• Nobelprijs Literatuur voor Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang

    Nobelprijs Literatuur voor Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang

    De toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur betekent nog al eens een kennismaking met een vrij onbekende auteur, en voor de auteur betekent het meer naamsbekendheid. Dat gebeurde onder meer met de Franse schrijver J.M.G. Le Clézio (2008), de Chinese Mo Yan (2012), en de Tanzaniaanse schrijver Abdulrazak Gurnah (2021). Onbekend en gelauwerd maakt in ieder geval begerig.

    Dit jaar was de Nobelprijs voor de Literatuur voor de Zuid-Koreaanse schrijfster Han Kang (Gwangju, 1970). Een schrijfster waarover ik hoorde, recensies las, maar nog geen boek van gelezen had. Ik zag De vegetariër voorbij komen, Mensenwerk en het kleine boek Wit (alle drie vertaald vanuit het Engels door Monique Eggermont en Marijke Versluys). Ik zeg geen vaarwel (vertaald vanuit het Koreaans door Mattho Mandersloot) verscheen vorig jaar net als de andere drie vertalingen bij  uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Ook die las ik niet. Betreurenswaardig is het dat als een schrijfster de Nobelprijs krijgt, je haar werk niet kent. Het gevoel dat je altijd achterblijft op wat er aan belangrijks verschenen is.


    Om mens te zijn

    Ik ging het internet op. Het eerste wat ik over Kang tegenkom is een bericht van Korea-expert Casper van der Veen. Op Linkedin plaatste hij een link naar een interview in het NRC met de Zuid-Koreaanse schrijfster uit 2017 over de roman De vegetariër. Het moet een bijzonder gevoel zijn een auteur te hebben geïnterviewd die later onder de categorie Nobelprijswinnaars valt. De vegetariër werd in dertig landen vertaald en won in 2016 de Man Booker International Prize-literatuurprijs. De roman speelt zich af in de Zuid-Koreaanse hoofdstad Seoul en gaat over een vrouw die besluit te stoppen met het eten van vlees nadat ze een nachtmerrie had over de bruutheid van mensen. Een besluit dat onverwachte gevolgen heeft voor haar persoonlijke leven als mens. In het interview zegt ze, ‘Ik ben nog steeds bezig met de vraag wat het betekent om mens te zijn’.

    In datzelfde interview, ‘Als ik schrijf denk ik nooit aan lezers of een specifiek publiek. Dat komt pas als het boek af is. De vegetariër wordt in verschillende landen anders begrepen. Nederlandse lezers lachten om de eerste zin [“Voordat mijn vrouw vegetariër werd, had ik haar in alle opzichten altijd volstrekt oninteressant gevonden” red.], Turkse lezers bijvoorbeeld niet. Maar de ironie van het boek werd overal opgepikt.’

    Kang komt uit een schrijversfamilie. Haar vader is de romanschrijver Han Seung-won en ook haar broers schrijven. Ze studeerde Koreaanse literatuur aan de Yonsei University in Seoul.  In eigen land won ze de Yi Sang Literary Prize, de Today’s Young Artist Award en de Korean Literature Novel Award.

    Ik ging online op zoek naar haar boeken en vond enkel een exemplaar van Wit. Overige titels waren uitverkocht. Het boek Wit schreef Kang toen ze een aantal maanden met een schrijversbeurs in Warschau verbleef. Het is een poëtische vertelling in korte teksten met veel wit op de pagina’s. Het gaat over een gestorven zusje voor zijzelf geboren werd. Het begint met een lijstje van allerlei witte onderwerpen. ‘Bakerwindsels, Babyhemdje, Zout, Sneeuw, Rijst (…)’.


    Het pijnlijke van wat gebeurd is

    Over babyhemdj schrijft Kang, ‘Er is me verteld dat het eerste kind van mijn moeder nog geen twee uur na de geboorte gestorven is. (…)’ Een paar bladzijden later, na andere onderwerpen beschreven te hebben, vertelt ze vanuit een andere perspectief over het kindje en de moeder.
    ‘De tweeëntwintigjarig vrouw is alleen thuis. Op een zaterdagochtend dat de eerste rijp nog op het gras ligt, gaat haar vijfentwintig jaar oude echtgenoot met een spade de berg op om de baby die de dag ervoor georen is te begraven. De ogen van de vrouw zijn dik en willen niet goed open. Overal in haar lichaam doen de gewrichten en de gezwollen knokkels pijn. En dan voelt ze voor het eerst warmte in haar boezem toeschieten. Ze komt overeind en knijpt onhandig in haar borsten. Eerst een waterig gelig straaltje, daarna gladde witte melk.’ Wit, alles is wit als sneeuw, als moedermelk of als ‘koude handen gebald tot witte vuisten’. Een wonderlijk mooi, pijnlijk boek.

    De jury schreef dat Kang de prijs verdient voor haar ‘intense poëtische proza, dat historische trauma’s confronteert en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt’. Ze is de eerste Zuid-Koreaanse auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur wint. Voor zover bekend heeft Kang nog niet gereageerd op de toekenning van de prijs. De secretaris van het Zweedse Nobelcomité, Mats Malm, belde haar net na het avondeten. ‘Ze was hier niet echt op voorbereid’, zei hij over het telefoongesprek.

    Nijgh & Van Ditmar liet weten dat Han Kang een auteur is van een stille grote kracht die de uitgeverij al een kleine tien jaar koestert. En, ‘We zijn ontzettend blij dat ze een nog groter publiek gaat bereiken.’ En liet desgevraagd weten te werken aan de herdrukken van haar boeken.

    De Nobelprijs wordt op 10 december uitgereikt in Stockholm.

    Lees hier het interview: ‘Ik probeer een mens te zijn’.

     

     


    Tekening auteur: Niklas Elmehed © Nobel Prize Outreach

  • De afschrikwekkende vrouw

    De afschrikwekkende vrouw

    Baba Jaga is volgens de Slavische mythologie een boosaardige oude vrouw die in een hutje op kippenpoten woont. Haar hangende borsten kan ze op de kachel leggen of over een stok hangen, haar puntige neus komt tot aan het plafond en ze rooft kleine kinderen. Haar vervoermiddel is een vijzel waarbij de stamper de roeispaan is. Ze beschouwt zichzelf als een wezen met één been van meestal alleen bot, hoewel het ook van hout, ijzer, goud of ander materiaal kan zijn. 

    Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić gaat over vrouwen, oude vrouwen wel te verstaan. ‘Baba Jaga is, voor alles wat ze ook is,’ schrijft Niña Weijers in haar voorwoord, ‘een schrikbeeld. Dubravka Ugrešić houdt dat schrikbeeld niet alleen in ere, ze eist Baba Jaga’s recht op om een schrikbeeld te zijn.’ 

    Veelomvattende mythologie

    Het boek bestaat uit drie delen: in het eerste bezoekt de schrijfster haar moeder in Zagreb, het tweede is een novelle over Pupa, Beba en Kukla, drie eveneens oude vrouwen die in een duur hotel in een Tsjechische badplaats verblijven, en deel drie handelt over wie en wat Baba Jaga is of kan zijn. In dit deel openbaart de auteur bij monde van folklorespecialiste Dr. Aba Bagay dat de mythische figuur naar veel meer kan verwijzen dan alleen de heks uit het hutje op kippenpoten. Ze treedt in mythes ook op als moeder van draken, als spinster of een lief omaatje, als hulpverleenster of strijdster. De Slavische mythologie blijkt veelomvattend. Alle Slavische talen herbergen talloze uitdrukkingen met ‘baba’ erin. De auteur stipt ook paralellen met de Griekse mythologie aan en zelfs met Boeddhistische en Islamitische vertelsels. 

    Aba Bagay verschijnt voor het eerst in deel een waarin Ugrešić bij haar nog zelfstandige, eigenzinnige moeder in Zagreb op bezoek gaat. Ze is oud, gaat achteruit en haar geheugen hapert. De dochter, zelf ook niet meer de jongste, voert geduldig gesprekken met haar. De jonge Aba heeft contact met Ugrešić gezocht omdat ze graag met haar wil discussiëren over taal- en politieke kwesties. Ugrešić woont niet in Zagreb, ze laat Aba bij haar moeder langsgaan. De auteur ziet bij Aba dezelfde hunkering naar aandacht en liefde als die ze bij haar moeder ervaart, maar wijst haar niet af.  

    In deel twee zit Pupa in een rolstoel, de benen in een bontlaars, heeft Beba heel grote borsten en is Kukla heel lang en dun, vooruitwijzend naar kenmerken van Baba Jaga. De vrouwen kunnen gezien worden als drie-eenheid of als afzonderlijke godinnen. Pupa is ook de oudste vriendin van Ugrešić’ moeder. In het hotel ontmoeten de vrouwen allerlei mensen en ondertussen vertelt Ugrešić in bondige taal hun levens die voorafgingen aan het hotelverblijf. 

