• Oogst week 40

    Het visioen aan de binnenbaai

    Deze week kwamen bij de redactie van Literair Nederland de volgende boeken binnen: de nieuwste van Oek de Jong, biografie van Bordewijk door Elly Kamp, vertaalde literatuur van David Grossman, de klassieker Middlemarch van George Eliot.

    Sinds zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken publiceerde Oek de Jong romans die als klassiekers in de naoorlogse literatuur bekend staan: Cirkel in het gras, Hokwerda’s kind en Pier en oceaan. Romans waarvan gezegd kan worden dat het De Jong er niet om te doen is de dingen te duiden: ‘Het gaat om het beleven waarbij voelen, zien en ruiken zo intens zijn beschreven dat het een magnetiserende werking heeft. Zijn romans kenmerken zich naast de gedetailleerde beschrijvingen, door een mate van onaangepastheid van zijn personages.’ ( recensie op LN).

    In de verhalenbundel Het visioen aan de binnenbaai betreedt de lezer opnieuw de persoonlijke wereld van deze romanschrijver waarin hij zicht geeft op de achterkant van de stof waaruit zijn grote romans zijn opgetrokken: de drijfveren van de schrijver en diens voorbeelden. Zo verhaalt De Jong over het ontstaan van zijn debuut Opwaaiende zomerjurken en over zijn vriendschappen met de jong gestorven Frans Kellendonk en de gedoemde dichter Arie Visser. Over erotische aantrekkingskracht en mystieke bezieling. Over het verlangen naar het nu en de nabijheid van het verleden. Zestien verhalen die een ‘zinrijk’ en samenhangend geheel vormen van beelden en ideeën, en als beschutting dienen tegen het barre niets. Het visioen van de binnenbaai is de opvolger van Een man die in de toekomst springt (winnaar Busken Huetprijs), dat binnenkort opnieuw leverbaar zal zijn.

     

    Het visioen aan de binnenbaai
    Auteur: Oek de Jong
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ferdinand en Johanna

    Ferdinand Bordewijk (1884-1965) is alom bekend van de klassiekers Bint, Knorrende Beesten, Blokken en Karakter. Dat zijn vrouw Johanna componiste was, is veel minder bekend. Meer dan tachtig jaar na verschijnen van zijn boeken, leven deze nog voort. Bint en Karakter worden nog steeds gelezen (van Karakter is dit jaar een bekroond luisterboek verschenen) en werden bewerkt voor tv, film en toneel. Een toneelbewerking van Bint wordt vanaf september dit jaar opnieuw op de planken gebracht een boek dat nog steeds staat voor discipline en tucht op school, zoals Karakter staat voor de verhouding tussen vader en zoon. Twee keer werkten ze samen, voor een opera en bij een oratorium. Ferdinand schreef de tekst, Johanna maakte de muziek. Hun huwelijk was hecht. Ze inspireerden, stimuleerden en bekritiseerden elkaar. En hun band was liefdevol tot het eind, toen Johanna steeds vaker in de war raakte en Ferdinand haar moest beschermen.
    Niet eerder kon een biograaf zo dicht bij de afstandelijke Bordewijk komen. Een sleutel daarvoor bleek zijn vrouw te zijn en het persoonlijk archief dat niet eerder te raadplegen was.

     

    Ferdinand en Johanna
    Auteur: Elly Kamp
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Middlemarch

    Perpetua is een reeks die uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep uitgeeft sinds oktober 2007. De reeks omvat de 100 ‘beste boeken van de wereld’. Alle boeken worden opnieuw gezet en zonodig opnieuw vertaald en gebonden met stofomslag en leeslint. Elk deel krijgt bovendien een speciaal voor deze uitgave geschreven nawoord van een bekende Nederlandstalige schrijver.

    Onlangs werd in die reeks Middlemarch van George Eliot, pseudoniem van de Engelse schrijfster, dichteres, journalist en vertaler Mary Ann Evans duitgebracht. Eliot behoort tot de toonaangevende schrijvers van het Victoriaans tijdperk. Middlemarch  staat tegenwoordig op nummer 21 van de lijst met de beste boeken uit het Engelse taalgebied. Het is is een van die boeken waardoor je gehypnotiseerd raakt. Er zijn maar weinig romans die zulke intense emoties oproepen. De beroemde dichteres Emily Dickinson schreef erover: ‘Wat ik van Middlemarch vind? Wat ik ook vind van eeuwige roem – behalve dan dat in vele passages deze sterfelijke vrouw zich al met onsterfelijkheid heeft bekleed.’
    In Middlemarch beschrijft George Eliot het leven van een aantal mensen uit de Engelse middenklasse in een provinciestad rond 1830. Ze doet dat met oog voor detail en gevoel voor drama.

    Middlemarch
    Auteur: George Eliot
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het duel

    Het Duel is een portret van een ongewone vriendschap. De twaalfjarige David ontmoet de oude meneer Rosenthal als hij zich samen met een paar klasgenoten als vrijwilliger aanmeld voor de actie ‘adopteer een bejaarde’. De moeder van David vindt het maar niets; ze wil dat hij vrienden maakt onder zijn eigen leeftijdgenoten.

    Maar met zijn vrienden maakt David lang niet zulke spannende dingen mee als met meneer Rosenthal. Er zijn altijd huizen en straten die Rosenthal vanuit een nieuwe hoek of op een ander uur van de dag wil fotograferen, er is altijd wel iets om kwaad over te worden, waarop gereageerd moet worden met brieven in de krant. En er is de bullebak van het bejaardentehuis, Rudi Schwartz. Het gaat uiteindelijk vooral om de strijd tussen deze twee mannen en die zijn hoogtepunt bereikt in de vorm van een ouderwets duel. Heel kinderachtig en ook gevaarlijk, vindt David. In zijn poging tot het redden van zijn oude vriend, stuit David op een geschiedenis die zich over Duitsland, Israël en Engeland uitstrekt, en waarin oude liefdesaffaires, gestolen tekeningen, en twee pistolen uit de Eerste Wereldoorlog een rol spelen.

    Een verhaal waarin je meekijkt met de scholier David, die normaal gesproken alleen in beweging komt als hij een bladzijde van een boek omslaat, maar die nu in een echt avontuur verwikkeld raakt.

     

    Het duel
    Auteur: David Grossman
    Uitgeverij: Cossee
  • Akoestiek van het geheugen

    Akoestiek van het geheugen

    Met Dochter aan het stuur  (die onlangs opeens haar rijbewijs had gehaald waar ik niets van wist), maakte ik een ritje in onze lichtblauwe 2CV door de omgeving. Na het behalen van een rijbewijs komt het er op aan kilometers te maken en ik kon daar wel iets in betekenen als gezelschapsdame.

