• In haar boeken zijn vrouwen de held en is geluk van ondergeschikt belang

    De Amerikaanse schrijfster Amy Bloom (1953) publiceerde sinds 1991 drie verhalenbundels en drie romans. Haar vierde roman Witte huizen, vertaald door Paul Syrier, verscheen afgelopen week. Amy Bloom was in Nederland en Literair Nederland sprak met haar over geluk, over de onbelichte kanten van een leven, over de mogelijkheden als schrijver en over vrouwen als middelpunt in de literatuur.

    Witte huizen gaat over de liefdesrelatie van de first lady van het Witte huis, Eleanor Roosevelt met de journalist Lorena Hickok eind jaren veertig. Een relatie die aan het licht kwam nadat de biograaf Blanche Wiesen Cook in 2016 met haar biografie van Eleanor Roosevelt kwam.

    Het is zaterdagmiddag 26 mei als we elkaar ontmoeten in het Ambassade Hotel aan de Herengracht in Amsterdam. Buiten is het tropisch warm en binnen staan de kannen water met schijfjes citroen klaar.

     

    De lezer zou kunnen verwachten dat Witte Huizen over Eleanor Roosevelt gaat maar het is het leven van journalist Lorena Hickok (1893-1968) dat centraal staat. Wat was zo bijzonder aan deze vrouw en deze relatie om er een roman over te schrijven?

    ‘Hun liefdesrelatie bood mij de kans over een liefdesrelatie te schrijven van twee vrouwen op middelbare leeftijd. Het was een gepassioneerde relatie. Ze ontmoeten elkaar op latere leeftijd en hebben elkaar eigenlijk nooit meer losgelaten. Dat is wat me raakte in deze geschiedenis. Ze hebben elkaar nooit echt laten gaan ook al zijn ze na vier jaar uit elkaar gegaan, ze bleven met elkaar in contact. Over Eleanor zijn zoveel boeken geschreven. Van Lorena Hickok wist niemand wie ze was, waar ze vandaan kwam.’

     

    Buiten het beschrijven van deze verborgen liefdesrelatie, komen er nogal uitzonderlijke figuren in de roman voor, zoals in de passage waar Lorena als dertienjarige, min of meer als wees in een circus wordt opgenomen.

    ‘In die tijd was een circus dat voor drie dagen in de stad kwam een groot evenement. De mensen wilden vermaakt en geschokt worden. Mensen met een afwijking, zoals het alligator meisje in het boek en Gerry die half man, half vrouw was, maakten hun afwijking groter dan die was om te shockeren. Ik heb dit erin geschreven als een soort spiegelbeeld voor de tijd die Lorena later beleeft in het Witte huis, wat ook een soort circus was waar het leven werd uitvergroot.’

     

    Uw vorige roman Wij geluksvogels is ook gesitueerd in de veertiger jaren. Wat is er zo belangrijk aan die jaren?

    ‘Ik schrijf over de twintiger jaren tot de late jaren veertig omdat het de decennia van de grote veranderingen zijn. Alles nam een vlucht. Terugkijkend zie je dat in die jaren de zaadjes gepland zijn voor grote culturele veranderingen. In de jaren na de oorlog, de jaren vijftig, is er een terugval en wordt alles weer onderdrukt. Daarna is er weer tijd voor culturele veranderingen. In Amerika geven we steeds opnieuw een zwaai aan de slinger waardoor de dingen naar de donkere kant draaien, er een zware crisis volgt, culturele terugval, tot de zon weer door de wolken breekt. Ik hoop dat dit  altijd zo zal blijven gaan en dat de zon binnenkort in Amerika weer door de wolken breekt.’

     

    In die roman is een meisje van elf jaar dat uit de bibliotheek biografieën verslindt van vrouwen als Jeanne D’Arc, Marie Curie, Carla Barton. Wat is uw fascinatie met deze vrouwen?