    In deel drie komen allerlei parallellen met Baba Jaga terug, bijvoorbeeld: ‘Pupa’s als een grote bontlaars uitgevoerde elektrische voetenwarmer is in wezen een moderne tegenhanger van Baba Jaga’s vijzel’ en haar rolstoel is de tegenhanger van Baba Jaga’s ene been, net als de rollator van Ugrešić’ moeder. Pupa overlijdt tot haar eigen voldoening en wordt in een peperdure doodkist in de vorm van een ei gelegd. Het ei speelt een rol in veel sprookjes. Kukla en Beba beschikken door het lot over een niet onaanzienlijke hoeveelheid geld en ontfermen zich over een onverwacht opgedoken kleinkind. In die zin is het wel een beetje een banaal happy end.

    Ugrešić zelf is tussen de fragmenten door als auteur nadrukkelijk aanwezig met tussenzinnetjes als: ‘En wij? Wij moeten door…’, ‘En wij? Wij gaan verder…’, ‘En wij? Wij gaan hen snel achterna…’, ‘Hier dient te worden aangetekend…’, ‘En wij? Tja, het leven is…’ Met deze overbodige en nogal storende toevoegingen wil Ugrešić de lezer er wellicht van doordringen dat hij niet slechts met een eenvoudig verhaal van doen heeft maar met een weldoordachte tekst. 

    Het wemelt van de Baba’s

    Aba stelt in deel drie de tekst Baba Jaga voor beginners samen, waarin ze ‘begrippen, thema’s, motieven en mythen’ uit de Slavische mythologie bespreekt. In honderd pagina’s geeft Ugrešić een uitputtend overzicht van wie en wat Baba Jaga is: ‘in de Slavische wereld wemelt het letterlijk van de Baba’s!’, waarbij ze ook andere onderzoekers en schrijvers aanhaalt die zich over het fenomeen hebben gebogen. Ze legt knappe kruisverbanden tussen de mythologische figuur en haar personages. In deel een wordt de schrijfster nauwelijks ‘toegang tot haar moeders territorium gegund. Haar moeder vereenzelvigt zich met haar huis, (…)’ In deel twee hebben Pupa en Beba ‘met hun kinderen een traumatische relatie die zonder problemen als symbolisch kannibalisme zou kunnen worden opgevat.’ Alle hoofdpersonen in het boek staan model voor Baba Jaga of haar toegedichte eigenschappen.

    Deel drie is doorspekt met antropologische wetenswaardigheden over diverse volken. In aparte tekstblokken behandelt Ugrešić onderwerpen als moeder, vrouw, voeten, benen, de neus, het badhuis, klauwen, poppen, jongens, de kam, vogels, vuilnis, het ei. Aba Bagay merkt op dat de titel van Ugrešić’ boek kan terugverwijzen naar een archetypisch folkloristisch beeld, ‘maar er is ook de verklaring mogelijk dat het ei grofgezegd een symbool voor “vrouwelijke” creativiteit is.’ Dat Ugrešić ook zichzelf met Baba Jaga identificeert blijkt uit de passage: ‘Baba Jaga staat bekend als een “dissidente” een verworpene, een verstotene, een “oude vrijster”, een karikatuur en een verliezer. Maar desondanks is zij eenzaam noch alleen.’

    Joegonostalgie

    Dubravka Ugrešić (1949-2023) werd geboren in Kutina (Kroatië) in Joegoslavië. Vanaf 1996 woonde ze in Amsterdam, een stad die jeugdherinneringen bij haar opriep. Ze noemde zich een Joegoslavische schrijver. Aan de Universiteit van Zagreb studeerde ze vergelijkende literatuurwetenschap en Russische taal- en letterkunde en bleef er na haar studie werken. In 1991 viel Joegoslavië uiteen en brak de burgeroorlog uit met hevige etnische conflicten. Ugrešić keerde zich daar in felle bewoordingen publiekelijk tegen en bekritiseerde zowel het Servische als het Kroatische nationalisme. Daardoor werd ze gezien als een verrader, een vijand van het volk, door collega-schrijvers, politici en journalisten. Ze werd voor heks uitgemaakt en bedreigd. In 1993 verliet ze Kroatië. Ze publiceerde in Europese en Amerikaanse kranten en tijdschriften en doceerde aan Europese en Amerikaanse universiteiten. Haar boeken, waarmee ze prestigieuze prijzen won, zijn vertaald in 27 talen. 

    Veel essays en autobiografische teksten van Ugrešić gaan over Europa, voormalig Joegoslavië, nationalisme en hedendaagse verschijnselen zoals mode. In Het tijdperk van de huid bespreekt ze onder meer tatoeages, de toestand in de academische wereld en in de media, de verstrengeling tussen criminaliteit en politiek en het statusverschil tussen man en vrouw. Ugrešić ziet, duidt en vertelt vanuit eigen waarnemingen en gevoelens. Altijd origineel en kritisch, met scherpe blik, mededogen en humor. Ze heeft een nostalgische kijk op Joegoslavië. In Europa in Sepia (2015) schrijft ze: ‘Maar pas toen Joegoslavië definitief ten onder ging, kreeg mijn neurose een officiële naam: joegonostalgie, met als nadere omschrijving: politieke sabotage van de nieuwe Kroatische staat. Zelf kreeg ik het etiket opgeplakt van “joegonostalgica”, lees: “verraadster”.’ De collectieve geschiedenis en daarmee haar persoonlijke herinneringen werden uitgewist. 

    Het leed van vrouwen

    Op de laatste pagina’s van Baba Jaga legde een ei benoemt Ugrešić het leed van vrouwen in de wereld, de ongelijkheid, de onderdrukking door mannen. ‘Want stelt u zich eens voor dat de vrouwen (…) de Baba Jaga’s van deze wereld, naar het zwaard grijpen dat onder hun hoofd ligt, en erop uit trekken om alle openstaande rekeningen te vereffenen? Voor elke keer dat ze in hun gezicht werden geslagen, dat ze werden verkracht, beledigd, gekwetst en geschoffeerd, voor elke keer dat ze in het gelaat werden gespuwd?’ Mythes of niet, de werkelijkheid is bij Ugrešić nooit ver weg. 

     

     

  • Meebewegen

    Meebewegen

    Ik wilde over de liefde schrijven. Maar eerst moest de afwasmachine uitgeruimd. Er is muziek. De radio speelt (ik zocht het op) de derde symfonie van Felix Mendelssohn. De weemoedigheid van strijkinstrumenten in de herfst. Het bladerdek van de plataan lekt druppels op het canvas van de tuinstoelen. Een Vlaamse gaai schettert door de tuin. Ik voel een gretigheid alsof het leven voor de laatste keer ten volle geleefd moet worden. 

    Dan Averij van Robbert Welagen. De jij woont met zijn vriendin, hond en kat in het bos. Vanuit het huis zo een zandpad op, het bos in. Drie jaar geleden werd bij Welagen lymfeklierkanker vastgesteld. Stap voor stap benadert hij de ziekte in zijn lijf. Eerst die verdikking. Daarna de onderzoeken, een verkeerde diagnose, opnieuw onderzoeken, opnieuw een diagnose, de chemokuren. Hoe hij van zichzelf vervreemdt, hoe breekbaar de liefde tussen zijn vriendin en hem wordt.  Zijn vriendin en hij houden van het bos. Hij houdt van haar hoe ze in de kas rommelt met potten en aarde. En, ‘Omdat ze het fijn vindt om ‘s avonds door een donker bos te fietsen.’ 

    Als het vermoeden van iets ernstigs in zijn gedachten woekert, denkt hij aan de dreiging die voelbaar is vanuit het bos als de dagen korter worden. ‘Soms is er iets met deze omgeving aan de hand. Het is alsof er vanuit het donker, staand tussen de bomen, een vreemde naar je kijkt. Een onzichtbare figuur die je in de gaten houdt als je, gevangen in het licht, eten klaarmaakt. Je schuift de gordijnen dicht en dat lucht even op, maar al snel word je je ervan bewust dat het gevaar zich nu achter de gordijnen schuilhoudt.’  

    Ik moet me eigenlijk met een aankomend jubileum bezig houden. De man en ik en ach, wat kennen we elkaar al lang. Wacht, dit gaat niet de goede kant op. Ik wilde over liefde schrijven.
    Averij gaat over vervreemding, van de jij en van zijn geliefde. Hij verliest zichzelf en zij grijpt steeds mis. ‘Godsamme’, roept ze op een dag, ‘Ik ben het gewoon zat dat het de hele tijd over jouw ziekte gaat.’ Hij voelt zich aangevallen. ‘“Dat weet ik ook wel.” In de stilte die volgt hoor je hoe zwak je woorden klinken.’

