• Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Vol bewondering voor Ingeborg Bachmann

    Ondanks de zweem van een pleonasme heeft uitgeverij Koppernik als titel van de dunne essaybundel over de Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926 – 1973) voor Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen gekozen. De combinatie van die woorden vat de schrijfster goed samen.

    Ingeborg Bachmann schreef romans, verhalen, essays, gedichten en toneel. Zij geldt volgens de uitgever als een van de belangrijkste schrijvers van de twintigste eeuw. In het Duitstalig gebied was zij bij leven een literaire ster, misschien vergelijkbaar met Connie Palmen tegenwoordig bij ons. Ze verkeerde in de hoogste culturele kringen, won vele literaire prijzen en had relaties met meerdere beroemde mannen. Toch was ze ook getormenteerd, verslavingsgevoelig en regelmatig ernstig terneergeslagen. Ze leed niet alleen in de liefde, maar ook en vooral vanwege de oorlog, de Holocaust en de gedeelde dadersschuld die daarmee samenhing.

    Haar werk was lang niet of nauwelijks in het Nederlands te lezen. Daar is nu verandering gekomen. In de vertaling van Paul Beers (1935 – 2024) verscheen eind 2023 de onvoltooide trilogie Doodsoorzaken (Todesarten) bij Koppernik. Twee jaar eerder publiceerde dezelfde uitgeverij haar verzamelde korte verhalen, eveneens door Beers vertaald. Eind jaren tachtig vertaalde Beers ook haar gedichten, waarmee Bachmann in de jaren vijftig doorbrak, maar die zijn zelfs niet of nauwelijks nog antiquarisch te vinden.

    Essays
    Vrijwel tegelijk met Doodsoorzaken bracht Koppernik de bundel Nerveuze gejaagdheid uit waarin essays van Paul Beers tezamen met die van de Vlaamse germaniste Ingeborg Dusar een introductie op haar werk bieden. Als je beide essayisten leest, kan je niet aan de gedachte ontkomen dat het werk van Bachmann daadwerkelijk zo’n introductie nodig heeft. Beers en Dusar zijn bewonderaars. Het zijn exegeten. Ze weten alles van haar motieven, thema’s en personages en kunnen die bovendien feilloos plaatsen in de ontwikkeling van haar tragische, korte leven. Niettemin blijft Bachmanns werk een hermetische indruk wekken. Je moet zin hebben om je tanden erin te zetten, maar dan opent zich volgens Beers en Dusar een prachtig universum met een uniek vrouwelijk vertrekpunt van een schrijfster die zich staande wist te houden in een patriarchale literair-culturele wereld, maar niet zonder diepe deuken op te lopen.

    Beers’ vertrekpunt is dat van de bezorger van haar literaire nalatenschap. Dusar promoveerde op het late proza van Bachmann aan de KU-Leuven. Het moet heerlijk zijn voor een schrijver als mensen zo hun best hebben gedaan om al jouw zorgvuldig aangebrachte verdichtingen te ontrafelen en daar ook nog vlot en leesbaar over kunnen vertellen. De bundel bevat zelfs een briefwisseling tussen Beers en Dusar waarin ze elkaar liefdevol vertellen wat ze in het werk van IB (zo noemen ze haar onderling) hebben aangetroffen en hoe ze (vooral Beers) worstelen met de vertaling van sommige moeilijk te interpreteren passages. De vroege dood van de schrijfster, op 47-jarige leeftijd, wordt betreurd – ze stierf aan de gevolgen van een ernstige brand. Niet letterlijk uitgesproken door beide bewonderaars blijft ook in het nawoord van Bachmanns jongere broer de gedachte hangen dat ze deels schuldig was aan die tragische dood.

     

     

  • In memoriam Paul Beers 1935-2024

     

    Op 25 januari werd bekend dat schrijver en vertaler Paul Beers is overleden, hij werd achtentachtig jaar. Beers vertaalde meer dan veertig literaire werken, zowel uit het Duits als het Frans,  waaronder Jean-Paul Sartre, Marguerite Yourcenar, Marian Pankowski en Thomas, Golo en Erika Mann. Ook vertaalde hij literatuur voor de Volkskrant en Vrij Nederland en was mederedacteur bij de publicatie van het complete werk van Sigmund Freud en Friedrich Nietzsche.

    Het was de Duitse literatuur van waaruit hij uiteindelijk het meest vertaalde en hij stond bekend als oeuvre-vertaler van Ingeborg Bachmann, Witold Gombrowicz en Robert Menasse. Drie auteurs die hem met hun werk overrompelden en waar hij zich als literair vertaler voor hun hele oeuvre mee verbond. Hij noemde ze ‘mijn grote drie’. 


    Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen en filosofie werd zijn literaire vertalersloopbaan in 1964 aangewakkerd door de vertaling van
    Mythe van Sisyphus van Camus door C.N. Lijsen. Hij vond deze vertaling ‘volkomen ongrijpbaar’ en na een vergelijking met de Franse tekst, bleek deze wel degelijk ondermaats te zijn. Hij schreef er een uitgebreid en kritisch stuk over dat werd gepubliceerd in literair tijdschrift Podium.
    In 1965 ontdekte hij het werk van de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. Gombrowitcz’ stijl, ‘zijn luciditeit en moed tot waarheid’ had hem zo gegrepen dat hij vanaf dat moment kost wat kost zijn vertaler wilde worden. Beers was de Poolse taal niet machtig, daarom zocht hij de schrijver op en kreeg toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen. Elk jaar, van 1967 tot 1972 verscheen er een Gombrowicz-vertaling. In 1967 bezocht hij Gombrowicz in Vence, Zuid-Frankrijk voor een interview voor Vrij Nederland. Dit interview bood hij in 2016 – nadat bij uitgeverij IJzer een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen was in herziene vertaling door hem zelf – integraal aan.


    In zijn eind vorig jaar verschenen essaybundel
    Nerveuze gejaagdheid, Ingeborg Bachmann door de jaren heen bij uitgeverij Koppernik, schreef hij dat in 1983 de redactie van literair tijdschrift De Revisor hem vroeg drie teksten van haar te vertalen. ‘Deze drie zo verschillende teksten spraken me dermate aan dat ik volledig voor deze schrijfster gewonnen werd. Hier was elke zin raak, gedragen door grote zeggingskracht met een heel eigen toon.’ Waarna hij zich grondig in haar werk verdiepte.

    In 1995 kreeg hij toevallig Selige Zeiten van Robert Menasse in handen, en ook hier overrompelde het werk hem zodanig dat hij dit wilde vertalen. Vanaf die tijd vertaalde hij ook van Menasse al zijn werk. 


    Beers zette zich ook in voor de positie van de literair vertaler. Zo hechtte hij grote waarde aan de naamsvermelding van vertalers. Het was hem een doorn in het oog dat op paginagrote advertenties in de opinieweekbladen de naam van de vertaler niet werd vermeld. Om uitgevers de waarde van de vertaler te doen inzien was zijn devies:
    ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’  

    In een gesprek met Huub Beurskens ter gelegenheid van zijn bekroning met de Letterenfonds Vertaalprijs in 2014, zei hij: ‘Terugkijkend heb ik geweldig geluk gehad dat ik het oeuvre van “mijn” grote drie heb kunnen vertalen.’



    Foto: rechtenvrij via uitgeverij Koppernik verkregen.

  • Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    Eén groot levenswerk in vierentwintig verhalen

    In 1989 schreef J.F. Vogelaar in een lang essay in De Gids: ‘Voor sommige boeken is het dodelijk wanneer met het signaleren van de auteur volstaan wordt, menig auteur leert men immers pas na meerdere boeken echt kennen. Dat geldt zeker ook voor Ingeborg Bachmann die, achteraf gezien, met haar gedichten, verhalen, hoorspelen, essays en romans aan één groot werk bezig is geweest’.
    Vorig jaar gaf Uitgeverij Koppernik Verzamelde verhalen van deze Ingeborg Bachmann (1926-1973) uit. Ze zijn vertaald door Paul Beers, die alles wat van Bachmann in Nederland te verkrijgen is op zijn naam heeft staan. In de inleiding van deze bundeling van alle verhalen bekent hij nog maar eens hoe zeer hij al sinds 1983 gefascineerd is door de Oostenrijkse auteur. Met Verzamelde verhalen krijgt de lezer een inzicht in de ontwikkeling van de ideeën van Bachmann gedurende haar werkzame leven. Het oudste verhaal dateert uit 1945, het laatste uit 1972.

    In deze uitgave zijn vierentwintig verhalen ondergebracht in vier delen. De cyclus van zeven verhalen waarin Bachmanns denken het meest geprononceerd is is vervat in het tweede deel, Het dertigste jaar. Opnieuw Vogelaar in De Gids: ‘De zeven verhalen drukken in allerlei variaties het verlangen naar én de onmogelijkheid van een niet door de taal ingevulde en ingedeelde wereld uit, wat een verzet inhoudt tegen de taal waarmee mensen tot eigenschappen, tot hanteerbare en manipuleerbare hoedanigheden worden gereduceerd (…) “Geen nieuwe wereld zonder nieuwe taal”’.

