• Met de neus in de poëzie bij Dichters in de Prinsentuin

    Een goed festival, net als goede poëzie, blijft je bij. Vorige maand vond Dichters in de Prinsentuin in de binnenstad van Groningen plaats. In de ruim twee decennia dat dit dichtersfestival bestaat is het uitgegroeid tot een uniek in zijn soort zijnd festival. Het idee werd ooit geïnitieerd door de huidige Dichter des Vaderlands Tsjead Bruinja, die vanuit de behoefte de stad tijdens de zomer in literair opzicht tot leven te brengen en verschillende dichters bij elkaar trommelde. Het concept is in al die jaren onveranderd: verspreid over het weekend wordt tijdens de middagen op het theeveld voorgedragen door gerenommeerde dichters, in de loofgangen van de Prinsentuin treedt een keur van dichters op die net enkele schreden op het dichterspad hebben gezet, zij aan zij met de bekendere dichters. De vrijdag- en zaterdagavond wordt in een theatertje gehouden en kent een meer inhoudelijk programma met interviews en discussies onder dichters.

    Face to Face

    Voor sommige dichters was optreden in de loofgangen van de Prinsentuin de eerste keer om face to face met publiek te staan. De afstand tussen dichter en luisteraar beslaat soms niet meer dan een halve meter, er wordt naar de dichter voorovergeleund, bijna letterlijk neus tegen neus, en dan moet je maar sterk staan in je voordracht. Tijdens het voordragen in de loofgangen lopen mensen voorbij, blijven of langdurig staan, of lopen halverwege een gedicht weer door. Voor de aankomende dichters was er dan ook een workshop georganiseerd, gegeven door spoken word artiest Babs Gons – zelf ook een van de optredende dichters – om het jonge talent enigszins gevormd de Prinsentuin te laten ingaan. Gons zorgde de eerste middag voor een schitterend optreden. Met elk woord een beeld creërend, zo nu en dan intiem confronterend, met kracht en in perfectie gebracht. Zonder papier om van te lezen, recht uit hoofd en hart, om stil van te worden. Dat de organisatie haar gevraagd heeft jonge dichters in het voordragen te vormen, lijkt dan ook een voor de hand liggende keuze.

     

     

    Zeventig dichters verdeeld over twee middagen en twee festivalavonden die zo’n tweeduizend bezoekers trokken. Er konden zelfs verzoeknummers worden aangevraagd tijdens de optredens in de loofgangen. Soms verzon de dichter ter plekke een gedicht, of bewerkte een bestaand gedicht (Norbert De Beule kreeg het woord ‘appelmoes’ toegeworpen wat hij verwerkte in een bestaand portret van zijn oma) om aan het verzoek van de bezoeker tegemoet te komen.
    De interactie tussen dichter en publiek was inspirerend en oprecht, want wie een voordracht niet bevalt, loopt gewoon door. Langs de tuinen zitten bezoekers op bankjes, wandelen langs het theeveld, blijven staan, gevangen door de poëzie, want het mooie aan dit festival is dat het gratis is. Dit alles tegen een achtergrond van het stadse geroezemoes, stationair draaiende auto’s voor een stoplicht, geroep van jongeren (dronken?) en ronkend overkomende helikopters.

     

     

     

    Gevleugelde woorden

    Wie door de loofgangen liep, ging op gevleugelde woorden die een eigen leven gingen leiden. Veelvuldig waren opa’s, moeders, liefde en selfiepoëzie tot onderwerp gemaakt.
    ‘we verdwijnen nooit helemaal de schemer is genoeg’
    ‘moeders zijn de ware alchemisten’
    ‘kijk ik heb een typemachien’
    ‘probeer maar eens een wereld op poten te zetten’
    ‘ik vond in veren en botten warmte’
    ‘meisjes op het schoolplein die blij zijn als het pauze is’
    ‘gaf een zwerfhond voorrang aan een kat’
    ‘ik zit ook maar vast tussen de spelonken van mijn schedel’
    ‘de allermooiste reden’
    ‘naar het land van zeil en tegels’
    ‘kleuren vluchten uit bloemen’
    ‘ik zing niet, dit is geen zingen, geen zingen, geen lied’
    ‘herinneringen moesten worden opgelaten’
    ‘longen hangen met touwtjes aan zijn ribben’
    ‘in het handschoenenkastje bewaar ik oude ansichten’

     