    Met autorijden is het als met schrijven, je moet het elke dag doen. Vandaag gingen we langs smalle landweggetjes, over dijken en pakten tussendoor een stukje snelweg mee. De dijken waren om behendigheid in het nemen van slingerende bochten te leren, de landweggetjes om tegemoetkomend verkeer zonder claustrofobische gevoelens te passeren en de snelweg om het in- en uitvoegen te oefenen. En ondertussen probeerden we een gelegenheid aan te doen voor koffie. Maar dat was nog niet zo eenvoudig.

    Soms stelde ik voor ergens af te slaan en dat deed ze dan. Zo kon het gebeuren dat we een doodlopende weg inreden waarbij we aan het einde van die weg nog net linksaf konden, recht het parkeerterrein van een Kringloopwinkel op mét een café. Na het inparkeren van de 2CV, bezochten we eerst de boekenafdeling. Dochter vond daar een bijzondere fietstas (wat geen fietstas bleek te zijn maar wat het wel was wisten ze ook niet). We kwamen armen te kort om de stapels boeken, waaronder gedichten van Garcia Lorca, Vasalis en Szymborska waarvan ik dacht er niet zonder te kunnen maar later, door gebrek aan voldoende liquide middelen, de meeste weer terugzette en er drie overhield.

    De keuze viel uit sentimentele overwegingen op Cirkel in het gras van Oek de Jong. Het bracht me terug naar de zomer van 1986 toen ik, verlangend naar romantische verliefdheden, me verloor in het personage Hanna Piccard en haar gepassioneerde liefdesleven in Rome. Wat een boek! De tweede was Vertrouw op mij van John Updike. Een meesterlijke schrijver waarvan ik de Rabbit boeken kende en hoopte dat deze verhalenbundel eenzelfde effect op me zou hebben. Al bladerend bleven mijn ogen al gauw haken achter:

    ‘(…) misschien was dat een kwestie van de akoestiek van het geheugen.’

    ‘De akoestiek van het geheugen’. Stel je voor: het geheugen een ruimte waarin sprake is van een akoestiek. In de akoestiek van het geheugen kaatst het geabsorbeerde verleden zich opeens in een volheid terug die zijn weerga niet kent, die de werkelijkheid vergroot en overtreft. Prachtig!

    De derde keus viel op De Nederlandse maagd van Marente de Moor, van wie ik altijd dacht iets te willen lezen maar het nooit deed. Het was een mooi exemplaar, niemand had de bladzijden nog beroerd. Het was vast een verjaarscadeau geweest voor iemand die niet van dat soort boeken hield en het in de kast zette en alleen als de gever van het boek op bezoek kwam, het er even tussenuit nam en weer recht tussen de andere boeken zette die hij, om redenen die hij zelf ook niet kende, allemaal niet gelezen had. Deze man was onlangs geëmigreerd en had, tot zijn verbazende spijt, al zijn boeken moeten achterlaten en had de Kringloop  gevraagd, de boeken, toch algauw zo’n 600 in getal, tezamen met een verzameling ovenschotels, mee te nemen. En zo kwam ik aan een vrijwel nieuw exemplaar van een boek van Marente de Moor. Ik ben benieuwd hoe de akoestiek van mijn geheugen dit later zal gaan afspelen.

     

     

     

     

  • Onsterfelijk krachtig

    Onsterfelijk krachtig

    Heel, heel lang geleden gebeurde het dat Oek de Jong achterin de ‘kattenbak’ van de automobiel van zijn ouders op weg naar het Fries-Drentse platteland met opgetrokken knieën zat te lezen in ‘Nader tot U’ van Gerard Reve. Terwijl ze af en toe halt hielden om een terp of hunebed te bezichtigen, openbaarde zich aan hem een geheel nieuwe wereld …………….  

    Het essay van Oek de Jong is het vijfde in de reeks Over de roman, een initiatief van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en het Nederlands Letterenfonds met als insteek een herijking van de plaats van de roman in een zich in cultureel opzicht razendsnel veranderende samenleving.  A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen, Bas Heijne en Marcel Möring zijn hem daarin voorgegaan.

    Oek de Jong bekent deze opdracht met graagte te vervullen. Het biedt hem, na acht jaar schrijven aan Pier en Oceaan, een mogelijkheid tot reflectie op zijn werk en de kans om zijn gedachten over de toekomst van de roman op papier te zetten. Hij bouwt zijn betoog op langs drie lijnen. In de eerste plaats geeft hij een beschrijving van de nieuwe, eenentwintigste eeuwse context van de roman. Vervolgens gaat hij in op de roman zelf: wat zijn de unieke eigenschappen en mogelijkheden van het genre. Tenslotte komt de hoofdvraag aan de orde: ‘Hoe kan de roman overleven in een cultuur waarin hij met zoveel andere media moet concurreren?’

    Allereerst constateert De Jong dat er een wereld is vóór en een ná de komst van het internet. Zowel wijzelf als ook onze cultuur zijn daardoor ingrijpend veranderd. Wij hebben niet langer de rust om een lijvig werk als een roman te lezen en onderwerpen ons steeds meer aan de niet aflatende stroom beelden die de TV en het internet over ons uitstorten. Je hoeft er geen inspanning voor te leveren, je hoeft alleen maar te kijken. Films en documentaires kunnen ons trouwens veel sterker schokken dan welke romanscène ook. Daarnaast is het onderscheid tussen hoge en lage cultuur vervaagd, zo niet verdwenen. Deze dehiërarchisering van de cultuur, zoals Oek de Jong het noemt, heeft grote consequenties voor de positie van de roman. Als je je verdiept in een kunstwerk ga je een relatie aan met dat kunstwerk en dan is de tijd die je daar aan besteedt medebepalend voor de indruk die het werk achterlaat. Het aangaan van relaties kost op zichzelf geen tijd, maar verdieping van die relatie wel. Juist hierin ligt de kracht van de roman. Het Pianoconcert voor de linkerhand van Ravel duurt twintig minuten, Von Triers Breaking the Waves tweeëneenhalf uur en het bekijken van een zelfportret van Caravaggio hooguit tien minuten. Het lezen van Misdaad en straf duurt twee weken. Dit betekent dat de roman veel meer gelegenheid biedt tot overpeinzing, tot mijmering.

