• Tot de kern

    Tot de kern

    Ik stuitte op een interview met Paul Auster (1949-2024) waarin hij zegt dat de essentie van een schrijver is ’to make a maximum effort all the time’. Dat een kunstenaar nooit achterover kan leunen, ‘you can’t be a writer, or a painter, or a musician unless you make maximum effect.’ Je elke dag op te sluiten in je kamer om tot een werk te komen. Auster zegt, ‘Which is a very strange way to live, alone in a room every day, putting words on pieces of paper.’ Dat hij na een hele dag in zijn werkkamer te hebben gezeten er uiteindelijk een zin op papier komt die kan blijven staan. Dat het verfrommelen van beschreven vellen papier ook schrijven is.

    Toen Frida Vogels acht jaar was sprong ze van de duikplank in het diepe. Ze beschrijft de aanloop naar die sprong in een kleine scène in haar laatste boek, In den vreemde. In die scène is de essentie, de eigenheid van een persoon te lezen die tekenend is voor haar verdere leven. Ze schrijft ‘er gebeurde op een dag iets dat ik me nu nog herinner’. Ze was alleen naar het zwembad gegaan, lag bij het ondiepe bad vanwaar ze een groep jongens en meisjes op de hoge duikplank zag staan. ‘Wat deden ze daar dan?’, vroeg ze zich af. Ze sprong op en liep naar de hoge duikplank en klom naar boven. ‘Ik liep tussen de luidruchtige jongens door, die bij het zien van mij stilvielen van verbazing, bereikte het einde van de duikplank en sprong eraf.’ Dat je van een eenmaal ingeslagen weg niet omkeert.

    Als ze vanuit de diepte weer boven komt, werkt ze zich ‘Hijgend en puffend, mezelf zo goed mogelijk helpend met mijn armen en benen’, naar de rand van het zwembad en klampt zich vast aan de ijzeren railing, ‘duwde me toen op aan de tegels, stapte uit en keerde terug naar mijn plek op het zand. Ik wist nog steeds niet hoe ik zwemmen moest.’ Dat zij het zich herinnert als iets dat ‘gebeurde’, alsof het haar overkwam, er omstandigheden waren die ertoe bijdroegen dat ze zo onbevangen van die duikplank sprong.

    Schrijvers als Paul Auster en Frida Vogels hebben mijn grote bewondering. Dat het allemaal in hun werkkamer gebeurde, al dat schrijven, de boeken die daaruit voortkwamen. 

    Ik blijf bij de kamer van Vogels. Waar zij zit als Ennio thuiskomt met Tagliavini, kenner van orgels en klavecimbels. Hij roept, ‘“Frida!” en ik antwoordde “Ja’, maar zonder van mijn plaats te komen. Natuurlijk had ik Tagliavini moeten gaan begroeten. Daar heb ik nu de pest over in.’ Dat onbeweeglijke, dat starre, die werkkamer als bastion.
    Ennio maakte van het bouwen van een virginaal, klavecimbel en als laatste een orgel zijn levensinvulling. Zoals Frida haar boek De harde kern voor Ennio schreef, en hij voor haar die instrumenten. ‘Zonder mij zou hij nooit dat klavecimbel hebben gebouwd (…) en ik zou Kanker en De naakte waarheid niet hebben geschreven’. Ze schrijft, ‘het klavecimbel is wat er goed tussen ons is.’

    Iemand zei me eens, ‘Wat een leuke man heb jij! Weet je dat wel?’ Natuurlijk wist ik dat, hij was immers mijn man. Maar om eerlijk te zijn, er werd op dat moment iets in werking gezet. Want sindsdien overkomt het me dat als de man slapend naast me ligt, koffiedrinkend aan de keukentafel zit, of op de trap zijn wandelschoenen aantrekt, ik denk, ‘Ja, wat een leuke man.’ Dat de dingen me gezegd moeten worden, pas dan zie ik het ook. 

    Als Han (Voskuil) tegen haar zegt ‘Wat Ennio doet, is goed. Als je jullie samen ziet kun je dat volledig accepteren.’ Ontroert haar dat.
    Op
     2 maart 2017 zit Frida aan Ennio’s sterfbed. ‘Ik streelde hem zachtjes over zijn wangen. Hij scheen dat prettig te vinden. Misschien. Ik dacht het wel en ik vond het ook prettig om het te doen, maar ik wist het niet zeker.’ Hoe dat mij ontroert.

    ‘The essence of being an artist is to confront the things you are trying to do, to tackle it head on, and if it is good, it will have its own beauty – an unpredictable beauty.’, zei Auster in dat interview.