    Het beweegt door de regels heen, dat wat hij voelt voor zijn vriendin. Dat je liefde niet op krediet kunt nemen. De beschrijvingen over de ziekte, wandelen met de hond, ziekenhuisbezoeken, de dagen na de chemo en hoe zijn vrienden en familie reageren, zijn zodanig gecomponeerd dat het me soms ontroerde. Tot tranen toe. Om het ongeloof dat jou iets ernstigs kan overkomen. ‘Je zegt tegen jezelf: het komt vast goed. Ik leef gezond, ik ben pas veertig’ Of wanneer hij opeens beseft haar te kunnen verliezen, omdat hij ziek is, verzorgd moet worden. Maar ze blijft. Ze beweegt met hem mee, geeft toe aan wat hij nodig heeft. Liefde en ziek zijn, het is een beproeving. Wat een mooi boek, Averij. Over liefde dus.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks een column over boeken.

     

     

     

     

  • Zwarte bladzijden

    Zwarte bladzijden

    Schrijver Erno Pickee en tekenaar Harits Farhan maakten de graphic novel Molo Uku. Erfenis van de gouden eeuw, het eerste deel van wat een vijfdelige reeks moet worden. Pickee, wiens moeder Moluks is, schreef een verhaal dat de erfenis van de gouden eeuw vanuit een kritische invalshoek belicht.

    De term ‘gouden eeuw’ is een nostalgisch ophemelende term in de nationale geschiedschrijving. Het gaat om een omschrijving van de periode in de zeventiende eeuw waarin de basis werd gelegd voor de rijkdom van wat nu Nederland is. En wel door de activiteiten overzee van de Verenigde Oostindische Compagnie, de VOC. Deze VOC heeft onder velen in Nederland een positieve reputatie, zelfs onder historici (‘Die VOC mentaliteit! Toch?’). Pickee en Farhan maken in hun album duidelijk dat die reputatie niet gebaseerd is op nobel handelen in de zeventiende eeuw. Hun album is nadrukkelijk geen nostalgisch werk. Het is een eerder een zwartboek en de tekeningen zijn dan ook geplaatst op zwarte bladzijden, wat niet subtiel is, maar wel terecht.

    Moluks perspectief

    De VOC-kapitein De Vries wordt als de onbetrouwbare ander getoond. De VOC, de eerste Nederlandse multinational, had belangstelling voor de kruidnagels van de Molukse eilanden. Met vals handelen weet De Vries het vertrouwen van de Molukkers te winnen. Door rigoureus het perspectief van de Molukkers te kiezen, wordt de Nederlandse lezer, of in ieder geval diegene die weinig van dit deel van de geschiedenis weet, de mogelijkheid geboden om eens niet mee te leven met ‘onze jongens’.

    Er zijn politici die vinden dat de schaduwzijden van de nationale geschiedenis niet belicht moeten worden, terwijl wij als maatschappij toch voortkomen uit alle handelwijzen van onze voorouders, ook de twijfelachtige. Mensen die slechts een gouden eeuw willen belichten, zijn op zijn best leugenaars en op zijn slechtst mensen die, als ze de kans zouden krijgen, de fouten van het verleden zouden herhalen. De auteurs trekken zelf de parallel met het heden niet nadrukkelijk, dat zou het vertellen van het alternatieve geschiedverhaal verstoord hebben. Toch maken ze indirect duidelijk dat er wel degelijk lessen uit het verleden kunnen en moeten worden getrokken. De nadruk op het erfgoed die ook uit de ondertitel van het album blijkt, laat zien dat ze oog hebben voor de betekenis in het hier en nu van wat er uit het verleden overgeleverd is. 

    Vaardige tekeningen tonen belang van Moluks erfgoed

    De tekeningen van de Indonesiër Farhan zijn vaardig. Het album is uitgevoerd in een Aziatische stijl, in een combinatie van realisme (decors) en halfrealisme (personages). De tekenstijl vergemakkelijkt het lezen niet, maar wie doorzet wordt beloond: het andere perspectief roept op tot meeleven met de slachtoffers van de geschiedenis, in plaats van tot een zwelgen in misplaatste trots over de winnaars van die geschiedenis.

    Het album opent met enkele bladzijden over de geschiedenis van de internationale handel in kruidnagels voorafgaand aan de zeventiende eeuw. Zo wordt er een historische context geboden, die het album ook geschikt maakt voor gebruik in het onderwijs. Het schema goed-fout wordt iets te opzichtig neergezet in dit album: de Molukkers zijn vooral nobel. Er wordt wel gesuggeereerd dat het tussen hen onderling niet per se pais en vree is. Hopelijk worden dergelijke verhaallijnen in de komende delen nog verder uitgewerkt.

    Het is goed dat het Molukse verhaal wordt belicht, ook om tot een beter begrip te komen van de Molukse gemeenschap in ons land en van wat de Molukkers aan negatief doorwerkende geschiedenis hebben geërfd door de aanraking met Nederlanders. Het is het belang van het Molukse erfgoed dat in deze bladzijden overtuigend getoond worden.

     

  • Weinig verrassend verhaal over moederschap

    Weinig verrassend verhaal over moederschap

    Leslie Jamison (1983) oogstte veel lof met Ontwenning, dat over haar alcoholverslaving gaat. Ook in haar nieuwste roman Splinters: Een ander soort liefdesverhaal vormen autobiografische elementen de basis. Het boek dat meer als een dagboek aanvoelt dan als een roman is geschreven in een ik-perspectief. De drie delen Melk, Rook en Koorts bevatten geen hoofdstukken. Ze worden alle drie ingeleid door een groot aantal nogal onsamenhangende vragen waarvan de lezer pas aan het eind van ieder deel de relevantie zal begrijpen.

    Het boek start met de scheiding van ik-personage Leslie en haar echtgenoot die C. genoemd wordt. Ze hebben een dochter van dertien maanden oud. Leslie is schrijfster en geeft les aan studenten van de universiteit. Hoofdpersonage Leslie heeft evenals schrijfster Jamison een verleden met een eetstoornis en een alcoholverslaving. Ze heeft als kind erg last gehad van de scheiding van haar ouders en de slechte band met haar vader waar ze jarenlang weinig contact mee heeft gehad.

    Tatoeage

    Ondanks jarenlange relatietherapie ziet Leslie het op een gegeven moment niet meer zitten om met C. verder te gaan. Hij van zijn kant heeft veel moeite met de scheiding, zijn liefde is zeker nog niet voorbij. Het is zijn tweede huwelijk, zijn eerste vrouw is overleden aan kanker. Nadat Leslie en hij een jaar samen waren, heeft hij zelfs haar gezicht op zijn biceps laten tatoeëren. Het huwelijk van Leslie met C. lijkt in de flashbacks redelijk harmonieus. Je vraagt je eigenlijk af waarom het mis is gegaan. Pas halverwege het boek, na de scheiding, valt te lezen dat C. ‘vreselijk kwaad’ geweest zou zijn en dat Leslie ervoor gekozen heeft om ‘gelukkiger’ te willen zijn. Het is jammer dat het personage van C. niet iets meer uitgewerkt is, maar dat hangt ook deels samen met de keuze voor het perspectief.

    Gebruiksaanwijzing

    Het eerste deel van het boek is verreweg het meest interessante. Leslie is een jonge moeder die de gebruiksaanwijzing van haar kind leert kennen. Het meisje huilt veel, is een keer raadselachtig ziek, er moeten nachtvoedingen gegeven worden, maar er is vooral onvoorwaardelijke moederliefde. Het levert regelmatig mooie zinnen op: ‘Eenmaal thuis uit het ziekenhuis tornde mijn baby een naad los in de nacht en trok me de duisternis ervan in – die stille uren tussen twee en zeven, wanneer ze op mijn borst lag te slapen en ik reality-tv over ambitieuze Australische modellen op had staan, terwijl ik ondertussen door onze woonkamer ijsbeerde en naar het verlichte raam in onze straat keek, me afvragend wie? En waarom?

    Leslie neemt het kleine meisje graag mee naar musea. Na verloop van tijd gaat ze weer aan het werk en neemt ze haar dochter mee op tours om haar boeken te promoten (dat gaat om zo’n 30 vluchten op jaarbasis) of schakelt ze haar moeder in als oppas. Ze komt vooral tot de ontdekking dat ze zich verscheurd voelt tussen haar werk en de liefde voor haar dochter. Schuldgevoelens jegens het kind maar ook jegens haar studenten en haar kunst wisselen elkaar af. Voor iedereen die kinderen heeft zal het heel herkenbaar zijn, maar voor Leslie is het alsof zij de enige op de wereld is die zich in een dergelijke spagaat bevindt.