    Na een uitweiding over de mogelijkheden die de roman biedt met het oog op de actualiteit, komt hij tot de conclusie dat ‘de niet-literaire schrijver veel meer in control is als het gaat om een onderwerp voor zijn roman, juist omdat het veel meer losstaat van hemzelf. Hij kiest een onderwerp dat hem ligt en waarvan hij vermoedt dat het bij het publiek in de smaak zal vallen. [………] Een literair auteur daarentegen is niet ‘vrij’ in de keuze van zijn onderwerp. Een onderwerp dringt zich aan hem op, het laat hem niet meer los en, hoe groot zijn twijfel aanvankelijk misschien ook is, hij onderwerpt zich eraan en begint het al schrijvend te ontwikkelen.’  De literaire roman is bij uitstek geschikt om de oneindige kosmos van de menselijke binnenwereld, de intimiteit te exploreren. Als de realistische roman de norm is, dat wil zeggen het streven naar de beschrijving van het totale leven, wijst hij erop dat de heersende moraal in de 18e en 19e eeuw een rem vormde op dit streven. Het zijn m.n. James Joyce, Proust en later de Japanner Kawabata geweest die de grenzen van de beschrijving van het intieme hebben opgerekt. Dit is, aldus Oek de Jong, pas echt goed mogelijk sedert in de jaren zestig en zeventig de taboes die rustten op seksualiteit en andere vormen van intimiteit, mede door de stormachtige doorbraak van de beeldcultuur, doorbroken lijken te zijn. Een vorm van kruisbestuiving dus eigenlijk. In de Nederlandse literatuur wijst hij op het werk van Gerard Reve en zelf heeft hij vooral in zijn roman Hokwerda’s kind geëxperimenteerd met het beschrijven van de seksuele intimiteit. Zintuigelijk proza noemt hij het. ‘In een tijd waarin de roman met zoveel andere media moet concurreren, heeft de romanschrijver er het grootste belang bij om proza te schrijven dat alle zintuigen van de lezer bespeelt, proza van de grootst mogelijke zintuiglijkheid.’

    Stijl blijft onveranderd een wezenlijk deel van de literaire roman. ‘Stijl is de fysionomie van de geest’ (Schopenhauer). Hier toont Oek de Jong zich niet optimistisch. De traditie van de Klassieken is aan het verdwijnen. ‘Het hoge stijlbewustzijn van Griekse en Romeinse schrijvers met in hun kielzog een stoet van grote Europese schrijvers en denkers tot diep in de twintigste eeuw heeft geen gezag meer in de samenleving. Hier wreekt zich het verdwijnen van een culturele hiërarchie.’  Samengestelde zinnen moeten plaats maken voor korte zinnen. Het literaire proza verliest zo aan kracht, schoonheid, verfijning, elegantie, stuwing en emotie. Toch blijft ‘het streven naar een blijvende esthetische waarde’ (Kundera) noodzakelijk voor de continuïteit van onze beschaving.

    Als hij uiteindelijk uitkomt bij de beantwoording van de hoofdvraag begint hij, onder de titel ‘Overvloed en onbehagen’, met de pessimistische constatering van de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen dat ‘voor iedere lezer die vandaag sterft, er een kijker geboren wordt’ om vervolgens te wijzen op de zeldzaam gunstige omstandigheden waarin de roman en de romanschrijver in onze tijd verkeren. Oek de Jong wil zich niet neerleggen bij het hedendaagse cultuurpessimisme dat het verval van de westerse beschaving begeleidt. Onbehagen hoort bij een samenleving in transitie. Hij omarmt de gedachte van W.F. Hermans dat ‘Alle grote literatuur provinciale literatuur is en wereldliteratuur literatuur afkomstig uit provincies waar de hele wereld belangstelling voor heeft.’ Franzen noemt dit ‘particularity’; zoals Joyce schreef over Dublin en Pamuk over Istanbul, schreef Tolstoj over de Russische aristocratie. Zo ontstaat authenticiteit en is de romanschrijver in staat te duiken onder de oppervlakte van de filmregisseur. Tenslotte noemt hij als voorbeeld van de onsterfelijke kracht van de roman Dostojewski’s roman Misdaad en Straf.

    Heel, heel lang geleden gebeurde het dat Oek de Jong achterin de ‘kattenbak’ van de automobiel van zijn ouders op weg naar het Fries-Drentse platteland met opgetrokken knieën zat te lezen in Nader tot U van Gerard Reve. Terwijl ze af en toe halt hielden om een terp of hunebed te bezichtigen, openbaarde zich aan hem een geheel nieuwe wereld …………….  In dit gecanoniseerde beeld van het lezende kind schuilt voor Oek de Jong de kracht van de roman. Zolang dit beeld als type blijft bestaan, blijft ook de roman bestaan. Dat is misschien niet voor eeuwig, maar wel voorlopig.


    Wat alleen de roman kan zeggen

    Auteur: Oek de Jong
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 192
    Prijs: € 12,50

  • Grote literaire prijzen voor Oek de Jong en Tommy Wieringa en genomineerd voor de Inktaap

    Twee zenuwslopende uren aan het diner alvorens de winnaar bekend wordt gemaakt.
    Maandagavond 6 mei omschreef Clairy Polak, juryvoorzitter van de Libris Literatuurprijs 2013 de winnaar als een ‘grossier in schilderachtige beelden’ (Oek de Jong?) ‘prachtig geformuleerde zinnen’ (Esther Gerritsen?) en ’tot reflectie nodende gebeurtenissen’ (?). En dan: ‘De Libris Literatuurprijs gaat naar… (stilte)… ‘Dit zijn de namen van Tommy Wieringa’. Door de bewust ingebrachte stilte ontstond er nog even ruimte voor een zenuwslopend  ja-De Jong, nee-De Jong moment.

    Maar Oek de Jong had zijn moment toen al gehad. Op 4 mei jongstleden werd in Gent bekend gemaakt dat hij met zijn roman Pier en oceaan de Gouden Boekenuil gewonnen had. Een roman die een ‘voorbije tijd oproept van de jaren vijftig tot de jaren zeventig’ en waar De Jong ruim acht jaar aan werkte. De jury, samengesteld uit recensenten en literatuurkenners als Wim Brands, Diane Broeckhoven, Elsbeth Etty, Marc Reynebeau, Frederick Vandromme en voorgezeten door Friedl’ Lesage zei hierover: ‘Oek de Jong slaagt hierin door minutieuze beschrijvingen van de observaties van een sensitief kind, zonder in nostalgie te vervallen, zonder ooit het overzicht te verliezen’. De Jong ontvangt 25.000 euro en een kunstwerk van Philip Aguirre.
    Tommy Wieringa moest zich die avond tevreden stellen met de publieksprijs voor Dit zijn de namen. Deze prijs, voorgezeten door een honderdkoppige lezersjury werd hem toegekend met de vermelding dat Wieringa ‘een grootse taalvirtuoos’ is en zijn boek ‘een meesterlijke roman die herlezen moet worden’.  Aan de publieksprijs is een bedrag van 2.500 euro verbonden.