    Dat de gedachte aan de rollen papier die ik vol schreef, me soms aanvliegt. Dat daar iets mee moet. En dat ik denk met deze persoonlijke verhalen, brieven en bekentenissen tot de kern van Frida Vogels gekomen te zijn. Haar werk geeft dat uitzonderlijke gevoel getuige te zijn van een zelfontleding die je nergens anders tegenkomt. Dat ze schrijft om te weten wie je bent. Het is van een grootse veelheid, al die duizenden bladzijden van Frida Vogels, maar mag het nog een ietsje meer zijn?

     

     

    In den vreemde, Kronieken / Frida Vogels / 538 blz. / Van Oorschot (2024)


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

     

     

     

  • Paul Auster (1947-2024) lezen

    Paul  Auster (1947-2024) lezen

    In de week dat Paul Auster overleed, was ik in Den Haag bij mijn dochter. In haar boekenkast vond ik tussen het rijtje Auster boeken, Bericht uit het innerlijk. Een autobiografie over zijn opgroeien, zijn perceptie van het leven, van Amerika. Nu hij er niet meer is, zie ik pas goed dat Auster in dit boek de vorming van zijn wereldbeeld beschreef. Als een bewonderd schrijver sterft, spreken zijn boeken des te meer. Ik lees en herlees. De dood is de ‘final countdown’, geen dagen, geen uren, niets wordt er meer toegevoegd.

    Auster werd zich al jong bewust van zijn eigen sterfelijkheid. Hij schreef erover in verschillende boeken, hoe een jongen tijdens een zomerkamp door de bliksem werd gedood. ‘Ik was 14 en werd mij er op dat moment van bewust hoe fragiel en onvoorspelbaar het leven is.’ Ook in Bericht vanuit het innerlijk wordt dit genoemd in een opsomming van voorvallen die hem gevormd hebben. 

    ‘In de zomer [van 1961] werden de Freedomridders, die met bussen door het Zuiden trokken, door blanke groepen in elkaar geslagen, pleegde Hemmingway zelfmoord, en werd op een zomerkamp in de bossen van New York State een jongen uit jouw groep dodelijk door de bliksem getroffen, de veertienjarige Ralph M., die nog geen halve meter van je afstond toen de bliksemflits uit de hemel schoot en hem elektrocuteerde, en hoewel je redelijk gedetailleerd over deze gebeurtenis hebt geschreven (Why write?) ben je altijd blijven denken aan wat er die dag is gebeurd, het is je er altijd aan blijven herinneren hoe je daarna de wereld bent gaan zien, want het was je eerste les in de alchemie van het toeval, je eerste kennismaking met de onmenselijke krachten die in een oogwenk je leven kunnen vernietigen.’

    Later, toen ik thuis was, zocht ik naar het kunstboek Double Game, van de Franse kunstenares Sophie Calle. Wat had dat ook weer met Paul Auster te maken? Zo gauw ik het opensloeg, de gefotografeerde pagina’s uit Austers roman Leviathan zag, wist ik het. Een personage in Leviathan, Maria, is gebaseerd op Sophie Calle. Auster was gefascineerd door haar conceptuele kunst en gebruikte in zijn boek feiten uit haar leven, maar verzon ook kunstprojecten in de stijl van Calle’s werk. Zo laat hij Maria allerlei objecten van vreemdelingen fotograferen om daaruit de werkelijke aard van hen te reconstrueren. 

    Als antwoord op hoe zij in zijn roman werd geportretteerd, maakte Calle later Double Game. Er is sprake van eenkleurige maaltijden die Maria zou bereiden, voor elke dag een andere kleur. Calle creëerde die maaltijden, voegde er dingen aan toe, fotografeerde ze. Ook fotografeerde ze pagina’s uit Leviathan waarin ze eerst met rode pen correcties had aangebracht.

     

    Paul Auster schreef met vulpen op ruitjespapier (dit is belangrijk). Als hij een alinea af had, typte hij die uit op zijn tweedehands Olympia typemachine (de toewijding). Je zou zo’n schrijver (denk ook aan Brouwers) willen zijn. De getypte vellen werden door iemand anders in de computer ingevoerd, waarna Auster de prints corrigeerde. Uit Bericht vanuit het innerlijk: ‘Ik woon in mijn schrijven – het verteert mijn gedachten. Ik heb een hoop ideeën, plannen tegelijk – zodra ik maar even vrij ben, spelen ze door mijn hoofd; ik ben voortdurend aan het verfijnen, bijstellen, en concentreer me tegelijkertijd op datgene waar ik momenteel mee bezig ben…’ Er was veel waaraan hij nog wilde werken.