    ‘Ik ben ten eerste geïnteresseerd in mensen en daar schrijf ik over. Als klein meisje las ik veel, net als Eva in Wij geluksvogels. Ik las Tales of two Cities van Dickens maar begreep niet alles. Als kind leer je om de dingen, die je niet begrijp, heen te lezen. Nu als schrijfster, ben ik in de gelegenheid vrouwen tot het middelpunt van mijn verhaal te maken. Het was Dickens die zei: “Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show.” Dat spreekt me erg aan en in mijn verhalen zijn vrouwen de helden.’

     

    Uw verhalen worden niet kant en klaar opgediend. De lezer moet actief het verhaal blijven construeren.

    ‘Dat klopt. Ik schrijf over de dingen zoals ze zich in het leven voordoen, ik wil het niet gladstrijken of overzichtelijk maken want zo is het echte leven ook niet.’

     

    In Wij geluksvogels en in Witte huizen krijgen de personages het nogal voor hun kiezen, mensen worden bruut behandeld, worden verlaten of lopen zelf weg. Is geluk iets waarnaar gestreefd moet worden?

    ‘Ik weet niet echt wat het betekent, gelukkig zijn. Iedereen streeft ernaar maar er is geen licht zonder het donker. Mooie en afschuwelijke dingen gebeuren nu eenmaal, zo is de wereld en zo zijn mensen. Als je heel veel van iemand houdt, zal dat ook mistroostigheid en teleurstelling met zich meebrengen. Ik schrijf niet over geluk. Ik zie mezelf als een schrijver die over het leven schrijft, de ups en downs, wat je op je pad tegenkomt en wat je daar van maakt, van dat leven. Daar schrijf ik over. Ik geloof dat het Robert Frost was die in een gedicht zei: “Happiness makes up in height for what it lacks in length”. Geluk duurt nooit lang.’

     

    En het geluk van Eleanor en Lorena?

    ‘Hun liefdesrelatie duurde vier jaar. Ze eindigen niet als twee oude dames samen op de veranda. Maar dat wil niet zeggen dat hun relatie een vergissing was. Of dat ze er spijt van hebben. Het was wat het was. Niet alles heeft een perfect einde.’

     

    In de roman is Eleanor vluchtig in haar contacten en heeft ze problemen met haar kinderen.

    ‘Ja, dat was zwaar voor haar. In haar positie zou ik het ook moeilijk hebben gevonden met die kinderen. Ze waren dol op hun vader en zij stond in de schaduw.
    Eleanor zocht buiten haar familieleven altijd naar iemand voor wie ze kon zorgen, dat was een behoefte van haar. Vaak een man, die man had dan een vrouw aan wie ze zich hechtte. Maar in haar verdere leven heeft ze nooit meer een liefdesrelatie gehad zoals met Lorena. Ik denk dat Lorena meer voorbereid was op een leven alleen dan Eleanor was. Lorena kon beter accepteren dat de relatie niet ging zoals ze beiden gehoopt hadden. Zij ging weer schrijven, ze publiceerde nog vijf boeken nadat hun relatie was beëindigd.’

     

    Aan het einde van het boek zegt Lorena: ‘Niemand heeft ooit een verhaal over Eleanor en mij geschreven.’ Is het de schrijver die daar spreekt of Lorena?

    ‘Ik begrijp wat je bedoelt. Lorena is natuurlijk een schrijver, een journalist. Op dat moment is het haar eigen observatie. Er heerste in die jaren in Amerika zo’n grote afkeer van homoseksuele relaties, dat het Eleanor en Lorena in feite beschermde. Niemand zou durven zeggen ‘de first lady is lesbisch en dit is haar geliefde’. Het ergste was dat er toespelingen gemaakt werden. Maar in die tijd wilde niemand de journalist zijn die deze vermoedens zou openbaren. Het Witte Huis zou hen dat niet in dank afnemen.
    Van Missy (Marguerite Alice LeHand, 1896-1944 Iv/dG) was bekend dat ze meer dan alleen de secretaresse van Roosevelt was. De pers schreef over haar als zijn ‘charmante secretaresse’. In die tijd waren de meeste journalisten mannen. Die rekenden het hem niet aan dat hij een intieme relatie onderhield met zijn secretaresse. Ze was geliefd bij de media. En Lorena zag dat en dacht, niemand zal ons zo zien, als geliefden. Dat was enerzijds pijnlijk, niet gezien te worden. Maar aan de andere kant, ze konden hun leven samen delen omdat ze niet gezien werden.’