    Maar Wieringa’s tijd moest nog komen al had hij het zelf niet verwacht, gezien zijn uitspraak: ‘Als ik win, spring ik in de Amstel’. Wat hij later ook daadwerkelijk deed. Aan nominaties heeft het de schrijver niet ontbroken. Al eerder werd genomineerd Joe Speedboot (2005) en Caesarion (2009). Zijn boeken belandden telkens hoog op short- en longlists. Maar buiten de bescheiden F. Bordewijkprijs na, won hij nooit de hoofdprijs. Er wordt al gesproken van een Wieringa -jaar; twee literaire prijzen en schrijver van het boekenweekgeschenk 2014.

    Dit zijn de namen gaat over een groep verwilderde vluchtelingen die hun paspoort vernietigd hebben en opduiken in een grensstad in de steppe waar ze angst en onrust veroorzaken. Waarmee ze symbool staan voor de velen die door een uitzichtloze thuissituatie gedwongen zijn te vluchten en op zoek gaan naar een betere wereld.

    De overige genomineerden voor de Gouden Boekenuil waren Peter Terrin met Post mortem, Arnon Grunberg met De man zonder ziekte en Marja Vuisje met Ons kamp.
    Voor de Libris Literatuurprijs waren dat Esther Gerritsen met Dorst, Arnon Grunberg met De man zonder ziekte, Christiaan Weijts met Euforie en Elvis Peeters met Dinsdag.

    Aan de Libris prijs is een geldbedrag verbonden van 50.000 euro. De prijs wordt elk jaar toegekend aan het beste Nederlandstalige literaire fictieboek van het afgelopen jaar. Het is de twintigste keer dat de prijs werd uitgereikt.

    Maar het houdt niet op want beide gelauwerde schrijvers, Wieringa en De Jong alsook Peter Terrin (AKO literatuurprijs 2012) zijn genomineerd voor de Inktaap zo werd vandaag bekend gemaakt. De Inktaap is dé literaire jongerenprijs van het Nederlandse taalgebied, waarbij leerlingen in het hele Nederlandse taalgebied worden geconfronteerd met de keuze van de jury’s van de AKO Literatuurprijs, de Gouden Boekenuil en de Libris Literatuur Prijs. Verder zijn genomineerd Ruth San A Jong (Caribische auteur) met De laatste parade en  errin met Post Mortem (AKO Literatuurprijs 2012).  Dit jaar is voor het eerst een auteur uit het Caribische gedeelte van het Nederlandse taalgebied genomineerd.

    I. v/d G.

  • Onaangepast gedrag in veranderende tijden

    Onaangepast gedrag in veranderende tijden

     Op 19 juni 1997 vraagt Oek de Jong zich af of hij schrijver is van ‘autobiografische verhalen’ of ‘verzonnen verhalen’. Zo schrijft hij in zijn in 2002 uitgekomen dagboek, De wonderen van de heilbot. Opwaaiende zomerjurken (1979) en Cirkel in het gras (1985) zijn al geschreven. Hokwerda’s kind (2002) ontstaat gedurende de jaren dat hij bovengenoemd dagboek bijhoudt. Van Pier en oceaan, zijn zogenaamde magnum opus heeft De Jong dan niet het flauwste vermoeden dat dit boek er komen gaat. Tot De Jong in 2004 begint te schrijven over het Sas bij Goes in Zuid-Beveland. De plek waar de schrijver zijn jeugd doorbracht. Evenals zijn alter ego Abel Roorda in Pier en oceaan, is De Jong geboren in Breda, bracht hij zijn kinderjaren deels door in Friesland, groeide verder op in Zeeland en vertrok op zijn achttiende als student en met het stellige voornemen schrijver te worden naar Amsterdam.

    Kort verhaal wordt roman

    Het Sas bij Goes is de inspiratiebron van, wat de schrijver in eerste instantie voor ogen had, een klein literair werk. Na honderd pagina’s beseft hij dat het de kern van een veel groter werk gaat worden, en wat in acht jaar tijd uitgroeide tot Pier en oceaan. Zo zintuiglijk als zijn romans zijn, zo schijnbaar zintuiglijk zijn ze geschreven. De Jong heeft geen uitgewerkt plan voor hij aan het werk gaat. Het ontstaan vanuit een idee dat zich steeds wijder vertakt en uiteindelijk een roman oplevert, is zijn manier van werken. Ook zijn voorlaatste roman ontstond uit een kort verhaal dat hij schreef voor een daklozenkrant. Een verhaal dat uitgroeide tot de roman Hokwerda’s kind.

    Wat gebeurt er eigenlijk in de autobiografische roman Pier en oceaan waardoor je wilt blijven doorlezen aan de eettafel, in bed, in bad en op reis? Want eenmaal begonnen in Pier en oceaan is het moeilijk wegleggen. Het is De Jong er niet om te doen de dingen te duiden. Het gaat om het beleven, waarbij voelen, zien en ruiken zo intens zijn beschreven dat het een magnetiserende werking heeft. Zijn romans kenmerken zich naast de gedetailleerde beschrijvingen, door de onaangepastheid van de personages. In elke roman komt een karakter voor dat zich verzet tegen de heersende orde. Personages die hun emoties niet de baas zijn, de ander schofferen en die geobsedeerd raken door de rafelige randen van het leven. In Cirkel in het gras is dat Hanna Picard, in Hokwerda’s kind is het Lin en in Pier en oceaan is het Abel die het onaangepaste vertegenwoordigt.

    Vergeten wat er was

    Pier en oceaan opent met: ‘Toen Dina wakker werd, was ze vergeten dat ze zwanger was.’  Zwangerschap is een staat van zijn waar je niet omheen kunt. Je kunt het niet ergens ‘achterlaten’ en het dan ‘vergeten’ zijn. Maar na de tweede zin wordt duidelijk dat Dina ver van zichzelf is geraakt. De werkelijkheid beroert haar niet meer en zo ook haar zwangerschap niet.
    ‘Ze werd gewekt door het gerinkel van melkflessen, dat weerklonk over het water van de Delpratsingel.’ Ze luisterde naar de voetstappen van de melkboer, het rinkelen van de lege flessen in het rek bij elke stap die hij zette. Ze hoorde hoe hij de lege flessen voor volle omruilde en terugliep naar de huizenrij. Tegelijkertijd voelde ze de koele lucht die door het dakraampje naar binnenstroomde en over haar gezicht gleed. Met gesloten ogen luisterde ze hoe de melkman van huis tot huis ging. Toen ze zich op haar zij draaide, voelde ze het kind bewegen in haar buik. Er trok een blos over haar wangen. (…) Ze was vergeten dat het er was.’