    Ik lees Brooklyn dwaasheid, waarin Nathan, in tegenstelling tot Auster zelf, niet rookt, al jong longkanker krijgt. Een klein detail uit een roman over drie vrienden die elkaar door het leven helpen. Een van de vrienden, Tom krijgt naar het einde van het boek een nieuwe relatie die hem zo goed bevalt dat hij tien kilo aan overgewicht verliest. Zijn vrouw Honey kookte voor hem gezonde maaltijden. ‘[…] er was geen sprake van dat Honey hem uitputte, hem kort hield of zijn geest verstikte. Langzaam maar zeker veranderde ze hem in de man die hij al die tijd in potentie al was.’ Dat is mooi hoe Auster deze vrouwelijke neiging de man te corrigeren, beschreef. Uit zijn boeken spreekt een zekere tederheid.

    Bij de verschijning van Austers laatste boek, Baumgartner was hij al een jaar ziek. Wat begon als longontsteking, bleek longkanker. In zijn vijftigjarig schrijverschap publiceerde Auster meer dan dertig werken, fictie en non-fictie en vertaalde verschillende boeken vanuit het Frans. Lees zijn boeken, van voor naar achter. Austers vertelkracht is groot, dingen rijgen zich aaneen, leiden je ergens heen waar je niet eerder was, uiteindelijk kom je altijd bij Auster zelf uit.

     

     

    Bron: Volkskrantinterview door Hans Bouman.
    Recensie van Baumgartner


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en haar ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Een ode aan de verbeeldingskracht

    Een ode aan de verbeeldingskracht

    Baumgartner van Paul Auster begint alledaags, maar wordt gaandeweg bevreemdend. Op een dag in de lente van 2018 laat Seymour (Sy) Baumgartner, een 71-jarige weduwnaar, een aluminium eierpannetje droogkoken en brandt zijn hand. Hij wordt gebeld, denkt dat het zijn lastige zuster is, maar het blijkt de meteropnemer. Dan brengt Molly, de pakjesbezorger, hem een boek, en krijgt hij het dochtertje van de werkster aan de telefoon. Die vertelt dat haar vader in het ziekenhuis ligt en haar moeder niet kan komen. Vervolgens valt hij onprettig als hij de meteropnemer voorgaat op de wankele keldertrap. Zijn hoofd loopt om, of is het de ouderdom.

    Na vijfentwintig bladzijden weten we meer over hem. Hij is professor in de filosofie/fenomenologie aan Princeton, New Jersey en werkt aan een essay over de pseudoniemen van Kierkegaard. Onaardig is Baumgartner ook, hij verwenst de meteropnemer vanwege diens vermeende gezeur – en is eenzaam. Omwille van het contact met Molly de pakjesbezorger, bestelt hij telkens nieuwe boeken. Zijn eenzaamheid is het resultaat van jarenlange rouw. De aluminium pan is niet zonder betekenis, hij kocht hem veertig jaar geleden als straatarme student in een winkel waar hij voor het eerst Anna, zijn grote liefde, zag. Ze trouwden en leefden decennialang gelukkig tot zij negen zomers geleden tijdens het zwemmen in zee verdronk. Duidelijk is dat het om een echte Paul Auster gaat.

    Overeenkomsten

    Zo is Anna Blume bijvoorbeeld de hoofdpersoon in de roman In het land der laatste dingen (In the Country of Last Things, 1987), op zoek naar haar broer in een ver dystopisch land. In de roman, Maanpaleis (Moon Palace, 1989) blijkt zij de verdwenen vriendin van een medestudent van de hoofdpersoon. Overigens heeft Baumgartners Anna slechts de naam gemeen met de andere Anna. Bovendien lijkt het erop dat veel van Austers romanpersonages niet alleen dezelfde plaats- en tijdlijn hebben als de auteur, maar ook allerlei andere elementen met hem delen. Jeugd in New Jersey als kind van seculiere ouders uit de Joodse ‘middle class’ met een Oost-Europese migrantenachtergrond. Vader en moeder elk op hun eigen manier afstandelijk. Leven van de hand in de tand als student in Manhattan (en Parijs), trouwen met een vrouw die vertaler of schrijver is en wonen in Brooklyn. Soms is er een zuster en soms is er een zoon. Vaak is er sprake van honkbal.