    Dan herinnert Bloom zich iets: ‘Een van de mooiste dingen die me laatst overkwam toen ik een lezing gaf, was dat twee vrouwen, ver in de tachtig, naar me toe kwamen met een stapel exemplaren van White Houses en zeiden: ‘Wij willen graag dat u deze boeken signeert. Een voor elk van ons en een voor elk van onze dochters. Wij zijn al vijftig jaar samen.’ En toen zei de oudste van de twee: “Het is goed gezien te worden.” En dat maakte mijn dag.’

     

    In hoeverre zijn er feiten verwerkt in de roman? Als Missy een beroerte krijgt en verdwijnt uit het Witte huis bijvoorbeeld.

    ‘Ik wilde de geschiedenis niet interpreteren maar me aan de feiten houden. Missy werkte twintig jaar voor Roosevelt toen ze een aantal beroertes kreeg waarvoor ze eerst behandeld werd in het Witte Huis. Ze was verlamd, kon niet meer praten. De president bezocht haar één keer en zag haar daarna nooit meer. Hij is bezorgd over haar maar schuift haar verzorging af op Eleanor. En Eleanor geeft de zorg weer door aan Lorena. En dan geef ik Lorena de mogelijkheid om te zeggen, en dat is fictie: ‘Jij en ik zijn arbeidersmeisjes die zichzelf terugvinden in een paleis. Wij zijn niet zo verschillend.’

     

    Ik hoorde in een interview dat u volgende boek over Marie Curie zou gaan?

    Ze lacht: ‘Ik vind haar een buitengewoon indrukwekkende vrouw. Alleen al het feit dat er drie Nobelprijzen in haar familie zijn. Twee voor haar zelf en een voor haar dochter. Maar ik voel me ook aangetrokken tot een van de eerste vrouwelijke cowboys, Annie Oakly. Ik weet niet of ze hier bekend is. Ze was een groot scherpschutter en is een van de belangrijkste figuren van West-Amerika geworden. Dat is dus een innerlijke strijd tussen mijn Europese kant (Blooms voorouders komen uit Europa Iv/dG) en mijn Amerikaanse kant. Zeker is wel dat het een roman wordt met een vrouwelijk personage uit de geschiedenis. Maar eerst zal ik, als ik terug ben  in Amerika, aan de slag gaan met het schrijven van een script voor Witte huizen dat als miniserie in Amerika zal worden uitgebracht.’

    Bloom neemt de Nederlandse vertaling van haar boek van de salontafel. ‘Al mijn boeken zijn vertaald door Paul Syrier. Ik heb nog nooit met zo’n fijne vertaler gewerkt. Hij is de enige vertaler die mij belt als hij twijfelt over de juiste intentie van een zin, een gezegde. Hij legt het altijd aan me voor.’

    Bij het afscheid: ‘We zullen zien wie er in mijn volgende boek voorkomt, Annie Oakly of Marie Curie.’