    Het co-ouderschap valt haar eveneens zwaar, maar – weinig verrassend – vindt ze na verloop van tijd toch ook wel weer prettig omdat ze daardoor tijd voor zichzelf heeft. Ze spiegelt zichzelf regelmatig aan kunstenares Marina Abramović, die drie abortussen gehad heeft omdat ze zeker wist dat moederschap rampzalig zou zijn voor haar werk. ‘Je hebt maar zoveel energie in je lichaam en dan zou ik die moeten verdelen.’ Leslie komt in het eerste deel over als een vrij egocentrische vrouw en lijkt daar zelf ook last van te hebben: ‘Mijn lichaam klotste van de hormonen en hun brullende, tegenstrijdige waarheden: ik was een lankmoedige, juice-ontzegde heilige, of anders was ik een monster dat door ijdelheid geregeerd werd en het nauwelijks verdiende te leven. Mijn innerlijke monologen klonken als een klootzak die veel te hard tegen een buitenlander aan staat te praten.’

    Foute man

    In het tweede deel, Rook, is de fase van de moedermelk voorbij. Het gaat dan veel over een nieuwe relatie met een overduidelijk foute man en wederom over de schuldgevoelens waar ze last van blijft hebben. Regelmatig bekruipt je als lezer het gevoel dat je sommige dingen al eerder hebt gelezen en dat er weinig nieuwe elementen aan het verhaal toegevoegd worden. Dat geldt ook voor het laatste deel dat zich afspeelt gedurende de lockdowns vanwege COVID.

    Samenvattend is Splinters een enigszins teleurstellende leeservaring. Het schetst weliswaar in vaak fraai gekozen taal het dilemma waarvoor kersverse ouders zich geplaatst zien wanneer ze hun aandacht moeten verdelen tussen werk en gezin. Het feit dat dat gegeven in dit boek ook nog eens gepaard gaat met een echtscheiding is een extra complicatie, maar ook weer niet uniek. De onvoorwaardelijke liefde die Leslie voelt voor haar dochter en de prijs die ze voor het moederschap moet betalen zijn mooi beschreven en herkenbaar. Helaas roept het hoofdpersonage op een gegeven moment eerder irritatie dan empathie op en wordt er veel herhaald. Wellicht zou de boodschap van ‘een ander soort liefdesverhaal’ beter zijn overgekomen wanneer het boek zo’n honderd bladzijden korter was geweest.

     

     

  • Oogst week 37 – 2024

    Heroides/Held…

    Een aspect van Homeros’ epos De Odyssee inspireerde Ovidius 700 jaar na dato, om achttien vrouwen van mythologische helden een brief te laten schrijven aan hun echtgenoten of geliefden. De brieven werden gebundeld in Heroides (Heldinnen). Tweeduizend jaar later heeft Harrie Geelen (1939) zich geïnspireerd gevoeld om daarvan een indrukwekkende vertaling te maken, die hij ironisch Held… noemt. In deze tweetalige uitgave schrijft Dido aan Aeneas, Helena aan Paris en Penelope aan Odysseus, in het Latijn Ulysses genoemd:

    Dit is een brief die Penélopé stuurt aan je, lakse Ulysses.
    (Nee, hoef geen brief terug,
    kom maar in eigen persoon.)

    Troje, dat wij Griekse meisjes zo haatten, ligt plat. Zo’n gedoe voor
    Priamus? Heel die stad?
    Had niet gehoeven voor ons.

    De geest van Ovidius waart door deze bewerking van de Heldinnenbrieven, maar de tweeregelige distichons van Ovidius heeft Geelen omgezet in drieregelige strofen, wat het lezen gemakkelijker maakt. Aan het begin van elke brief staat een korte toelichting over de inhoud.

    Naast schrijver en illustrator is Geelen ook componist en tekstdichter. Eerder vertaalde hij de Metamorphoses van Ovidius.

     

    Heroides/Held…
    Auteur: Harrie Geelen
    Uitgeverij: In de Knipscheer 2024

    De hartelijke poezen van Drs. P.

    Een jaar na het overlijden van Drs. P stierf ook zijn vrouw Mieke. In hun nalatenschap werden honderden ansichtkaarten gevonden, die Drs. P. gedurende zo’n dertig jaar lang twee à drie keer per week aan zijn vrouw verstuurd had, voorzien van een door hem geschreven gedicht. Alle kaarten droegen een afbeelding van katten op de voorkant, omdat beide echtelieden een grote passie voor deze dieren hadden. Geluidstechnicus Marc van Hecke vertelde tijdens de tv-uitzending ‘De terugkeer van Drs. P.’ in ‘Het Uur van de Wolf’ uit 2019 over de kaarten die gevonden waren: ‘Poezen op tafels, getekende poezen, geschilderde poezen, Japanse poezen, lapjespoezen, poezen in een strandstoel en poezen in een mandje:

    ‘We liggen met ons beiden in een mandje
    Dit kwam al eens ter sprake, dat is waar
    Maar ook al klinkt het als hetzelfde bandje –
    We vormen – daarvan hebben wij een handje –
    Na al die tijd nog een gelukkig paar.’

    Was ondertekend: Heinz.

    Dit boekje is een mooie aanvulling op de verzameling van zowel kattenliefhebbers als bewonderaars van het werk van Drs. P.

     

    De hartelijke poezen van Drs. P.
    Auteur: Drs. P.
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar 2024

    Uit hoofde van Jut

    In 1965 debuteerde Frans Kuipers met de bundel Zoals wij, waarna nog twaalf bundels zouden volgen. Inmiddels heeft de 82-jarige dichter een nieuwe bundel uitgebracht: Uit hoofde van Jut is een zeer persoonlijk verslag van een lang mensenleven: geboorte, kind zijn, een verliefde puber worden en je later afvragen of de angst om alleen oud te worden wel reëel is. Speels en optimistisch als altijd bezingt Kuipers het leven in de voor hem kenmerkende bruisende taal, vol van personificaties van dieren en dode dingen en vooral zijn neologismen zoals in het titelgedicht:

    ‘Ik ook wissel wat af en schrijf uit hoofde van jut
    —Zoals elk avontuur begint met een stap over de drempel
    en de ramp even zo goed plaatsvindt als je thuisblijft,
    — ik ook curriculumeer mij niet maar zin op ontzwemming’

    Hoewel de dichter de ouderdom met kwalen en pijnen niet ontkent en ook de dood niet uit de weg gaat, is het toch vooral een ode aan het leven geworden, een ‘kweetnietersliedboek’, zoals Kuipers het zelf noemt, omdat de verwondering zoals altijd hoogtij viert in zijn gedichten.

     

    Uit hoofde van Jut
    Auteur: Frans Kuijpers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Een duivelspact

    Een duivelspact

    ‘De woonkamer was volgestouwd met kleedjes, kussens, tafeltjes, vetplanten op de vensterbank, snuisterijtjes. Aan de muur prijkten een olieverfschilderijtje van een zeegezicht met aan de horizon op de baren een eenzaam zeil, en een schelpenschilderijtje met “groeten uit Katwijk”.’ Het is alsof Tsjechov of Toergenjev een huiskamer beschrijven, een raak getroffen voorbeeld van het beeldende schrijven van Lisette Lewin – in dit geval van een Nederlandse huiskamer uit de jaren twintig-dertig van de vorige eeuw. Het is de woonkamer van de grootouders van de ik-figuur uit de uit 1992 daterende en nu opnieuw uitgegeven roman Een hart van prikkeldraad van oud-journaliste en schrijfster Lisette Lewin.

    De ik-figuur beschrijft zichzelf als een alleenganger. Dat ‘kwam voor iedereen goed uit, want geliefd was ik niet’ zo aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Greetje heet ze. Greetje van der Plas. Haar eerste vriendje, een Pool, heet Mendel. Hij houdt haar ten onrechte voor joods, net als hijzelf, maar ze spuit alleen maar anti-joodse vooroordelen. Na een avondje is het dan ook alweer uit. En dat terwijl ze verre van anti-joods is opgevoed. Tegenover de buitenwereld blijft ze volhouden dat ‘Max’ (zoals ze hem is gaan noemen) naar de Verenigde Staten is vertrokken en hopelijk ooit terugkomt.