    De overeenkomsten worden niet enkel ontleend aan interviews met Auster, maar ook aan diverse autobiografische teksten van hem, de meeste zijn verzameld in Groundwork (2013 – Levenswerk). Helemaal exact zijn ze nooit. Zo vertelt de roman 4 3 2 1 (2017) op vier alternatieve manieren het levensverhaal van Archie Ferguson, waarvan in elk universum wel elementen samenvallen met het leven van Auster. 

    Teksten van Anna Blume

    Al woont de oude Baumgartner in New Jersey en niet zoals de auteur in Brooklyn, zijn Anna Blume is wel vertaler en dichter. En wat voor een, er zijn twee autobiografische teksten van haar hand, een ontroerende beschrijving van een jeugdliefde die haar ontviel en een relaas over de nacht waarin Baumgartner haar ten huwelijk vroeg. Beide zijn zeer goed geschreven, net als haar gedicht ‘Lexicon’. Dit talent blijkt Baumgartner ook te bezitten. Zijn essays lezen we niet, maar wel het verhaal dat hij heeft geschreven over een bezoek in 2017 aan Stanislav, de geboorteplaats van zijn grootvader van moederskant, Auster in Oekraïne, tijdens een PEN-congres in Lviv. Hij vindt er weinig sporen, maar een dichter vertelt hem het verhaal over de honderden wolven die het lege stadje in 1944 bevolkten toen de Duitsers en de lokale bevolking waren vertrokken. Baumgartner heeft geen enkel bewijs voor het verhaal over de wolven kunnen vinden, maar blijft het belangrijk vinden.

    Eigen ervaringen worden fictie

    Er vindt een keerpunt in zijn eenzame bestaan plaats als hij gedroomd heeft dat Anna hem geruststellend toespreekt. Vanaf dat moment wil hij zijn leven weer in beweging zetten, onder meer door zijn minnares ten huwelijk te vragen. Dat wordt niets. Auster laat haar letterlijk van het toneel verdwijnen en neemt de geschiedenis van Baumgartner pas na een jaar weer op.

    Intussen is de lezer door de stroom van herinneringen aan zijn vader en moeder, veel te weten gekomen over Baumgartners jeugd en achtergrond van zijn familie. Daarnaast zijn er indringende ervaringen die hij nooit vergeet. In twee gevallen gaat het om het gedrag van een kind in de trein. Aan het einde van de roman duikt er een lichtpuntje op in Baumgartners leven. Had hij als eerste poging tot rouwverwerking een bloemlezing van Anna’s poëzie gemaakt en uitgegeven, nu dient zich een jonge promovenda aan die ook ongepubliceerd werk van haar bij het onderzoek wil betrekken. Hoe de ‘Saga’ van S.T. Baumgartner afloopt, vertelt de roman niet.

    Baumgartner is een ode aan de verbeeldingskracht, juist door de manier waarop Austers eigen ervaringen veranderen in fictie. Uit recente interviews weten we dat hij zo ziek is dat hij al een jaar niet meer heeft geschreven. Maar ook dat hij voor de verhalen over kinderen in de trein en de wolven in Oekraïne uit eigen ervaring putte. Zwanenzang is een afschuwelijk woord.

     

     

  • Oogst week 44 – 2023

    Logboek Slauerhoff – Dagboeken & reisverslagen

    Jan Slauerhoff (1898-1936) was een van de belangrijkste dichters en schrijvers van het interbellum en behalve dat arts en reiziger. Wereldreiziger welteverstaan. De zee had een aantrekkingskracht op hem waaraan hij geen weerstand kon bieden. Als scheepsarts maakte hij talloze reizen naar verre landen op continenten als Zuid-Amerika, Afrika en Azië. Vooral China was favoriet. De man die schreef ‘Alleen in mijn gedichten kan ik leven’ wilde altijd weer weg uit Nederland, keerde soms tijdelijk terug om te herstellen van een ziekte, want hij had een zwakke gezondheid. Op het schip schreef hij en legde zijn leven vast in de omgeving waar hij vertoefde.

    Logboek SlauerhoffDagboeken en reisverslagen bevat, zoals de ondertitel aangeeft, alle dagboeken en reisreportages, plus fragmenten uit brieven. De teksten waren niet zelden de bron voor zijn verhalen en gedichten. Het boek is geïllustreerd met veel foto’s, onder meer van Slauerhoff zelf, en met andere documenten als aantekeningen en half afgemaakte manuscripten. De teksten zijn chronologisch weergegeven zodat de lezer Slauerhoff kan volgen tijdens zijn reizen en verblijfplaatsen. In het Literatuurmuseum bevindt zich de zeemanskist waarin hij zijn foto’s en documenten bewaarde. Veel van de illustraties in Logboek Slauerhoff komen uit deze verzameling. Het boek bevat ook een handige wie-is-wie lijst van historische personen die in het boek voorkomen. Slauerhoff is een goede observator, vertelt geestig en is soms karikaturaal. Maar het zijn zijn eigen woorden en ‘dichter bij Slauerhoff kom je niet’ zegt de uitgever.

