• Te weinig sporen om naar iets concreets te leiden

    Te weinig sporen om naar iets concreets te leiden

    Is dit een dichtbundel, waarbij de tekeningen de illustraties vormen, of is dit een boek met tekeningen, waarbij dichtregels zijn gezet? Dat is nauwelijks te onderscheiden, want de samenwerking tussen Tom Marien als dichter en Pascale Petterson als illustrator verleent hun bijdrage hetzelfde gewicht. De dichtbundel oogt, mede door het folioformaat, als een prentenboek. Marien schreef al eerder prentenboeken, maar die waren bedoeld voor kinderen van 6 tot 8 jaar terwijl deze bundel voor volwassenen geschreven is. De gedichten werden vrijwel allemaal eerder gepubliceerd in literaire tijdschriften en de bundel zelf stond op de shortlist voor de Granateprijs voor de mooiste en best passende titel in 2024. 

    Hoe zwart ruikt, is ook na lezing van deze geïllustreerde bundel niet duidelijk, maar dat de inhoud inktzwart is, blijkt al snel. Er zijn tekeningen van verdrietige kinderen, foto’s waarin gezichten weggekrast zijn, met zwart en grijs als hoofdkleur met af en toe een onheilspellende vlek rood zoals naakte vrouwen met bloedende vagina’s. Het lijkt een duister en macaber sprookje voor volwassenen te zijn, met moeders als boze heksen en betoverde kinderen. Het boek bevat slechts enkele gedichten, waarvan de versregels over de pagina’s verspreid zijn. De tekeningen zijn niet bedoeld als illustraties bij de gedichten, maar zorgen eerder voor sfeer en context.

    Overvleugelde gedichten

    Petterson heeft haar eigen gedachten bij de gedichten in beelden omgezet. De gedichten worden af en toe overvleugeld door de tekeningen, die weliswaar suggestief zijn, maar toch de angst en dreiging weten weer te geven die deze bundel kenmerkt. Dichter en illustrator zijn voor deze bundel een perfecte samenwerking aangegaan, ze completeren en versterken elkaar.

    De bundel is verdeeld in een proloog, bestaande uit een gedicht, vervolgens twee afdelingen: ‘Happy family’ met zes gedichten, en ‘de jongen/de heer’ met twee gedichten, en een epiloog die ook door een kort gedicht van twee versregels gevormd wordt: ‘ wij willen overwoekerd worden/ zoals tuinmuur door klimop’. Het doet sterk denken aan het gedicht Een ongelovige van Adriaan Roland Holst: ‘Heen en weer geslingerd/ zonder rust of duur:/ was ik maar een wingerd,/ had ik maar een muur.’

    Kinderen en vrouwen vormen voor het merendeel de onderwerpen van de gedichten. Zij lijken bedreigd te worden door moeders, mannen, badmeesters, eenzaamheid:

    ‘Niks in de handen

     zo staat er een taartje

     en zing ik een lied
     je moeder blaast een kaarsje uit

     peter en meter zijn niet uitgenodigd
     hun cadeaus worden geleverd door postnl

     ik prijs het vochtgehalte van de cake
     je moeders ogen blinken

     je kirt niet je peutert niet in je gebak
     je zwijgt zoals je nu een jaar lang doet

     bij alles wat gebeurt
     is zoveel dat niet’

    Dreigende beelden

    De lezer moet zelf vaststellen wat er aan de hand is. Een tekening laat met streperige zwarte lijnen een kind zien, een meisje met een vuurrode strik in het haar, dat moedeloos in de verte staart. Achter haar is de schim van een kind, een geest haast, met een vuurrode feestmuts op. Je denkt aan dode broertjes (‘tandeloos voert ze gesprekken/ met de broer die ze nooit had’), aan incest, mishandeling, inteelt, maar het blijft gissen. Ook de gedichten over vrouwen en badmeesters hebben iets dreigends over zich. De vrouwen die de kinderen een klap geven als ze naar hun vaders vragen, de badmeesters die de angst voor het water bij de kinderen alleen maar versterken. 

    ‘bolle ogen hebben zij
     vol spiegelwater zonder chloor
     omdat ze telkens denken:

     dit is het ergste
     wat een jongen
     overkomen kan

     Maar wat is dat dan? 

    Diep in eigen ziel kijken

    De dichter wordt nergens expliciet in de beschrijving van wat er gebeurt in de gedichten, maar houdt het bij vaagheden. Dat is weliswaar intrigerend, maar vraagt veel van de lezer. Die moet diep in de eigen ziel kijken voordat hij de gedichten en tekeningen aan een ervaring kan koppelen om een interpretatie of duiding aan het geheel te geven. 

    Marien schrijft op zijn website dat hij ‘wilde weten hoe ongeluk ruikt’, dat hij getracht heeft ‘verschillende lagen van misère te verkennen.’ Misschien is de dichter daar voor zichzelf in geslaagd, maar voor de lezer heeft ook na lezing van deze bundel het onheil nog steeds geen geur. Als lezer blijf je met veel vragen zitten die onmogelijk te beantwoorden zijn omdat er te weinig aanknopingspunten zijn. Alle poëzie vraagt om inzet en inlevingsvermogen, maar de sporen die door Marien zijn uitgezet zijn te vaag om naar iets concreets te leiden. Dat zal ook niet de bedoeling van de dichter zijn geweest. Maar wat er aan beeld en poëzie in de geur van zwart wordt aangereikt, is niet genoeg om blijvend de aandacht te vragen.