    Vrijheid verwerpen

    Het eerste van deze bedoelde zeven verhalen (Jeugd in een Oostenrijkse stad) vertelt hoe de herinnering aan de kindertijd in het stadje K. (Klagenfurt, waar Bachmann werd geboren) wordt bepaald door de oorlog. De jeugdjaren worden niet zozeer feitelijk beschreven maar meer als het effect dat ze hadden op de kinderziel. Als een madeleine van Proust zet het zonlicht op een boom in de stad de herinneringen in gang. De kinderen hebben als ze jong zijn hun fantasieën, maar verliezen die al snel op school. Ze ‘leggen oude woorden af en leren nieuwe aan’. In de bioscoop mogen ze de film Romanze in Moll niet zien: ‘De jeugd werd niet toegelaten, maar daarna [het is 1943] wel bij het grote sterven en moorden een paar dagen later en alle dagen erna’.
    Niet alle zeven verhalen uit dit deel zijn zo duidelijk als dit eerste. Het titelverhaal van deze cyclus is veel hermetischer. Daarin volgen we de beschouwingen van een naamloze man gedurende het jaar dat hij dertig wordt. Hij ontdekt als hij op een morgen wakker wordt ‘het vermogen zich te herinneren’ en gaat na wat er van hem geworden is. In dit verhaal zet hij twee levensopvattingen tegenover elkaar die ook nog eens in een metafoor van een reis naar Rome worden verbeeld. Hier duikt de figuur van de opportunist Moll op, die de lezer nog vaker zal tegenkomen. De tekst vraagt om geconcentreerd lezen en herlezen door de wisselingen van perspectief en stijl (verhalend, dan weer zinnen zonder hoofdletters en interpunctie, dan weer dagboekfragmenten). De conclusies zijn somber: ‘Ik hou van de vrijheid, die ik ook duizendmaal moet verraden. Deze onwaardige wereld is het resultaat van een ononderbroken verwerpen van de vrijheid’.

    Grimmig

    De hierop volgende verhalen in dit tweede deel maken het gemakkelijker je in concrete situaties te verplaatsen, al dwingt Bachmann je wel tot zorgvuldige lezing om echt contact te krijgen met de personages. De magie van haar taal maakt dat je die bereidheid opbrengt. De toon intussen blijft even grimmig. In Alles bijvoorbeeld lezen we zo over het schuldgevoel van de vader van Fipps die de ontwikkeling van zijn kind ziet verlopen langs de wegen van de taal waartegen hij hem juist had willen beschermen en in Onder moordenaars en gekken is het een groep nazi’s die kort na de oorlog in een kroeg herinneringen ophaalt en wordt geprovoceerd door een dertigjarige man die zich geroepen voelt te moorden, maar dat nog nooit deed. De ontmoeting kent een gruwelijke afloop. Ook in dit verhaal weer de scherpzinnige dialogen die in het hoofd van de lezer naijlen, zoals: ‘Ik denk dat we allemaal met elkaar moeten leven en niet met elkaar kunnen leven. In elk hoofd zit een wereld en een pretentie die elke andere wereld, elke andere pretentie uitsluit. Maar we hebben elkaar allemaal nodig, wil er ooit iets goed en gaaf worden’.

    Eerbetoon

    In bijna alle verhalen, ook die in de andere drie delen van de Verzamelde verhalen, treffen we personages die in een diepe crisis verkeren. Toch zijn er ook opvallende verschillen. In het derde deel, Simultaan, dat vijf verhalen bevat, zijn – na de mannen uit Het dertigste jaar – de prominente personages juist vrouwen. Maar vooral is hierin de toon wat luchtiger en af en toe humoristisch. De vrouwen die we tegenkomen zijn soms lastig te typeren. Aan dit deel is een zeer verhelderend essay toegevoegd van de Vlaamse Ingeborg Dusar; zij schreef in 1993 haar proefschrift over dit deel. In haar bijdrage noemt zij Simultaan een eerbetoon aan de vrouwen. Maar ook de mannen zijn in Simultaan niet meer de sadisten uit de vroegere verhalen ‘maar eerder zwakke figuren die even hulpeloos tegenover het leven staan als de vrouwen die op hun beurt geen willoze slachtoffers maar veelal overlevers zijn’.
    Dusar haalt tevens een uitspraak aan van Bachmann dat Simultaan overwegend gaat over het ‘kleine’ ongeluk dat exemplarisch is voor het ‘grote’ ongeluk van een tijdperk. Lezing van de verhalen uit de andere delen maakt echter duidelijk dat die karakteristiek opgaat voor bijna alles in deze Verzamelde verhalen, zij het wat minder in die uit het eerste deel, Het veer.

    De delen 2, 3 en 4 van deze uitgave verschenen in Nederland al eens eerder in afzonderlijke bundels. Het deel Het veer is voor Nederland nieuw. Daarin staan de vroegste verhalen van Bachmann die door hun beknoptheid en hun soms sprookjesachtige sfeer weer heel andere aspecten laten zien.
    Zo biedt Verzamelde Verhalen een compleet palet van de literaire gedaante van Ingeborg Bachmann tijdens haar hele leven: ze zijn zowel dramatisch als humoristisch, zowel ernstig-filosofisch als luchtig, zowel afstandelijk als empathisch. Ook in die zin kunnen we Vogelaar bijvallen dat Bachmann met alles wat ze schreef ‘aan één groot werk bezig is geweest’.

  • Oogst week 50 – 2021

    Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu

    De Britse classica en hoogleraar Mary Beard schrijft over de oudheid, geldt als de bekendste classicus ter wereld en heeft al vele boeken gepubliceerd. Ze treedt regelmatig op in de media en maakt daarmee de oudheid bekend bij een breed publiek. Nu is er haar boek Twaalf keizers – De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu. Het is een verrassend verhaal over tweeduizend jaar kunst- en cultuurgeschiedenis dat laat zien hoe macht eruitziet, wie er in de kunst worden herdacht en waarom.

    Volgens Beard hebben Romeinse heersers als de meedogenloze Julius Ceasar en de driftige Domitianus tweeduizend jaar model gestaan voor de beeldvorming van de machtigen en de rijken.

    In hoofdstuk 2 vertelt Beard dat in 2007 een ploeg Franse archeologen uit de Rhônebedding een marmeren buste opdregde waarvan ze aannamen dat het Caesar was. ‘Sindsdien is de kop onderwerp geweest van tientallen krantenartikelen en minstens twee tv-documentaires,’ schrijft Beard. ‘Over het belang van de vondst en over de vraag of het beeld inderdaad is wat wordt beweerd zijn archeologen en historici het nog steeds niet eens. De sceptici wijzen erop dat de kop uit de Rhône er toch echt heel anders uitziet dan de Caesar op de munten uit zijn tijd […] De voorstanders van de theorie leggen juist de nadruk op bepaalde overeenkomsten tussen de kop en kenmerkende trekken op de muntportretten…’.

    Twaalf keizers - De verbeelding van de macht van de antieke wereld tot nu
    Auteur: Mary Beard
    Uitgeverij: Atheneum

    De lunchroom

    In De lunchroom van Hans Muiderman probeert een man aan een tafeltje in een lunchroom een memorie te schrijven over zijn grootvader. Nadat hij jeugdherinneringen heeft laten passeren dwaalt hij in gedachten rond in zijn grootvaders lege huis en constateert dat de herinneringen onvolledig en vervormd zijn. Wat hij niet meer weet verzint hij erbij.

    Hans Muiderman is sinds 2010 full time schrijver. Begonnen als docent film aan de Theaterschool in Utrecht met lessen scenarioschrijven en filmanalyse schreef en redigeerde hij publicaties over media, kunst en cultuuronderwijs. Eerder publiceerde hij gedichten, schreef liedteksten, regisseerde cabaret en stond zelf op het podium. Hij is medeoprichter van Elders Literair, een platform voor literatuur, beeldende kunst, fotografie, film en architectuur. En hij is columnist bij Literair Nederland.

    Muiderman schrijft romans, korte verhalen en reisverhalen waarin herinneringen het steeds terugkerende thema vormen. Zijn hoofdpersonen hebben vaak een leegte in zich die zij proberen op te vullen met herinneringen, niet zelden aangevuld met fantasie. Want volgens Muiderman zijn herinneringen vals en vervormd en altijd een constructie van de verbeelding.

    De lunchroom
    Auteur: Hans Muiderman
    Uitgeverij: In de Knipscheer

    Verzamelde verhalen

    De Oostenrijkse schrijfster Ingeborg Bachmann (1926-1973) was een van de belangrijkste Duitstalige schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog. Ze studeerde filosofie, debuteerde met gedichten en schreef ook verhalen. Van de romantrilogie Doodsoorzaken voltooide ze alleen het eerste deel, Malina. Voor ze de andere delen kon afmaken overleed ze ten gevolge van een brand in haar appartement. Er zijn alleen fragmenten van deel III gepubliceerd.

    Uitgeverij Koppernik brengt de Verzamelde verhalen uit, met daarin dag- en weekbladpublicaties en ongepubliceerde verhalen die voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald. Het boek bevat eveneens Bachmanns eerste verhalenbundel Het dertigste jaar waarin de nadruk op het intellect ligt. Ook de bundel Simultaan is opgenomen, waarin een aantal personages uit de romancyclus Doodsoorzaken voorkomt. In deze verhalen is er een grotere rol weggelegd voor liefde en gevoel.

    In Bachmanns werk gaat het vaak over destructieve krachten, en vrouwen komen er bij haar doorgaans slecht af. Niet zelden gaan ze ten onder in fysiek of emotioneel geweld. Bachmanns literatuur is droefgeestig. De dood ziet zij als ‘het enige toevluchtsoord voor de ontzettende krenking die het leven is.’ Deze scherpzinnige schrijfster paart diepe psychologische inzichten aan onverschrokken taalgebruik dat haar een eigenzinnige stem geeft.

    Verzamelde verhalen
    Auteur: Ingeborg Bachmann
    Uitgeverij: Koppernik
  • Getuigen van de geschiedenis

    Getuigen van de geschiedenis

    Voor de Oostenrijkse auteur Robert Menasse is de geschiedenis een aaneenschakeling van gestrande pogingen om te vergeten, waarbij getuigen zich door de coulissen van historische gebeurtenissen bewegen. Symbool voor de rozige belofte voor de toekomst is de zonnebril van zijn moeder in het verhaal De Amerikaanse bril, het titelverhaal uit de gelijknamige bundel. Het is een bril met luiken, een sjiek prul waardoor de toekomst als een overbelichte Hollywoodfilm oogt. Deze metafoor wordt vervolgens uitgebreid tot de hele naoorlogse orde en de lege idealen en clichés waarin deze grossiert.