    Logboek Slauerhoff - Dagboeken & reisverslagen
    Auteur: Jan Slauerhoff
    Uitgeverij: Uitg. Nijgh & van Ditmar

    Baumgartner

    De Amerikaanse schrijver Paul Auster (1947) schreef tientallen boeken, romans, essays, gedichten, filmscripts. Hij is een van de grootste schrijvers van de Verenigde Staten. Hij werd bekend met experimentele detectiveverhalen waarin hij de detectivevorm gebruikt om het over existentie en identiteit te hebben. Identiteit, persoonlijke betekenis en toeval zijn thema’s in zijn werk. Dat wordt in meer dan veertig landen vertaald.

    Austers laatste roman handelt over Sy Baumgartner, een 71-jarige professor filosofie met pensioen in het vooruitzicht. Hij valt ten prooi aan zijn door elkaar lopende herinneringen, flitsen waarop hij geen vat heeft. Ze gaan over Anna, zijn vrouw die bijna tien jaar geleden bij een zwemongeluk om het leven kwam. ‘De woeste, monsterlijke golf die haar rug brak en haar doodde, en sinds die middag, sinds die middag – nee, zegt Baumgartner tegen zichzelf, je moet daar niet heen gaan.’ Veertig jaar lang hadden ze een gepassioneerde relatie. Het huis is onveranderd sinds Anna’s dood. Naast herinneringen aan haar ziet Baumgartner ook zijn jeugd voorbij komen en zijn vader, een in Polen geboren mislukte revolutionair. De vraag waar het in het boek om draait is: waarom worden sommige momenten en gebeurtenissen in het leven een herinnering en andere niet?

    Baumgartner
    Auteur: Paul Auster
    Uitgeverij: Uitg. De Bezige Bij

    Oostwaarts – Een avontuurlijke reis achter vijandelijke linies

    Deze non-fictie leest als een avonturenboek. Fitzroy Maclean (1911-1996) vertelt in Oostwaarts over zijn spannende belevenissen als diplomaat en militair in vijandelijk gebied. Hij was een Schots politicus, diplomaat, militair en schrijver. Het avontuurlijke zat diep in hem. In 1937 begon hij zijn loopbaan als diplomaat in Parijs, maar de geneugten van het bijbehorende leventje begonnen hem te vervelen en hij verzocht overplaatsing naar Moskou. ‘Ik was vijfentwintig. Toch begon ik al wat vast te roesten in mijn gewoonten; misschien, overpeinsde ik in mijn zeldzame momenten van introspectie, werd ik zelfs een beetje zelfgenoegzaam.’

    In Moskou verbleef hij tot 1939. Veelvuldig reisde hij naar afgelegen Centraal-Aziatische streken in de Sovjet-Unie, geschaduwd door de geheime dienst en zelfs werd hij eens gearresteerd. Hij was getuige van de Stalinistische zuiveringen. Toen de oorlog uitbrak wilde hij meevechten maar mocht als diplomaat niet in het leger. Daarop nam hij ontslag en meldde zich bij een rekruteringsbureau.

    In Noord-Afrika ging hij bij de Special Air Service (SAS) waar hij onverschrokken deelnam aan gevaarlijke missies. Hij vocht onder meer in Libië en Irak. Later, in 1943, leidde de krachtdadige Maclean op verzoek van Churchill een missie naar Joegoslavië. Hij stortte zich in het partizanenbestaan en had vele gesprekken met Tito.
    Op soms ironische toon getuigt hij gedetailleerd van deze avontuurlijke jaren, die wel doen denken aan T.E. Lawrence (Lawrence van Arabië). Hun levens en boeken bevatten veel dezelfde elementen: verre reizen, andere culturen, vorstelijke genoegens van het diplomatenleven, oorlogshandelingen en avontuur.

