen opkomen zijn die van de marxistische Herman Gorter en Henriette Roland Holst. Maar waar zij voornamelijk blijmoedig uitkeken naar de komst van de Rode Dageraad, ziet de dichter Frank Keizer de toekomst niet zo rooskleurig voor zich, ook al is hij zich er blijkens zijn gedichten van bewust dat er een ingrijpende verandering dient plaats te vinden.
    Keizer debuteerde in 2016 met de bundel Onder normale omstandigheden, nadat hij al eerder zijn werk gepubliceerd zag in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn en Tirade. In zijn nieuwste bundel Lief slecht ding, probeert hij zich te wapenen tegen de dystopie die de wereld dreigt te worden als het kapitalisme en het consumentisme gehandhaafd blijven.

    Drie afdelingen naar titel vernoemd

    De titel laat zich aanvankelijk lezen als een woordgroep bestaande uit een zelfstandig naamwoord met twee bijvoeglijke naamwoorden, als een aanspraak of een omschrijving, maar blijkt de drie afdelingen van de bundel aan te geven. Elke afdeling begint met een citaat van een auteur, van wie de laatste – Ursula le Guin – opvallend genoeg voornamelijk science fiction heeft geschreven: toekomstromans.
    In de eerste afdeling wordt iemand toegesproken voor wie de jaren zestig nooit helemaal voorbij zijn gegaan, maar die nu met lege handen staat, omdat er van de grote idealen van destijds niets terechtgekomen is. De spreker lijkt deernis te voelen voor de oude activist:

    ‘[…] er valt niet veel te zingen, echt
    te zingen, mompelen, nee mompelen, dat kun je wel’

    Maar er valt ook een milde ergernis te bespeuren: ‘je krabt met je ene hand aan het trauma van je mislukte / autonomie en met je andere hand tast je de nieuwe / afhankelijkheid af.’
    De prozagedichten staan niet los van elkaar, maar lopen in elkaar over en vormen zo één lange monoloog in de jij-vorm, waarin de toegesprokene uiteindelijk de raad krijgt om zich een eigen wereld te scheppen in het ‘goede grijs’: ‘beter iets kleins en iets liefs / te hebben dan je kapot te werken aan het onuitvoerbare / in het hier en nu’.

    Idealen verwezenlijken

    Met het tweede deel gaat de dichter van het verleden naar het heden en van monoloog naar dialoog: twee mensen die een relatie hebben, een ‘ik’ en een ‘jij’, proberen samen een ‘wij’ te worden. In een gesprek over politiek wordt gerefereerd aan collectieve ervaringen die nodig zijn om in vereniging een nieuwe gemeenschap te bewerkstelligen met ‘het vermogen om gezamenlijk te denken’. Het individu zal zich ondergeschikt moeten maken aan het grote collectief, want de hedendaagse maatschappij kent slechts ‘verweesdheid, ontworteling en fragmentatie’. De dichter verwijst nog even naar de campagne van Mao Zedong: Laat honderd bloemen bloeien, waarvan het doel was om misstanden in het bestuur te kunnen opsporen en aanpakken.

    In dit deel zijn de idealen prominent aanwezig, maar wordt tevens de twijfel kenbaar gemaakt en de angst dat het vergeefse moeite zal zijn om te trachten ze te verwezenlijken en waarbij de dichter zichzelf niet spaart. Ideeën worden geopperd en bezwaren daartegen worden ingebracht. De verbinding van poëzie en politiek zal de oplossing moeten bieden:

    ‘ja, wek me op, poëzie, maak me vrolijk, want ik weet wel
    dat je iets kunt oplossen, je bent pure sensatie. en duw
    me over de rand, voer me van die prikkels naar mijn ware
    behoeften, en die van ons, en maak het nieuw’

    Het deel eindigt met de hoopvolle woorden: ‘kom, ik heb een ander idee’.

    Wazige toekomstbeelden

    Het derde deel biedt een blik op een diffuse toekomst, waarin het om overleven en opnieuw beginnen zal draaien. Van het verleden wordt afscheid genomen – ‘rommelend in de lege laatjes en kastjes van een verleden’ – en ook van alles wat tot nog toe als onomstotelijk werd aangenomen. Er wordt een moeizame zoektocht beschreven, die lijkt op de ‘Umwertung aller Werte’ van Nietzsche: de idealen van vroeger zijn nu voorgoed versleten en waarheden moeten opnieuw gedefinieerd worden. De dichter zoekt naar aanwijzingen om de wereld opnieuw te kunnen inrichten.

    Dit laatste deel kent weinig samenhang die als een afspiegeling van die toekomst zelf lijkt. De wereld wordt beschreven als een onherbergzame plek waar het leven moeilijk is:

    ‘[…] het universalisme bleef om offers
    vragen, maar wij stonden onze organen, onze woningen
    en onze meervoudigheid er niet voor af.’

    Een nieuw geluid

    Maar gaandeweg gloort er hoop en worden mensen ‘probleemoplossers’ die mogelijkheden zien voorbij ‘de wetten van het materialisme’. Een ‘vallende, rode ster’ die de dichter waarneemt, kondigt misschien toch de nieuwe Rode Dageraad aan. Dat poëzie daarbij een prominente rol zal spelen, heeft Keizer dan inmiddels wel duidelijk gemaakt.

    Lief slecht ding is geen toegankelijke bundel. Maar de spreektaal die Frank Keizer gebruikt, helpt duidelijk te maken waar het om gaat: engagement zoeken en het politieke persoonlijk maken en omgekeerd. Met krachtige beelden en bijna profetisch taalgebruik slaagt Keizer erin om zijn zoektocht naar nieuwe waarden aannemelijk te maken op een manier die à la Herman Gorter ‘een nieuw geluid’ laat horen.