• Debuut waar het lef en de levenslust vanaf spatten

    Debuut waar het lef en de levenslust vanaf spatten

    Eicel, het debuut van Gaia Willemars (1993), kenmerkt zich door een innemende vertelstem, swingende zinnen en een wervelwind aan gebeurtenissen. Volgens de achterflap volgen we een jonge vrouw aan het begin van haar moederschap, toch gaat Eicel grotendeels over haar leven ervóór: haar ontluikende seksualiteit, haar verhouding tot haar lichaam en de worsteling met haar zelfbeeld – de voorgeschiedenis en vorming van een moeder dus, de drager van de eicel. En een eicel heeft een zaadcel nodig. De rode draad is dan ook de vertellers ingewikkelde relatie met haar grote liefde, meneer Zaadcel, een wispelturige man met bindingsangst die ze ontmoet tijdens hun gezamenlijke studie filosofie. Als het hem allemaal te benauwd of te moeilijk wordt, vlucht hij in gescharrel met mede-studentes die beeldend ‘glibberige salamanders’ worden genoemd. Dat, of hij gaat er gewoon vandoor. ‘De vorige keer dat we zo’n ruzie hadden bleef hij een jaar weg en sinds hij terug is ben ik aan het wachten tot hij weer vertrekt.’

    Het verhaal begint op de bank bij de broer van de verteller, waar ze samen met haar baby logeert omdat ze nu zelf is weggelopen bij meneer Zaadcel. ‘Om de rust te bewaren misschien, om iedereen tegen gedoe te beschermen. Of om mezelf te bewijzen dat ik ook kan gaan, dat ik autonoom ben.’ Eicel zit vol met dit soort treffende observaties waarmee de verteller haar eigen handelen onder de loep neemt.

    Meerderen in plaats van minderen

    Uitvoerig blikt de verteller terug op haar meisjesjaren, met name op haar eerste ervaringen omtrent seks. Van tongzoenen op haar achtste tot meedoen aan een trio op haar veertiende. Interessanter dan deze soms wat giechelig vertelde gebeurtenissen is de binnenwereld van de jonge deelneemster. Het vroeg in de puberteit komen, de schok die het plotseling verschijnen van borsten en de eerste menstruatie teweeg brengen, de innerlijke chaos. Wie ben ik? denkt het verwarde pubermeisje, en wat moet ik met dit snel veranderende, behoeftige lichaam?

    Na een gewelddadig vriendje ontstaat bij de verteller ‘een buiten-ik en een binnen-ik. Het dappere kind werd de façade waarachter het slinkende meisje verdween.’ Ze keert zich tegen haar lichaam dat ze met een eetstoornis stukje bij beetje uitholt. En ze ontdekt blowen. ‘Stoned kon ik niet zwaar aan dingen tillen. Ik verwaaide in de rook van mijn joint en tikte stukjes van mezelf af in het gras van het Vondelpark.’ Na een verkrachting niet lang daarna – ze is dan vijftien –  verzandt ze in verdriet en de wens te verdwijnen totdat ‘mensen zouden denken dat ik nooit echt bestaan had.’ Om weer grip te krijgen op haar leven gaat ze een tijd later in therapie. Ze gaat studeren en ontmoet meneer Zaadcel. Ondertussen worstelt ze verder, langzaam richting een onvoorwaardelijk liefde voor zichzelf (‘meerderen’ in plaats van ‘minderen’) en uiteindelijk voor haar ‘lieve, verwarde, onhandige maar altijd spannende meneer Zaadcel,’ die je in een vriendelijke lezing gevoelig en gecompliceerd zou kunnen noemen. Niet dat alle puzzelstukjes netjes in elkaar passen. Aan het eind zijn we weer terug bij het begin, op de bank bij haar broer en daar is ze natuurlijk niet voor niets. Wat Willemars knap laat zien is de weerbarstigheid van het leven, er bestaat geen rechte, esthetisch aangename lijn omhoog. Het is vallen en weer opstaan. Geef je over aan de chaos, lijkt Willemars te zeggen – omarm het leven, wat er zich ook aandient.

    Verplicht de moeite waard

    ‘Deze tekst is in eerste instantie niet geschreven als boek, het waren losse stukken die ik online zette’, legt Willemars uit in haar nawoord over de totstandkoming van Eicel (…). ‘Het resultaat is geen vooraf bedacht en gladgestreken verhaal, maar een verzameling losse delen waarin ik zelf nog op zoek moest naar verbindende elementen.’ Wie een traditionele roman verwacht – plot, uitgewerkte personages, dialogen, een decor met sfeerbeschrijvingen – komt ondanks het woordje roman op de kaft niet aan zijn trekken. Eicel is een persoonlijk en verkennend relaas dat tastend en zoekend op weg gaat, en leest als een memoir. Semi-autobiografisch uiteraard, want ongetwijfeld heeft Willmars zaken vervormd, uitvergroot of verzwegen en is de verteller niet één op één Willemars zelf. ‘Al schrijvend kies ik, maak ik mijn eigen fouten opnieuw maar dan esthetisch’ verwoordt ze zelf mooi in haar nawoord.

    Dat fragmentarische is hier en daar wel te merken, sommige zaken lijken er een beetje bij te hangen. De kracht die de verteller put uit het Jodendom zonder dat ze zelf Joods is komt enigszins uit de lucht vallen. Of wanneer ze verhaalt over de ‘archiefmensen’ op haar werk, die ze ‘vreselijk aardig’ vindt en wiens vak dreigt te verdwijnen. Leuk voor een column maar wat is de bedoeling ervan binnen dit boek? Je vergeeft Willemars deze uitstapjes wel, want verder heeft ze veel te zeggen. Heel veel, zelfs. Over de angst voor verkrachting die bij iedere vrouw en ouder van een dochter immer boven het hoofd hangt, bijvoorbeeld. Hier krijgt Willemars vleugels, grote sterke, en produceert ze gul, kwetsbaar proza dat nergens voor terugdeinst: de verontwaardiging en woede spatten van de bladzijden.

    Enorm verfrissend is haar kijk op het moederschap. In veel hedendaagse literatuur wordt twijfelend over het moederschap geschreven, kinderen en het gezin zijn een vorm van gevangenschap die de persoonlijke verwezenlijking van een vrouw in de weg staan. Voor de verteller van Eicel geeft het moederschap haar een gevoel van bestaansrecht, een stevige fundering waarop ze aan haar eigenwaarde kan bouwen – als moeder is ze ‘verplicht de moeite waard.’ Als ze zelf de moeite waard is, is haar kind dat namelijk ook. Ja, er is een wederzijdse emotionele afhankelijkheid en dat is niet erg. Dat wil niet zeggen dat haar hang naar autonomie en zelfstandigheid verdwijnt, eerder dat er meerdere versies zijn van haar- en dus onszelf: afhankelijk dan weer autonoom, kwetsbaar dan weer sterk. Met dit gegeven slaagt Willemars er in van iets persoonlijks iets universeels te maken. Hopelijk komt Willemars met een vervolg op Eicel, of misschien een column. Met haar levenslustige stijl en openheid zal ze ongetwijfeld een schare vaste fans aan zich weten te binden.

     

     

  • Spooksels

    Spooksels

    Meteen al op de eerste pagina van de historische roman Het huwelijksportret voorvoelt de zestienjarige Lucrezia di Cosimo de’ Medici dat haar man, Alfonso II d’Este, haar wil ombrengen. Het is een later verspreid gerucht, want officieel heet Lucrezia aan bloedvergiftiging te zijn overleden, maar de Britse auteur Maggie O’Farrell neemt het tot uitgangspunt van haar boek. ‘De zekerheid dat hij haar dood voorheeft is als een aanwezigheid naast haar, als een roofvogel met donker verenkleed die is neergestreken op de armleuning van haar stoel,’ schrijft O’Farrell bloemrijk. Soms haast ietwat statig vertaald door Lidwien Biekmann en Tjadine Stheeman.