    Oostwaarts - Een avontuurlijke reis achter vijandelijke linies
    Auteur: Fitzroy Maclean
    Uitgeverij: Uitg. Van Oorschot
  • Non-fictie van een Amerikaanse eurofiel

    Non-fictie van een Amerikaanse eurofiel

    Paul Auster (1947) is in Nederland vooral bekend als romancier maar voor zijn eerste roman verscheen, debuteerde hij met een gedichtenbundel waarna er nog drie bundels volgden en een memoires. Maar hij is ook vertaler, nawoord-schrijver, essayist en kenner van de Europese literatuur. Door de publicatie van Levenswerk. Verzamelde non-fictie, kan de Nederlandse lezer nu ook kennis maken met die verschillende kanten van Auster.

    De tweede helft van Levenswerk bestaat uit door Auster geschreven voorwoorden en her en der verschenen gelegenheidswerk. Die stukken variëren, vanzelfsprekend, sterk in onderwerp (van Rushdie tot een film van Jim Jarmusch, van 9/11 tot basketbal), benadering en kwaliteit. Bijvoorbeeld in het stuk ‘Twintigste-eeuwse Franse poëzie’ waarin Auster op fraaie wijze de onderlinge verbanden tussen Franse en Amerikaanse poëzie weet te schetsen. Ook heeft hij een inhoudelijk sterk essay over de gedichten van Paul Celan geschreven. Tegelijkertijd bedraagt zijn te korte en daardoor onbevredigende voorwoord bij A Little Anthology of Surrealist Poems nog geen pagina, en maken zijn opmerkingen alleen maar nieuwsgierig naar een langere versie: ‘Vertalen was meer dan een literaire oefening. Het was een eerste stap naar bevrijding uit de boeien van mezelf, naar overwinning van mijn eigen onwetendheid.’ Erg zweverig, maar toch beslist interessant, en vervolgens blijft het precieze hoe en wat helaas duister. Auster is een wisselvallige essayist die zich net iets te vaak verliest in quasifilosofie. Neem een opmerking als de volgende:

    ‘Onze ogen volgen de beweging [van de strepen op het schilderij] op dezelfde manier als we een gedicht van boven naar beneden over een pagina volgen, en zoals de regel in een gedicht een eenheid van adem is, is de lijn in het schilderij een eenheid van gebaar. De taal van deze werken is de taal van het lichaam.’

    In deze passage is een verwijzing naar de Amerikaanse dichter Charles Olson te herkennen, die stelde dat het metrum van gedichten op de ‘adem’ van de dichter gebaseerd moet worden. Zo’n redelijk obscure verwijzing gebruiken om een schilderij te duiden, is een rare kunstgreep die te ver van de materie van het schilderij afdwaalt. Zonde dat Auster in zo’n essay niet gewoon met het materiaal voor hem aan de slag gaat, naar de schilderijen kijkt, en vervelend abstract wordt. Die zweverigheid speelt hem vaker parten, en zorgt ervoor dat veel van de teksten echte substantie missen.

    Hoe wisselvallig ook, het is toch best fijn grasduinen in de hier bijeengebrachte stukken. Het is opvallend hoe euro- en (nog specifieker) francofiel Auster is. Hij behandelt schrijvers over wie vrijwel elke Nederlandse literatuurliefhebber op z’n minst gehoord heeft (Kafka, Beckett, Hamsun), alsmede minder bekende sterren als André du Bouchet en Jacques Dupin. Er ontstaat een opvallend perspectief door de vertaling: Auster schreef zijn op een Amerikaans publiek gerichte voorwoorden bij veelal Europese literatuur. Vervolgens krijgt de Nederlandse lezer die veramerikaniseerde blik op Europa voorgeschoteld, en dat is best verfrissend.

    Aan die tweede helft vol mengelwerken gaat uiteraard ook een eerste helft vooraf: een aantal van Austers eerder uitgegeven memoires, zoals zijn prozadebuut Het spinsel van de eenzaamheid (1982). Het is ook vooral dat debuut dat het sterkste deel van Levenswerk is en leest als een uitstekende novelle: een reconstructie van het schijnbaar onopmerkelijke leven van Austers vader. In het tweede, essayachtigere deel schrijft Auster over zichzelf in de derde persoon, en over zijn eigen rol als vader. De structuur is veel associatiever: Auster vertelt bijvoorbeeld over Pinoccio voorlezen aan zijn zoon, en koppelt dat boek aan de tekenfilm van Disney, aan het Bijbelboek Job, en uiteindelijk ook weer aan zijn eigen vaderschap. Omdat beide delen over vaders gaan, beginnen ze elkaar zo te spiegelen: het ene gaat over een afwezige vader, het andere is een soort zelfonderzoek van een aanwezige vader.