    De vertellers uit de bundel bevinden zich in de schaduw van de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis, als nationalisten zonder thuisland. Ze zien de val van de Berlijnse muur op tv, ze protesteren tegen de moord op Allende of ze bevinden zich simpelweg bij een historisch moment. Meestal staan ze in de marges of zijn ze ten prooi gevallen aan zingevingscrises. De verhalen van vaders voldoen niet langer en het heden vervalt in steeds nieuwe banaliteiten. Zoals een van de vertellers zegt: ‘Symbolen, iconen, maatschappelijke idealen – in het dagelijks leven zijn het alleen clichés.’ Menasse laat zijn personages manoeuvreren langs relatieperikelen, lastige gerechtsdienaren en onbetrouwbare herinneringen, ontworteld en ontgoocheld, steeds begeleid door een flinke dosis filosofie en humor. Want er is genoeg humor te vinden in de vaak absurde voorvallen uit de bundel, die op grillige wijze worden aangestuurd door de speelse hand van Menasse.

    Historische sensatie

    In de meer essay-achtige verhalen volgt ook stevige kritiek op de uitwassen van de globalisering en het nieuwe nationalisme dat Menasse ontwaart. Het politieke aspect is altijd op de achtergrond aanwezig. De rode draad wordt gevormd door de blik van de auteur op de geschiedenis en wat die betekent in de persoonlijke sfeer. Zo komt er bij de vader van de verteller in het verhaal Het begin van de hongerwinter veel los als hij vertelt over zijn ervaringen als onderduiker in de dierentuin van Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tijdens het vertellen herinnert de vader zich iets nieuws wat hij nog nooit heeft verteld en zo ziet de zoon hem opeens in een nieuw licht. In alle verhalen is iets van deze historische sensatie aanwezig, als het verleden het heden kruist of nieuwe betekenis opdoet. 

    In het verhaal De Amerikaanse bril haalt Menasse herinneringen op aan de dag van de moord op John F. Kennedy en in het verlengde daarvan aan 9-11. Hij filosofeert over het verschil in de publieke reactie op deze twee gebeurtenissen. In het eerste geval was er oprechte verbinding en rouw, en in het laatste geval was er in zijn herinnering geen ‘overeenstemming van de mensen in een gezamenlijke droefheid, geen spontane solidariteit als uiting van de soort, geen algehele geschoktheid buiten de plaats van het gebeuren.’ Holle frasen domineerden het nieuws en de steeds herhaalde berichten op televisie. De rouw werd in een dwangbuis gestopt van voorgeprogrammeerde reacties, wat ertoe leidt dat Menasse vraagtekens zet bij de consequenties die werden getrokken, zoals de War on Terror die erop volgde.  

    Een stad van decors

    De stad waar voor Menasse alles samenkomt is Wenen, ‘een stad van decors’. In het verhaal Kroniek van de Giradigasse gaat het over hoe deze straat en het bordeel daarin door de jaren heen veranderden. Hij associeert de bewoners van Wenen met toneelspelers en de stad zelf met een theater. De geschiedenis van de Weners is volgens Menasse ‘de ervaring dat ze altijd te veel voor hun potentiefantasieën hebben betaald, omdat ze, als het erop aankwam, toch impotent waren – en desondanks smoezelige daders bleven.’ Het bordeel en de hele straat werden opgeruimd onder invloed van de ‘katholieke klerikaal-fascistische standenstaat’. En zo verdween met de meisjes in de Giradigasse ook een fase in de Oostenrijkse geschiedenis. Het verhaal van het gebouw is voor Menasse het verhaal van de hele stad. ‘Het imperiale bezit geen imperium meer, het barokke geen Phaekendom, de biedermeier geen weeë idylles, de modernen geen moderniseerders.’

    In het verhaal Lang niet gezien komt een oude man voor die bij vergissing in het juridische systeem terechtkomt. Hij loopt op straat met zijn ogen gesloten. Als hij ondervraagd wordt op het bureau blijkt hij niks aan zijn ogen te mankeren. De toenmalige geliefde van de verteller moet onderzoeken of de man recht heeft op een curator. Als zij hem vraagt naar de reden van zijn gedrag, vertelt hij dat hij niet meer kan aanzien wat je allemaal ziet als je met open ogen op straat loopt. Hij sluit zijn ogen voor het heden. Deze querulant symboliseert hoe Menasse over het heden denkt, of zoals de grootvader van een van de vertellers die met de Britten Europa bevrijdde zegt: ‘Was ook geen overwinning. Waarom? Kijk toch om je heen. Nou ja je zult nog wel zien wat ik bedoel.’ 

    Een grotesk misverstand

    Menasse heeft duidelijk een afkeer van de meeste grote verhalen. Daarom zoekt hij in persoonlijke geschiedenissen naar iets wat de tijd kan overstijgen. Iedereen is zowel dader als getuige in zijn wereld, en de moderne tijd is een verschrikking geworden omdat er zoveel als vanzelfsprekend wordt aangenomen en het individu de maat is geworden van alles: ”Ik’ kan zoals bekend eenieder zeggen – maar juist dat is vandaag de dag niets verbindend meer.’ De vaak geestige ironie van zijn hoofdpersonen is een manier om door het moderne landschap te navigeren, een landschap waar Menasse als filosoof maar al te bekend mee is. Hij voert ook Hegel op in de verhalen, er wordt gediscussieerd over Dostojewski en is er een klein bijrolletje voor een boek van Adorno. 

    In het verhaal Anekdoten met doden haalt Menasse een interview met de, eveneens Oostenrijkse, schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) aan, waarin deze gezegd heeft ‘dat wat we leven noemen of zelfs weer-tot-leven brengen in wezen een grotesk misverstand is.’ Vandaar dat hij liever op kerkhoven ging wandelen. Als Menasse later Bernhards favoriete kerkhof gaat bezoeken blijkt het overbevolkt te zijn met toeristen en nieuwsgierige mensen met fototoestellen. De geest van Bernhard waart ook een beetje door Menasses verhalen, dezelfde Bernhard die in deel 1 van zijn memoires opmerkt dat in zijn kostschool in de tijd van het fascisme het portret van Jezus simpelweg vervangen werd door het portret van Hitler. 

    Bij Menasse leven we samen met de doden en de herinneringen en werkt het verleden vaak op wonderlijke wijze door in het heden. Zelfs al is de geschiedenis verdrongen of vergeten ‘dan is ze nog altijd op te maken uit de constellatie van vergissingen’. Wat we leren van de geschiedenis is dat ze vol onverwachte wendingen zit. Als Menasse terugdenkt aan de bril van zijn moeder waardoor ‘je de wereld zag met andere ogen, en ook anders werd bekeken’ denkt hij aan de tijd dat die bril een belofte inhield voor een stralende toekomst. Met heimwee denkt hij terug aan die tijd van onschuld toen hij nog geen kloof ervoer tussen (politieke) idealen en werkelijkheid. In deze fijne, scherpzinnige bundel krijgen we niet alleen een kritische blik op het heden maar ook een nieuwe blik op het verleden, dat ons verdeelt en samenbrengt. 

      

     

  • Hernieuwde aandacht voor Witold Gombrowicz

    Hernieuwde aandacht voor Witold Gombrowicz

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969) is vooral bekend geworden door zijn boeken Ferdydurke (1937), Pornografie (1960) en Kosmos (1965)Minder bekend bij het grote publiek zijn zijn dagboeken die hij speciaal voor publicatie schreef. Paul Beers maakte er in 1986 een integrale Nederlandse vertaling van, Dagboek 1953-1969. Dit dagboek is alleen nog antiquarisch te vinden. Om die reden maakte Huub Beurskens er een selectie uit die onlangs is verschenen onder de titel Met mijn smoel in mijn handen.

    Gombrowicz verblijft in Argentinië als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. ‘Ik was door een toeval naar Argentinië vertrokken, slechts voor twee weken, en als door een speling van het lot in die twee weken de oorlog niet was uitgebroken, zou ik naar Polen zijn teruggekeerd /…/’. Het werd geen verblijf van twee weken, maar van 24 jaar. Pas in 1964 keert hij terug naar Europa, naar onder andere Berlijn, Barcelona en Parijs. Het laatste deel van zijn leven, tot 1969, woont hij in het Franse Vence, op twintig kilometer van Nice.

    Dagboeken

    Huub Beurskens maakte een selectie uit de drie dagboeken, die van 1953-1956, 1957-1961 en 1961-1969. In zijn Argentijnse periode werkte Gombrowicz zeven jaar als directiesecretaris bij Banco Polaco, de Argentijnse tak van de Poolse bank Pekao SA Bank. Ondertussen werkte hij aan romans, toneelstukken en aan zijn dagboeken. In 1953 verscheen het eerste deel.

    Gombrowicz schrijft in zijn dagboeken over talloze onderwerpen, over schilderkunst (Da Vinci, Titiaan), klassieke muziek (Mozart, Bach, Beethoven, Schönberg), literatuur (Dante, Barthes, Sartre, Proust) en ook over literaire kritiek. Over critici: ‘Werp met woede en trots alle kunstmatige superioriteit van u af die uw positie u verschaft. Want literaire kritiek is niet beoordeling van de ene mens door de andere (wie gaf u het recht daartoe?), maar een treffen van twee persoonlijkheden die absoluut gelijke rechten hebben. Dus, oordeel niet. Beschrijf slechts uw reacties. Schrijf nooit over de auteur noch over zijn werk – alleen over uzelf in confrontatie met het werk of de auteur.’