    Dan zwenkt het verhaal zeventien jaar terug, naar het Florentijnse palazzo waar Lucrezia in 1545 wordt geboren en opgroeit. Een rebels meisje dat als kind al tegenstribbelt wanneer er een portret van haar wordt geschilderd. Een kind dat zich gevangen voelde in het palazzo, net als de tijgerin die haar vader gevangen hield in een kooi in de kelder. Op een dag wordt de tijgerin gedood door de twee leeuwen die Cosimo I ook hield. Zo krijgt dit dier een symbolische betekenis binnen de roman.

    Symbolen

    Net als de nek van Lucrezia, die Sofia, haar min, kindermeisje en kokkin van het palazzo, soms weer recht moet duwen als ze deze te ver naar achter had gedraaid. Uit nieuwsgierigheid, of omdat ze niet direct in haar ogen wenste te worden gekeken. Of omdat een man haar te dicht naderde en ze haar hoofd ver naar achteren moest buigen. Of om te kijken of de ziel van haar overleden, oudere zus Maria al weg was gevlogen door het openstaande raam.

    Mooi is dat in het verloop van de roman de symbolen zoals die van de nek naar binnen keren. Zo ziet Lucrezia op een gegeven moment ‘een paar wolken in de vorm van een aambeeld opdoemen’. De lezer mag het duiden net als de intertekstuele verwijzingen, zoals het toneelstuk dat aan het hof van Ferrara wordt opgevoerd. ‘Over een koning die per ongeluk zijn vrouw vergiftigt.’ Een reminiscentie aan het toneelstuk in het toneelstuk in Hamlet van Shakespeare; niet voor niets Shakespeare, want schreef O’Farrell niet eerder een roman over Hamnet, zoon van Anne Hathaway en William Shakespeare?

    Als een spreeuw die de weg naar buiten niet weet

    Lucrezia moet Maria’s plaats innemen als echtgenote van Alfonso, de zoon van de groothertog uit Ferrara. Zij is pas dertien jaar en nog volop bevangen door kinderlijke ‘spooksels’ die O’Farrell raak weergeeft: ‘Zonder waarschuwing gleed ze tussen de stoel en de tafelrand door en kroop op de tast onder de tafel weg. Dat was de enige manier: ze kon niet zomaar bij de tafel weglopen, want dat ding zou een arm naar haar uitstrekken en haar grijpen.’

    Ze biecht Sofia op wat ze heeft gehoord over het geplande huwelijk, ondertussen aan tafel een spreeuw natekenend die ze eerder dood heeft gevonden, omdat hij de weg uit het palazzo naar buiten niet meer terugvond. Weer zo’n symbool, zo’n doordacht detail. Zo zijn er veel, te veel om op te noemen. Ze geven aan de roman een extra laag, waar het verhaal zelf lang zijn rustige loop neemt en het karakter van Lucrezia en Alfonso genuanceerd wordt weergegeven, met lichte en donkere kanten.

    Het is boeiend, zeker, maar er valt weinig sociale- of politieke context in terug te vinden, wat jammer is. Met uitzondering van terloopse opmerkingen over bijvoorbeeld het waanidee van de hertogelijke familie dat ‘het volk’ van ze houdt, of over de moeder van Alfonso, de protestantse prinses Renate van Frankrijk. Alfonso verandert gaandeweg in een bezetene die nog maar één ding najaagt: een zoon, die zowel het hertogdom Toscane als het hertogdom Ferrara zal erven. Het boezemt Lucrezia angst in, ‘die zich als sneeuwvlagen tegen zich opwerpt’.

    Het portret in wording

    Op een gegeven moment arriveren twee schilderleerlingen, Maurizio en Jacopo, die gaan helpen met het portret van Lucrezia. De een schildert – modern voor die tijd – landschappen op de achtergrond en de ander bekommert zich om de stofuitdrukking. De meester, de maniërist Sebastiano Filippi, doet dan het gezicht en misschien de handen.

    O’Farrell weet de context van het leven aan het hof van Ferrara raak te treffen. Ze schrijft over de schilderleerlingen – waarvan er een verliefd is op Lucrezia –, castraten, schandalen, de kleding en haardracht zoals die in vergelijking tot die in Florence wordt gedragen. Inclusief details als het feit dat Lucrezia’s hoofd haast is ingesnoerd in een hoge kanten kraag, wat draaien ervan moeilijk maakt. Iets dat ze zoveel deed. Wat Alfonso verwacht van het schilderij, zegt hij op een onbewaakt moment: ‘Mijn eerste hertogin’ [lees: Maria]. Wat hij van Lucrezia verwacht, is duidelijk: een mannelijke nazaat. Omdat ze die niet kan geven of omdat hij deze niet kan verwekken (ook zijn volgende huwelijken bleven kinderloos), wordt ze uit de weg geruimd. Of toch niet? De plotwending aan het slot geeft een sprookjesachtige, wat ongeloofwaardige draai aan het verhaal.

    Al met al is het boek een boeiende en mooi vertaalde historische roman waarin met name Lucrezia en Alfonso centraal staan en wat minder aandacht wordt geschonken aan de context van de tijd waarin het speelt. Met een cliché zou je het een pageturner kunnen noemen, net als O’Farrells Hamnet overigens.

     

     

  • Stok langs de internationale meetlat

    Stok langs de internationale meetlat

    Barbara Stok (1970) is een van de bekendste stripmakers van Nederland. In 2009 kreeg ze de Stripschapprijs, een bekroning van haar oeuvre.  Onlangs verscheen een omnibus van haar werk sinds de jaren negentig. De beeldromans Vincent (over Van Gogh) en De filosoof, de hond en bruiloft (over een Griekse filosofe uit de Oudheid) zijn hierin niet opgenomen. Het gaat in De Dikke Stok om Stoks slice of life verhalen, waarin ze in beeld brengt wat het hoofdpersonage Barbara, dat gebaseerd lijkt op Stok zelf, beleeft. Het zijn verhalen die sterk autobiografisch aanvoelen en dit ongetwijfeld ook zijn. Niet echt schokkende gebeurtenissen spelen de hoofdrol doordat Stok kiest voor een eenvoudige tekenstijl. Deze vestigt niet de aandacht op zichzelf vanwege stilistisch minimalisme, dat niet ertoe noopt het vakmanschap uitgebreid te bewonderen. Het zijn episodes uit het leven van het hoofdpersonage. Onder meer haar niet bevredigende bestaan als studente fotografie in Den Haag en fotograferende journalist in Groningen komen in beeld, zoals ook  haar betrokkenheid bij een film van Pim de La Parra, de verwikkelingen van haar muziekbandje en haar liefdeservaringen. Stok toont het hoofdpersonage Barbara als innemend, maar heeft ook aandacht voor haar imperfecties en die van de mensen om haar heen. Zo gaat ze in op haar eigen onzekerheden en vage keuzes op het gebied van relaties.  Ze brengt ook haar werksituatie op de Groningse krantenredactie in beeld, waarbij haar naaste collega’s niet helemaal positief naar voren komen. Ze toont dat het beginnen met een werkend leven zwaar kan zijn, en veel lezers zullen zich daarin herkennen.