    Die memoires, die de grens opzoeken met fictie en de essayistiek doet denken aan het recente Winterlogboek (2012). Helaas is dat werk, samen met zusterboek Bericht vanuit het innerlijk (2013), niet in Levenswerk opgenomen. Beide boeken zijn autobiografische werken, aan de hand van één thematische leidraad; respectievelijk het lichaam en de geest. Ze zijn beide nog in de handel, dus hun ontbreken is niet heel vreemd, maar de ondertitel Verzamelde non-fictie wordt zo wel ondermijnd. Zo’n ondertitel doet immers vermoeden dat de hier gepresenteerde non-fictie ook compleet is. Beide boeken zouden bovendien perfect gepast hebben bij de hier wel opgenomen autobiografieën-met-leidraad Het spinsel van de eenzaamheid (vaderschap), Van de hand in de tand (geld) en Oefeningen in waarheid (toeval). Autobiografisch mag overigens ruim opgevat worden: Auster schrijft ook over de levens van anderen die hij al dan niet persoonlijk heeft gekend. Je moet wel meegaan in de sprongen die de auteur maakt, en het enthousiasme delen over alle verhalen van anderen die hij deelt. Een speciale vermelding verdient Van de hand in de tand, een verslag over Austers relatie met geld en werk, waarin hij vertelt hoe hij als respectievelijk aspirerend en beginnend schrijver brood op de plank kreeg. Dit boek is daarom al een uitstekende leestip voor jonge auteurs.
    Het zijn uiteindelijk die memoires die Levenswerk net dat beetje meer gewicht geven. Het boek is namelijk een mooi, maar onevenwichtige uitgave geworden. Niet alleen is de verzameling incompleet, maar ook de kwaliteit van de stukken in het tweede deel, valt geregeld tegen. De opgenomen memoires daarentegen zijn echter zeer overtuigend. Het is prettig grasduinen in het omvangrijke boek maar de vraag blijft evenwel of je als niet onvoorwaardelijke Auster-fan bereid bent vijftig euro voor dit toch wat wisselvallig boek neer te leggen.


    Levenswerk

    Paul Auster
    Vertaald door Annelies Eulen
    624 pagina’s
    Uitgegeven bij De Bezige Bij

  • Op zoek naar Walker

    Op zoek naar Walker

    Recensie door Lev Entfield

    Wat of wie is er eigenlijk onzichtbaar in de roman van Paul Auster. Is het Adam Walker, de student die een ontmoeting heeft met Margot Jouffroy en Rudolf Born, een ontmoeting die de rest van zijn leven zal bepalen? Het is op een van die rokerige feestjes eind jaren zestig in New York. Margot, een mooie vrouw, fluistert Rudolf in dat die mooie jongen daar in de hoek een dichter is. Ze raken aan de praat en inderdaad: Adam is een dichter, student literatuurwetenschap, en arm. Rudolf is professors, rijk bovendien en wil hem op gang helpen. Hij belooft hem 25.000 dollar voor een gehele jaargang van een literair tijdschrift, waarvan Adam de redactie voeren zal. Zover zal het nooit komen. Op een avondlijke wandeling met Rudolf wordt het tweetal bedreigd door een junk met een pistool en Rudolf tast in zijn zak naar een stiletto en steekt de jongen neer. Adam Walker vlucht, belt de politie, besluit dat hij Rudolf moet aangeven, maar wacht daar te lang mee. De Franse Rudolf Born is overhaast gevlucht naar Parijs, onbereikbaar voor de Amerikaanse justitie.

    Desastreuze verwikkelingen

    Op dit punt in het verhaal kantelt Auster het perspectief voor de eerste keer. Het voorgaande blijkt een eerste hoofdstuk dat de bekende schrijver James Freeman van zijn vroegere vriend Adam Walker krijgt toegestuurd. Adam is terminaal ziek, het is 2007, hij wil weten wat zijn oude vriend van het werk vindt en hij wil erover praten. Ze maken een afspraak om elkaar te ontmoeten, maar ze zullen elkaar nooit zien: net voor de afspraak sterft Adam. Het verhaal kantelt nog een aantal keren, we krijgen nog twee hoofdstukken uit Walkers boek. Het tweede – een prachtige beschrijving van een heftige incestueuze relatie van Adam met zijn zus, kort na de episode met de moord. Ten slotte zijn gang naar Parijs, om Margot weer te ontmoeten en daar vindt ook zijn desastreuze hereniging met Rudolf plaats. Adam kan zich er niet bij neerleggen dat deze kille moordenaar vrij rondloopt, en zoekt contact met Rudolfs aanstaande vrouw en haar dochter, de achttienjarige Cecile.