    Greta en Heinz

    Mendel wordt opgevolgd door een Duitser in uniform, Heinz Leinweber. Zelf noemt ze zich inmiddels Greta. Of, zoals Heinz haar noemt: Gretchen. ‘”Greta!” verbeterde ik zwakjes’. Greta leest Nietzsche, Heinz (Hein noemt zij hem tegen haar ouders) speelt Wagner, waarmee Lewin twee sjablonen van stal haalt van mannen die in de tijd van nazisympathieën al dan niet terecht in dat kamp worden getrokken.
    Lewin geeft Greetje/Greta/Gretchen als 17-jarige ouwelijke trekjes mee. Niet alleen omdat ze Nietzsche leest, maar ook omdat ze de sjans van Heinz ‘nogal vermoeiend’ vindt en zich ‘een hoog kapsel, met kammetjes en sierspelden’ laat aanmeten. Heinz worden wat minder nazi-welgevallige uitspraken in de mond gelegd, zoals zijn bewondering voor dirigent Bruno Walter en de violist Yehudi Menuhin. En de terechte wetenschap dat Nietzsche absoluut geen antisemiet was.
    Raak is het motto uit Bizets opera Carmen voorin het boek, temeer daar Nietzsche zijn voorliefde voor Wagner op een gegeven moment inruilt voor Bizet: Si tu ne m’aimes pas, je t’aime / Si je t’aime, prends garde à toi!. Het tweede motto verwijst, behalve naar Greetjes hart, naar de titel van het boek en is ontleend aan een soldatenliedje uit de mobilisatietijd: Blonde Mientje heeft een hart van prikkeldraad / Blijf maar thuis… / Prikkeldraad!!

    Ingenieus maar niet zo strak

    Alles wat Heinz over Nietzsche en Wagner vertelt, schrijft Greta na de oorlog, in de jaren vijftig op in haar dagboek, waaruit ze regelmatig citeert. Hierin vermeldt ze ook dat Heinz haar een hoertje noemt en dat haar ouders erachter komen dat ze met een veel oudere Duitser heult. Ze verlaat daarop het ouderlijk huis. Ze moet van Heinz naar Strauss’ opera Salomé luisteren, een opera over een vrouw die de man moet behagen. Dit libretto rijmt met haar leven, net zoals het verhaal over oom Arie, die tegen het eind van de oorlog opeens ‘goed’ wordt, rijmt met de houding van de ik-figuur die opeens gaat twijfelen of haar ideologie, ontleend aan die van de nazi’s, wel de juiste is. De een uit opportunisme, de ander meer gemeend. Zulke voorbeelden geven aan hoe ingenieus Lewin deze omvangrijke roman heeft opgebouwd en uitgewerkt.

    Hetzelfde geldt voor de verhaallijn, die steeds zwartere randen begint te vertonen. Op een gegeven moment beveelt ze een vriend van Heinz, Dietrich, aan dat hij maar eens bij haar tante en oom in ‘Het Kaashuisje’ moet gaan kijken, ‘want daar is het niet pluis’ (lees: zij haten de nazi’s). Pure rancune omdat ze daar ooit de winkel werd uitgeschopt vanwege haar nazisympathieën. Zoals Heinz haar het in bezit genomen huis uitzet als ‘Mutti’ (zijn vrouw) komt en Greta even moet verkassen naar een pension.

    Behalve ingenieus is de roman een enkele keer ook op het randje van sentimenteel. Als de ik-figuur bijvoorbeeld na de oorlog op een stormachtige dag in een restaurant het verhaal aanhoort van een vrouw wier zoon in het laatste oorlogsjaar op straat is vermoord, staat er dat ‘het raam huilt’. Niet de vrouw zelf huilt, het is de regen die langs het raam druipt. Schijnheilig kijkt ze toe en liegt er tegenover de vrouw – die net als destijds Mendel in haar een joodse meent te zien – lustig op los. Tot haar naam, haar identiteit aan toe. Ze noemt zich Jessica, variant op de joodse naam Jiska: hij ziet uit naar God. Een duidelijk voorbeeld van toe-eigening. In dit geval misschien omdat de hoofdpersoon zich een slachtofferrol wil aanmeten.

    Dit neemt tussen haakjes niet weg dat de opbouw van het boek met terugblikken, dagboekfragmenten en met elkaar rijmende verhaallijnen, misschien wat strakker en meer uitgedund had mogen zijn, waardoor het ongetwijfeld aan kracht had gewonnen.

    Medicijnen en destructie

    Als Jessica Carvalho schrijft de ik-figuur zich na de oorlog in voor een studie medicijnen aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Ze raakt wederom verliefd op een joodse jongen, Eli, wiens eerste meisje in de oorlog spoorloos is verdwenen. Haar studie medicijnen staat haaks op de destructieve kracht die ze steeds meer tentoonspreidt. Ook Eli laat haar vallen. Ze heeft onenightstands en een verhouding met een docent, dr. Bonebakker, die bij de Joodse Raad en in Westerbork heeft gezeten. Het is overigens uitgerekend in zijn huis dat Heinz en zij hebben gewoond. Als lezer denk je inmiddels: hoe krijgt Jessica het weer voor elkaar! En Lisette Lewin. Ze neemt wraak op Bonebakker, die voor zijn vrouw kiest en maakt zijn carrière en huwelijk kapot.

    Vervolgens gaat ze in Spandau op zoek naar Heinz. En – o toeval – op straat komt ze hem, zijn vrouw, kleinzoon en diens wanstaltige hond tegen. Een beschrijving die de lezer weer terugvoert naar Russische romans waarin zulke beschrijvingen bon ton zijn. Het boek verliest door dit toeval nog meer aan geloofwaardigheid, of het moet zijn dat de auteur al dan niet terecht wil benadrukken dat je nooit van je verleden los kunt komen, al speel je een rol en verander je je naam.
    Ook op Heinz neemt ze wraak, en uiteindelijk ook op Eli. ‘O God, dat ik mij met één wrake wreke!’ schrijft ze in haar dagboek, de Bijbel citerend. Al ziet ze het zelf niet als wraak, want berouw kent ze niet.

     

  • Een van de betere Nederlandse grafische romans

    Een van de betere Nederlandse grafische romans

    Het lied van de merel van Maria van Lieshout is een ‘graphic novel’ over de bezettingstijd in Amsterdam en de doorwerking daarvan veel later in 2011. De strip bevat onder meer authentieke foto’s die destijds door verzetsmensen zijn genomen. De tekeningen van Van Lieshout zijn fraai en de uitvoering van deze grafische roman is goed verzorgd. Het behandelen van de Tweede Wereldoorlog in fictie is niet gemakkelijk. Mensen die zich deze periode als auteur toe-eigenen, zonder dat er sprake is van een rechtstreekse connectie met het vertelde, krijgen soms kritiek. Met name als er sprake is van effectbejag. Hoewel de fictionele constructie van deze graphic novel soms wat te duidelijk is (met name de rol van de merel uit de titel komt niet helemaal uit de verf), is hier geen sprake van effectbejag, maar van een respectvolle wijze van omgaan met het leed van de bezetting.

    Belang van verhalen over onderdrukking

    Verhalen over deze periode kunnen niet genoeg verteld worden, zeker in tijden waarin het geschiedenisonderwijs bijna is afgeschaft en de functie van de zondebok door de eeuwen heen (en zeker ook in het heden) de meeste mensen onbekend is. Of liever: daar wil men niet over nadenken. Kunst kan hen daartoe dwingen en Van Lieshout dwingt de lezer indirect om ook in het heden een positie in te nemen. Juidt nu er weer een zwakke en kleine groep in de samenleving (vluchtelingen) de schuld van alle problemen krijgt.

    Die boodschap is eerder impliciet. Van Lieshout toont vooral dat het verleden voor het heden belangrijk is, dat de geschiedenis ingrijpt in het hier en nu en dat families zonder uitzondering voortkomen uit deze geschiedenis. De oma van het hoofdpersonage Annick lijdt aan acute leukemie en heeft een beenmergtransplantatie nodig, van een verwant. Haar broer en zus blijken echter geen familie te zijn. Annick (wel familie, maar haar beenmerg is ook niet geschikt) gaat vervolgens op zoek naar de familiegeschiedenis, in de hoop een andere verwant te vinden. Deze familiegeschiedenis heeft te maken met de bezettingstijd. In het verhaal lopen de lijnen van 2011 en van de jaren veertig vervolgens door elkaar heen, om uiteindelijk bij elkaar te komen.

    Schematische gezichten

    Van Lieshout laat zien dat de graphic novel bij uitstek geschikt is om een beeld van het verleden op te roepen. Ze plaatst de lezer vooral ook in de sfeer van de bezettingstijd. De gezichten van de personages zijn schematisch. Door dit schematisme is het voor lezers gemakkelijker om zichzelf te projecteren in de personages, zo betoogde striptheoreticus Scott McCloud ooit. Juist doordat de personages niet realistisch of gedetailleerd zijn weergegeven hebben ze een universeel karakter.