    Raak

    Gombrowicz weet vooral te raken met zijn observaties over kunst. Over zijn bezoek aan het Louvre schrijft hij onder meer: ‘Dat gedrang aan die wanden, die dom, vlak naast elkaar opgehangen schilderijen. Je krijgt de hik van die opeenhoping. Een kakofonie. Kermis.’ De bezoekers in de zaal met de Mona Lisa vergelijkt hij met schildpadden die elk jaar de zee verlaten om op een verlaten strand hun eieren te leggen: ‘Zo verzamelt zich elke dag, al vijf eeuwen lang, een kleine menigte voor dit schilderij om het als een stelletje ezels aan te gapen… Klik! Een Amerikaan met zijn camera. De anderen glimlachen toegevend, zonder te begrijpen, de gelukzaligen, dat hun milde toegevendheid niet minder dom is. Over het algemeen heerst er domheid in de zalen van het Louvre.’ Alsof er niets veranderd is… toen de Amerikaan met zijn klikkende camera, nu de talloze mobiele telefoons en de selfies voor het beroemde schilderij van Da Vinci.

    Uitersten

    Gombrowicz houdt van vergelijken en contrasten. Zo zet hij Sartre, Proust en Borges tegenover elkaar. De ene schrijver bewondert hij, de andere verguist hij. ‘Sartre, weet u, is op alle fronten passé.’ Hij formuleert het zo: ‘Onze bewondering voor een kunstenaar heeft veel weg van de goedheid van een oude tante die een kleine jongen een complimentje geeft om hem geen verdriet te doen.’

    De jaren in Argentinië zet hij tegenover de jaren in Europa. Terug in Berlijn realiseert hij zich dat de omschakeling naar het leven in Europa niet eenvoudig is: ‘Ik voelde nu, ik wist, dat dat allemaal niet vanzelf zou gaan, dat die Europese reis van mij iets veel gevaarlijkers was geworden dan ik me had kunnen voorstellen toen ik in Buenos Aires mijn koffers sloot. Een schrijnend element van wanhoop was in mijn reis geslopen /…/ Sinds ik Argentinië had verlaten, was ik de draad kwijtgeraakt…’

    Chronologisch in het dagboek lezen is niet nodig. Sla het boek op een willekeurige bladzijde open en je blijft lezen. Als lezer word je meegenomen in zijn vreugde en zijn wanhoop. Geniet van zijn verhalen over Argentinië en huiver bij zijn beschrijvingen van Parijs en Berlijn.
    Het is jammer dat het boek geen namenregister bevat. Het is fijn als een lezer op naam kan zoeken in het dagboek. Positief is de toegevoegde beknopte bio- en bibliografie.

    Aanvulling op de dagboeken

    Bij deze uitgave verscheen tegelijkertijd een boek van Paul Beers, Witold Gombrowicz door de jaren heen. Het is een mooie aanvulling op de selectie uit het Dagboek 1953-1969 van de Poolse schrijver. Het bevat o.a. een deel van de briefwisseling van eind jaren zestig tussen Beers en Gombrowicz, plus essays en interviews en beschrijvingen van de bezoekjes die Beers bracht aan de schrijver in zijn huis in het Franse Vence.

    Beers is een energiek pleitbezorger van zijn werk. De schrijver wist dat ook te waarderen, getuige de opdracht die hij voorin een van zijn werken voor Beers schreef: ‘A Paul Beers qui me torture avec ses questions /…/’  Het laatste artikel in het boek is de tekst van een voordracht van Beers uit 2004, ‘Opkomst en neergang van Gombrowicz in Nederland’. Het bevat de constatering dat Gombrowicz ‘voor een algemeen publiek dood is in Nederland.’

    Bijzonder is dat Paul Beers het werk van Gombrowicz vertaalde op basis van de Franse en Duitse vertalingen uit het Pools. Beers zei daar in zijn voordracht over dat het ‘iets ongemakkelijks’ heeft ‘de vertaler te zijn van een van de grote moderne Poolse schrijvers zonder diens taal te beheersen.’ Gombrowicz vond dat geen probleem. Hij liet Beers weten dat hij liever een goede vertaling via het Frans en het Duits zag dan een middelmatige vertaling uit het Pools.

    Dit doet echter in het geheel niets af aan het feit dat beide boeken Wiltold Gombrowicz opnieuw onder de aandacht brengen. Huub Beurskens, Paul Beers en uitgeverij Koppernik verdienen alle lof daarvoor. Het is te hopen dat hierdoor een opleving voor het werk van deze belangwekkende schrijver zal ontstaan.
    Gombrowicz verdient het om gelezen te worden. In zijn eigen woorden: ‘Dat mijn werk sinds dertig jaar niets aan levenskracht heeft ingeboet, dat een boek als Ferdydurke vandaag, net als toen, met een vreugdekreet begroet kan worden door een Italiaan, een Deen, een Canadees, een Paraguyaan – dat is voor mij belangrijk!’

     

  • Oogst week 23 – 2019

    Eiland in de nevel

    Alleen de intense ervaringen die wandelaar Pieter Kikkert ervoer tijdens zijn kilometerslange wandeling in 1791 kunnen wandelaars van nu misschien herkennen, maar niet het landschap. Dat zag er in 1791 heel anders uit dan tegenwoordig. Kikkert wandelde in die zomer over Texel, met een dichtbundel onder de arm, net nadat het had gestormd en er hele stukken land in zee waren verdwenen. Hij schreef er een verslag over dat Texelaar en auteur Lodewijk Dros (1964) twee jaar geleden bij toeval vond. Dros ontdekte wat een veelzijdig man Pieter Kikkert is geweest en gebruikte diens verslag voor Eiland in de nevel
    Eiland in de nevel geeft volgens uitgeverij Boom ‘een caleidoscopisch beeld van het leven op een eiland rond 1800’.

    Lodewijk Dros (Texel, 1964) werkt sinds 2000 bij dagblad Trouw, momenteel als chef van Letter & Geest. Hij studeerde theologie en was predikant in Amsterdam.

    Het originele manuscript van Pieter Kikkert is online te lezen.

    Eiland in de nevel
    Auteur: Lodewijk Dros
    Uitgeverij: Boom (2019)

    Met mijn smoel in mijn handen

    De Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904 – 1969) is een van de vertegenwoordigers van de Poolse avantgarde. Zijn werk wordt vergeleken met dat van Kafka, Ionesco en Beckett. Zijn belangrijkste romans zijn Ferdydurke, Kosmos, Pornografie, en Het huwelijk

    Paul Beers die bijna het gehele oeuvre van Gombrowicz vertaalde vond het Dagboek het hoogtepunt in diens werk en zeer relevant voor het begrip van zijn romans. Gombrowicz schreef het Dagboek bewust om het te laten publiceren, en formuleert daarin zijn gedachten over ‘hoe ons door anderen een vorm wordt opgedrongen, over waarom het onrijpe en lage machtiger zijn dan de rijpheid, over wat schijn is in de juist zo persoonlijk geachte beleving van kunstzinnige uitingen, waar de grenzen liggen van onze moraal op een aardbol waar het probleem van het explosieve bewonersaantal onmogelijk kan worden genegeerd.’

    Huub Beurskens maakte een selectie uit het Dagboek zoals dat in de integrale Nederlandse vertaling door Paul Beers in 1986 verscheen. Volgens uitgeverij Koppernik is Met mijn smoel in mijn handen ‘nog actueler en urgenter […] dan toen Gombrowicz het schreef’.

     

    Met mijn smoel in mijn handen
    Auteur: Witold Gombrowicz
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik

    De fantastische meneer Willughby

    In de wereld van ornitologen werd John Ray jarenlang als een van de eerste en meest toonaangevende wetenschappers gezien. Hij publiceerde in 1676 samen met Francis Willuhhby een standaardwerk de Ornithologiae. Op het moment van verschijnen was deze Willuhhby echter al overleden en de roem ging bijna volledig naar Ray.
    Totdat Tim Birkhead (1950), hoogleraar gedragsbiologie en wetenschapsgeschiedenis aan de universiteit van Sheffield , in contact kwam met een verre nazaat van Willuhhby en gewezen werd op diens werkelijke betekenis.
    Dit was voor Birkhead aanleiding om op onderzoek uit te gaan, gelden te verzamelen en vervolgens Willuhhby de eer te geven die hem toekwam. In het voorwoord schrijft Birkhead: ‘Dit is het verhaal van de man die de grondslag legde van het wetenschappelijk onderzoek van vogels.’

    De fantastische meneer Willughby
    Auteur: Tim Birkhead
    Uitgeverij: Atlas Contact(2019)

    In het hart van het hart van de schrijn

    Het nieuwe nummer van Terras, nummer 16 heeft als thema ‘Over de grens’ en biedt nieuwe poëzie van alle continenten.
    Over de grens is het grote internationale poëzienummer waarvoor in 2017 dichters, redacteuren, vertalers en conservatoren van poëziebibliotheken samenkwamen om over een nieuwe bloemlezing van poëzie van de hele wereld te spreken.
    Deze editie wordt voor abonnees vergezeld door de dichtbundel In het hart van het hart van de schrijn van Anne Kawala, uit het Frans vertaald door Kim Andringa.

    Terras #16 verschijnt aan de vooravond van de 50ste editie van Poetry International maar presenteert een eigen en onafhankelijke selectie dichters. Het nummer brengt lectuur uit Argentinië, Ierland, Italië, Oostenrijk, Zuid-Afrika, Frankrijk, Rusland, Duitsland, Cuba, Spanje, Engeland, Mexico, de VS, Hongarije, China en Schotland.

     

    Voor meer informatie: Https://tijdschriftterras.nl/hart-hart-schrijn/

     

    In het hart van het hart van de schrijn
    Auteur: Anne Kawaba
    Uitgeverij: Perdu – Terras Poeziëcentrum
  • Opkomst en neergang van Gombrowicz in Nederland

    Opkomst en neergang van Gombrowicz in Nederland

    Paul Beers is de vertaler van onder andere Witold Gombrowitcz. Op 22 maart 2004 werd deze voordracht gehouden te Kraków ter gedachtenis van Witold Gombrowicz’ honderdste geboortejaar. De voordracht werd opnieuw uitgesproken op het symposium te Amsterdam op 4 mei 2005. Literair Nederland is verheugd ook deze tekst integraal te mogen publiceren.