    Niets is meer mogelijk

    Het is 1952 als Dina Houttuyn, na een relatie van zeven jaar, zwanger wordt van haar verloofde Lieuwe. De lesbische verhouding met Elena, haar leidinggevende in een kindertehuis, waarmee ze voor het eerst de liefde  beleeft, kan ze geen plaats geven in haar leven. Dus laat ze zich zwanger maken waarna er getrouwd moet worden. Na haar huwelijk vervalt ze in een lethargie die ze, overigens zonder resultaat, probeert te verdrijven door een vertaling van Homerus te lezen. Alles wat voor het huwelijk aan mogelijkheden voor haar open lag, is na het huwelijk teruggebracht tot dienstbaar zijn als vrouw en moeder. Wat haar absoluut niet goed afgaat gezien de irritaties,  al snel uitgroeiend tot ware minachting van haar man, Lieuwe.

    Lieuwe Roorda is een zelfingenomen man die zich niet kan inleven in andere mensen. Zo’n man die belangstelling in een ander veinst om zodoende over zichzelf te kunnen praten. Hij is gewoon niet in staat van iemand te houden, al dagdroomt hij daarover.
    ‘Als hij na zijn wekelijkse bespeling van het carillon uit de toren afdaalde naar de straat, dacht hij steevast aan een vrouw die hem opwachtte, (…) Hij volgde haar door de straten, stapte in een steeg in een auto en reed met haar de stad uit, voorgoed.’
    De grootvader, Roorda senior, is meubelmaker en ziet zichzelf als industrieel. Hij draagt maatpakken, heeft een auto en speelt cello. Wanneer zijn ambities hem geen uitkomst bieden treedt hij toe tot de gemeentepolitiek maar brengt het niet verder dan wethouder.

    Zoon overheerst de vader

    Abel voelt voor zijn vader Lieuwe een mengeling van vluchtig medelijden en diepe minachting. Wanneer Abel 16 jaar is, betaalt hij zijn vader met gelijke munt terug wanneer deze hem belachelijk maakt om zijn uiterlijk (lange haren, spijkerbroek, suède jasje van zijn moeder). Hij bootst Lieuwes optreden na en maakt hem uit voor ‘Slappeling’ en ‘Laffe zak’. Het eindigt met een handgemeen waarbij Lieuwe, Abel een paar trappen geeft maar uiteindelijk het onderspit delft.

    Waar alle personages teleurgesteld worden in hun verwachtingen van het leven is Abel de enige, als zoon van Dina en Lieuwe Roorda en kleinzoon van Roorda senior, die zijn droom daadwerkelijk achterna gaat. Dat is wat zijn onaangepaste gedrag hem in veranderende tijden oplevert. In een mooie scène aan het einde van de roman weet Abel dat hij naar Amsterdam zal gaan om schrijver te worden.

    Publiceren na lang rijpingsproces

    Tijdens het literaire festival City2Cities 2013  vertelde de Portugese schrijver Gonçalo M. Tavares (zijn boek Jeruzalem ontving de José Saramagoprijs), dat hij zijn aantekeningen en ideeën altijd voor een periode van vijf jaar in de la laat liggen alvorens het geschikt te vinden voor bewerking en publicatie. Ook Oek de Jong is zo’n schrijver die zijn werk een lang rijpingsproces gunt waardoor het tot volle wasdom komt. Dat, en de kunst van De Jong om met zijn beschrijvingen de indruk te wekken als was hij met penseel en verf in de weer geweest waardoor herkenbare taferelen worden opgeroepen van voorbije jaren (zonder die in te kleuren met de gebeurtenissen die geschiedenis maakten), maken van Pier en oceaan met recht een grootse roman.

     

  • Over tien dagen start het Nijmeegs Boekenfeest

    Agenda

    Het Nijmeegs Boekenfeest is inmiddels een begrip in de regio. Op 16 maart a.s. zijn onder meer Kees van Kooten, Dimitri Verhulst, Oek de Jong en Joost Conijn te gast.

    Concertgebouw De Vereeniging in Nijmegen stelt zich voor de zevende keer open voor lezers, schrijvers, dichters, muzikanten, dj’s en wetenschappers. Rondom het thema van de Boekenweek, Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden is een afwisselend programma samengesteld.

    Schrijver van het Boekenweekgeschenk Kees van Kooten is eregast en staat garant voor een knallende performance. Dimitri Verhulst (De helaasheid der dingen) en Oek de Jong (Pier en oceaan) worden geïnterviewd over hun nieuwste werk. Marijke Hanegraaf, de nieuwe Stadsdichter van Nijmegen, opent de avond. Kunstenaar en avonturier Joost Conijn leidt ons de nacht in met zijn bewust onbevangen werkwijze. Dichters Jaap Robben en Anneke Claus treden op met een groots harmonieorkest. De meermaals bekroonde dichteres  Hagar Peeters draagt voor, singer-songwriter Awkward i brengt een muzikale bewerking van een gedicht, journalist en schrijver Marcel Rözer presenteert zijn nieuwe boek over de donkere kant van zijn familiegeschiedenis en het Soeterbeeck Programma gaat over een stem geven aan het verleden.

    Literair tijdschrift Op Ruwe Planken presenteert een nieuw verbond van schrijvers uit Amsterdam, Tilburg en Nijmegen. De winnaars van de belangrijkste schrijfwedstrijden in de regio Aan het woord! & De Nijmeegse Nieuwe laten van zich horen. Het heerlijke foute tijdverdrijf Karaoke mag niet ontbreken bij dit thema. De Potpourri Quiz onderwerpt u aan een luchtige literatuurtest. En met een goed foute disco zetten dj’s Lenkens en Alain Fènèr de muzikale geschiedenis op swingende wijze naar hun hand, tot diep in de nacht.

     

    Zaterdag 16 maart 2013
    Concertgebouw De Vereeniging, Keizer Karelplein 2d, Nijmegen
    Deuren open: 19.30 uur
    Aanvang: 20.00 uur
    Toegang: € 17,50 / € 15 (bibliotheekleden) / € 10 (student/CJP)
    Voorverkoop online: www.obgz.nl/activiteiten
    Voorverkoop kassa: Bibliotheek De Mariënburg, selexyz dekker vd vegt en de Stadsschouwburg
    Voor meer info kijk op: www.nijmeegsboekenfeest.nl

     

  • Vierde seizoen Benali Boekt met zes klassiekers

    Ter gelegenheid van een nieuw seizoen van Benali Boekt was er een speciale viewing in SPUI25 te Amsterdam. Er werden fragmenten uit de serie getoond en er stonden live interviews door Abdelkader Benali met o.a. Renate Dorrestein en Gerbrand Bakker gepland. De laatste liet helaas verstek gaan. Maar Abdelkader Benali loste dit op door L.H. Wiener, die ook in de zaal zat, aan tafel te nodigen voor een gesprek over zijn ontmoeting als zestienjarige met de door hem bewonderde schrijver F. Bordewijk.