    Het lied van de merel bevat ook een historisch dossier, waardoor de lezer iets te weten komt over de historische feiten waarop het fictionele verhaal is gebaseerd. Het album hoort beslist bij de betere Nederlandse grafische romans en het verhaal leent zich ook voor verspreiding in de Verenigde Staten, waar Van Lieshout woont.

     

     

  • Oogst week 14 – 2024

    Baba Jaga legde een ei

    ‘In het begin vallen ze u niet op…’ Zo begint Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić (1949-2023). Daarna heeft ze het over afgezakte kousen, muizenpasjes, opgedroogde appeltjes, een gerimpelde huid, een nek als van een kalkoen en meer van die genadeloze typeringen van ‘kleine lieve oude vrouwtjes’.
    Baba Jaga is in de Slavische mythologie een heks, een wilde vrouw met magische krachten, een bosgeest. Haar hut staat op kippenpoten en ze kidnapt kinderen.

    Baba Jaga legde een ei bestaat uit drie delen. In het eerste bezoekt de ‘ik’ haar moeder in Bulgarije die last heeft van toenemende ouderdomsgebreken. In het tweede veroorzaken drie oude vrouwen in een Tsjechisch kuuroord magische gebeurtenissen en in het derde deel laat Ugrešić een deskundige op het gebied van Slavische folklore de twee eerste delen analyseren vanuit wetenschappelijk-folkloristisch perspectief, doorspekt met talloze weetjes over Baba Jaga. Zo verbindt Ugrešić de verschillende verhaallijnen, eigenzinnig, humorvol en soms ontroerend.

    Dubravka Ugrešić werd ooit zelf voor Baba Jaga uitgemaakt. Geboren in Joegoslavië vluchtte ze voor de oorlog in Kroatië die uitbrak nadat Joegoslavië uiteen was gevallen. Ze had een kritisch essay over het nationalisme in Kroatië geschreven, aanleiding voor collega’s om haar te beschimpen als landverraadster en Baba Jaga.

    Ugrešić woonde sinds 1996 in Amsterdam. Ze was literatuurwetenschapper en schrijfster van romans, verhalen, essays, columns en artikelen in Nederlandse en internationale kranten en tijdschriften. Ze doceerde aan Amerikaanse en Europese universiteiten. Haar werk is in meer dan dertig talen vertaald.

     

    Baba Jaga legde een ei
    Auteur: Dubravka Ugrešić
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2024)

    Van Allegaartje tot Zeebenen – Een niet zo gebruikelijk woordenboek

    Veel mensen hechten aan oude, mooie woorden, blijkt uit het zaterdagochtendprogamma De Taalstaat op Radio 1. Daarin kunnen luisteraars een ‘vergeetwoord’ indienen. Nelleke Noordervliet, beschermvrouwe van het Gezelschap van Geadopteerde Vergeetwoorden, opgericht door Frits Spits, keurt het woord al of niet goed. Duizenden in onbruik geraakte of ‘ouderwetse’ woorden zijn inmiddels geadopteerd.

    Dat de taal verandert weet ook journalist en scenarioschrijver Rogier Proper (1943). Zeker vandaag de dag gaat het snel. De verengelsing heeft al lang toegeslagen en op internetfora en -platforms doet het er vaak niet meer toe of iemand zich duidelijk uitdrukt. Punten, komma’s en hoofdletters spelen nauwelijks een rol, een lidwoord is niet belangrijk. Op mobiele telefoons vieren simpelheid en snelheid hoogtij. Jongeren en ouderen verstaan elkaar niet altijd, merkte Proper. Al heel lang bestaande woorden worden niet begrepen door jonge mensen en al helemaal niet gebruikt. Vice versa overigens. Weten jongeren wat bombarie betekent, of allegaartje? Of wat een telefooncel is? Of dat ze hunkeren naar aandacht?

    Proper heeft veel van deze woorden opgetekend in zijn Van Allegaartje tot ZeebenenEen niet zo gebruikelijk woordenboek. Hij verzamelde bijzondere, mooi klinkende en inspirerende woorden en geeft er een toelichting bij. Het boekje is een verhelderend naslagwerk.

    Proper publiceerde eerder het Jaap Knasterhuis Groot Filmwoordenboek (voor jeugdigen) en een handboek voor scenarioschrijvers: Kill Your Darlings. Hij was ook radiomaker, schreef kinderboeken en ontwikkelde honderden scenario’s. Nog steeds houdt hij zich met tv-series bezig.

    Van Allegaartje tot Zeebenen - Een niet zo gebruikelijk woordenboek
    Auteur: Rogier Proper
    Uitgeverij: Balans (2023)

    Schuilhuisje

    De in Nederland wonende en werkende Lena Kurzen (1982) komt oorspronkelijk uit Duitsland. Die kwam naar Nederland om logica te studeren en ook promoveerde die er als logicus. Op de website Papieren helden schrijft die korte verhalen en op Shortreads kleine verhaaltjes naar aanleiding van een nieuwsbericht. Schuilhuisje is diens debuutroman.

    Een man van in de vijftig en zijn jongere vrouw lijken gelukkig samen. De coronapandemie heerst, waardoor ze allebei thuis werken en hele dagen bij elkaar zijn. Echt contact hebben ze echter niet, hun gedachten en gevoelens houden ze voor zichzelf. Dat kan niet anders dan tot misverstanden en onbegrip leiden. De vrouw wil graag een kind, de man is vaag over wat hij wil, de liefde voor zijn bonsaiboompje lijkt groter. Hij mist zijn zoon die hij niet meer ziet. Samen heeft het stel cavia’s, welke beestjes de dupe worden van hun onuitgesproken strijd.

    In het ik-perspectief vertelt de vrouw het verhaal, met soms zulke overdrijvingen dat het hilarisch wordt. Ze komt erachter dat haar man een dubbelleven leidt. Ontkenning en nieuwsgierigheid volgen, ontmaskering kan niet uitblijven.

    Schuilhuisje
    Auteur: Lena Kurzen
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar (2024)
  • Huiswerk voor het geweten

    Huiswerk voor het geweten

    Haar huiswerk maakte hoofdpersoon Clara uit de roman Huiswerk van Marja Pruis vroeger aan de oude dressoirkast, klep naar beneden, met vele laatjes en troepjes. Nu is ze echtgenote, moeder, ouder, wellicht wijzer maar ook zeker (nog altijd) zoekende. Huiswerk is vooral de weerslag van een niet-aflatende zoektocht naar principes, relationele raadsels en onzekerheden, naar het bepalen van een houding tegenover de inmiddels volwassen kinderen en tegenover ongelijkheid en het grote leed in de wereld.

    Over één aspect zijn er geen twijfels en dat is over Clara’s huwelijkse staat en haar relatie met echtgenoot Hartog. Hij is haar ‘hij’, een geruststellend voortdurend aanwezige in de huiselijke situatie, die overigens ook ‘feilloos aanvoelt wanneer hij Clara teveel is’. Pruis benoemt en beschrijft een soort van ‘negatief’ van de vele boeken over rouw en gemis die de laatste tijd verschenen zijn; ze weet te raken in het neerzetten van het fijne vanzelfsprekend gelukkige samenzijn van Clara en Hartog. Er worden niet heel veel woorden vuilgemaakt aan Hartog zelf, maar de roman is doordrenkt van een onderliggende emotie van warmte, dankbaarheid en geluk over zijn aanwezigheid en over hun relatie: een ingevuld verlangen naar nabijheid en aanraken.

    Ouder blijf bezit van het kind

    De relatie met haar grote kinderen is gecompliceerder. Met name zoon Cosmo heeft de leeftijd bereikt waarop hij meent zich allerlei oordelen aan te kunnen meten en dat doet hij dan ook onbeperkt en onbeschaamd. Als jongvolwassene je ouders de maat nemen is een beschrijving die nog ontbreekt in de beroemde ‘Oei, ik groei’-bijbel van Hetty van de Rijt en Frans Plooij – ten onrechte als je Pruis’ humoristische en herkenbare beschrijvingen van deze fase leest. Cosmo heeft scherpe oordelen over van alles en nog wat: het klimaatakkoord, (vermeend) racisme, uitbuiting of de verspillende kledingindustrie en hij is daarin niet bepaald mild tegenover zijn moeder, of buigzaam. ‘Ik begrijp heel goed wat je zegt. Ik ben het alleen niet met je eens. Behoort dat ook tot de mogelijkheden? Nee, dat behoort niet tot de mogelijkheden.’ Bij dochter Lynn heeft een ander aspect de overhand: ‘Ik denk aan Lynn, voor wie ik mijn hele leven bang ben, ook al is dat het woord niet.’