    Ik wil mijn voordracht hier in Kraków opdragen aan de nagedachtenis van mijn collega Gerard Rasch, vooraanstaand vertaler van Poolse literatuur in Nederland, die een week geleden op 57-jarige leeftijd stierf. Hij vertaalde het Verzameld Werk van Bruno Schulz, proza van o.a. Miłosz, Szczypiorski en Kapuściński, en omvangrijke bloemlezingen van de poëzie van Zbigniew Herbert, Wisława Szymborska en zeer onlangs Czesław Miłosz. In 1997 ontving hij de Martinus Nijhoffprijs, de meest prestigieuze literaire vertaalprijs in Nederland.

    De titel van mijn voordracht is niet erg optimistisch, zelfs een beetje provocerend, zeker in deze aula, maar als zodanig geheel in lijn met de auteur zelf. Ik geef u het laatste nieuws: pas twee maanden terug deelde de Nederlandse uitgever van Gombrowicz’ werk gedurende vele, vele jaren mij mee dat de laatste 50 exemplaren van het Dagboek in één prachtige band (ik laat u alle boeken zien) voor de helft van de prijs via internet zouden worden verkocht. Dit betekent dat op het moment geen enkel boek van Gombrowicz meer verkrijgbaar is in de Nederlandse boekhandels. Drie jaar geleden al vertelde de uitgever me dat grote aantallen van Alle verhalen, De beheksten en Pornografie zouden worden ‘verramsjt’ = goedkoop weggedaan, twee jaar geleden gold hetzelfde voor zelfs de paperback van Ferdydurke, en jaren ervoor voor de paperback van Kosmos.

    Zoals u ziet: alle boeken van Gombrowicz werden in Nederland vertaald, ook de nog niet genoemde, en niet in de laatste paar jaren maar reeds in de jaren ’60 en ’70. De vertaler van al deze boeken, die hier voor u staat, is nu ook tussen de 60 en 70, maar toen hij Gombrowicz vertaalde tussen de 30 en 40 jaar oud. Niettemin was hij niet de eerste die deze auteur in Nederland vertaalde. Want de naam en faam van Gombrowicz bereikte ons land voor het eerst al in 1959, toen de criticus Elisabeth du Perron-de Roos – de vrouw van een vooraanstaande schrijver in het interbellum – voor Het Parool een lang en lovend artikel schreef, getiteld ‘Poolse roman Ferdydurke in Franse vertaling’. Drie jaar later verscheen het boek in het Nederlands, besproken door de meest vooraanstaande critici. In 1963 was Elisabeth de Roos opnieuw de eerste die de Franse vertaling van Pornografia besprak, en een jaar later al recenseerden enkele van dezelfde critici de Nederlandse vertaling – op hetzelfde moment dat wie anders dan Elisabeth de Roos zich boog over Gombrowicz’ Journal 1953-1956, ook ditmaal weer in Het Parool.

    Toen kwam in 1965 het moment dat ik – nu citeer ik Ferdydurke – ‘de Rubicon van de onvermijdelijke dertigjarigheid had overschreden.’ Ik ontdekte op een kritiek moment in mijn leven de Duitse, ingekorte pocket-versie van het Tagebuch 1953-1956 en het raakte me zo diep dat ik dit boek beslist wilde vertalen, een boek van zo grote authenticiteit, originaliteit, diepgang, afwisseling, en veel buitenlucht, zeelucht. Geen bibliotheek, geen wetenschap, geen epistèmè – een man naar mijn hart. Het jaar ervoor was ik na mijn filosofiestudie boeken gaan vertalen van Sartre, Jaspers en Fromm, ik hield niet erg van die boeken, Sartre en Jaspers waren ook knap moeilijk voor een beginnend vertaler, en wat je ermee verdiende was te schaamteloos voor woorden.

    Maar toen! ‘de schok der herkenning’ – om een boektitel te citeren van de bekende criticus Gomperts, die Gombrowicz eveneens besprak en hem ‘een bizarre geest van de eerste rang’ noemde. Ik vertaalde op de gok het eerste hoofdstuk van het Dagboek en bood de vertaling aan de twee verschillende uitgevers aan die resp. Ferdydurke en De pornografie hadden gepubliceerd. De eerste, Moussault, was geïnteresseerd, en omdat deze grote problemen had gehad met de vertaling van Ferdydurke – uiteindelijk het werk van drie vertalers, de eerste uit het Pools, de tweede corrigerend uit het Duits, de derde het Nederlands redigerend –, schreef hij Gombrowicz en vroeg hem toestemming zijn Dagboek niet uit het Pools te laten vertalen, maar uit de Duitse en Franse edities. Gombrowicz antwoordde: ‘Ik geef de voorkeur aan een goede Nederlandse vertaling van mijn werk uit het Duits en Frans boven een middelmatige uit het Pools.’

    En zo begon de lange reeks publicaties van zijn werk in Nederland, waarvan de meeste zeer positief in kranten en weekbladen werden besproken. In 1967 verscheen mijn eerste vertaling: Uit het dagboek van Witold Gombrowicz, die ik hem zelf in Vence tijdens mijn zomervakantie kon aanbieden. Na het interview met hem schreef hij in mijn exemplaar: ‘A P. B. qui me torture avec ses questions. Très amicalement, Witold Gombrowicz.’ Rita Gombrowicz troostte me nadien met haar jarenlange vriendschap. Ik was toen eenendertig, zij tweeëndertig jaar.

    In hetzelfde jaar ’67 vond er een zeer succesvolle opvoering plaats van Yvonne, net als Het huwelijk een jaar later vertaald door ervaren en reeds welbekende vertalers. In ’68 verscheen mijn vertaling van Kosmos, in ’69 vijf van de tien verhalen onder de titel Met voorbedachten rade, in ’70 de Gesprekken met Dominique de Roux, in ’71 de andere vijf verhalen onder de titel De rat. En in ’72 – samen met een herdruk van Ferdydurke – het Dagboek Parijs-Berlijn dat, net als in Frankrijk en Duitsland, als een apart boek werd uitgegeven; wat een genot opnieuw 100 pagina’s te kunnen vertalen van dat sprankelende, controversiële boek! Binnen tien jaar kon het Nederlandse publiek een groot deel van zijn werk lezen en zijn toneelstukken zien.

    Maar nu iets over de manier waarop deze boeken werden uitgegeven. Ferdydurke en de twee uittreksels uit het Dagboek werden als paperback uitgegeven door Moussault, De pornografie en Kosmos door Polak & Van Gennep, eveneens al paperback. Maar vervolgens gingen Polak en Van Gennep uit elkaar en de vermogende bibliofiel Johan Polak zette zijn uitgeverij voort onder de naam Athenaeum-Polak & Van Gennep. Dit is dermate verwarrend dat ik voortaan alleen van Athenaeum zal spreken. Johan Polak verwierf de rechten voor het gehele werk van Gombrowicz, inclusief de boeken van Moussault nadat deze uitgeverij was opgeheven. Polak wenste alleen beroemde klassieke of bijna klassieke auteurs uit te geven in fraai gebonden boeken. Het resultaat was dat de twee kleine witte boekjes met elk vijf verhalen (omvang 135 pagina’s) tweemaal zo duur waren als een paperback van 250 pagina’s. En dat was rampzalig. Veel boekhandels kochten deze boekjes niet eens in, uit vrees ze nooit te zullen verkopen. Gombrowicz was nu definitief een schrijver voor de upper-ten geworden, upper-hundred, okay, maar verloren voor één of tweeduizend lezers. Ik ben er van overtuigd dat Gombrowicz nooit een schrijver voor een algemeen lezerspubliek zal worden, hij is stellig een writers’s writer, maar ook een student’s writer. Bijna al zijn fans in Nederland ontdekten hem toen ze twintigers waren, en wanneer ik van tijd tot tijd door een nieuwe bewonderaar word benaderd is het een jeugdig persoon. Jonge mensen, of laten we zeggen de intellectuelen onder hen, hebben niet veel geld, en Gombrowicz had beschikbaar moeten zijn in normaal geprijsde uitgaven. Zeker, ook de paperbacks liepen traag, maar ten slotte werden ze verkocht. De gebonden edities van Athenaeum waren te prijzig voor jonge mensen.

    In 1973 verscheen het Toneel, gebonden én als paperback, alle drie de stukken, dus ook Operette, nu in mijn vertaling, een grote daad van Polak, want toneelstukken worden nauwelijks verkocht. Eveneens in 1973 wijdde literair magazine SOMA zijn laatste nummer aan Gombrowicz. Ik werd aangezocht als gastredacteur en slaagde erin zo’n omvangrijk nummer te maken dat de lijm het amper bij elkaar kon houden. Dit succes kreeg een staartje, want SOMA werd een jaar later vervangen door een nieuw tijdschrift, De Revisor (1974), en mij werd gevraagd redacteur/secretaris te worden. Omdat De Revisor algauw een prominente plaats veroverde temidden van de literaire tijdschriften en vele van de talentvolste jonge schrijvers aantrok, had ik alle kans Gombrowicz te promoten; naast hem ook Marian Pankowski, die ik in Brussel had geïnterviewd voor het Gombrowicz-nummer van SOMA en van wie ik de roman Matuga, de novelle Beukenootje en al zijn verhalen vertaalde voor tal van literaire tijdschriften en twee verhalenbundels.