    Het leven is wat het is

    In het genre van de slice of life strip en de (auto)biografische graphic novel, is Stok een van de beste auteurs in Nederland. Internationaal oogstte ze succes met haar strip over Vincent van Gogh. Het is de vraag of de in De Dikke Stok verzamelde verhalen eenzelfde succes in het buitenland kunnen hebben. Op internationaal vlak zijn er verschillende stripauteurs die Stok in dit genre overtreffen, zoals de Amerikaan Adrian Tomine (1974) die zowel op grafisch vlak als qua gelaagdheid sterker is. Want een grote gelaagdheid kenmerkt De Dikke Stok niet. Het leven is wat het is, lijkt Stok te willen uitdrukken. Wel probeert ze door de verhalen filosofische inzichten te verweven, maar heel erg diep gaan die niet. Daar tegenover staat Stoks zelfspot die het aangenaam maakt om dit personage te volgen, al kan er in die zelfspot een trucje worden gezien, een pose die mensen eerder voor iemand doet innemen dan een teveel aan zelfvertrouwen uitdragen. Verondersteld mag worden dat Stok zichzelf toont zoals ze werkelijk is.

    Het gebrek aan gelaagdheid komt mede voort uit het autobiografisch materiaal waaruit Stok put. Het hoofdpersonage lijkt geen heel erge dingen mee te maken (of die blijven buiten beeld), op de dood van de broer van haar partner na. Haar karakter is, juist omdat ze hoofdzakelijk uitgebalanceerd en sympathiek is, geen bron voor verhalen over existentiële angst of geestelijke verwording, zoals Tomine, en ook als de graphic novel auteurs Chris Ware en Daniel Clowes ze wel bieden.  Zij brengen meer dan hun eigen leven in beeld.
    Overigens zullen niet veel mensen Stok aanraden meer serieuze thematieken te behandelen of meer ambitieuze verhaallijnen te bieden, want haar lezersschare zal vooral meer willen zien van datgene wat ze in haar mars heeft, namelijk een gewone levensloop in beeld brengen. Haar aanpak is vergelijkbaar met de Britse televisiereeks
    Up, die om de zoveel jaar een inkijkje biedt in het leven van gewone, ouder wordende Britten. Stok toont de ontwikkeling van een gewone Nederlandse vrouw en als tijdsdocument is haar werk geslaagd. Het is goed voor te stellen dat een (cultuur)historicus in de toekomst De Dikke Stok als bron zal gebruiken.

    Herkenning en verbeelding

    Er zijn vele typen lezers. Twee veel voorkomende zijn, ten eerste, de lezer die wil lezen over wat hij of zij al kent, om dan te knikken en te verzuchten:  ‘ja, zo is het leven’ en, ten tweede, de lezer die wil verplaatst worden naar de wereld van de verbeelding, werelden die iets los woelen door te tonen  wat de menselijke fantasie vermag. De hier verzamelde strips van Stok passen bij het eerste type lezer. Ze zijn een feest der herkenning en dat verklaart ook Stoks succes.
    Het tweede type lezer zal niet veel uit deze bundeling kunnen halen. De verhaallijnen zijn vrij mager. Ook
    slice of life strips kunnen een verhaal in zich hebben dat tot de lezer spreekt, als er voldoende verbeeldingselementen, zoals spanningsboog, symboliek,  spetterende dialogen, mooie personages en thematische rijkdom in zijn aan te treffen. Dat is in De dikke Stok niet per se het geval. Maar het onvolkomene in tekst en tekening, is de kracht van deze bundeling. Stok slaagt erin de lezer met het hoofdpersonage te laten meeleven. Het is geen personage dat je koud laat, door de menselijkheid en eerlijkheid (bijvoorbeeld over seks en lichamelijkheid) waarmee ze is begiftigd.

     

     

  • Uit onvrede met de burgerlijkheid

    Uit onvrede met de burgerlijkheid

    Balorigheid moet zowat de gemeenschappelijke noemer zijn van alle verhalen uit Laten we vader eruit gooien van Mary Dorna, pseudoniem van Mary Jeanette Stoppelman (1891-1971). Ze schreef voor verschillende kranten en tijdschriften als Het Parool, de NRC en Tirade. In deze verhalenbundel is een meisje aan het woord dat vol branie vertelt over haar onvrede met het burgerlijke milieu waarin ze is opgegroeid. Die weerzin voor de benepen levenswijze van de middenklasse zou heel gedateerd kunnen aanvoelen. De bundel is dan ook voor het eerst verschenen in 1968 en bevat verhalen uit Dorna’s eerder gepubliceerde werk. Zij was zelf afkomstig uit een joods burgergezin en trok op haar negentiende de wijde wereld in, op zoek naar ademruimte. Autobiografische inspiratie lijkt onvermijdbaar, al doet dat zeker geen afbreuk aan de herkenbaarheid.

    Spitsvondige capriolen

    De capriolen van maatschappelijk misfits en hun afschuw voor de huichelarij van hun omgeving zijn zaken die nog steeds kunnen bekoren. Ook het meisje, waarvan sprake is, belandt naast alle hokjes. Volgens een tante lijkt haar kapsel op een ragebol. Het lesrooster blijft voor haar ‘het rooster waar alles doorheen valt’ en ze sluit vriendschap met net zij die ook in de marge leven, zoals zigeuners of sekswerkers. Haar vader vertegenwoordigt daarentegen alles waar ze aan wil ontvluchten: Met zijn krant een sigaar in de zetel roken of op stap gaan met zijn saaie zakenvrienden, die ook geen enkel emotie of bevlogenheid ten toon spreiden. Maar haar tante en haar perfecte neefje Hans zijn nog ergerlijker. In het eerste verhaal ‘beleefd verzoek’ stuurt ze in naam van haar vader een briefje om ‘van verdere bezoeken verschoond te blijven’. 

    Dankzij de spitsvondige en ongeremde stijl die Dorna hanteert, voelt het geklaag over de hypocrisie van de volwassenen nooit zeurderig aan. Vaak zijn haar beschrijvingen tegelijkertijd scherp en ronduit hilarisch. In een ‘buitenlandse badgast’ benoemt ze de vrouw van de hoteleigenaar als ‘een met edelstenen behangen afgodsbeeld waar de heer Biedermann alles aan kon hangen; zijn klachten, zijn juwelen en een soms krankzinnig opbruisende vrolijkheid.’ Steeds wordt de humor gekruid door haar hang naar avontuur en nood aan fantasie. Wanneer haar oom Ricardo hen komt bezoeken, adoreert ze hem. Hij is een sensitieve vagebond die hartverscheurende verhalen te berde brengt. Dat hij in de gevangenis heeft gezeten, vanwege oplichting, vergeeft ze hem met welwillende tederheid, aangezien zijn vertelsels haar meevoeren naar vreemde streken. Die roes eindigt abrupt als samen met haar vader ook de werkelijkheid terug binnenkomt.

    Ontwapenende naïviteit

    Met een ontwapenende naïviteit en eenvoud onthult ze soms verrassende waarheden. In het ‘rosse geheim’ gaat ze stiekem langs bij Nelly, de zus van hun dienstmeisje Da. Zij mag het niet tegen haar ouders vertellen, want Nelly is een meisje van plezier dat in zonde leeft. Waarop zij vinnig antwoordt met een vraag aan Da: ‘Ben jij een meisje van verdriet, omdat je het niet zo gezellig hebt, is het gezellig hebben een doodzonde?’ Het is een krachtige weigering van een kind, dat zich niet wil laten corrumperen door de neerslachtigheid van de wereld. Zij wil zich niet als een schaapje laten verleiden door oliebollen te aanvaarden van domme en nare jongens. 