    In de nieuwe serie Benali Boekt bij NTR, onderzoekt Abdelkader Benali de blijvende invloed van zes boeken uit zeer uiteenlopende periodes van de Nederlandse literatuur. Literaire klassiekers die nog steeds actueel zijn, zoals de novelle Bint van F. Bordewijk en Jan Rap en z’n maat van Yvonne Keuls. Maar ook het boek Een hart van steen van Renate Dorrestein, dat met groot succes maar ook met gemengde gevoelens werd ontvangen, behandelt een thema dat nog steeds aan de orde is: kindermoord door een (van de) ouder(s). En waarom sloeg Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong zo aan bij het grote publiek? En wat is er te zeggen over de theorie van Harry Mulisch, dat iedereen zich net zo kan ontwikkelen als de oorlogsmisdadiger Eichmann. Was De zaak 40/61 een journalistiek verslag of literaire fictie? Ook dat wordt onderzocht in Benali Boekt. Benali gaat in gesprek met twee van de zes schrijvers die nog in leven zijn, om te weten te komen hoe deze literaire klassiekers tot stand zijn gekomen, hoe ze ontvangen werden en waar ze aansluiten bij de actualiteit van nu.

    L.H. Wiener (1945) is fan van het eerste uur van F. Bordewijk en ontving in 2003 zelfs de F.Bordewijk-prijs, vernoemd naar zijn geliefde schrijver, voor zijn roman Nestor. Wiener vertelt dat hij als jongen in 1951 door middel van een briefje, de schrijver had gevraagd hem te mogen interviewen, waarop hij werd uitgenodigd langs te komen. Hoe zenuwachtig hij was en dat Bordewijk hem iets te roken en te drinken aan bood. Op de vraag van Wiener of Bordewijk met de vreemde namen die hij in zijn boeken gebruikte een bedoeling had, antwoordde de schrijver kortweg: ‘ Nee, zomaar’. In de aflevering over Bordewijk keert Wiener met Benali terug in de kamer waar hij Bordewijk geïnterviewd heeft.

    Renate Dorrestein schreef acht boeken alvorens ze in 1983 met Buitenstaanders debuteerde. Zij vraagt zich aan het eind van het gesprek met Benali af, of ze zou zijn gaan schrijven, zoals ze schrijft, als haar jongste zusje geen zelfmoord had gepleegd. Haar zusje had ook plannen om schrijver te worden en in zekere zin is Dorrestein na de dood van haar zusje gaan schrijven voor haar. Tot op de dag van vandaag is deze ingrijpende gebeurtenis in het leven van Dorrestein van grote invloed op haar werk. Haar nieuwste boek, Blokkade, over het writersblock dat haar overviel, doet haar zichzelf afvragen: ‘Wat als ik moest kiezen tussen mijn zusje en blijven schrijven?’ Waarop Benali afsluit met: ‘Altijd dat ongeluk bij Dorrestein.’ Ongeluk als drijfveer, veel auteurs schrijven daarmee hun beste werken.

    Een bruisend fragment uit de aflevering met Yvonne Keuls, doet Benali de opmerking ontsnappen dat de samenwerking met Keuls de meest uitputtende was. Zoveel energie bezit Keuls dat een oud-medewerker van het jongerenhuis, waar Jan Rap en z’n maat op gebaseerd is, niet aan het woord kwam. Genieten is het wel om deze enerverende 80 jarige dame de tijden van toen te zien herbeleven. Zelf kijk ik uit naar de laatste aflevering over het ontstaan van Boven is het stil van Gerbrand Bakker. Het fragment, opgenomen op verstilde sneeuwakkers met dichtgevroren sloten en Bakker zelf, die duidelijk niet teveel wil prijs geven, stemt empatisch.

    Met dit vierde seizoen is volgens Benali de huidige vorm gevonden die hem, als presentator, voor ogen stond vanaf de eerste serie Benali Boekt. ‘Hoe we naar de wereld kijken, bepaalt ons wereldbeeld’, is het credo van Benali.

    De volgende boeken  worden besproken:
    Een hart van steen – Renate Dorrestein (zondag 3 maart)
    Opwaaiende zomerjurken  – Oek de Jong (zondag 10 maart)
    Jan Rap en z’n maat – Yvonne Keuls (zondag 17 maart)
    Bint – Ferdinand Bordewijk (zondag 24 maart)
    De zaak 40/61 – Harry Mulisch (zondag 31 maart)
    Boven is het stil – Gerbrand Bakker (zondag 7 april)

    Uitzending op Ned. 2 om 18.50 uur.

     

     

  • Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Zondag 18 november waren Oek de Jong en Ester Naomi Perquin te gast aan de Lijnbaangracht tijdens een Literaire salon. Interviewer en dichter Jos van Hest ging met hen gesprek over hun werk. Dit alles omlijst door muziek van Lex Goes en afgewisseld met een gesproken column van boekhandelaar Ton Schimmelpennink van Boekhandel Schimmelpennink.

    Ester Naomi Perquin publiceerde dit voorjaar haar derde bundel Celinspecties. Sinds 2007 publiceerde zij drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen en de laatste op de nominatie staat voor de VSB Poëzieprijs 2013. Haar werk wordt uiteenlopend beoordeeld van lief tot pervers maar vooral verontrustend. Wat zeker is, is dat Perquin een scherp gevoel heeft voor het alledaagse. Het alledaagse waaruit, wanneer zij haar ogen erop richt, bevreemdende en niet minder, schokkende voorstellingen ontstaan.

    Vier jaar werkte Perquin full time als nachtelijk cipier, ‘cipieresse’, zoals ze zelf zegt, in een gevangenis. Een bizarre keuze constateerde Jos van Hest voor een jonge vrouw. En vroeg naar haar ervaringen als gevangenisbewaarder.
    Ten eerste wilde Perquin de opvatting rechtzetten dat zij in het gevang is gaan werken om de Schrijversvakschool te kunnen betalen. Zij deed dit werk al vóórdat zij de schrijfopleiding ging volgen (in 2006 afgestudeerd). Wat wel klopte is dat zij haar schrijfopdrachten tijdens de nachtdiensten schreef.

    Om dit werk te kunnen doen kon je kiezen of je je als lellebel of als ijskonijn zou gedragen, vertelt Perquin. Om geen last te krijgen met de gedetineerden was Perquin een ijskonijn die het hoofd koel hield bij dreigende sterfgevallen (niet doodgaan nu ik dienst heb!), reanimeerde waar het nodig was en bluste brandjes. Veel gebeurde er niet tijdens zulke nachten. ‘Het meest gebeurt achter gesloten deuren ’s nachts. Meest vieze dingen’. Stelt Perquin zich voor.