    Na 1973 vertraagde het tempo van de vertalingen. Het meeste werk was gedaan. Restten alleen Trans-Atlantisch en het complete Dagboek. De Revisor publiceerde fragmenten uit het Dagboek over Bruno Schulz, literaire kritiek en Dante, en de getuigenissen over Gombrowicz als persoon door Alejandro Rússovich en Rita Gombrowicz. Ik vertaalde Transt-Atlantyk nog voor de Franse vertaling verschenen was, dus enkel op basis van het Duits. Ik moet vrezen dat ik veel vergissingen heb gemaakt bij dit boek, dat het meest Poolse van allemaal is en vol Poolse woordspelingen moet zitten, zoals Marian Pankowski in zijn nawoord zegt. In 1977 verscheen de  vertaling, samen met een herdruk van Kosmos, natuurlijk niet als paperback maar – ik herhaal – als the Bold and the Beautiful. In dat jaar ook begon ik met de integrale vertaling van Dziennik I. Ik herzag (‘revisored’) de gedeeltes van mijn vertaling van tien jaar geleden volledig en wilde verder gaan – toen Johan Polak = Athenaeum me mededeelde dat de herdruk van Ferdydurke was uitverkocht, dat hij niet van plan was de oude vertaling te herdrukken en dat ik een nieuwe diende te maken. Het idee stond me niet aan, ik vond het ‘ouwe koek’, Ferdydurke had in Nederland en elders zijn weg gevonden, ik bewonderde boven alles het Dagboek en daarna zou ik achter het vertalen van Gombrowicz een punt zetten.

    Maar het ging anders. Nadat Polak met al zijn vleierijen tot driemaal toe druk op me had uitgeoefend en ik niet zonder moeite driemaal had geweigerd, vroeg hij me ten slotte de oude vertaling te herzien. Ik kon niet meer weigeren, toog aan het werk en… ontdekte zoveel ontoelaatbaars dat ik onmiddellijk op 2 januari 1979 aan de nieuwe vertaling begon, midden in een zeer koude winter, en deze negen maanden later – ja, het was een bevalling – voltooide. Hoe teleurstellend dat het boek niet al in het voorjaar van 1980 verscheen, maar pas in mei 1981, en ondanks mijn dringend verzoek niet als paperback maar alleen als zeer prijzig gebonden boek. Wel verscheen het tezamen met Gombrowicziana, een zogenaamd Revisor-boek dat, min of meer als het SOMA-nummer van 1972/3, een aantal nieuwe essays bevatte, het grote essay van Miłosz ‘Man a God or Man a Wolf?’ en de beschouwingen van Schulz en Gombrowicz over elkaars werk. Ikzelf schreef voor het eerst over het probleem Gombrowicz te vertalen vanuit de Duitse en Franse edities, maar ik toonde eveneens aan welke fouten ik met name in de Duitse vertalingen had ontdekt en hoe vruchtbaar het kan zijn twee vertalingen te vergelijken.

    Nu dreig ik het ‘tussendoortje’ te vergeten dat Gombrowicz zelf in zijn Gesprekken met de Roux niet eens noemde, De beheksten, maar dat mij erg beviel. Ik had zelfs een vriend die Gombrowicz verafschuwde, maar alleen dit boek op prijs stelde. Ditmaal vertaalde ik uitsluitend op basis van de Franse editie, die als eerste verscheen, en het was een genoegen voor het eerst een boek te vertalen dat niet moeilijk was en toch de moeite waard. Ik had het geluk dat het beste ochtendblad, de Volkskrant, het boek in 1981 als feuilleton publiceerde, net als de Franse Le Monde in 1977 en later de Duitse Frankfurter Allgemeine Zeitung in 1987. Als boek werd De beheksten pas uitgegeven in 1990, inclusief het slot, dat was kwijtgeraakt maar teruggevonden en gepubliceerd in de Duitse uitgave.

    Maar nu heb ik het jaar 1986 overgeslagen. Toen verscheen ten slotte het complete Dagboek 1953-1969, met een grote presentatie in De Balie te Amsterdam, in aanwezigheid van Rita Gombrowicz, met verschillende sprekers en filmfragmenten en een speciaal nummer van De Revisor. Alle vooraanstaande kranten en weekbladen schonken ruime aandacht aan het fraai gebonden boek van meer dan 900 pagina’s. Het werd tamelijk goed verkocht, elk jaar verminderde de voorraad, totdat dus onlangs de laatste vijftig exemplaren voor de halve prijs werden aangeboden. Kijken we naar de namen van de uitgevers van het Dagboek, dan zien we niet alleen Athenaeum staan, maar ook Ambo. De situatie van Athenaeum was op dat moment zo kritiek dat het Dagboek in feite door een andere uitgeverij werd geproduceerd, en dat was het Ambo van Ivo Gay, dat een jaar later de tweede herdruk van Kosmos uitgaf als goedkope paperback. Toen in 1987 Athenaeum zo goed als bankroet was, besloot de curator plotseling tot een herdruk van De pornografie als pocket voor een absurd lage prijs, een derde van de gebonden editie, in de hoop – denk ik – dat velen het boek vanwege de titel zouden kopen. Ik hoor de tanden knarsen, terwijl men vergeefs uitziet naar de beloofde opwinding. Niettemin, op dat moment bereikte De pornografie, net als Ferdydurke en Kosmos, de derde druk.

    In 1988 nam de jonge, ondernemende boekhandelaar Ad ten Bosch het fonds van Athenaeum over en ging verder met Gombrowicz. En hoe! In 1989 gaf hij Alle verhalen uit in één deel. De vertaling werd opnieuw herzien en  gecompleteerd met de zeer korte verhalen in de Duitse uitgave van het verzameld werk. In 1990 verscheen de boekuitgave van De beheksten – beide boeken als paperback én gebonden. Maar één ding was hetzelfde gebleven – mogelijk een aan Johan Polak gedane belofte: de paperbaks hadden de prijs van een gewoon gebonden boek en de gebonden boeken leken bedoeld voor rijke bibliofielen. – Dat gold niet voor Ferdydurke. In 1992 kwam het nieuwe Athenaeum (Johan Polak was in 1992 overleden) met een paperback van Ferdydurke, maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de verkoop ook van deze uitgave teleurstellend was. Toch was dat nog niet het einde. Aangestoken door het enthousiasme van de nieuwe directeur durfde ik hem te vragen of ik een nieuwe vertaling van De pornografie mocht maken. De eerdere was inmiddels dertig jaar oud, dus ook de vertaling was ‘de onvermijdelijke Rubicon’ overgegaan en deze roman, mijn favoriet onder Gombrowicz’ romans, was het enige boek van hem dat ik niet had vertaald. De uitgever ging akkoord en deels op basis van de oude vertaling, zoals ik in mijn Verantwoording schreef, verscheen Pornografie, nu zonder lidwoord, in 1994.

    Nu, tien jaar later, moet ik toegeven dat Gombrowicz voor een algemeen publiek  dood is in Nederland. Geen enkele boekhandel, zelfs de beste niet, heeft meer een boek in huis. De tweedehandsboekwinkels nog wel. Maar elk jaar is er wel weer een jonge man of vrouw die zijn werk ontdekt, contact met me zoekt en getuigt van groot enthousiasme. Een Rotterdamse toneelmaker en een Vlaamse actrice maakten meerdere voorstellingen gebaseerd op zijn werk; het studententheater speelt van tijd tot tijd Yvonne; een beeldhouwster/schrijfster maakte een mooie buste van Gombrowicz die nu op Rita’s bureau staat; al in 1972 maakte een schilder van mijn leeftijd vier zeefdrukken gebaseerd op Gombrowicz’ werk die nu in mijn werkkamer hangen; en twee indertijd jonge filmmakers kozen in de jaren ’70 als onderwerp voor hun eerste korte films resp. het verhaal De danser van Mr. Kraykowski en Moord met voorbedachten rade. Ja, de jaren ’70 waren het decennium waarin Gombrowicz een grote naam was in de Hollandse culturele wereld en menig kunstenaar inspireerde. Iets van die atmosfeer terug te voelen is een van de redenen waarom ik besloot naar Kraków te komen en Polen voor het eerst te bezoeken. Want de vertaler te zijn van een van de grote moderne Poole schrijvers zonder diens taal te beheersen heeft iets ongemakkelijks. Neemt u me niet kwalijk, ik wist in 1965 niet dat de schok der herkenning zo ver zou gaan.

     

     

  • Integraal interview Paul Beers met Witold Gombrowicz

    Integraal interview Paul Beers met Witold Gombrowicz

     

    Dit interview van vertaler Paul Beers met de Poolse schrijver Witold Gombrowicz vond plaats in in 1967 in Vence, Zuid Frankrijk en verscheen Vrij Nederland.

    Vier romans en de verhalen van Witold Gombrowicz gebonden in een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen in een oplage van 511 genummerde exemplaren en in herziene vertaling door Paul Beers bij uitgeverij IJzer (2015).

    Gombrowicz behoort met Bruno Schulz en Stanislaw Ignacy Witkiewicz tot de belangrijkste Poolse schrijvers van de 20e eeuw. In zijn meest productieve jaren woonde hij in Argentinië (1939 tot 1963) waardoor hij in Europa niet de bekendheid genoot die hij verdiende. Pas in 1960, nadat de roman Pornografie was verschenen, veroverde hij de literaire kritiek in Frankrijk en Duitsland waarna vele andere landen volgden. Zijn debuutroman Ferdydurke bleef zijn meest succesvolle roman. Na een verblijf in Berlijn, vestigde hij zich in Vence, Zuid-Frankrijk, waar hij zijn laatste roman Kosmos (1965) voltooide waarmee hij de prestigieuze Internationale Literatuurprijs 1967 (Prix Formentor) won. Het Parool schreef over Gombrowicz dat hij ‘onherhaalbare romans schrijft’. En dat het een verademing is ze te lezen, ook als men er niet compleet door veroverd wordt.

    De Volkskrant over De Verhalen: ‘een stijl waarvoor niets te dol is, van de meest krankzinnige grappen tot de meest clichématige plechtstatigheden. De vertaler heeft Gombrowicz in onze taal een schitterend eigen idioom geschonken, waarvan ik mij eerlijk gezegd maar moeilijk kan voorstellen dat het in het Pools nog overtroffen zou kunnen worden.’
    (Onderaan de pagina de link waar deze dundrukeditie te verkrijgen is.