    Die opstandigheid bedekt soms haar drang om ergens bij te horen en haar verzuchtingen over het feit dat andere kinderen wel weten hoe ze zich moeten gedragen. En als ze eens vriendschap met iemand sluit, dan raakt die ook weer snel ontbonden. In het verhaal ‘pêle mêle’ is ze op een verjaardagsfeestje waar ze geen zin in heeft. Zij zoekt toenadering tot een miezerig jongetje dat ook aan de zijlijn staat. Samen hebben ze plezier op de mondharmonica, tot het meisje met een sinaasappelschil de gastvrouw imiteert en alle blikken op hen gericht worden.

    Dorna laat zien dat die marginale positie niet ontstaat uit puberstreken, maar voortvloeit uit een wezenlijk conflict tussen karakter en maatschappij. Vanaf twee derde van de bundel handelen de verhalen over de tijd dat het meisje een jongedame is geworden en haar kost verdient als portretmodel. Het is even wennen, al blijft veel hetzelfde. Schertsend blijft ze het geveins van de burgerij onder vuur nemen, terwijl ze met diepe genegenheid praat over het sjofele, maar gezellige hostel waarin ze overnacht.  Zelfs wanneer ze in haar latere leven kunstenares is geworden, weigert ze om op verzoek van haar deftige vrienden een andere huishoudster in dienst te nemen dan Leida, wiens man in de gevangenis zit. Haar solidariteit met de verschoppelingen is iets voor het leven. En wanneer ze dan toch nog eens een dienst aan iemand van haar vroegere klas wil bewijzen, dan spat de rillende afkeer van de bladzijden.

    Chronologische compositie 

    Enkel in het laatste verhaal ‘panta rhei’ wordt het pantser van de opstandigheid jegens het milieu van haar vader doorbroken. Bij zijn begrafenis ergert ze zich weliswaar aan de hypocrisie van de huilende mensen rondom haar. Zelf probeert ze te achterhalen waarom zij niet huilt, terwijl hij pas op zijn sterfbed de tranen durft te laten stromen. Dat levert een bloedeerlijke en indringende bekentenis op, waarvan zinnen als deze de kern van haar gevoel raken: ‘We hebben elkaar dan eindelijk ontmoet en begrepen, het bange, kouwelijke, vaak huilende kind van vroeger en de zieke, kouwelijke, soms wenende man, toen hij op het punt stond de levensgrens te overschrijden.’ De chronologische compositie van de verhalen uit Laten we vader eruit gooien is onontbeerlijk om de lading van zulke zinnen te kunnen vatten.

    De combinatie van rebelse branie met een oprechte behoefte aan verbondenheid levert een aantal kwinkslagen die de beknelde ziel van het meisje allerminst verdoezelen. Waarom deze bundel nooit in het licht van de publieke aandacht is getreden? Tja, met het schrijftalent van Dorna of de tijdloze aard van haar verhalen heeft het niets te maken, dus laten we daar gauw verandering in brengen. Tegenwoordig lopen misfits misschien rond met een smartphone in de hand, maar de verbitterde tantes, de nare jongens en de drang naar ongebreideld avontuur blijven. Sommige zaken krijgt geen enkele vader kapot.

     

     

  • Oogst week 36 – 2021

    Hier komen wij vandaan

    In Hier komen wij vandaan van Leonieke Baerwaldt (1985) spelen mensen, dieren en alles daartussenin een rol. Zo koopt een fabrieksarbeider van bijna veertig die nog bij zijn moeder woont een aquarium (‘Als jij vissen wilt, dan moet je dat godverdomme gewoon doen,’ zegt zijn collega), maakt de kleine zeemeermin haar opwachting en bouwen twee geliefden samen een huis. Baerwaldt studeerde filosofie en literatuurwetenschappen. Haar werk verscheen onder meer in De Revisor en Papieren Helden. In 2018 won ze de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Hier komen wij vandaan is een sprookjesachtig en uniek debuut van een auteur van wie we nog veel gaan horen.

    Hier komen wij vandaan
    Auteur: Leonieke Baerwaldt
    Uitgeverij: Querido

    De dood in Taormina

    Arnon Grunberg (1971) behoeft eigenlijk geen introductie. Hij won sinds zijn eerste roman Blauwe maandagen talloze literaire prijzen, zoals de Libris Literatuur Prijs voor Tirza, de Constantijn Huygensprijs en de Gouden Ganzenveer. Zijn nieuwe boek De dood in Taormina is alweer zijn zestiende roman. Het verhaal gaat over de zesentwintigjarige Zelda, die lokeend was bij een jeugdbende en nu een veel te laat antwoord schrijft op een liefdesbrief. Ze reist met een acteur en een cowboy naar Taormina. In deze roman liggen leugens en waarheid dicht bij elkaar, maar is er ook een rol weggelegd voor vergeving en liefde.

     

    De dood in Taormina
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Victorien, ik hou van je

    Kees ’t Hart (1944) schrijft romans, essays, poëzie en verhalen. Hij was redacteur bij De Revisor en recenseert literaire werken voor De Groene Amsterdammer. Prijzen die hij won zijn onder meer de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de J. Greshoff-prijs. In zijn nieuwste boek Victorien, ik hou van je (dat bestaat uit verhalen en ontboezemingen) beschrijft hij uiteenlopende werelden: zo reist hij rond met het muziekgezelschap van Toon Tellegen, koopt hij een neppe mitrailleur in Ieper en schrijft hij over een leven vol lezingen en congressen. Of het nu een examenfeest in de jaren tachtig betreft of een lofzang op het Noorden, Victorien, ik hou van je bevat altijd een positieve toon en een open blik.

    Victorien, ik hou van je
    Auteur: Kees 't Hart
    Uitgeverij: Querido
  • Roman over de trends in onze huidige maatschappij

    Roman over de trends in onze huidige maatschappij

    Vorig jaar verscheen van Henk van Straten de novelle Kwaad Bloed, het eerste deel van de zogenaamde witte-mannentrilogie. Daarin wist Van Straten de gruwelijkheid van een vernederde jongeman zeer raak en aangrijpend neer te zetten en kreeg daar in de literaire wereld misschien te weinig aandacht voor. Met Ernest Hemingway is gecanceld, het tweede deel, zet hij volop de aanval in tegen de heersende cancelculture en het overdreven woke-denken van de huidige maatschappij. Hij doet dat op een zeer cynische en ironische toon waardoor het aangenaam om te lezen is. De roman wisselt sterke momenten af met enkele mindere scènes, maar van Straten probeert wel maatschappelijk relevant te blijven.

    Hoofdpersoon van de roman is een loser, een nobody die verder niet met naam wordt genoemd. Hij is fotocurator in een museum waar een tentoonstelling loopt over Hemingway, het voorbeeld bij uitstek van de klassieke witte (foute?) man. De curator zit midden in een identiteitscrisis: zijn vrouw heeft hem verlaten, zijn hond luistert niet naar hem, de vele antidepressiva bieden geen soelaas, ook een affaire met een jong meisje loopt slecht af. Alles verandert als Ronnie Van Boekel en zijn zoon Bas, dakdekkers, in zijn leven verschijnen. Ronnie is een op-en-top echte testosteronbonk die rechttoe rechtaan alles aanpakt. Ronnie zet de ongehoorzame hond naar zijn hand en zorgt ervoor dat het hoofdpersonage zijn leven weer op de rails zet.