    Enkel de dichter

    Goede poëzie doet je vergeten waar je bent. De tijd verdwijnt, weg van de Prinsentuin, het geroezemoes. Enkel de dichter wordt gehoord. Zo ging het onder meer bij voordrachten van stadsdichter van Amsterdam Gershwin Bonevacia, die voordroeg uit zijn debuut Ik heb een fiets gekocht. De jonge Obe Alkema verraste met zijn ‘gangbaarheid’ ontwijkende poëzie. Evenals Micha Andriesen die nog schor van de verslaggeving van het North Sea Jazz festival in Rotterdam drie gedichten bracht die voor een aandachtig stilte zorgde. De poëzie van Anne Vegter – die de zondagmiddag op het theeveld afsloot met gedichten uit haar nog te verschijnen bundel – zou je ‘levenswerk’ kunnen noemen, schrijnend en vernieuwend. Zelfbenoemd Plattelandsdichter Paul Demets bracht een laagje engagement in het geheel van selfies en verwerkingspoëzie.

     

     

    Noodzakelijkheid van poëzie

    Wat bijblijft is een uitspraak van de Engelse dichteres Verity Spott in een gesprek met Dean Bowen, Juha Virtanen, Obe Alkema en geleid door Hassnae Bouazza, over hoe geëngageerd poëzie behoort te zijn. Heeft de dichter een plicht om de actualiteit in zijn poëzie te verwerken? Volgens Spott kun je niet een geëngageerd dichter zijn, maar wordt je dat gemaakt door de omstandigheden. Veel dichters schreven vanuit een dictatuur zonde geëngageerde poëzie te willen schrijven. Het was de dictator die hen tot een politiek dichter maakte door ze gevangen te zetten. Een mooie tegenstelling tussen Alkema en Spott is dat Alkema zich niet verplicht voelt in het voetspoor van vroegere dichters te treden, hij creëert als dichter nadrukkelijk zijn eigen weg. Voor Spott was dit ondenkbaar, zij heeft veel gehad aan vroegere dichters en zegt: ‘Of je het nu leuk vindt of niet wij behoren tot die geschiedenis van dichters.’ Haar conclusie was dat als je de geschiedenis wilt wegvagen, een dictatuur om de hoek ligt. Waarmee dit festival een gelaagdheid kreeg die aan poëzie een zekere noodzakelijkheid gaf.

     

    Foto’s © GrootWassink
    (Gershwin Bonevacia, Babs Gons, de loofgangen, Astrid Lampe, Paul Demets)

    Kijk op Dichters in de Prinsentuin als je wilt weten wie de dichters waren die dit jaar hebben meegedaan.

     

  • Het is niet allemaal om te lachen

    Het is niet allemaal om te lachen

    De Vlaams dichter Norbert de Beule (1957) was gedurende zevenentwintig jaar godsdienstleraar. In 2004 besloot hij uitsluitend voor de poëzie te gaan nadat hij in 2003 bekendheid kreeg met zijn bundel YELLe!. Hij debuteerde in 1987 met de bundel Rockoco en sindsdien is hij gestaag blijven werken aan zijn oeuvre. Het lesgeven heeft hij inmiddels voor enkele uren per week weer hervat. Vigor anorexia is zijn negende bundel; een ruwe vertaling van de titel zou luiden: De kracht van het gebrek aan eetlust.

    Het gebruik van het Latijn laat zich verklaren door de ondertitel: Een misboek. Ook het openingsgedicht Kyrie en gedichten als Hymne, Eerste Lezing, Credo en Gloria wijzen in de richting van het opdragen van een katholieke mis. De titel van de bundel is dan misschien ook een referentie naar het vasten van Jezus in de woestijn, waar hij door onthouding van voedsel de kracht vond om de verzoekingen van de duivel te weerstaan. Dat zou geen vreemd motief zijn voor een dichter en godsdienstleraar, die zoveel verwijzingen naar de Bijbel en de christelijke heiligen in zijn bundel stopt. En ook deze haiku zou kunnen slaan op het weigeren van voedsel:

    ‘Dragend geraamte –
    om dichter bij God te komen
    leert men rekenen’

    Na het Kyrie kondigt het begin van de bundel en ook dat van de mis tevens het begin van een nieuw leven aan:

    ‘In den Beginne was het Vlees
    het klopte mij de ziel uit de kleren
    Ik durf nog nauwelijks ademhalen
    Pas later kwam het Woord’

    Zelfportretten

    Dit zijn de eerste regels van het portret dat de dichter schildert van zichzelf als Paus Benedictus. Er volgen door de bundel heen nog verschillende zelfportretten: als Jamie Olivier, als Franciscus van Assisi, als Marianne Moore en zelfs als ‘sardientje op een bord’.
    De overige gedichten houden de volgorde aan van het ordinarium van de katholieke mis, maar ook die van het leven van de dichter: herinneringen aan zijn jeugd, de handelingen van zijn vader en moeder, zijn spraakgebrek ( ‘Ik zal […] blaaf telug naal moeke gaan’), de puberteit (‘Onzen Norbert heeft haar op zijn piezewiezeken’), het verlaten van het ouderlijk huis, de eerste liefde en de dood van zijn ouders.