    Op de vraag of het materiaal uit de bundel Celinspecties al geschreven werd tijdens die nachtdiensten, vertelt Perquin dat dat niet het geval was. Ze schreef met name veel brieven aan vrienden, die ze later gebruikte voor het schrijven van Celinspecties.

    Jos van Hest noemt het een onthutsende bundel, vindt hem mooi en lelijk tegelijk; ‘mooi in taal en lelijk in het portret van het kwaad’. Perquin wil niets liever dan dat deze bundel op zijn rauwheid beoordeeld wordt. Ze ontving de opmerking in een recensie van Pieter Steinz, die het gedicht David H. (waarin een verkrachter aan het woord is) ‘pervers’ noemde, als een compliment. Waarmee ze ook wil onderstrepen dat een verkrachter in wezen niet gestoord is. Dat je verkrachters aantreft onder de meest normale mannen (binnen het huwelijk, vriendenkring, familie). En dat dàt gegeven pas verontrustend is.

    Al dichtend balanceert Perquin langs de zelfkant van het kwaad in Celinspecties. Op de vraag of het geen gevaarlijke bundel is, gezien de misdaden waarmee ze naar buiten treedt, zei Perquin: ‘Ik voel wanneer iets kan’. En dat is de koers die je als dichter vaart. Zo schreef ze het gedicht Bart V., over een supermarktoverval waarbij geschoten werd.
    ‘(…) Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’ Kort daarna was er het winkelcentrumdrama in Almere.

    Ze vraagt zich af hoe lang iemand een misdadiger blijft. Haarzelf overkwam het dat ze een ex-gedetineerde herkende voor de schappen van een supermarkt. Een pleger van een roofoverval met geweld. De jongeman stond voor het schap te mopperen dat artikelen op de verkeerde plek lagen. Een oude vrouw naast hem mopperde vrolijk mee en Perquin dacht: ‘Ja, ja, ik ken jou’. Waarna ze zich direct afvroeg wanneer iemand boef  ‘af’ is.
    Het soort gedetineerde waar Perquin het meest van houdt, is de ‘ik was het niet’- gedetineerde, waarover het meesterlijke gedicht ‘Verklaring’

    ‘Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
    (…)

    Ik had geen idee wat er speelde, trouwens iedereen die ik
    daar zag heeft me erbuiten gelaten vanwege
    dat ik er niet was. Niet tijdens die nacht.
    (…)

    Misschien was het een plantenbak. Die plantenbak viel
    Horizontaal op haar gezicht en tamelijk hard en
    Misschien wel verschillende keren maar
    Ze zeggen zoveel, het was een opmerkelijk donkere nacht.

    Ik weet nog dat ik thuis waar ik dus was
    Van uit mijn bed naar buiten keek
    En dacht zulk diep zwart
    Zie je maar zelden.’

    Aan het eind van het gesprek herinnert Perquin zich het punt in haar leven waarop ze ontdekte hoe poëtisch te kunnen schrijven. Het was tien jaar geleden, toen ze een regel las van Erik Menkveld die een kamer binnenkomt waar een boxer op het tapijt ligt en opeens denkt: Ik had die boxer kunnen zijn: ‘ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet…’ Dat was Ester Naomi Perquins keerpunt, het moment waarop ze wist van waaruit te schrijven; vanuit de ander, de ander willen/kunnen zijn. Ter afsluiting las ze het gedicht Vanmorgen werd ik opgebeld, te vinden in haar tweede bundel Namens de ander waarin deze wens de ander te zijn, ten diepste besloten ligt.

    Na de pauze, waarin Lex Goes op toetsenbord verschillende nummers uit de jaren vijftig speelde, waaronder Spiegelbeeld alsook Schubert D894, die een rol spelen in het boek Pier en oceaan en de bezoekers zich tegoed deden aan het buffet, zette Jos van Hest zich opnieuw achter de gesprekstafel. Deze keer met Oek de Jong om het te hebben over diens Magnum Opus Pier en oceaan.

    Waarom een 800 pagina’s tellend werk geschreven, vraagt Van Hest.
    Oek de Jong vertelt dat dit ongewild zo gegroeid is. Hij schreef de eerste 100 pagina’s van een boek waarvan hij dacht dat het niet veel omvangrijker zou worden dan dat. Tot hij begreep dat hij het midden had geschreven van een omvangrijker werk. Een autobiografisch werk waarop hij zich heeft voorbereid door Proust te herlezen en waarin motieven uit zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken terugkomen. Dit debuut was tevens zijn eerste autobiografische werk waarin de moeder een prominente rol speelt, net als in Pier en oceaan, in de gedaante van Dina, een jonge vrouw in de jaren vijftig die met lesbische gevoelens speelt en zich desondanks zwanger laat maken door de man waarmee ze vervolgens trouwt.

    Oek de Jong ondernam een zoektocht in de literatuur naar de juiste vorm die aan zijn schrijverschap zou voldoen om dit werk te kunnen schrijven. Hiervoor las hij de Anton Wachter romans van Simon Vestdijk waarbij hij voornamelijk onderzocht waaruit Anton was ontstaan.
    Op de vraag of er meer autobiografisch werk te verwachten is antwoordde De Jong dat hij er acht jaar over gedaan heeft deze roman te schrijven. Het omzetten van herinneringen en een tijdsbeeld naar een literair terrein dat vervolgens getransformeerd moet worden tot een roman kost veel tijd, verklaarde De Jong. Het schrijven van een autobiografisch werk is een zoektocht naar jezelf, het grote vragen naar wie en wat je bent. De Jong: Stendhal vroeg zich op vijftigjarige leeftijd af, terwijl hij met een stok in het zand de namen schreef van alle vrouwen die hij niet gekregen had, wat voor een man hij was.

    Jos van Hest merkt op dat het werkwoord ‘zien’, het meest voorkomende werkwoord in het boek is; zien, waarnemen; gezien worden. Wat maakt dat in het boek de dingen tot op de huid en zeer zintuiglijk beschreven zijn.

    Op de vraag waar de titel Pier en oceaan vandaan komt, vertelt De Jong dat hij daar lang naar gezocht heeft. De titel is uiteindelijk ontleend aan een houtskooltekening van Mondriaan, gemaakt in Domburg en die nu in het Kröller Muller museum hangt waarop Pier en oceaan staat geschreven. Toen de keuze op Pier en oceaan viel heeft De Jong pas de scène erin geschreven waarin Abel een kaartje krijgt van zijn vriendin op de Rietveld academie met dit werk erop. Van Hest concludeerde dat Pier en oceaan, losgemaakt van het tijdsbeeld en het autobiografische zeer goed te lezen is. Een zeer goed Oek de Jong boek.

    De literaire salon is een fijn concept voor schrijvers en literatuurliefhebbers. Na afloop trokken de bezoekers, verzadigd van lichaam en geest en enkele boeken rijker, de stad in of huiswaarts.