    Opeenstapeling van woede

    Als de fototentoonstelling van Hemingway na heel wat protest van feministen, anti-racisten en dierenactivisten wordt gecanceld, raakt het leven van de hoofdpersoon nog meer in het slop. Zijn overste, zelf een aantal percentages Indonesisch bloed in haar lijf, vernedert hem en zet hem op non-actief na een vermeende ongewenste intimiteitenzaak. Gelukkig is er Ronnie die hem meeneemt naar een cursus middeleeuws zwaardvechten. Daar leert hij (imaginair) zijn vijanden te verslaan en vindt hij zijn uitlaatklep. Wat hij op dat moment niet weet, is dat het gaat om een groep extremisten met neo-nazistische sympathieën. Wat volgt is een samenloop van omstandigheden en opeenstapeling van woede waardoor hij uiteindelijk in de gevangenis belandt. Daar komt hij tot inkeer en kan hij alles op een rijtje zetten.

    Henk van Straten slaagt erin om op zeer aangename wijze een beeld te schetsen van de witte man die het vandaag hard te verduren krijgt. Na de emancipatie van verschillende bevolkingsgroepen, lijkt nu deze categorie te moeten vechten om te overleven. De cynische ondertoon is nooit ver weg, enige overdrijving hoort daar natuurlijk ook bij. De auteur laat een groot aantal populaire en controversiële maatschappelijke thema’s aan bod komen en dat maakt het werk relevant: #MeToo, racisme, white male supremacy, Black Lives Matter en de hele discussie tussen links en rechts. Bij deze thema’s haalt hij expliciete voorbeelden aan en stelt de lezer voor een aantal dilemma’s: is het hoofdpersonage echt fout of zit het overdreven woke-denken hier voor iets tussen. Henk van Straten klaagt hier sterk het gegeven van politieke correctheid aan. Als men zo doorgaat, mag en kan niets meer gezegd worden. Het is een impliciete oproep aan links om ook in te gaan tegen wat hij de ‘de woke waanzin van vandaag’ noemt. De kritiek die de lezer hierop kan hebben is dat alles wel heel expliciet en overdreven wordt voorgesteld waardoor hij de neiging heeft de kant te kiezen van de arme curator, gelukkig maakt de vorm van de satire een en ander goed.

    Sterkere thema’s tussen de lijnen

    Sterker zijn de thema’s die tussen de lijnen door verwerkt zijn en die voor een deel autobiografisch zijn. Tussen alle problemen door werkt het hoofdpersonage aan een fototentoonstelling over zijn vriend Semmie die uit het leven stapte. Naast maatschappelijk onvrede en mannelijkheid zijn depressie en zelfmoord zeker ook onderliggende onderwerpen waar Van Straten heel genuanceerd over schrijft. De zelfmoord van een vriend heeft er serieus op in gehakt en dat laat zich merken. De personages zijn raak getypeerd en dragen bij tot het geheel. Aan de ene kant heb je de op drift geraakte curator, de sukkel die zelf geen mening heeft, maar desondanks bij alles wat speelt in de maatschappij, betrokken lijkt te worden. Daartegenover heb je de nuchtere dakdekker die voor alles een oplossing lijkt te hebben, de overdreven correcte Yvonne, curator van museum, de zwarte collega Jeffrey die het racisme in Amerika fileert en er zijn eigen ideeën over heeft. Elk personage is voortreffelijk gecast en speelt zijn rol in het verhaal.

    Ernest Hemingway is gecanceld is een kind van zijn tijd. In tijden waarin politieke correctheid belangrijk lijkt, durft van Straten hier op geheel eigen wijze tegen in te gaan en stelt zich de vraag of het niet even ‘normaler’ kan. Wie het cynisme en de satire kan onderscheiden van wat er echt toe doet, lees deze roman die aan het denken zet over de trends in onze huidige maatschappij.

     

  • Teveel autofictie in historisch opgezette roman

    Teveel autofictie in historisch opgezette roman

    De positie van de vrouw is de voorbije eeuwen en zeker de laatste decennia sterk verbeterd, zeker in de westerse wereld. Toch is het werk nog niet af. Een van de mensen die daar actief toe bijdraagt is de Zweedse feministe en invloedrijke schrijfster Karolina Ramqvist. Met haar vijfde roman, De berenvrouw, vertelt ze het schrijnende verhaal van een gevallen en verbannen vrouw in de zestiende eeuw die tracht te overleven op een onbewoond eiland. De auteur tracht via verschillende bronnen de geschiedenis te reconstrueren waarbij ze alles terugkoppelt naar haar eigen leven. Daardoor kan De berenvrouw moeilijk een gewone roman genoemd worden. Het is een bont allegaartje geworden van non-fictie, memoires, autobiografie en ook wel fictie en dat maakt het geheel minder sterk dan waarschijnlijk de bedoeling was. Het idee is nochtans veelbelovend, de link tussen de lotgevallen van de zestiende-eeuws Marguerite en Ramqvists eigen verhaal, wie ze was en wat ze is geworden.

    In 1541 vertrekt Marguerite met haar voogd naar de nieuwe Franse gebieden in Canada, waarvan hij het hoofd zal worden. Onderweg valt ze ten prooi aan een seksueel schandaal en wordt ze samen met haar nieuwe geliefde achtergelaten op een onbewoond eiland. Daar moeten ze de strijd aangaan tegen de kou, honger, wilde dieren en de eenzaamheid. Als haar man en later haar kind sterven, blijft ze achter met haar kamermeisje, die even later zelfmoord pleegt. Dan is Marguerite alleen met de elementen. Op zich een sterk verhaal dat zeker de moeite waard is om uit te spitten. Alleen is de manier waarop Ramqvist dit doet niet echt aantrekkelijk en aangenaam om lezen. Daar zijn diverse redenen voor. Ze verwijst uitgebreid naar de verschillende bronnen die ze hiervoor heeft geraadpleegd.

    Meerdere bronnen

    Eerst is er de geschiedschrijver André Thevet die de naam van Marguerite voor het noemt in 1574, maar dan blijkt dat ook Margaretha van Navarra al over ‘de vrouw op het eiland’ had geschreven. Verder las ze  de zestiende-eeuwse schrijver François de Belleforest, maar de grootste invloed lijkt A colony of One: the history of a Brave Woman (1983) van Elizabeth Boyer te hebben gehad. Meer en meer krijgt de aandacht voor de bronnen de overhand en vervalt de ‘roman’ in een soort van historische kritiek. Op zich niets mis mee, maar wie een roman verwacht stoort zich aan de wetenschappelijke insteek. Het uitpluizen en doorgronden van die bronnen lijkt obsessief te worden waardoor zowel het verhaal als de bedoeling van het werk naar de achtergrond verdwijnen.

    Dan is er de wat onduidelijke terugkoppeling naar het leven van Karolina Ramqvist zelf. Ze laat doorschemeren dat ze door een ‘duistere periode’ is gegaan en dat ze door dit boek uit die spreekwoordelijke put tracht te klimmen. Of de persoonlijke crisis te maken heeft met haar schrijverschap of met haar moederschap, waarnaar ze heel vaak verwijst, wordt niet geëxpliciteerd, wellicht is het een combinatie van beide. Het staat sowieso vast dat het schrijven van deze roman een soort therapie was voor de auteur. Alleen rijst hier de vraag naar de methodiek en de verhaalstof. Ramqvist hoorde het verhaal over Marguerite van een vriendin en had beloofd er niet over te schrijven. Uiteindelijk kon ze het niet loslaten en zag ze de gelijkenissen met haar eigen worstelingen. Voor haar blijkbaar het ideale uitgangspunt voor deze roman. 