     

     


    Foto auteur: Elena Seibert

     

    Witte huizen
    Amy Bloom
    Vertaler: Paul Syrier
    Nijgh & Van Ditmar
    € 20,99

  • Variatie op een klassiek thema met grote dramatische kracht

    Variatie op een klassiek thema met grote dramatische kracht

    Deze fascinerende roman gaat over de kwetsbare Lizzy uit Great Neck, dat volgens de kaart aan de noordkant van Long Island, New York te vinden is. De term ‘verontrustend’ op de achterflap slaat de spijker op zijn kop. De joodse Lizzy is een buitenbeentje op een Amerikaanse highschool en thuis hangt nog het nodige traumatische familieverleden. Haar moeder is kil, haar vader nauwelijks aanwezig. Ze vindt troost door chocola te stelen uit een winkel en bij meneer Klein, de eigenaar van een bontzaak, die haar meeneemt naar zijn winkel.
    Op verzoek van een dominee helpt ze de vrijwel blinde mevrouw Hill en steelt zilveren lepeltjes. Dat wordt door de oude vrouw, die helderziend lijkt, opgemerkt. Ze past ook op bij de kinderen van haar leraar Engels, Max Stone, die een oogje op haar heeft. Stone zet haar op een dag af bij mevrouw Hill en Lizzy krijgt hem zo ver om mee naar binnen te gaan, hetgeen geen succes is. ‘Mevrouw Hill keek hem recht aan, wat de indruk wekte dat ze hem de rug toekeerde.’ Mevrouw Hill waarschuwt Stone om zich te beheersen, maar dat neemt niet weg dat Lizzy met hem vrijt. Daarnaast heeft ze ook seks met de jonge zwarte basketballer Huddie. Die maakt haar zwanger. Het komt tot een miskraam in de woning van mevrouw Hill die verkondigt dat ze Huddie zeven jaar niet zal zien.

    In deel 2 wordt Huddie door zijn vader Gus, een kruidenier, bij een oom in Alabama gebracht. Zijn brieven aan Lizzy worden door de oom verscheurd. Lizzy is inmiddels weer terug op school en plaagt Max die ziek is van de liefde. Tijdens de uitvaart van mevrouw Hill denkt Lizzy iets wat duidelijk iets over haar gemoedstoestand zegt:

    ‘Mevrouw Hill was niet meer dan een aanleiding voor een plechtigheid, en de plechtigheid van deze hele wereld die niet die van Elizabeth was en niet voor haar openstond, de wel zeer voor de hand liggende waarheid dat deze plek niet haar thuis was, evenmin als het huis van haar moeder haar thuis was, dat haar enige thuis het krukje van mevrouw Hill en het smalle bed van Huddie waren geweest, deed Elizabeth ineenkrimpen en bracht haar aan het huilen, tot een van de dames naast haar haar vriendelijk en nieuwsgierig een kanten zakdoekje overhandigde, dat Elizabeth probeerde te gebruiken zonder het vies te maken of er haar neus in te snuiten.’

    Als troost en dank krijgt Lizzy de zilveren lepeltjes van de dochter van mevrouw Hill. In plaats van in te gaan op de uitnodiging van Max om, voordat ze naar de universiteit gaat, de zomer samen door te brengen gaat ze samen met haar enige vriendin Rachel, die ook een beetje vreemd is, op reis.

    Zo kan ik doorgaan, met deze prachtige opeenvolging van gebeurtenissen, gevat in mooie beelden, zoals Max Stone die zijn vrouw, op haar verzoek, begraaft op het strand terwijl ze praten over het dodelijk ongeluk van hun oudste zoon.

    Over het karakter van Lizzy dit veelzeggende citaat: ‘Elizabeth zou voor Rachel een hele nacht hebben gereden, een nier voor haar hebben afgestaan, haar ontvoerders hebben doodgeschoten en haar door een bevalling hebben geloodst, maar ze had Rachel maar tweemaal gebeld sinds deze drie jaar geleden uit Kenia was teruggekeerd; Rachel had geen tijd voor een trouweloze vriendin en Elizabeth kon gewoon niet beter.’

    Ook sterk is de volgende zinsnede aan het einde: ‘Ik wilde veiligheid en rust en boeken en dat heb ik nu allemaal, maar het voelt nu niet zozeer aan als eenvoud of zelfs als de succesvolle exploitatie van extreem schaarse bronnen, als wel als een reizende voorstelling van de Druiven der gramschap.’