    Ontkeninning

    Terug naar de schrijver James Freeman, die de zus van Adam, Gwyn, te spreken krijgt. Zij ontkent dat er ooit zo’n seksuele relatie met haar broer geweest is, en dat lijkt geen ontkennen uit schaamte. Voor de laatste maal wordt de lezer een heel ander perspectief op de zaak geboden: James spreekt Cecile, inmiddels  van middelbare leeftijd. Het boek eindigt met een dagboekfragment van Cecile, waarin deze de bejaarde Rudolf Born opzoekt, op het Caribische eilandje Quillia.

    Wie of wat is er onzichtbaar in deze roman? In de eerste plaats weten wij weinig van Rudolf Born, de mefistofelische bon-vivant, met geld en connecties, opvallend veel connecties, politiek ter rechterzijde, die Adam’s als door een knip met zijn vinger uiteindelijk uit Frankrijk kan laten zetten. We weten niet erg veel over Gwyn, Adams bloedmooie zus, die in de onbehaaglijk ontroerende beschrijving van hun relatie zo echt wordt, dat haar ontkenning haar vervolgens voor de lezer onplaatsbaar maakt. Of is Cecile ‘invisible’, de veelbelovende, die haar verliefdheid op Adam ten spijt toch niet kon verkroppen dat hij haar aanstaande stiefvader zwartmaakte met een naar haar mening verzonnen verhaal over een moord?

    Onzichtbaar blijven vooral de motieven van al deze personages. In een bestek van 230 pagina’s zo’n kluwen aan perspectieven aannemelijk vormgeven is een tour de force die niet veel overlaat van de overwegingen die aan veel levens ten grondslag heeft gelegen. Er hangt over de roman – onder meer door de belangrijke episode in Parijs – een onmiskenbare nouvelle vague sfeer, ondersteund door het discontinue karakter van de vertelling. De lezer waant zich daarenboven in een Patrick Modiano-roman, een oningeloste zoektocht naar de sporen van een hoofdpersoon die verdwenen is, dood en door niemand gekend. Uiteindelijk blijft Walker – de gedoodverfde hoofdpersoon – van allen de meest onzichtbare. Paul Auster heeft na jaren weer een compacte, droevige roman geschreven.

     

  • Slapeloze nachten

    Het is een beetje een treurig huis waar August Brill is ingetrokken na een zwaar verkeersongeluk. Zijn dochter heeft hem dan wel naar haar toe gehaald, maar meer om haar eigen eenzaamheid te verdrijven. August vrouw is overleden, de man van zijn dochter Miriam is al vijf jaar weg en de voormalige vriend Titus van zijn kleindochter Katya is dood. Geen wonder dat August niet in slaap kan komen. In plaats daarvan bedenkt de oud-criticus, hoofdpersoon van Man in het duister verhalen.
    En de liefhebber van Paul Auster, waartoe ik mezelf reken, zal het niet verbazen dat er daarna een verhaal in een verhaal begint, waarin een het personage Owen Brick in een parallel Amerika is terechtgekomen waar geen 9/11 heeft plaatsgevonden, maar waar wel een burgeroorlog woedt en om een eind aan de verschrikkingen te maken moet Owen de bedenker van die fictieve wereld doden. August Brill dus.
    Dat heeft Auster wel vaker gedaan: personages die de macht overnemen van de schrijver. Zijn laatste roman Op reis in het scriptorium is er een voorbeeld van. Het lijkt dus een beetje op een herhalingsoefening waarin Auster voor de zoveelste keer met fictie en werkelijkheid aan het spelen is.
    Maar dan weet Auster je toch weer te verrassen. Geen postmoderne spelletjes deze keer. De werkelijkheid komt hard binnen als August Brill in de nacht met zijn even slapeloze kleindochter praat over zijn overleden geliefde. En je krijgt echt een vuistslag als je weet hoe Titus, gedumpt door Katya, is omgekomen in Irak. En dan krijg je het als lezer wat kouder omdat je weet dat al die verhalen, al die fictie in films en romans, niet bestand zijn tegen de werkelijkheid waarin mensen doodgaan op de meest gruwelijke wijze. Man in het duister is opgedragen aan de schrijver David Grossman, die zijn zoon, die soldaat was, verloor. Daar zou geen loflied op de fictie achter passen. Een prachtige roman.

    Coen Peppelenbos

    PAUL AUSTER: Man in het duister. Vertaling Ton Heuvelmans. Arbeiderspers, Amsterdam, 196 blz, €19,95