    Interessant is Clara’s overweging waarin ze een veranderende ouder-kind verhouding verwoordt: onze kinderen zijn op een gegeven moment niet meer van ons, maar als ouder blijf je wel bezit van je kind. In die hoedanigheid doe je er als ouder goed aan stil te zitten als je geschoren wordt. Dat doet Clara dan ook in de wijze wetenschap ‘hoe lang de weg is die we moeten afleggen om op het punt te komen waar we compassie voelen.’

    Anything

    Compassie voelt Clara zeker voor haar werkster Rose, aka Bibata. Clara wil goeddoen en dat is een hele toer, al is het maar omdat ‘De rampen van de wereld bijhouden is als proberen om water te tellen.’ Het leven is voor Clara een vat vol gewetensgevallen en het aannemen van een integere houding tegenover haar illegale werkster Rose is daar een praktijkvoorbeeld van. Op kleine schaal etaleert Clara haar goedheid door nederigheid tegenover haar werkster die ze in alles ter wille wil zijn. Ze zou Rose omwille van haar goede geweten het liefst wit uitbetalen, maar doet dat op Rose’ verzoek toch niet. Ze is flexibel in Rose’ werktijden, helpt haar graag Nederlands spreken, bewaart haar loon voor haar, ontvangt haar met thee en zelfgebakken cake en biedt bij voortduring haar hulp aan voor ‘anything’, wát Rose maar wil. Niet voor niets zal Pruis haar hoofdpersoon de naam Clara Feij hebben gegeven, naar de 18e eeuwse Duitse non Clara Fey die enkele eeuwen na haar overlijden zalig werd verklaard: in nederigheid, eerbiedwaardig gedrag en deugdzaam leven zal deze non een lichtend voorbeeld voor hoofdpersoon Clara zijn.

    Twee hoofdstukjes in de roman worden niet vanuit de ik-persoon Clara beschreven, maar vanuit Clara in een personaal vertelstandpunt. Deze wat afstandelijker beschreven Clara laat als ze op vakantie gaat het boek De theorie over morele gevoelens thuis. Wat ze wel meeneemt is Mijn heldere afgrond. Tegen een bekende zegt ze ‘dat hij niet gek moest opkijken als ze in habijt terug zou keren.’ Het geeft de lezer te denken. Geeft ze het streven naar goeddoen op? Is dat het begin van het einde? Komt ze terug als non?

    Worsteling met goeddoen

    Van een heiligverklaring is de Clara uit de andere vijftig hoofdstukken met wie we door het ik-perspectief en haar vele overwegingen en twijfels nauw meeleven ver verwijderd. Dat blijkt uit haar gewetensstrijd en -wroeging nadat het voor Rose opgespaarde geld is verdwenen. De dressoirkast waaraan de jeugdige Clara in haar onschuld haar huiswerk maakte is de stille getuige van de diefstal van het voor Rose bewaarde geld. Alleen Rose weet dat dit geld in een kistje op deze kast lag, alles wijst dus naar haar als dader. De vraag naar de schuldige voegt een min of meer spannend ‘wieheefthetgedaan’-element aan de roman toe en geeft vooral vorm aan Clara’s dilemma, haar verlies van onschuld en haar worsteling met goed willen doen. Ze wil de voor de hand liggende dader niet beschuldigen, verwerpt zelfs de gedachte daaraan – maar die gedachtes zijn er natuurlijk wel degelijk.

    De roman gaat over een gelukkig getrouwde vrouw met twee volwassen kinderen die zichzelf ‘oppervlakkig’ en ‘ambivalent’ noem, die wars is van zekerheden en zo nu en dan een knuppel in een hoenderhok gooit. Een vrouw die kritisch kijkt naar een omgeving waarin vrouwen vaak ‘praalvrouwen’ zijn en die vooral veel nadenkt. Zoals ieder mens waarschijnlijk. Over goed en kwaad, over eigen handelen, over stereotypen, vriendschappen, relaties en, heel praktisch in dit geval, over een illegale werkster en hoe zich tot haar te verhouden. Het boek is enerzijds een feest der herkenning en geeft de lezer anderzijds huiswerk over belangrijke eigen en algemene levensvragen. Dat de roman niet zwaar wordt en dichtbij blijft is een verdienste van Pruis’ prettige schrijfstijl met vlotte dialogen en de nodige humor.

     

     

  • Kleinkunst, maar dan groots

    Kleinkunst, maar dan groots

    Het hoogtepunt van de zondagavond? Studio Voetbal. Niet vanwege een stift, steekpass of wereldgoal. Nee, in het laatste gedeelte van het programma maakt volks vermaak plaats voor poëzie. Het Eindsignaal brengt een eerbetoon aan vergeten of ondergewaardeerde voetballers. Zelfs sporthaters voelen sympathie voor een vroeg kalende Twentenaar, verdwaalde Japanner of geliefde Ghanees, wier carrières stuk voor stuk in de knop braken. Hun grauwe nalatenschap straalt dankzij de pen van Jan Beuving, al heeft Frank Heinen inmiddels het stokje van hem overgenomen.

    Onlangs publiceerde Beuving Ruitjesblues, een compilatie cabaretteksten, die hopelijk nog lang niet het eindsignaal van zijn schrijverschap betekenen. Hij is niet de enige cabaretier die zijn optredens op schrift stelt. Ook Kees Torn, Willem Wilmink, Herman Finkers, Maarten van Rozendaal en vele anderen ‘verboekten’ hun performances.

    Hoewel kleinkunst het beste werkt op het gehoor en voor live publiek, laat Ruitjesblues zien hoe simpel en ritmisch Jan Beuving schrijft. Toegegeven, sommige verzen over de wiskunde gaan alfa’s wellicht te snel, maar zijn geloofstwijfel, humor en lieve liedjes treffen doel. Waarom? Omdat Beuving niet mikt op effectbejag. Hij observeert, onthoudt en vindt precies de juiste woorden. Bovendien meldt hij onderaan elk vers keurig voor wie, met wie en dankzij wie het kon ontstaan. Bescheiden. Te, vindt voorwoordschrijver Ivo de Wijs: ‘Dat is aardig van Jan, maar er was nooit iets van hem geworden als hij niet zo’n uniek talent had gehad en interessante voorkeuren. (…) Lees en geniet.’ Koud kunstje met zulke grootse kleinkunst.

    Beminnen, beplussen

    De titel – Ruitjesblues – viert Beuvings favoriete geometrische vorm. Een heel gedicht wijdt hij eraan, net als aan de staartdeling. Hij bemint de ruit, niet alleen op het middenveld in een 4-4-2-formatie. Beminnen, zo hebben wiskundigen nu eenmaal lief:

    Dus ik heb voor alle Mondriaanmusea passe-partouts
    En ik ga het allerliefste naar Manhattan op een cruise
    En ik kom wat hoekig over bij de eerste rendez-vous
    Want ik heb de ruitjesblues
    (…)
    Ik denk altijd weer aan Admiraal de Ruyter bij de zee
    Ik doe vlokken van De Ruijter op haast elke bruine snee
    Ik heb niks met amazones maar een ruiter is oké
    En mijn lievelingstheater is Carré

    Hierna merkt Beuving op in zijn voetnoot: ‘Jammer, maar volkomen terecht dat ik het nooit in Carré heb gezongen.’ Voetnoten worden normaal gesproken overgeslagen, maar die van Ruitjesblues typeren Beuvings vakmanschap en bescheidenheid. Lees die dus. Als raswiskundige die zijn plussen en minnen doseert, somt hij enerzijds prijzen op die hij wint met zijn verzen, waar hij anderzijds het eigen werk bekritiseert. Zo schrijft hij over Joep: ‘Jammer van die rijmstoplap ‘‘zonder schelden’’ in het laatste couplet; daar zie je aan dat ik haast had.’ Ook elke bewuste taalovertreding (om het ritme erin te houden), stipt hij eerlijk aan: ‘Hier heeft de grap het gewonnen van de grammatica, wat eigenlijk niet mag.’ Met het excuus van dichterlijke vrijheid komt Beuving niet aanzetten. Liever geeft hij een foutje toe. Een biecht? Niet overdrijven…

    Geloofd, gedoofd

    Jan Beuving komt uit Numansdorp op Goeree-Overflakkee. Het gereformeerde geloof speelt dan ook een bescheiden rol in deze bundel. Ja, ‘spelen’ is precies het juiste woord. Het gedicht Wasgegroet schrijft Beuving voor Huub Stapel, wiens katholicisme als een novenenkaars uitdooft:

    Wat doe je met die schade en die schande
    Wanneer je nooit meer op een biechtstoel zit?
    Wat is de weerklank van een mea culpa
    Wanneer je niets gelooft en niet meer bidt?
    (…)
    ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade…’
    Ik ken de tekst nog, maar de ziel is dood
    Het is nu geen gebed meer, maar een versje
    Verdwenen zijn de vruchten van die schoot

    Zelfs in de wetenschap schemert het geloof door. ’s Lands beroemdste coronaviroloog verdient eveneens een gedicht: A.O. Er komt geen eind aan zijn televisieoptredens. Niemand weet wanneer hij er überhaupt mee begón. Het gaat om Ab Osterhaus, A.O., die helaas bij lange na niet de macht van de Alpha en de Omega bezit. Beuving wil hem van de buis:

    Honderdduizenden bejaarden
    Zijn gestorven hier op aarde
    Maar die ene ligt nog steeds niet tussen alle opgebaarden!
    Laat hem in een koor gaan zingen
    Waar bacillen overspringen
    Of een dagje surfen voor de kust van Scheveningen…
    Dan geven wij hem hartelijk applaus
    Oh God, verlos ons van Ab Osterhaus

    Hebben Koopmans en Van Dissel even geluk dat hun namen minder lekker rijmen.