    Therapeutisch zelfbeklag

    Het verhaal over Marguerite is en blijft boeiend. Ook de weergave van de verschillende bronnen en de verschillende interpretaties van wat er precies gebeurd is in 1541 kan aangenaam leesvoer bieden. De beschrijving van het zware leven op het eiland en de dramatische gebeurtenissen raken de lezer en stemmen tot nadenken. De zoektocht van de auteur naar overblijfselen uit die tijd draagt bij aan de spanning en het achterhalen van de waarheid. Zo gaat ze op zoek naar het kasteel van waaruit de missie is vertrokken, bezoekt ze musea met overblijfselen en gebruiksvoorwerpen uit die tijd om zich een beter beeld te vormen en alles tot in de details te kunnen beschrijven.

    Het meest interessante is de pentekening van het eiland waarop verschillende cruciale gegevens staan aangeduid. Het jammere van het geheel is dat Ramqvist te pas en te onpas komt aandraven met haar schrijverssessies in New York, Mexico City of Californië, waar ze aan feministische bijdragen werkt die niet echt ter zake zijn op dat moment. Ook haar voortdurend gezeur en getwijfel over het moederschap en schrijverschap halen constant de drive en spanning uit het verhaal. Ramqvist had met De berenvrouw een fantastische historische roman kunnen schrijven, de stof lag voor het grijpen, maar ze maakte er een therapeutisch zelfbeklag van dat de hele mystiek rond de verhaalstof teniet doet. 

     

     

  • Oogst week 10 – 2021

    Ernest Hemingway is gecanceld

    Ernest Hemmingway is gecanceld van Henk van Straten (1980) is een stevige roman over censuur cultuur, met vragen als waarom het (witte) man-zijn een probleem is, en wat is eigenlijk masculiniteit? De hoofdpersoon in het boek heeft twee linker handen, vindt zichzelf een zwakkeling die zich laat imponeren door twee dakdekkers die zijn dak komen repareren. Mannelijke mannen dus, wat leidt tot enige verrechtsing in denkbeelden en dan moeten er keuzes gemaakt worden. Naast dat politiek een rol speelt, gaat deze roman gaat ook over een vriendschap. Het boek is opgedragen aan Selim Lemouchi (1980 – 2014), frontman van de occulte band ‘The Devil’s Blood’. Op een van de laatste bladzijden is dit liefdevolle citaat te lezen:

    Moet je zien Semmie. Moet je nou toch zien. Hoe kan dit tegennatuurlijk zijn? Ik bleef het prevelen tegen mijn oude, dode vriend, voor wie mens-zijn een straf was en de mensheid een misdaad, gepleegd door de Demiurg die ons had vormgegeven, terwijl hijzelf, Semmie, zo mooi was, en ik nog steeds zo dankbaar voor zijn bestaan.’

     

    Ernest Hemingway is gecanceld
    Auteur: Henk van Straten
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Naar Lillehammer

    Er is een nieuwe roman van Vonne van der Meer (1952) verschenen, een schrijfster met een geheel eigen stem. Haar werk wordt gewaardeerd om haar lucide stijl en haar scherpe psychologische inzicht. Haar oeuvre telt dertien romans, verschillende verhalenbundels, novellen en theaterstukken. Haar personages raken vanuit herkenbare levens altijd verwikkeld in bizarre situaties. Stel je voor dat iemand je in een speeltuin vraagt even op haar peuter te passen, en dan niet meer op komt dagen? Dat is wat er in Naar Lillehammer gebeurt. De kinderloze Cécile neemt de zorg voor het kind op zich als de moeder verdwenen is. Maar algauw krijgt ze ook de zorg van de moeder erbij, de Nigeriaanse Gladys.

    Deze wil uit de prostitutie maar haar pooier laat haar niet met rust waardoor ze zich in de stad niet veilig voelt. Ze vlucht naar een afgelegen vakantiehuis in de bossen bij Lunteren, maar ook daar ontkomt ze niet aan de macht van haar pooier.
    Er komt een rechercheur in voor, een mortuarium en een verhoor. Evenals in haar andere boeken wordt er ook in Naar Lillehammer de vraag gesteld over goed en kwaad.

    Naar Lillehammer
    Auteur: Vonne van der Meer
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Hoe verschillig

    Marjoleine de Vos (1957) schrijft over kunst, literatuur en koken, en heeft een tweewekelijkse column in het NRC. Een selectie uit deze columns werd in 2000 gebundeld in Nu en altijd: bespiegelingen. In dat jaar verscheen ook haar eerste poëziebundel Zeehond graag, in 2003 gevolgd door Kat van sneeuw. In 2008 verscheen haar laatste en goed besproken bundel Het Waait.
    Haar nieuwe bundel Hoe verschillig bestaat uit veertig gedichten waarin ze de onmogelijkheid van de terugkeer onderzoekt. Hieronder een voorpublicatie uit de bundel:

    Melancholie van het heden

    Het maakt niet uit haast waar je bent,
    een plein of stad, het weidse land,
    elk uitzicht spreekt je van voorbij.
    Of nooit geweest, maar toch gemist.
    Niet jij maar iets in je, wat voelt of
    meetrilt met muziek, zoekt
    in de lucht, de sloten, geur van hooi
    het landschap dat je kent in jou,
    dat óók zo blauw en zomers was.
    Het komt betoverend tevoorschijn:
    gelach van ouders, zingen op de fiets,
    de sprong het juichend water in. Niets
    sprak tot je zoals nu en zei –
    oh onterecht – dat alles wat je leeft
    slechts echo is, een naklank. Bijna echt.

     

    Hoe verschillig
    Auteur: Marjoleine de Vos
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Een liefdesverhaal dat geen ‘Happy End’ behoeft

    Een liefdesverhaal dat geen ‘Happy End’ behoeft

    De Australische schrijfster Madeleine St John (1941 – 2006) werd met haar roman The Essence of the Thing in 1997 genomineerd voor the Booker Prize for Fiction. Hoewel men de roman ‘te licht’ vond, was de jury onder de indruk van haar ‘beknopte en elegante proza’. In haar testament liet St. John vastleggen dat haar boeken niet vertaald mochten worden. Na de verfilming van haar debuut Ladies in Black in 2019 besloot haar executeur dat recht op te heffen. De vertaalrechten voor Nederland gingen voor de vier romans van St John naar Nijgh & Van Ditmar. De kern van de zaak werd in 2020 door Corine Kisling met behoud van de frisse, luchtige toon uitstekend vertaald.

    Nicola en Jonathan wonen in haar flat in de wijk Notting Hill in Londen, waar St John een aantal jaren zelf heeft gewoond. Nicola gaat om de hoek even sigaretten kopen, als ze thuis komt zegt Jonathan ijskoud dat hun relatie voorbij is. Hij houdt niet meer van haar, ze kan gaan en hij zal haar helft van de flat van haar overnemen. Verbijstering en ongeloof overvallen haar en als het besef is doorgedrongen stort haar wereld in. Nicola vertrekt naar vrienden, een stel met een goed huwelijk en een leuk zoontje van negen. Vervolgens vindt ze eigen woonruimte bij weer andere vrienden met een snoezig dochtertje. Dat is zo ongeveer de plot. Afgezien van de huilpartijen, de enige uiting van emotie, zijn er geen sentimentele scènes, maar is er ook weinig conflict. Nicola accepteert haar nederlaag gelaten, dat maakt vooral het middenstuk wat saai en herhalend, maar de sterke dialogen maken echter veel goed.

    Jaren negentig relatie roman

    Tijd van handeling is eind jaren negentig, relatieromans zoals ‘The diary of Bridget Jones’ om er een te noemen, waren toen in. In De kern van de zaak faalt de relatie van de hoofdpersoon, terwijl de relaties van de vrienden en de ouders wel geslaagd lijken. De thematiek draait om egocentrisme van de jeugd, angst om zich helemaal te geven, verstandhouding, de waarde van seks. Hoe kwetsbaar toon je je en uiteindelijk de wetenschap dat wat je hebt misschien niet altijd honderd procent is, maar beter is dan niets. 