     


    INTERVIEW:

    30 juli 1967

    Vence, zondagavond 7 uur, de grootste hitte is achter de rug. In een van de hoeken van de grote Place du Grand Jardin, verscholen haast, een stijlvol ouderwets herenhuis, drie naambordjes onder elkaar, drie bellen, de bovenste van Witold Gombrowicz. De deur klikt open, een koele, haast donkere hal, een hol naar beneden galmende stem: ‘Qui est là?’ – ‘Le traducteur hollandais’, ik loop twee trappen op, sta dan voor de man die ik meen te kennen, die mij niet kent. Een blaffende hond, sst, sst, een jonge vrouw van een jaar of dertig pakt hem bij de halsband, knikt, doet de deur van de werkkamer voor ons open. Stilte, hijgen, de astma waar hij in zijn laatste brief over schreef heeft hem niet verlaten, juist vandaag is die door de vochtige lucht extra hardnekkig. Vijf minuten om op adem te komen en waarin mij een whisky-soda wordt gebracht door de zeer vriendelijke gezellin van de schrijver. Nee, hij is niet jong meer, deze schrijver van jeugd en onrijpheid. Toen hij als vijfendertigjarige Pool zijn tweede vaderland Argentinië betrad (om het pas vierentwintig jaar later te verlaten), kon hij van zichzelf schrijven dat hij er tien jaar jonger uitzag, nu niet meer, hij is een zestiger. En ziek, zoals hij zelf meermalen benadrukt; nee, nooit last gehad, niet als jongen in Polen, niet in Argentinië, pas bij zijn terugkeer in Europa tijdens zijn eenjarig verblijf in Berlijn op uitnodiging van de Ford Foundation is hij door de astma overvallen.

    Vermagerde, sensitieve wangen waar de zenuwen lijken geconcentreerd, de rook van de menthol-sigaretten wordt driftig naar binnen gezogen, de totaalindruk is die van een deprimerende eenzaamheid. Bovendien is hij sinds het winnen van de Internationale Literatuurprijs de prooi van een journalistieke en literaire belangstelling die hem tezamen met zijn ziekte uitput. Morgen tandarts, overmorgen Julliard, verleden week de ‘Entretiens’ met Dominique de Roux op de bandrecorder, vandaag:
    ‘Monsieur Gombrowicz, zou men kunnen zeggen dat u in uw laatste roman Kosmos als het ware bent doorgestoten tot de grond die ook bepalend is voor uw andere werk, maar nu op meer algemene, filosofische wijze – dat uw gevecht met de Vorm zich hier in alle naaktheid openbaart?’
    ‘Dat weet ik niet zo, mijn hoofdthema beheerst natuurlijk al mijn werk, maar het is waar dat Kosmos wat filosofischer is dan mijn andere boeken. Dat hoofdthema is dus: de mens als schepper van de Vorm.’
    ‘Uw hoofdthema, ja. Maar daarnaast spreekt u over thema’s die in de loop van uw bestaan geleidelijk veranderen. Het hoofdthema heeft zich dus op bepaalde wijze gevarieerd.’
    ‘Ja, zeer in ’t kort en zeer algemeen zou men dit kunnen zeggen. Ferdydurke: de mens geschapen door de andere mens; Pornografie: de volwassene geschapen door de jeugdige; Komos: de mens geschapen door en zelf schepper van de Vorm.’

    ‘Zouden we het zo kunnen zeggen dat in Kosmos de mens gevormd wordt door de dingen in plaats van door de mensen?’

    ‘Nee, ook in Kosmos staat de mens centraal, in al mijn werk staat de mens in het centrum. Want de nadruk ligt niet op de dingen, maar op het associëren en verbinden in de menselijke geest. Mijn kunst, dé kunst, is de hartstocht en de behoefte om de dingen te begrijpen.’

    ‘Bent u, getuige vooral uw Dagboek, niet evenzeer filosoof als kunstenaar?’

    ‘Nee, nee, ik wil in de eerste plaats kunstenaar zijn. Pas nadat ik Ferdydurke geschreven had, ben ik me de implicaties bewust geworden, en pas omdat men dat boek en mijn andere werk niet begreep, heb ik me gedwongen gezien mezelf te verklaren. Maar ik wil als kunstenaar gelezen worden, ik heb een hekel aan al te filosofische verklaringen van mijn werk, ik wil dat men het verhaal, de geschiedenis leest en er zich door mee laat nemen. Zo zou ik ook de kritiek geschreven willen zien, geen filosofische extracten, geen onmogelijke weergave van de gang van het verhaal, maar een creatieve krachtmeting met de auteur. De criticus moet proberen de elektriciteit, de aantrekkelijkheid van het boek over te brengen. Maar helaas, ik ken er zo maar weinigen en de mensen krijgen de indruk dat ik een denker ben.’

    ‘U maakt het uw critici met deze eisen wel erg moeilijk. Om naast uw ideeën ook uw stijl over te brengen zouden ze een tweede Gombrowicz moeten zijn.’

    ‘Hm.’

    ‘Om op uw denker-zijn terug te komen, uw Dagboek bevat toch duidelijk meer dan verklaringen van eigen werk en persoonlijke notities. U gaat uitvoerig in op schrijvers uit zulke verschillende richtingen als katholicisme, communisme en existentialisme, waarbij bovendien, temidden van alle afwijzing, een grote loyaliteit opvalt.’

    ‘Wat die loyaliteit betreft, die is de andere kant van gedesinteresseerdheid. Omdat ik aan geen van deze -ismen geëngageerd ben, kan ik ze des te objectiever beschouwen. Ik ben dus geen filosoof, maar wel heb ik me een grote intellectuele strengheid eigen gemaakt.’

    ‘Heeft u in uw Parijse jaren ook filosofie gestudeerd?’

    ‘Parijse jaren zijn er niet geweest, wel ging ik tijdens mijn rechtenstudie in Warschau soms voor langere tijd naar Parijs, maar omdat ik daar niets uitvoerde heeft mijn vader er een eind aan gemaakt.’

    ‘Zou u iets over vroeger willen vertellen?’

    ‘Ik kwam zoals gebruikelijk uit een katholiek gezin waarvan ik, in 1904 geboren, de jongste was naast een inmiddels overleden zuster en twee oudere broers. Met hen heb ik nog contact, schriftelijk, want in Polen ben ik nooit meer geweest. Na het gymnasium studeerde ik dus rechten in Warschau en ik heb die studie alleen afgemaakt om reden van financiële steun van thuis. Ik heb er nooit iets mee gedaan en ik weet er niets meer van. Het afvallen van het geloof heeft voor mij geen enkele schok betekend, innerlijk tenminste, dat ging vanzelf. Al op zestien-, zeventienjarige leeftijd was ik met Kant bezig, zijn Prolegomena op de Kritik der reinen Vernunft, en met boeken óver hem, want de Kritiken zelf waren toen nog te moeilijk. Daarna Hegel, Schopenhauer, Nietzsche.’

    ‘Daar wilde ik u iets over vragen. In uw Dagboek valt u scherp uit tegen Nietzsche. Maar is het niet zo dat als men een filosoof zou moeten noemen die althans in uw richting denkt, meer een denker dus van het leven dan een filosoof van de geest, dat men dan als eerste aan Nietzsche denkt?’

    ‘Ja, Nietzsche is ook heel belangrijk, en voor mij belangrijker geweest dan Kierkegaard, maar in die passage ging het er mij om dat Nietzsche ‘jong’ en ‘wijs’ met elkaar wilde verenigen, terwijl voor mij jeugd gelijk staat met het lagere, het onrijpe, het minderwaardige.’

    ‘Over het existentialisme heeft u het wat uitvoeriger in uw Dagboek, heeft u daarvan de hoofdwerken bestudeerd?’

    ‘Ja, Sartre’s L’être et le néant en van Heidegger Sein und Zeit, Jaspers minder. Maar nooit als filosofie-student, altijd als leek. Filosofie is belangrijk voor de intellectuele strengheid die ik al noemde, en zij helpt ons de wereld te ordenen.’

    ‘Desondanks schrijft u uw romans niet vanuit een bepaald plan.’

    ‘O nee, in al mijn werk laat ik mij leiden door natuurlijke impulsen die mij in een bepaalde richting drijven, sans préméditation. En met ‘natuurlijk’ bedoel ik: aantrekkelijk, boeiend, onverwacht, ik weet van tevoren niet hoe het verhaal zich zal ontwikkelen. In Kosmos bijvoorbeeld is er eerst de mus die hangt, dan de monden, de pijl op het plafond die verwijst naar een ander hangen, zo ontstaat het thema van het hangen, dat weer verbinding zoekt met de monden, maar ik weet zelf niet hoe. Zo schept het boek zichzelf als de geleidelijke vorming van een realiteit van verwijzingen.’

    ‘Zou men niet kunnen zeggen dat u in uw werk een poging doet het leven zelf, de wildheid en ongevormdheid ervan, op heterdaad te betrappen en weer te geven, temeer daar ook uw werkwijze de grilligheid van het leven volgt, onverwacht en sans préméditation?’

    ‘Nee, zeker niet, want dat zou een capituleren voor de chaos betekenen. En schrijven is een middel tot ordening.’

    ‘Ik wilde nog even terugkomen op Kosmos. Hoewel de nadruk dus ligt op de associaties, de verbindingen tussen de dingen, spelen de dingen zelf in dit boek een grote rol. Omdat dit ook in de nouveau roman het geval is, wilde ik u vragen of u parallellen ziet.’