    De typografie van de bundel is opvallend: er is gebruik gemaakt van diverse lettertypes in variabele grootte, van vetgedrukte woorden en facsimile’s van boodschappenbriefjes. Ook geven bekende en onbekende mensen onderaan sommige van de gedichten commentaar en ‘likes’ zoals op Facebook gebeurt:

    ‘Simone Weil Ik ben niet iemand om je lot aan te verbinden.
    Norbert de Beule Heb ik je gevraagd om mijn moeder te zijn dan?
    Paul Engelbeen vindt dit leuk.’

    Hierdoor wordt de complexe inhoud van de bundel beter bepaald, ook al is het niet altijd mogelijk er een daadwerkelijke functionele betekenis aan te hechten. Dat geldt ook voor de grootgedrukte haiku’s die regelmatig tussen de andere gedichten worden weergegeven: hoewel ze geestig en goed overdacht zijn, is soms niet duidelijk wat ze met de rest van de bundel te maken hebben; misschien dat ze daarom helemaal alleen op een pagina staan.

    Vormconcept volgens Bruegel

    Het vormconcept maakt van deze doorwrochte bundel een bont en gevarieerd geheel als een schilderij van Bruegel. Het is alleen jammer dat een index ontbreekt.

    De gedichten worden afgewisseld met prozastukken die geschreven zijn in de stijl van de schrijver aan wie ze zijn opgedragen: Cyriel Buysse, Richard Minne, Anneke Brassinga, Gerrit Krol en nog vele anderen. De Beule laat hiermee zien hoe goed hij thuis is in het werk van vele auteurs: vooral de stijl van Gerard Walschap en die van Louis Paul Boon zijn feilloos geïmiteerd en zeer de moeite waard. Ook in de gedichten zelf zitten veel verwijzingen naar bekende gedichten van bijvoorbeeld Kopland, Hoornik (Het kleine dochtertje van Jaïrus wordt bij De Beule een klein ezeltje) en Nijhoff. Het Vlaams dat de dichter zijn personages – in dit geval de moeder – in de mond legt, draagt bij aan de sfeer van de gehele bundel: ‘Miljardenvlammenste millemiekeste nondedjuu / zoudt ge nu geen vlammen schijten, jong!’ 

    Vooral door zulke uitspraken kan een Nederlandse lezer het idee krijgen dat dit een leutige en  plezante bundel zou zijn, maar hoewel de humor in ruime mate aanwezig is, is deze af en toe behoorlijk wrang. Het is niet allemaal om te lachen.

    Anorexia

    Vooral ouders krijgen veel liefdevolle aandacht in de gedichten: de vroegste herinneringen aan vader en met name aan de kordate, kort aangebonden moeder worden met smaak en pret opgedist, maar over hun stervensproces is de dichter ernstig en teder. Moeder stierf aan kanker, ‘of beter nog aan magerzucht’. Bij de zoon ‘[…] zakte zijn broek af van magerte. […] Honger en verlangen naar hoger honger […]’. Waarmee de bundel weer terug is bij de titel.

    Net als de mis wordt de bundel afgesloten met het ‘Ite missa est’, bij De Beule: ‘Zending & zegen’ genaamd, de titel van een prachtig en ontroerend gedicht waarin nogmaals sprake is van de dood van de moeder, maar ook van de verrijzenis: ‘Gaat nu allen heen, het offer is voltrokken.’ Maar als allerlaatste is er een foto van een bladzijde uit een huishoudboekje uit 1963 te zien, waarop de afbetaling is bijgehouden van de prijs voor een paard, ‘20 duizend frank’ met 1000 frank per maand. Vader De Beule was kolenboer en trok met paard en kar langs de huizen om zijn waren te leveren. Hoewel er onder de rekening staat: ‘voledig betaald’ (sic),  is het totale eindbedrag van de aflossingen echter 15.000 frank. De rekening is nog niet voldaan.