    Schuurpapier

    Sommige grappen doen zeer. Zo leidt de zin over Scheveningen tot een droevige mail uit Den Haag, zegt Beuving in zijn voetnoot. Toch gaat hij door met zwartgallige humor, vele cabaretiers eigen. Nerd beschrijft een orgastische wraakfantasie over een paar pestkoppen op de middelbare school:

    Het liefst zou ik die klasgenootjes op mijn passer spiesen
    En stak ik met mijn geodriehoek al hun oogjes uit
    Of sneed ik met mijn vulpenpunt de rechte bissectrice
    Van vier of vijf of zes of zeven hoeken in hun huid
    (…)
    Als ik zou willen huilde elke pestkop om zijn mamma
    En vierde ik de woede bot die steeds in mij ontsteekt
    Dan startte ik op elk van hen een onderzoeksprogramma
    Waar dat van Josef Mengele volledig bij verbleekt

    Niet elke grap schoffeert anderen. Slotlied 1 en Slotlied 2, die  over soorten sluitingen en Nederlandse kastelen gaan, doen qua taligheid en droogte denken aan Herman Finkers’ oeuvre. Het Rekenlied bevat publieksparticipatie waarin de toehoorders een getal moeten roepen dat perfect rijmt op de tweede regel. Even resoneert het lied Nederlands-Engels van Kees Torn. Uitglijders gegarandeerd:

    U slaagt voor elke som met vlag en wimpel
    Al zijn uw rekenachterstanden fiks
    De rekenles op rijm is supersimpel
    En heeft u geen idee, roep dan maar…

    X-factor

     Eerder in deze recensie staat dat Beuving nergens makkelijk wil scoren. Toch moet de lezer geregeld Ruitjesblues wegleggen met een brok in de keel. Het ís en blijft immers een blues. Het lied Gerrit bezingt de komst van boer Gerrits kleinkind. Vanwege zijn kennis over pasgeboren kalfjes voelt hij aan dat de baby het niet zal redden: ‘Als ik een kalfje heb dat zo kijkt, haalt het de avond niet.’ Een prachtig lied over natuur, kennis en intuïtie, en dat geen spoiler verdient. De grootste tranentrekker moet echter Zaterdagochtend zijn. Een kamer waar het zonlicht invalt, drie gelukkige kinderen bij papa op schoot, beschuit als ontbijt, verse bloemen op tafel. Sterker nog: het hele huis staat barstensvol bloemen en vazen. Wat een weelde. Tot het kroost snapt waarom.

    Weer eens wat anders dan grienen om Love Actually of Robert ten Brink. Wie heeft kerstliedjes of de Top 2000 nodig, als de Ruitjesblues klinkt?

     

  • Oogst week 43 – 2023

    Ruitjesblues

    Wiskundige en kleinkunstenaar Jan Beuving is schatplichtig aan Drs. P, George Groot, Jurrian van Dongen, Maarten van Roozendaal en Kees Torn ‘maar er was nooit iets van hem geworden’, schrijft Ivo de Wijs in het voorwoord bij Beuvings bundeling teksten Ruitjesblues, ‘als hij niet zo’n uniek talent had gehad en zulke interessante voorkeuren’. Het is niet veel tekstschrijvers gegeven dat ze al na negen jaar een boekuitgave krijgen waarin (bijna) alle teksten worden opgenomen.

    Liedteksten wel te verstaan, geschreven voor de eigen zes cabaretprogramma’s sinds 2014, maar ook voor anderen. Beuving heeft elke liedtekst voorzien van een meestal anekdotische nabeschouwing over de aanleiding voor het lied, de ontvangst ervan door het publiek en zijn eigen kritische noten achteraf. Uiteraard zijn ook de twee Annie M.G. Schmidt-beprijsde en de daarvoor genomineerde in de bundel terug te vinden. De titel Ruitjesblues is een knipoog naar de ruitjesbloes die hij in zijn wiskundig geïnspireerde programma’s droeg, maar ook de titel van één van de liedjes daaruit.

    Ruitjesblues
    Auteur: Jan Beuving
    Uitgeverij: Nijgh & van Ditmar

    Nachtgevechten

    De eerste twee in het Nederlands vertaalde romans van de Canadese Miriam Toews gaan over vrouwen die zich met moeite losmaken uit de situatie waarin ze leven. In 2020 was er  Wat ze zeiden (ook verfilmd) over een groep misbruikte vrouwen in een mennonitische gemeenschap in Bolivia en in 2022 is de hoofdpersoon in Niemand zoals ik een suïcidale concertpianiste die deze gemeenschap heeft verlaten. De auteur is zelf in 1964 geboren in een mennonitische gemeente in Manitoba (Canada). Nu is er van haar Nachtgevechten.

    De verteller is een kind van negen jaar, Swiv, dat van school is gestuurd. De belangrijkste persoon in haar leven is haar oma Elvira. De vader is afwezig; Swiv onderhoudt in de roman via brieven contact. De voortdurend tierende moeder laat tijdens haar zwangerschap de opvoeding over aan Elvira. Zij is het ook die Swiv had aangeraden haar pestkoppen op school in elkaar te slaan. Oma is een zonderlinge vrouw: ‘Vandaag begint onze neorealistische periode, zei oma vanochtend. Ze smakte gebakken aardappels op tafel en een fles ketchup. Wat een pret! zei ze (…) Onze gezinstherapeut heeft gezegd dat we brieven moeten schrijven, maar mama zegt dat we geen geld meer hebben voor therapie als we toch alleen maar brieven moeten schrijven aan mensen die weg zijn. Oma zegt dat ze denkt dat het nuttig is. Ze zegt dat we net kunnen doen alsof we journalisten zijn, met ons eigen persbureau. Ze zegt dat brieven beginnen als brieven maar iets anders worden. Maar mama vertrouwt ze niet, net als foto’s. Ik wil niet gevangen worden in een moment!

    Toews vertelt tragikomisch. Over de moeder, die in verwachting is van Gord lezen we: ‘Ze liegt. Ze haat woorden als slim en creatief en seksualiteit en ze haat acroniemen. Ze haat bijna alles. Het is oma een raadsel hoe het mama is gelukt om zo lang te stoppen met schelden dat ze in verwachting kon raken van Gord’.

    Nachtgevechten
    Auteur: Miriam Toews
    Uitgeverij: Cossee

    Een zucht van Aleppo

    Willem Bruls (1963) is dramaturg en schrijver met een liefde voor muziek uit het Syrische Aleppo. Hij maakte er in 2002 een radioserie over voor de VPRO. In 2021 ging hij in de inmiddels door de oorlog verwoeste stad de musici die hij destijds sprak weer opzoeken. De neerslag van dit bezoek is te lezen in zijn boek Een zucht van Aleppo. Bruls legt er in uit hoe joodse, christelijke en islamitische invloeden zijn terug te vinden in de muziek van de stad. De plaatselijke ondernemer Antoine Makdis laat hem zien hoe de Aleppijnse muziek de oorlog heeft overleefd ondanks de vele verloren levens.

    Vóór die nieuwe reis naar Aleppo interviewde hij al veel musici die sinds het uitbreken van de oorlog naar (merendeels) Europa zijn gevlucht en daar de muziek lin ere houden. Op 26 september j.l. verklaarde hij in het programma Kunststof zijn liefde voor de stad: ‘Aleppo is door de fysieke schoonheid maar vooral door de culturele mengeling van niet alleen een islamitische stad of een Arabische stad, maar ook alle andere lagen, joods, christelijk – alles wat je kunt bedenken is daar samen. Dat maakt de stad extra mooi’. Over de rol die muziek daarin vervult gaat zijn boek.

    Een zucht van Aleppo
    Auteur: Willem Bruls
    Uitgeverij: Jurgen Maas