    Amy Bloom schrijft intelligent, ontroerend en aangrijpend proza met veel vaart. Hoewel de zinnen soms, zoals in het citaat over de uitvaart van mevrouw Hill, ingewikkeld en lang zijn, zijn de overgangen tussen tekst en dialoog flitsend. Typerend voor haar boek zijn de evocerende titels van de hoofdstukken. Ditzelfde geldt voor haar onlangs verschenen verhalenbundel Waar de God van liefde is. Een zeer overtuigende roman over hoe liefde zich kan manifesteren.

     

     

     

  • Overvolle roman

    Overvolle roman

    Intelligent, een rijke stijl, complotten, psychologisch onder druk staande personages en zeer goed gedocumenteerd. De debuutroman van Michael André Bernstein heeft alles in zich om overtuigend te zijn. Toch gaat Samenzweerders ten onder aan de ambitie en kennis van de auteur.

    Als de ruim zeshonderd pagina’s samen te vatten zijn in enkele zinnen, zou de roman gaan over Galicia, een grensstadje tussen Oostenrijk en Rusland, dat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog geteisterd wordt door een serie moorden. Jacob Tausk, een joodse spion in dienst van Graaf-gouverneur Wiladowski, krijgt als de familie van Wiladowski zelf getroffen wordt door het geweld, verregaande bevoegdheden om het een halt toe te roepen. Wat Wiladowski echter niet weet is dat zijn spion in wie hij al zijn vertouwen legt, een dubbele agenda hanteert en dat in het kamp van Tausks andere meester een samenzwering wordt beraamd.

    Een groot aantal verhaallijnen en een bijna even groot aantal personages wordt opgevoerd, maar zowel de verhaallijnen als de personages lijken op elkaar en hoewel je als lezer de eerste pagina’s nog wel onder de indruk bent van de intelligente, breedsprakigheid en psychologische spanning die het boek je lijkt te gaan bieden, raak je al snel geïrriteerd door het volledige gebrek aan afwisseling of misschien beter gezegd: de bijna laboratorische opzet van het boek.

    Gedetailleerde, analytische beschrijvingen gaan vooraf aan eindeloze monologen en dialogen die op hun beurt weer worden gevolgd door pagina’s lange brieven. Alles geschreven in dezelfde rijke en intelligente, maar tegelijkertijd nietszeggende stijl die op den duur een vervelend trucje wordt en die slechts zelden weet te verrassen.

    De psychologische uitwerking van de karakters, waar Bernstein duidelijk veel aandacht aan heeft willen besteden, faalt: ze weten niet te overtuigen en lijken op plaatsen door de volledige gelijkheid in stijl en taalgebruik inwisselbaar. Ook de politieke spanning van een land aan de vooravond van een oorlog, geteisterd door samenzweringen en moorden, wordt niet overtuigend gebracht. Hoewel er herhaaldelijk op wordt gewezen dat de situatie in het land verslechterd en dat het lijden onder de bevolking erger wordt, voel je het als lezer niet en moet je maar aannemen dat het zo is.

    Bernstein is hoogleraar Literatuurwetenschappen aan Berkeley, Californië en recensent voor onder andere Times Literary Supplement. Zijn kennis heeft zich echter tegen zichzelf gekeerd: literatuur is geen laboratorium waarin vaste wetten gelden en waarin met de juiste bestanddelen en onder de juiste omstandigheden een geslaagde proef tot stand kan worden gebracht. Noem het de kracht om te overtuigen, gevoel, passie of talent, maar er zal iets extra’s moeten worden toegevoegd om een roman te laten slagen. Als Samenzweerders iets aantoont dan is het dat wel. Wellicht had Bernstein beter een non-fictie boek over dit tijdperk kunnen schrijven: zijn kracht lijkt meer te liggen in een uitvoerige documentatie dan in het psychologiseren van karakters.

     

    AMvdP