  • Religie in de literatuur – Zomer- en Herfstnummer Liter

    Recensie door: Ingrid van der Graaf

    De redactie van Liter heeft deze zomer een nieuwe rubriek geïntroduceerd, Religies van het boek. Schrijver, essayist en criticus Liesbeth Eugelink gaat in gesprek met een schrijver over religie aan de hand van citaten uit de werken van de betreffende schrijver. In Liter nr. 62 (zomernummer) praat Eugelink met Marcel Möring, die op zijn zevende de Donald Duck verruilde voor het, van zijn vader gekregen, Oude Testament. Door zijn verdieping in het heilige geschrift, beleefde hij zichzelf tot zijn zeventiende als, ‘lopend aan de hand van God’. En daarna was het over, diende het ‘echte’ leven zich aan en kon hij niet meer geloven. Maar het verlangen bleef. Het gesprek toont onvermijdelijk aan dat er veel ‘geloof’ en ‘zoeken naar ‘ in de boeken van Möring voorkomt.

    In het Liter nr. 63 (herfstnummer) interviewt Eugelink dichter en schrijver Wouter Godijn, waarin hij de uitspraak doet: ‘Als kunstenaar ben ik in de positie waarin ik mij met God kan verzoenen’. Daarentegen is Godijn antichristelijk opgevoed en voelde zich pas door het werk van Gerard Reve tot het geloof aangetrokken. Opgegroeid met Jan Wolkers, werd op tweeëntwintig jarige leeftijd zijn interesse gewekt voor Reve en de wijze waarop deze het geloof gestalte gaf. Wat duidelijk wordt in dit gesprek, is het streven van Godijn een bepaald soort mens/schrijver te willen zijn, waarin hij faalt, waardoor hij, zoals hij zegt ‘ongewild bij het dichterschap uitkomt’.

     

    Toen Liter nr. 62 werd samengesteld was de Joodse dichter Admiel Kosman (1957) in het land voor een optreden bij Poetry International te Rotterdam. Willem Jan Otten beschrijft in dat nummer welke indruk Kosman op hem maakte. De allereerste regel die Otten van de dichter las, ‘Orthodox me, my darling’, riep vele vragen bij hem op, o.a. of  ’to orthodox’ een werkwoord was.
    Het interview dat Otten met Kosman hield tijdens Poetry International, is opgenomen in Liter nr. 63. De brandende vraag van Otten, wat betekent ‘orthodox me’, kan Kosman niet beantwoorden. ‘Want hij schrijft geen gedichten’, is zijn antwoord. Kosman is nooit gaan zitten om een gedicht te schrijven, en zal dit ook nooit doen. De gedichten komen naar hem toe en hij moet er maar klaar voor staan om ze op te schrijven. Altijd potlood en papier bij de hand voor deze dichter. En wat er staat weet hij zelf ook niet goed, dus vragen naar een interpretatie heeft geen zin. Een interview waarin vragen vaak teruggespeeld worden met een wedervraag om vervolgens tot een doordacht antwoord te komen. Kosman grossiert in uitspraken als: ‘Ik ben pas gaan bidden toen ik niet meer bad’.  Een dichter die geen gedichten schrijft, maar zeer indringende liefdes, ‘gebeden’ publiceert.

    De eerste strofe uit het gedicht, Prayer,
    ‘Orthodox me now, my darling, / orthodox me now, around you, / orthodox me tight, my darling, / orthodox me tightly now.’
    Als een bezwerende mantra gonst zo’n gedicht door lijf en leden.

    In nr. 63 ook een fragment uit de nieuwe roman in wording van Oek de Jong. Het fragment speelt zich af in Zeeland in het jaar 1968. Een broeierig stuk proza waarin de middelbare scholier Abel met zijn vriendin op bezoek gaat bij zijn oud-lerares Frans. De Jong’s schrijfstijl brengt zijn personages tastbaar dichtbij. Verlangens worden verwoord in onhandig gedrag; dingen doen omdat het in de loop der dingen ligt en in vervoering raken zonder te weten waar het heen leidt, zo vertelt De Jong zijn verhaal waarbij onderliggende gevoelens zwaar op de schouders van de hoofdpersoon liggen. De roman verschijnt najaar 2012 bij uitgeverij Augustus. Iets om naar uit te kijken.

    In Liter nr. 62 een bijdrage van schrijver Benno Barnard over Herman de Coninck (1944-1997). Barnard ervaart de vriendschap met een dode als een bitter genoegen, vooral als die dode een schrijver (De Coninck) is. De vele duizenden woorden die van een schrijver achterblijven, werken Barnard op zijn zachts gezegd ‘op zijn zenuwen’. Maar nog altijd hoort hij zijn donkere stem. ‘Als tabak kon praten, klonk hij zoals Herman.’
    In nr. 63 enkele gedichten van Willem Barnard (Van der Graft) (1920-2010), vader van Benno Barnard. Gedichten die hij schreef in zijn laatste levensjaar. In datzelfde nummer nog meer van Admiel Kosman. Het essay, Lopen richting heiligheid, over een paar geschilderde arbeidersschoenen van Van Gogh, onderwerp van verregaande speculaties door verschillende kunstonderzoekers. Onder andere was er de aanname, dat de door Van Goghs geschilderde schoenen nog uit zijn vroege tijd in Nuenen zouden stammen, wat niet bleek te kloppen. Ontdekt is dat het schilderij van latere datum moet zijn. En de rede die Kosman hield tijdens Poetry International, Tussen Freud en Buber. En in de rubriek Maatwerk Teunis Bunt over Ted van Lieshout, waagt Tewin van de Bergh zich aan de nieuwe bundel van Willem Jan Otten, schrijft Elisabeth Kooman over Phillipe Claudel en Peter van Dijk over ‘Tree of live’.

    Vermeldenswaardig in Liter nr. 62 is het verhaal van Jan Sonneveld, De spiegel. Waarin de ouders van de verteller bij een vliegtuigongeluk omkomen. Het begint als volgt: ‘Op een ochtend zijn ze verdwenen.’ En na in droomtoestand het verongelukken van zijn ouders enigszins gereconstrueerd te hebben, eindigt het met de surrealistische scène: ‘Mijn ouders staan in de aankomsthal. Ik zie ze in tegenlicht. Mijn ogen knipperen. Ze omhelzen me en slaan me op de schouders. Fijn je weer te zien, jongen. Hoe was je reis?’ Waarin de wens doorklinkt het gebeurde ongedaan te maken. Liter: verrassend maatwerk dat niet alleen binnen de lijnen van het christelijk literaire gedachtengoed past.

     

    Liter
    Prijs losse nummers: 9,50
    Abonnementen: 33,-  (studenten 28,- )
    Ga naar website