    ‘De enige toevallige parallel is misschien die nadruk op de dingen. Maar verder is de nouveau roman van een afschuwelijk intellectualisme. Men mag natuurlijk niet generaliseren, vooral over Robbe-Grillet valt meer te zeggen, maar in zijn algemeenheid is dit waar. Zij zoeken het object, iets wat voor mij een absoluut valse zaak is, omdat men slechts van zichzelf uit kan gaan, dat wil zeggen van het subject. Die fles daar is er voor mij, niet ik voor de fles. En het ergste is: zij maken de literatuur vervelend, de Franse nouveau roman is vervelend en onleesbaar. Ook Kosmos wil de wereld ordenen, maar op lyrische, gepassioneerde wijze, de nouveau roman is cerebraal, intellectueel, dood.’

    ‘Dat zijn meer gehoorde verwijten aan het adres van de Franse cultuur. Hoe staat u tegenover Frankrijk?’

    ‘Zeer ambivalent. Ik houd niet erg van Frankrijk, het is me te intellectueel, te cultureel. Maar ik ken de taal, ik heb er mijn meeste contacten, mijn Poolse uitgeverij Kultura zit in Parijs, ik ken mijn Franse vertalers, wier werk ik zelf kan corrigeren. Maar ik houd niet van het land. Even ben ik in Italië geweest en dat beviel me onmiddellijk veel beter. Veel meer het Zuiden. Ik houd van het Zuiden, niet van het Noorden. Argentinië, dat is een goed land, daar heb ik ’t het meest naar mijn zin gehad, de lichtheid, de losheid. Maar nu maakt het niet meer uit, nu ben ik oud.’

    ‘Ik had nog een vraag over uw Dagboek Parijs-Berlijn. U geeft daar, dacht ik, een waar verslag van uw terugkeer naar en uw eerste jaar ín Europa. Maar het viel mij op dat u enkele malen haast ongemerkt het terrrein van de geloofwaardigheid verlaat en een bizarre fantasie beschrijft, zoals we die uit uw werk kennen. Bijvoorbeeld die matroos die het eind van een touw inslikt en door de kronkelingen van zijn slokdarm de mast in wordt gehesen, of het uittrekken van uw broek tijdens het diner met de Franse schrijvers.’

    ‘Nee, nee, dat is inderdaad fantasie, dat van dat diner, natuurlijk! Ook in mijn dagboeken houd ik me niet strikt aan de werkelijkheid, méér, maar niet helemaal. En die matroos met die lijn, dat haakt aan bij een vroeger verhaal van mij, ‘Voorvallen op de schoener Banbury’, waarin eenzelfde episode voorkomt en waarin ik een bootreis naar Argentinië beschrijf op een moment, 1932, dat ik nog niets over mijn latere Argentijnse lot kon weten. Dat was dus een voorspelling, een soort helderziendheid, en omdat dit me op dat moment nogal bezighield, keert dat verhaal bij me terug: de gelijktijdigheid, het vervloeien van de tijd.’

    ‘In Frankrijk is zojuist de verzamelbundel van uw verhalen, Bakakaï, verschenen. Op één na zijn deze gedateerd tussen 1926 en 1937, het jaar waarin Ferdydurke verscheen. Uit uw Dagboek meende ik te kunnen opmaken dat u indertijd niet tevreden was over uw werk vóór Ferdydurke; toch lijkt het mij dat de verhalen al direct op het peil staan van uw latere werk.’

    ‘Ik ben het daarmee eens, ik sta er volkomen achter en ik geloof dat de beste van mijn verhalen niet onderdoen voor het beste uit mijn andere werk. Wel geef ik de voorkeur aan de laatste, zoals ‘De rat’ en ‘Het banket’, de techniek is daar perfecter geworden; dat is ook de reden waarom ik ze nu in omgekeerde volgorde heb gepubliceerd.’

    ‘Dan uw toneel. U weet dat in het komende seizoen in Nederland Yvonne en Het Huwelijk gespeeld gaan worden. Het heeft lang geduurd voor uw stukken in Europa werden opgevoerd.’

    ‘Ja, Yvonne dateert van 1935 en is zo goed als dertig jaar ongespeeld gebleven. Het Huwelijk, van 1945, is in 1963 voor het eerst opgevoerd in Parijs, onder regie van Lavelli, en met groot succes. Sindsdien is ook Yvonne in Frankrijk gespeeld. Duitsland volgt nu, en het afgelopen jaar is er een voorstelling gegeven van Het Huwelijk in Stockholm, onder regie van Sjöberg, waarvan gezegd wordt dat het de grootste toneelgebeurtenis van het seizoen is geweest. Mijn theater was stellig zijn tijd vooruit. In al die jaren ben ik als toneelschrijver onopgemerkt gebleven. Maar nu ben ik plotseling een serieuze naam in de discussies over het moderne toneel, terwijl een man als Lavelli dankzij zijn succes een regisseur van internationale betekenis is geworden.’

    ‘Heeft u voorstellingen van uw eigen stukken gezien?’

    ‘Nee, bij de opvoering van Het Huwelijk in Parijs was ik in Berlijn, en omgekeerd. Ik ben trouwens helemaal geen toneelliefhebber, ik prefereer de film, ik ben een schrijver voor toneel die niet van toneel houdt.’

    ‘Tot slot zou ik u willen vragen of u bij gelegenheid van de verschijning van Kosmos en de opvoering van Het Huwelijk naar Nederland zou kunnen komen.’

    ‘Nee, dat is uitgesloten, dat staat mijn gezondheid absoluut niet toe.’

    Als ik hem na afloop vraag mijn exemplaar van het Dagboek te willen signeren, lees ik buiten: ‘À P.B. qui me torture avec ses questions, très amicalement  Witold Gombrowicz

     

     

    Dit interview verscheen op 12 december 1967 inVrij Nederland.

  • Recensie door Huub Bartman

    Recensie door Huub Bartman

    De Gordiaanse knoop

    ‘En wie zich dit alles niet kan voorstellen, die moet zich tenminste proberen voor te stellen wat Auschwitz betekent. En wat dit tot nu toe en voor eeuwig voor ons betekent. En waarom iedere voorzitter van de Europese Commissie sinds de oprichting van de Commissie zijn ambtsaanvaarding begint met een reis naar Auschwitz.’ (blz. 115)

    De bekende Oostenrijkse schrijver Robert Menasse vatte enige tijd geleden het plan op een roman te schrijven die zich in Brussel zou moeten afspelen met als hoofdpersoon een ambtenaar van de Europese Commissie. Het zou een zogenaamde ‘vooravond-roman’ moeten worden in de zin van Thomas Manns De Toverberg of Robert Musils Man zonder eigenschappen. In Menasses ogen staan wij aan de vooravond van de ondergang van de natiestaat en de grafdelver zal de Europese Unie zijn; óf de Europese Unie slaagt erin de overwinning op de natiestaat te boeken, óf de natiestaat zorgt voor een herhaling van de rokende puinhopen van weleer, escalerend in een nieuw armageddon, een nieuw Auschwitz, waarna we opnieuw stamelen: ‘Dit mag nooit meer gebeuren!’

    De roman is er nog niet gekomen, maar wel een erudiet en vlammend essay; erudiet omdat hij een haarscherpe analyse geeft van de problemen waarvoor wij in Europa staan en vlammend omdat hij zijn analyse baseert op een maatschappijvisie. En juist dat laatste ontbreekt, aldus Menasse, bij de huidige generatie politici. Dat is heel erg omdat het Europese project zoals wij dat nu kennen in de vorm van de Europese Unie in den beginne gebaseerd is op een maatschappijvisie als reactie op de verschrikkingen van vooral de Tweede Wereldoorlog: ‘Dat nooit meer!’ De na-oorlogse Europese elite zag in dat de oorzaak van alle ellende gezocht moest worden in de natiestaten. Deze moesten dus door een vervlechting van hun economieën stap voor stap gedwongen worden hun soevereiniteit prijs te geven tot ze uiteindelijk zouden afsterven en opgaan in een Europa zonder grenzen. Deze supranationale opvatting van Europa werd toen door de elite gedeeld, niet door het gewone volk. Nu echter vindt deze opvatting ook bij de elite niet langer gehoor, terwijl het volk nog altijd niet gewonnen is voor de Europese idee. Het beperkte supranationale karakter van sommige Europese instellingen is in de loop der tijd systematisch uitgehold met als droevig dieptepunt de bepalingen van het Verdrag van Lissabon, waar de bevoegdheden van de Europese Commissie aan banden werden gelegd, die van het Europees Parlement onvoldoende werden versterkt en die van de Europese Raad werden uitgebreid. Deze Europese Raad is in de ogen van Menasse een arena waarin de natiestaten elkaar de tent uitvechten om vermeende eigenbelangen te behartigen. Grote landen als het Duitsland van Angela Merkel en Frankrijk maken er de dienst uit en de regeringshoofden, ook Rutte, komen trots thuis vertellen wat ze nu weer voor hun eigen land hebben binnengehaald ten koste van die gargantueske moloch, EU geheten, wel inziend dat hun nationale belangen eigenlijk veel meer gediend zouden zijn bij meer Europa, maar om electorale redenen zich aansluitend bij de nationale waan van de dag. Deze politici immers zijn thuis afhankelijk van hun kiezers, die anti-Europa zijn of op zijn best sceptisch staan tegenover de EU, daartoe opgehitst door de nationale media. En juist daarin schuilt, aldus Menasse, de tragiek ‘….dat uitgerekend de schuldigen zich opwerpen als redders, die de gevolgen van hun beslissingen tot oorzaak van hun eerstvolgende beslissingen verklaren. De Raad is de vernietigende verlosser: waar over de redding onderhandeld wordt, groeit het gevaar!’(blz. 103).

    Menasse gaat ervan uit dat er eigenlijk helemaal geen sprake is van een financiële crisis, maar van een politieke crisis. ‘Politiek engagement, democratische strijd en natuurlijk de woede van de burgers moeten zich nu richten op de afschaffing van de Raad. De Raad moet weg! Radicaal!’

     

    De Europese koerier
    De woede van de burger en de vrede van Europa

    Auteur:  Robert Menasse
    Vertaald door: Paul Beers
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Aantal pagina’s: 128
    Prijs: € 16,95