    Het boek bestaat uit korte hoofdstukken en is geschreven vanuit verschillende perspectieven, Nicola, Jonathan, hun ouders en de vrienden. Er is veel dialoog met Engelse tongue-in-cheekhumor. Tijdens gesprekken tussen de vrienden wordt de relatie van Nicola en Jonathan en hun karakters met dubbelzinnige ironie ontleed. Het zijn jonge dertigers met gevierde carrières, verwend en verveeld. Jonathan is eigenlijk een klootzak en ultrasaai, zeggen de vrienden, die snel met hun oordeel klaarstaan. Nicola moet blij zijn dat ze van hem af is. Ze zou meer op haar strepen moeten staan, maar ze houdt nog van hem. Echt onsympathiek is Jonathan niet, hij wil ontsnappen aan de dagelijkse dreun, al begrijpt hij weinig van zijn eigen handelen. Nicola, die dacht dat alles koek en ei tussen hen was, begrijpt hem en zichzelf evenmin. 

    Veel wordt niet gezegd 

    ‘Is dat alles wat je eet? Alleen cornflakes? Wil je geen eieren met spek? Mijn hemel! Misschien een bord pap? Nee? Nou je zal het zelf wel het beste weten.’
    ‘Natuurlijk weet hij dat. Natuurlijk weet hij het zelf het beste. Echt, Sophie, hij is geen vijf meer. Croissants, dat wil-ie. Dat eten ze daar in Londen als ontbijt. Croissants, Franse croissants.’ 

    Zonder dat er gepsychologiseerd wordt, leggen de gesprekken met de ouders de brave ‘middle class’ achtergrond van Jonathan en Nicola bloot. Zijn moeder begint over haar zelfgemaakte marmelade en de ring met de robijn die ze voor haar aanstaande schoondochter heeft bewaard. Dat Jonathan nergens op reageert, zegt alles over het soort jeugd dat hij heeft gehad en de man die hij is geworden, en dat is knap verhaald in louter dialoog. Voor Nicola zit de kern van de zaak in het niet hoeven uitspreken van diepere gevoelens, maar ze wel bij de ander aanvoelen. Ze zit met Jonathan in de donkere slaapkamer te luisteren naar een saxofonist die beneden in één van de tuinen  ‘Summertime’ speelt. ’Nicola had het licht niet aangedaan toen ze waren binnengekomen dus vroeg ze: “Wil je dat ik het licht aan doe?”
    “Nee,” zei Jonathan. “Ik vind het prettig in het donker.”
    Het was eindelijk tijd om te spreken, en dus begonnen ze, langzaam, aan hun echte gesprek. Het was toen, en ook later niet nodig te zeggen: dat ik van je hou, mijn liefde voor jou is dit. En dat het niet gezegd hoefde te worden, was essentieel, was de kern van de zaak. De liefde bedrijven was een esoterische taal waarin ze zich nu beiden konden uitdrukken. Zelfs toen het nieuwe, het wonderlijke van de ontdekking begon te luwen, bleef dit voor Nicola de simpele waarheid.’

    Voor Jonathan zit de kern van de zaak in het evenwicht tussen bitter en zoet, de smaak van de marmelade die zijn moeder vroeger maakte. Zo’n pot marmelade die de omslag van het boek siert. Nieuwsgierigheid naar het einde doet snel doorlezen. Krijgen ze elkaar terug? Groeit Nicola uit haar impasse en kiest ze voor zichzelf? Wordt Jonathan toch nog gelukkig in zijn eentje, in haar appartement? Uiteindelijk blijkt het antwoord op die vragen geen verrassing, wat een lichte teleurstelling is, maar past bij dit verhaal, dat geen ‘Happy end’ behoeft.

     

     

  • Oogst week 6 – 2021

    De berenvrouw

    Het jaar 1541 lijkt niet ver af te staan van het heden in De berenvrouw van Karolina Ramqvist. Niet alleen omdat het verhaal van Marguerite de la Rocque, een daadwerkelijk historisch figuur, te maken heeft met seksuele intimidatie en verbanning, victim blaming avant la lettre, zeg maar – helaas weer en altijd actueel – maar ook omdat Ramqvist haar eigen verhaal met dat van Marguerite vervlecht. Ramqvists reflectie op haar moeder- en schrijverschap speelt namelijk een belangrijke rol in De berenvrouw. In de roman wordt De la Rocque na een seksschandaal van een schip gezet en achtergelaten op een onherbergzaam eiland in Newfoundland, waar ze het hoofd moet bieden aan de beren die er leven en in de wildernis bevalt van een zoon. Ramqvist doet verslag van haar leven en toont de lezer tegelijkertijd hoe ze tot het schrijven van het verhaal is gekomen, en welke keuzes haar eigen leven bepaald hebben.

    De berenvrouw
    Auteur: Karolina Ramqvist
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In mijn mand

    Van schrijver en filosoof Lieke Marsman, die Tsead Bruinja op 21 januari van dit jaar officieel opvolgde als Dichter des Vaderlands, verscheen In mijn mand. Het is een maatschappelijk geëngageerde dichtbundel waarin zij reflecteert op het leven met een levensbedreigende ziekte, en de plek, de waarde, die ziekte en dood in een mensenleven en de maatschappij hebben. Marsman schrijft vanuit haar eigen ervaringen, zoals ze ook deed voor haar eerder verschenen bundel De volgende scan duurt vijf minuten: in 2018 werd kraakbeenkanker bij haar gediagnosticeerd, ze wordt inmiddels behandeld voor uitzaaiingen. Het leven met een levensbedreigende ziekte wakkert juist ook strijdvaardigheid en politiek activisme in haar aan. In 2020 stelde ze in een interview met Trouw al: ‘(…) me verdiepen in politiek is meer dan alleen afleiding. Ik wil geen verhaal houden van “die ziekte levert ook goeie dingen op”, toch is er ergens een soort oerkracht aangewakkerd. Die oerkracht voelt ongeveer als wanneer ik een gedicht aan het schrijven ben en alles op zijn plaats valt. Dat je ineens heel helder ziet: dit woord moet daar, en deze drie zinnen moeten er helemaal uit en die zin moet hier. In de kunst noemen ze dat inspiratie, in de politiek eerder gedrevenheid. Het is een fijn gevoel. Dat je heel scherp ziet waar ergens een probleem is en wat daaraan gedaan kan worden.’

    In mijn mand
    Auteur: Lieke Marsman
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De andere kant van de zee

    Drie personages delen in De andere kant van de zee hun herinneringen aan de opstand van de zwarte bevolking in Angola tegen de koloniale Portugese onderdrukker, die in 1961 plaatsvond en leidde tot de Portugese koloniale oorlog (of ‘Overzeese Oorlog’). Aan het woord komen een kolonel, een directeur van de post en de dochter van een plantagehouder. Zij delen hun ontworteling en verdriet. Lobo Antunes schrijft de lezer het hoofd van de personages in: hij laat leestekens achterwege, beschrijft associatief of juist haarscherp de omstandigheden en creëert zo een stream of consciousness.

    Schrijver en psychiater António Lobo Antunes put uit eigen ervaring: hij was als arts-psychiater in Angola gestationeerd in 1973, tijdens de koloniale oorlog, en schreef naar aanleiding daarvan ook zijn romandebuut Memória de Elefante (1979).

    Lobo Antunes wordt wel ‘het geweten van Portugal’ genoemd vanwege zijn scherpe maatschappijkritiek en grillige karakter, en wordt door velen gezien als kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur (hij zag de prijs aan zich voorbijgaan toen landgenoot en collega-auteur José Saramago die in 1998 won). Lobo Antunes heeft inmiddels 31 romans op zijn naam staan.

    De andere kant van de zee
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Een beetje

    Een beetje

    Er is een kamer van drie- bij drie en een halve meter vrijgekomen. Een nieuwe kamer moet passend gemaakt worden, gelijk een nieuwe jas. Wennen aan de stugheid van de stof, de mogelijkheden, het gewicht ervan op je schouders. De muren van het kamertje zijn lichtblauw en wit, de vloer met kurk belegd. Ik zet een tafel en een stoel midden in het kamertje, sluit de deur. Laat het een beetje koud, maak er geen te leuk kamertje van. Schuif de tafel tegen de muur. Plaats een tweede tafeltje in de hoek naast het smalle raam, uitzicht op blinde muur. Houd het hoofd koel, pot met bloemen mag. Een laag ladekastje komt aan de andere kant van het raam. Plant erop, papier, boeken ernaast. Een waterkoker in de vensterbank. Er is nog een fauteuil, om in te lezen, of gewoon, lekker te zitten, (Stop!, dat zouden we niet doen). Loop de trap af, naar buiten, lucht, ruimte, kom terug. Haal ladekastje, plant, boeken, waterkoker, stoel, schrijfsels, kaarsen en dergelijke uit het kamertje. Begin opnieuw. Zet de tafel in het midden, stapel boeken en schriften tot stahoogte, laptop erbovenop. Koester de leegte.

    Wat me bijblijft na het lezen van het boek Salinger, de documentaire in boekvorm, is het belang dat hij hecht aan afzondering. Hij bouwde een bunker in zijn tuin, weerde alle media. Je kunt het overdrijven, maar alleen zijn is een vergeten goed. We zoeken elkaar op, kijken Netflix, checken doorlopend de mailbox, social media, onze staat van zijn. Een lege kamer is een goed tegenwicht.
    ‘Het ergste dat het kunstenaarschap voor u zou kunnen betekenen is dat het u de hele tijd een beetje ongelukkig maakt.’ laat Salinger de kunstdocent in het verhaal ‘De Daumier-Smith’ grijze periode’ zeggen. Daarna las ik het egodocument, Mijn jaar met Salinger van Joanna Rakoff, drie jaar na het overlijden van de schrijver gepubliceerd. Fans en nieuwsgierigen voelden zich voor de gek gehouden, ze hoopten iets over een liefdesrelatie met de schrijver te vernemen. Dat viel tegen.

    Wel kwam Rakoff te werken bij het literaire agentschap die de belangen van Salinger behartigde. Ze is dan drieëntwintig, net afgestudeerd, een van haar taken is de fanmail voor Salinger af te handelen. Ze had nog nooit iet van hem gelezen. In dat jaar leert ze zijn werk, de invloed van zijn werk kennen, het was haar jaar met Salinger. Goed geschreven ook.

    Soms krijgt ze Salinger aan de lijn. De eerste keer dat ze hem telefonisch sprak ging zo:
    ‘Met Jerry! riep de beller. ‘Met Joanna’, zei ik.
    ‘MET WIE SPREEK IK?’ vroeg hij. ‘Met Joanna,
     ik ben de nieuwe assistente,’ riep ik uit volle borst.
    ‘Aangenaam Suzanne, ik wil je  baas graag spreken.’ De bazin is er niet, Joanna vroeg of hij maandag teruggebeld wil worden. ‘Maandag is goed,’ zei hij. ‘Nou, heel aangenaam kennis met je te maken, Suzanne. Ik hoop dat we elkaar een keer zullen ontmoeten.’
    Hij klinkt als een bijzonder aardig man, geweldig schrijver van intens trieste verhalen.

     

    Citaat uit: Negen verhalen / J.D. Salinger.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekt verhalen.

     

     

  • Oogst week 42 – 2020

    De kern van de zaak

    Wat doe je als je – figuurlijk, dan – na een ommetje een heel andere man aantreft dan degene die je thuis achterliet? In De kern van de zaak van de Australische auteur Madeleine St John overkomt het Nicola, die onaangenaam wordt verrast als ze weer thuiskomt nadat ze een pakje sigaretten heeft gekocht. Want: waarom wil haar vriend Jonathan haar opeens niet meer zien en werkt hij haar na zes jaar samen hun woning uit? Waarom werkt wat ze hadden ‘gewoon niet’ meer? Vanaf dat moment is het aan Nicola om het ‘leven na Jonathan’ aan te gaan, en aan Jonathan om in te zien wat hij heeft veroorzaakt.

    Madeleine St John schreef De kern van de zaak (The Essence of the Thing) in 1997. De roman werd genomineerd voor de Man Booker Prize en behaalde de shortlist. Deze vertaling is een postume uitgave: St John overleed in 2007.

    De kern van de zaak
    Auteur: Madeleine St John
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    De onafscheidelijken

    Simone de Beauvoirs autobiografische roman De onafscheidelijken (Les inséperables) verscheen niet eerder. Autobiografisch, omdat de vriendschap die in dit boek centraal staat overeenkomsten vertoont met de hechte band van De Beauvoir en haar boezemvriendin, Elisabeth ‘Zaza’ Lacoin; dit jaar pas verschenen (zowel het origineel als in vertaling), omdat het boek bij leven van de auteur als ’te intiem’ bestempeld werd. De Beauvoirs dochter, Sylvie Le Bon-de Beauvoir, vond het manuscript in haar moeders archief en schreef het voorwoord.

    De hoofdpersonen, Andrée (Zaza) en Sylvie (Simone), ontmoeten elkaar op een katholieke meisjesschool in de vroege twintigste eeuw en hun levens raken vrijwel meteen verstrengeld. Hun vriendschap lijkt verder te gaan dan vriendschap alleen, en samen verzetten ze zich tegen het benauwende conservatieve milieu waarin ze zijn opgegroeid. Maar hun vriendschap komt tot een plotseling einde.

    De echte Andrée, Zaza, overleed al op 21-jarige leeftijd aan hersenontsteking. Na haar dood werd De Beauvoir een van de invloedrijkste filosofen van de 20e eeuw, mede dankzij haar baanbrekende magnum opus De tweede sekse (1949) – de feministische thema’s die zij daarin aansnijdt, schemeren in zeker opzicht ook door in De onafscheidelijken, dat De Beauvoir verrassend genoeg pas zes jaar na De tweede sekse schreef.

    De onafscheidelijken
    Auteur: Simone de Beauvoir
    Uitgeverij: Cossee

    Zussen

    Juli en September zijn de zussen uit de gelijknamige titel. Er is ze iets vreselijks overkomen, en hun moeder Sheela neemt ze mee naar een verlaten huis in the middle of nowhere in de hoop dat de zussen ervan opknappen. Met het huis is van alles mis – de unheimische indeling ervan doet denken aan Shirley Jacksons geesteskind Hill House (The Haunting of Hill House), en ook dit huis beweegt en kraakt zonder aanwijsbare (lees: menselijke) oorzaak. En dat is pas het begin. Sheela sluit zichzelf op in een van de kamers, en de narratieven van haar en haar dochters splitsen op, toewerkend naar een ontknoping.

    De Britse Daisy Johnson (1990) behaalde met haar eerste roman, Everything Under, een plek op de shortlist van de Man Booker Prize 2018.

    Zussen
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV