• Een overlever zonder huid

    Een overlever zonder huid

    Op 29 april 1995 onthulde het tv-programma Brandpunt dat de gewaardeerde Duitse hoogleraar Germanistiek Hans Schwerte in de oorlog SS-Hauptsturmführer was geweest onder Himmler. Hij had zich in het begin van de oorlog twee jaar in Den Haag bezig gehouden met onder andere rassenleer en genetica. Schwerte had zijn nieuwe carrière na de oorlog kunnen opbouwen omdat hij een verzonnen identiteit had aangenomen. Zijn echte naam was Hans Ernst Schneider. Hij bekende ‘diepe schaamte en rouw’, maar kreeg een storm van kritiek over zich heen en raakte zijn onderscheidingen en pensioen kwijt. Eén van de weinigen die het voor Schwerte opnam was Hans Keilson, de Joodse schrijver en psychiater wiens leven getekend was door de nazi’s: Keilson was naar Nederland gevlucht voor de Jodenvervolging en verloor zijn ouders in Auschwitz.

    Keilson had bewondering voor wat Schwerte had bereikt, maar vooral waardering voor diens eerlijkheid en inzicht in zijn eigen fouten. Hij zei naar aanleiding van deze hetze zelfs: ‘Ik zou niet willen zeggen dat ze nu met deze ex-nazi omgaan zoals ze vroeger met de joden omgingen, maar het komt wel aardig in de buurt’. Wie Hans Keilson tijdens zijn leven heeft gevolgd zal er niet eens van opkijken. Wie nu door middel van de biografie van Jos Versteegen kennis met hem maakt, kan aangekomen bij de beschrijving van deze rel (hoofdstuk 13), Keilsons reactie wel begrijpen. De biograaf heeft daarvóór uitgebreid aandacht besteed aan diens belangrijkste levenshouding: dat haat niet met haat dient te worden beantwoord. In de woorden waarmee Versteegen Keilsons gedachten samenvat: ‘Nieuwe haat tegenover oude haat stellen was een slecht idee, want dat betekende continuering van de cyclus van de haat en dus van de vernietiging’.

    Personage B.

    Keilson (1909 – 2011) huldigde die opvatting al vroeg. Zijn beroemde Tod des Widersachers verscheen voor het eerst in 1959 en een jaar later in het Nederlands als In de ban van de tegenstander. De eerste aanzetten daarvoor schreef Keilson al in 1944. Het boek kreeg pas wereldfaam toen The New York Times er in 2010 een enthousiaste recensie aan wijdde. Keilson was toen honderd jaar en dook ineens in allerlei tv-programma’s op, waaronder DWDD. Blijkbaar was de wereld toen pas op grote schaal toe aan erkenning van zijn belangrijke inzichten.
    In de ban van de tegenstander (dat veel autobiografische elementen bevat) gaat over de verhouding tussen Hitler en de Joden, hoewel de naam Hitler (personage heet in de roman B.), en de woorden ‘nazi’ en ‘Jood’ er niet in voorkomen. Het grondthema van de roman is dat haat een projectie op de tegenstander (zondebok) is van alles wat je van jezelf niet onder ogen wilt zien. Wie dat doet verdraagt zijn gehate kant niet en wil die ook niet weerspiegeld zien in iemand anders.: ‘In hem, de “ander” moet hij zichzelf vernietigen om de waan van zijn eigen grootsheid te redden’.  Vanuit dat inzicht kon Keilson met Schwerte contact leggen in plaats van met hem af te rekenen. Hij wilde doorzien welke krachten ertoe hadden geleid dat zoveel Duitsers Hitler-volgers werden en zijn haat tegen Joden deelden.

    Sequentiële traumatisering

    In de wetenschappelijke kant van Keilson was die gedachte eveneens leidend. Hij legde zich als psychiater/psycho-analyticus toe op hulp aan oorlogsweeskinderen. Een nieuwe aanpak daarin was zijn idee van de ‘sequentiële traumatisering’. Dat ging uit van drie opeenvolgende fases: de bezetting en de Jodenvervolging in Nederland, gevolgd door de deportaties en het verblijf in concentratiekampen of de onderduik en tenslotte de na-oorlogse periode waarin de kinderen werden toegewezen aan een voogd of instelling. Hij heeft veel van die kinderen geholpen door die fases te erkennen, en omdat hij goed kon luisteren. Keilson promoveerde op het onderwerp in 1979 en gaf er tal van lezingen over. Waarbij hij nog wel eens het verwijt kreeg dat die onderzoeken te statistisch waren.
    In de biografie is dat niet te merken. Versteegen verliest zich allerminst in cijfers, maar slaagt erin duidelijk te maken hoe belangrijk het werk van Keilson was en welke problemen de kinderen tegenkwamen na de oorlog. Ze kregen toen te maken met discussies die meer gingen over rechten van ‘onderduikouders’, pleeginstellingen, en de vraag of nieuwe voogden orthodox genoeg waren, dan met de zorg om het verlies van ouders en andere familie in de kampen. Door die voogdijdiscussies kregen die kinderen er nog een trauma bij.

    Blijven houden vanWagner

    Versteegen staat ontegenzeglijk erg sympathiek tegenover Keilson, maar hij verzwijgt niet zijn wat onbeminnelijke kanten zoals zijn jaloezie, zijn niet altijd respectvolle omgang met vrouwen, zijn ijdelheid  en zijn aandeel in de verwijdering tussen zijn dochter uit zijn eerste huwelijk, Barbara, en zijn zus Hilde. Waardevol in deze biografie zijn de heldere duiding van de diverse boeken en gedichten van Keilson, het zicht op de receptie daarvan in verschillende tijdsperioden, de reikwijdte van zijn therapieën en zijn verhouding tot de Duitse taal en Duitsland dat hem zoveel ellende had bezorgd. Versteegen maakt aannemelijk waarom Keilson bijvoorbeeld van Wagner, bij uitstek de nazi-componist, kon blijven houden.

    Er blijven ook vragen onbeantwoord omdat Versteegen niet teveel wil speculeren. Opvallend is dat hij signaleert dat Keilson zelfs in een ernstige roman als In de ban van de tegenstanders grapjes (‘knipoogjes’, noemt Versteegen ze) kon maken. Zo noemde hij twee katten die er in voorkomen Hützi en Bützi, naar de bijnamen die twee kinderen van een psychiater hadden bij wie hij college had gelopen. Het maakt nieuwsgierig naar het ‘knipoogje’ dat Keilson wellicht maakte toen hij in zijn valse persoonsbewijs in de onderduiktijd de naam Johannes Gerrit van der Linden liet vermelden. Zou hij gedacht kunnen hebben aan de destijds populaire Nederlandse dichter ‘De Schoolmeester’(Gerrit van de Linde) die tevens kostschoolhouder was (Keilson dichtte zelf en gaf sport- en muziekles aan kinderen die hij opving)? Hier stelt Versteegen de vraag niet.

    Hans Keilson – Telkens een nieuw leven doet recht aan een getormenteerd leven van een belangrijk schrijver en psycho-analyticus die de moed had om onder ogen te zien hoe haat gevoed wordt, een echte overlever, maar ook iemand die door alles wat hij geleden had, op zijn eerste vrouw Gertrud  overkwam als  (in haar woorden) ‘een mens zonder huid’.

     

     

  • Sterven in de zomer

    Sterven in de zomer

    De Duits-Hongaarse Zsuzsa Bánk (1965) schrijft in haar nieuwe roman De paradijstuin over de dood van haar vader. In tegenstelling tot wat de titel van het boek en het omslag met een bloeiende tulpenboom op het eerste gezicht doen vermoeden, is het onderwerp van de nieuwe roman van Bánk dus weinig idyllisch, alhoewel de taal die wordt gehanteerd weer bijzonder lieflijk is. Vertalers Irene Dirkes en Lucienne Pruijs hebben een geweldige prestatie geleverd door de lyrische zinnen en de prachtige stijl van Bánk vanuit het Duits te vertalen.

    Zsuzsa Bánk vertelt het verhaal vanuit het ik-perspectief. Ze brengt haar ernstig zieke vader vanuit Duitsland naar Hongarije, waar hij aan het Balatonmeer zijn laatste zomer zal gaan doorbrengen. Het loopt echter anders, omdat de ziekte waaraan hij lijdt plotseling sneller dan verwacht om zich heen slaat en vader met grote spoed teruggebracht moet worden naar Duitsland. Het gaat voor Bánk allemaal veel te snel: sterven vindt zij niet passen bij de zomer, sterven hoort in de winter.

    Ongeneeslijk wordt van alle kanten bekeken

    Aan de hand van talrijke flashbacks wordt het leven van vader gereconstrueerd. Zijn jeugd als zoon van een stationschef in Hongarije, de vlucht in 1956 voor het regime in Hongarije, zijn ontmoeting met haar moeder, de eindeloze vakanties naar hun zomerhuis met de paradijstuin en vooral de langdurige zwemtochten in het meer worden liefdevol en met aandacht voor detail beschreven.

    De aftakeling van haar vader valt de ik buitengewoon zwaar: het wachten op uitslagen, op artsen die tijd hebben, het zichtbare lijden van haar vader die verandert van een pientere en actieve tachtiger in een door een delirium gekwelde bejaarde, die om zichzelf zou moeten huilen als hij van buitenaf naar zichzelf kon kijken. Bijzonder is de manier waarop de auteur woorden geeft aan haar verdriet. Een woord als ongeneeslijk wordt van alle kanten bekeken: ‘Eerst moesten we de zin of onzin achter de letters vinden, zijn ware betekenis, het geniepige en het onontkoombare erin; dat het betekent: zonder genezing, dat het betekent: zonder perspectief, dat het betekent: zonder toekomst, dat het betekent: zonder morgen, dat het betekent: het komt niet meer in orde, het komt nooit meer goed.’

    Stilletjes huilen

    Het verdriet van Bánk loopt parallel aan de draaikolk van woorden die dat verdriet beschrijven, maar zonder dat het op enig moment sentimenteel wordt. Zij heeft zichzelf namelijk getraind in het niet-huilen en ze legt dat ook aan haar moeder op. Alleen stilletjes, als er niemand bij is, mag er gehuild worden. Ze begint haar vader al te missen, nog voordat hij gestorven is en realiseert zich dat allerlei alledaagse dingen ondermijnd, aangetast en weggevreten worden, terwijl er niets anders voor in de plaats komt, geen vervanging, geen ruilwaar en geen troost. Ze beseft dat ze voorheen eigenlijk nooit rekening heeft gehouden met zaken als ziekte en dood. Gelukkig heeft ze een paar goede vriendinnen, die wonderlijk genoeg allemaal in een vergelijkbare situatie zitten waardoor ze elkaar tot steun kunnen zijn.

    Wanneer het onvermijdelijke dan toch gebeurt, voelt de ik zich omwikkeld met verdriet. Ze houdt zich niet langer groot en ziet met lede ogen hoe er steeds meer bewijzen dat haar vader geleefd heeft verdwijnen. De rituelen rond overlijden en begraven zijn in Duitsland enigszins verschillend ten opzichte van wat wij in Nederland gewend zijn, maar dat is voor de leeservaring niet storend. Het enige minpuntje van het boek is dat de thema’s rouw, ziekte, verdriet en dood en de manier waarop ze beschreven zijn nogal zwaar zijn om de lezer langdurig aan bloot te stellen; De paradijstuin is daarom bij uitstek een boek dat zich leent om simultaan met een ander boek te lezen.

    Herkenbaar en troostrijk

    Zsusza Bánk heeft een geheel eigen, lyrische en warme stijl. Het contrast tussen de schoonheid van de taal en het onderwerp van het boek kan bijna niet groter zijn. Voor iedereen die een geliefde heeft verloren aan ziekte en dood is het verhaal herkenbaar en troostrijk, omdat Bánk woorden weet te vinden voor de gevoelens die een mens in zo’n situatie kunnen overspoelen. Gelukkig is er te midden van het verdriet ook altijd liefde en hoop: ‘De doden zijn nooit dood, ze horen in de eerste zinnen van een ontmoeting, van een gesprek, ze zitten in de tuinen, aan de tafels, voor de soepkommen, de mandjes met gesneden witbrood en bevelen, zo, praat nu over mij, stop niet, hou niet op over mij te praten.’
    De weergaloze wijze waarop Bánk zonder ook maar enig cliché te gebruiken taal inzet om een geliefde te portretteren,  is ongekend. Het is niet voor niets dat haar werk al met vele prijzen is bekroond.

     

  • Het boek dat beter een kerstfilm had kunnen zijn

    Het boek dat beter een kerstfilm had kunnen zijn

    De uitspraak ‘het boek was beter dan de film’ is er een die menig boekliefhebber meermaals geuit zal hebben. In het geval van Jane Smiley’s Een winter in Parijs zal deze mening echter niet van toepassing zijn. Dit boek lijkt geschreven om bewerkt te worden tot kerstfilm dankzij dieren als hoofdpersonages, hun vriendschap met een kleine jongen en het zoete plot met een klassiek happy end.

    Peres is een Frans renpaard dat na een wedstrijd te hebben gewonnen op een onbewaakt moment besluit op avontuur te gaan. Het paard ziet altijd wel iets wat haar nieuwsgierigheid wekt en zodoende duurt het niet lang voordat de racebaan uit het zicht verdwijnt en Peres zich plotseling midden in Parijs bevindt. Daar ontmoet ze de zwerfhond Frida, die tot voor kort aan een straatmuzikant behoorde maar sinds diens dood rondzwerft door de stad. Frida kent het klappen van de zweep als eigenaarloos dier in Parijs en helpt Peres zich te verstoppen voor de mensen, terwijl ze er ook voor zorgt dat beide dieren genoeg te eten krijgen. Later in het verhaal voegen een eendenkoppel genaamd Sid en Nancy zich toe aan het gezelschap, en de raaf Raoul.

    Een perspectief op de mens

    De dieren hebben de hoofdrol in Een winter in Parijs. Ze hebben alle hun eigen karakter en staan allemaal model voor een archetype. Zo is de jonge merrie Peres de onschuldige van de groep die met onbevangen nieuwsgierigheid elk avontuur aangaat. Zij wordt beschermd en op het rechte pad gehouden door de zorgende Frida en beide dames ontvangen advies van de wijze en alwetende raaf. Het eendenkoppel Sid en Nancy snateren de hele dag door en scheppen een hoop onrust in het gezelschap, waarmee zij de rol van rebel vervullen. Hierover heeft de raaf Raoul, die in reïncarnatie gelooft, wel iets te zeggen: ‘En kijk naar Sid en Nancy. Verschrikkelijk bezorgd, zelfs voor wilde eenden. Ik vermoed dat zij in een vorig leven impulsief en roekeloos waren…’

    Dit is een leuke knipoog naar de popcultuur van de mensenwereld, waar de dieren vanzelfsprekend niets vanaf weten, waarnaar regelmatig wordt verwezen, zoals in dit geval naar roemruchte koppels als het punk-koppel Sid en Nancy of de net zo beroemde Bonnie en Clyde.
    De toevoeging van Sid en Nancy in het verhaal doet er eigenlijk niet veel toe. De eenden zijn namelijk erg op zichzelf en een voorbeeld van hoe de dialogen tussen de dieren – en de vele omschrijvingen van hun activiteiten – vaak weinig bijdragen aan het daadwerkelijke verhaal. Bijvoorbeeld in de volgende passage, waarin Frida Nancy opzoekt bij de vijver.

    ‘Ze zocht de treden op, liep naar beneden, rustte een poosje uit, maar bleef op haar hoede tot alles rustig was, en liep tenslotte weer naar boven, de straat in die langs de rivier liep. Niet lang daarna was ze terug bij de vijver. “Lieve hemel!” zei Nancy. “Je bent terug!” Frida zei: “Klopt. Hoe voel je je?” “Hoe denk je dat ik me voel? Wat een ellende allemaal. Het water is tot helemaal hier gestegen…” ze gebaarde met haar bek, “en ging toen weer omlaag. Het was een nachtmerrie. Maar ik kan Sid dit soort dingen proberen uit te leggen tot ik een ons weeg, hij gaat niet eens lúísteren, let op mijn woorden.” “Dat zal ik doen,” zei Frida.’

    Het perspectief van de dieren schept afstand tot de voor de lezer zo bekende wereld. De dieren zien de mensen, hun gedrag en hun spullen met andere ogen. Zo is een handtas een object dat de dieren fascineert en heeft vooral de raaf Raoul zijn eigen gedachten over de mens, bijvoorbeeld als de dieren een carrousel ontdekken in de stad en zich daarover verbazen: ‘Ik vermoed dat jullie dames er geen notie van hebben hoe veeleisend nakomelingen zijn. Ze moeten vermaakt worden, in het bijzonder die van mensen, die er jaren over lijken te doen voordat ze eindelijk in hun eigen onderhoud gaan voorzien, en wat moeten ze dan in de tussentijd doen? Wij aves bespreken dit mysterie dikwijls, de luiheid die endemisch is onder mensen, en dat ze niettemin gedijen…’

    Mensen als randpersonage

    Er komen ook mensen voor in het verhaal van de dieren, al fungeren deze voornamelijk als randpersonages die ervoor bedoeld zijn de dieren gevoed en verzorgd te houden. Een vriendelijke groenteverkoper kijkt er niet gek van op als hond Frida op eigen houtje boodschappen komt doen en de eigenaresse van een bakkerij staat ’s ochtends vroeg klaar met een bak haver voor Peres.
    Zo komt langzaam maar zeker ook het 9-jarige jongetje Étienne in beeld dat samen met zijn stokoude overgrootmoeder in een grote villa in het centrum van Parijs woont. Hier leidt hij een beschut en eenzaam bestaan. Hij gaat niet naar school, heeft geen vrienden en zijn enige bezigheden zijn het verzorgen van zijn blinde en dove overgrootmoeder en het lezen van boeken.

    Dit laatste zorgt ervoor dat hij over een flinke dosis fantasie beschikt. Zijn motto lijkt te zijn: als het in een boek kan, kan het vast ook in de echte wereld. Deze gedachtegang leidt ertoe dat hij een voorzichtige vriendschap sluit met Peres en Frida en uiteindelijk Peres in huis haalt. De overgrootmoeder merkt de aanwezigheid van het paard niet op. Met de nieuwe aanwinst van dit ‘huisdier’ krijgt Étienne ook het gezelschap van de raaf en de hond erbij.

    De mensen die in het boek betrokken zijn bij het leven van de dieren delen een paar eigenschappen met hen, namelijk dat zij in wezen vriendelijke mensen zijn met een groot bewustzijn van hun omgeving en de veranderingen daarin. Daarmee lijkt de boodschap van het boek te zijn dat als je vriendelijk met de wereld om je heen omgaat, je beloond zult worden met een goed verhaal, zoals het oplossen van het mysterie van een paard in Parijs, met natuurlijk een goede afloop.

    Eind goed, al goed

    Als de overgrootmoeder van Étienne uiteindelijk sterft, werken de dieren en de mensen samen om voor Étienne een passend nieuw thuis te vinden. De speciale band die de jongen met het paard heeft opgebouwd werpt vruchten af. Hij lijkt een training als jockey te kunnen beginnen vanwege zijn natuurlijke aanleg voor paardrijden.

    Zo maakt Jane Smiley het verhaal rond met een klassiek eind goed, al goed, dat nog eens bevestigt dat dit boek het beter zou doen als kerstfilm. Er gebeurt namelijk verder weinig in Een winter in Parijs, buiten lange en vaak zinloze dialogen tussen de dieren of beschrijvingen van hun activiteiten. “Vriendelijkheid” is het thema waar dit verhaal op gestoeld is. Dit had echter meer kracht gehad wanneer de dieren ook blootgesteld zouden worden aan onvriendelijkheid en de harde wereld om zich heen. Omdat Smiley ervoor kiest alleen de zoete en zachte kant van het verhaal te vertellen, is Een winter in Parijs meer een kerstsprookje dat zich te lang rekt. Als geschreven verhaal voelt het daardoor langdradig, maar als kerstfilm voor het hele gezin zou dit een prima keuze zijn.

     

  • Oogst week 4 – 2022

    Het voorval

    Het eigen leven tot onderwerp van haar boeken maken. Dat deed de Franse schrijfster Annie Ernaux al vanaf het eerste boek dat ze in 1974 schreef, over haar kindertijd. Daarna volgden romans over haar adolescentie, haar huwelijk. Ook haar ouders waren met hun individuele wedervaren onderwerp van Ernaux’ literaire aspiraties, zoals de maatschappelijke ontwikkeling van haar vader en de ziekte van alzheimer bij haar moeder. In haar eigen leven waren afzonderlijke gebeurtenissen aanleiding voor een boek. Zo was daar L’Événement (2000), dat in 2004 onder de titel Het voorval werd uitgegeven door Singeluitgeverijen.

    Na het succes van De jaren (2020), een vermenging van autobiografische fictie en sociologie, is er nu een derde druk van Het voorval, eveneens in de vertaling van Irene Beckers. Tijdens een heel korte zomerrelatie raakt Annie zwanger. Al snel is ze ervan overtuigd dat ‘dat’ weg moet en ze besluit tot abortus. Een riskante onderneming, want abortussen geschieden dan nog clandestien. De zwangerschap dwingt haar ook na te denken over de relatie met haar moeder en over het feit dat zijzelf leven door kan geven. Neutraal, eerlijk en authentiek beschrijft Ernaux de feiten, zoals ze in al haar negentien boeken doet. Van Het voorval is een film gemaakt die in 2021 in première ging.

    Het voorval
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2021

    Een winter in Parijs

    Het driejarige racepaard Peres duwt per ongeluk tegen de deur van haar stal op het Franse platteland en als de deur opengaat stapt ze naar buiten, ziet iets liggen wat ze kent. ‘Ze bracht haar neus ernaartoe, snuffelde er wat aan en ontdekte het hengsel. Ze pakte de tas op en draafde van het stallenterrein af, de renbaan op. Serieus, dacht ze, voor een paard dat net een lange race met veertien hindernissen achter de rug had, barstte ze eigenlijk nog van de energie. Ze maakte een uitgelaten bokkensprong en brieste.’ Dan gaat het paard op weg, wat het begin is van een avontuur over vriendschap. Jane Smiley schreef met Een winter in Parijs een boek vol vriendelijkheid, troost en hoop, in de trant van Charlie Mackesy’s bestseller De jongen, de mol, de vos en het paard.

    In Parijs komt Peres hond Frida tegen, later komen er twee eenden bij en een raaf. Samen scharrelen ze in de winterse kou hun kostje bij elkaar. Als Peres de achtjarige Étienne ontmoet, ontstaat er vriendschap tussen de jongen en het dierengroepje. Étienne smokkelt de dieren die dat willen naar binnen en ook een rat sluit zich aan. De dieren praten samen, zorgen voor elkaar, hebben ieder een eigen taak en ergeren zich soms aan elkaar. Ze hebben alle eigenschappen en gedragingen die mensen ook hebben. Smiley vertelt het verhaal vanuit de verschillende perspectieven van de dieren en de jongen met ieder hun eigen, unieke persoonlijkheid. Het is een lief boek geworden.

    Een winter in Parijs
    Auteur: Jane Smiley
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    De expeditie

    Het boek De expeditie schreef Wessel te Gussinklo op verbeten toon al in 1963, in drie maanden tijd. Hij was toen tweeëntwintig jaar. Uitgeverij Koppernik laat het nu voor het eerst in druk verschijnen. Hoofdfiguur Ronald spiegelt zichzelf een helder beeld voor van de volmaakte vrouw. Hij legt het zijn geliefde, Mirjam, dwingend op en verwacht dat zij eraan voldoet. Hij verlangt naar een symbiose, naar een compleet samenvallen met de ander. Maar Mirjam weigert aan dat beeld te voldoen en volgt haar eigen belangen.
    In De Groene Amsterdammer zegt Te Gussinklo in januari 2021 over De expeditie: ‘Helemaal per ongeluk, toen ik net tweeëntwintig was, begin ik een verhaaltje te schrijven. Plotseling, zomaar, schoot het uit mij voort. Mijn schrijverschap ontwaakte toen. Ik wist opeens: verdomd, dit is het, dit wil ik met mijn leven.’

    Eveneens is in deze uitgave van Koppernik Het meesterwerk opgenomen, een autobiografisch en soms hilarisch verslag over de moeilijkheden en mislukkingen die Te Gussinklo ondervond bij het schrijven, vanaf het voltooien van De expeditie tot aan de publicatie van De verboden tuin. Voor deze tweede roman kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden.

    Te Gussinklo, bewonderaar van Dostojewski en Sartre, vindt zichzelf meer een schrijver van inzichten dan van verhalen. Zijn thema’s zijn veelal de strijd met het dagelijks bestaan, macht, ideologieën, tirannen, beelden en visioenen. In 2021 won hij de Boekenbon Literatuurprijs voor Op weg naar De Hartz, het vierde deel van de romancyclus over zijn alter ego Ewout Meyster.

     

    De expeditie
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Koppernik 2021
  • Oogst week 3 -2022

    Het woord voor rood

    Het woord voor rood van Jon McGregor is misschien wel het best te typeren als een roman over communicatie op allerlei niveaus. De roman, bestaand uit drie delen, begint met een expeditie op Antartica die mislukt. De groep van drie leden raakt elkaar kwijt tijdens een storm. Ze hebben geen contact meer. De expeditieleider Robert Wright (‘Doc’) weet het verblijf met de zendinstallatie terug te vinden, maar raakt buiten bewustzijn. Hij blijkt daarna door een beroerte  zijn spraakvermogen kwijt te zijn. Daardoor kan hij – in het tweede deel – eenmaal thuis ook met zijn vrouw Anna niet meer communiceren.

    Het derde deel beschrijft Roberts therapie die er toe moet leiden voldoende taal te hervinden om zijn verhaal te kunnen doen. Wat is er aan communicatie mogelijk als iemand afasie heeft?

    De roman kreeg in eigen land zeer lovende kritieken en Nederlandse lezers kunnen de auteur kennen van Zelfs de honden (2021) en Reservoir 13 (2018).

     

     

    Het woord voor rood
    Auteur: Jon McGregor
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Het huis aan het einde

    Naar koude streken, bovendien naar het noorden trok Irwan Droog vorig jaar met zijn vriendin Kim en hond Zorro. Hij verhuisde naar Selvær, een klein eilandje in de poolcirkel, terwijl in Nederland de eerste vaccinaties tegen covid-19 werden uitgedeeld: ‘ik werkte al vanuit huis, en de eerste lockdown hield me alleen maar meer binnen dan ik normaal gesproken al was. Toen de kans zich voordeed om me niet langer op te sluiten in mijn huurappartementje in Amsterdam-Noord maar te vertrekken naar een vrijstaand huis op het puntje van een verafgelegen eiland in de Noorse Zee, hoefde ik daar dan ook niet lang over na te denken. Ik loop al bijna twintig jaar rond met de wens langere tijd in Noorwegen door te brengen, sinds ik er op mijn achttiende voor het eerst een zomervakantie doorbracht. En sinds mijn reis naar Spitsbergen in 2018 werd die wens nog specifieker: een eiland, een Noors eiland, een mooiere plek kon ik me eigenlijk niet voorstellen’.

    Selvær is zo klein dat je het in een halfuurtje helemaal rond kunt lopen: ‘Zal dat echt voelen als een bevrijding, of zitten we daar net zo opgesloten als in mijn woonkamer thuis?’
    Het verblijf levert bijzondere ontmoetingen op waarvan Droog verslag doet in Het huis aan het einde, zijn debuut.

     

    Het huis aan het einde
    Auteur: Irwan Droog
    Uitgeverij: Thomas Rap

    Profane verlichting

    Wat opvalt aan het omslag van Profane verlichting van Johannes van der Sluis is de kleurstelling. Die doet meteen denken aan zijn vorige bundel gedichten Ik ben de Verlosser niet uit 2020. Daarin vroeg de dichter zich via zijn woonbuurt in Rotterdam, een kuuroord in Italië en een psychiatrische kliniek in Poortugaal af wat hij nog te zoeken had in een leven zonder baan en liefde.
    Profane verlichting is in zekere zin een vervolg. De liefde komt weer om de hoek kijken. Ze heet M. is de titel van het tweede gedicht, dat begint met de regels:

    Afgelopen keer
    in café De S.
    maanden geleden
    was het barmeisje
    met een lamp
    op weg naar het terras
    ik ging naar huis
    en zei tegen haar
    dat ik haar zou volgen
    ja volg mij
    ik verlicht het pad
    zei ze lachend
    (…)


    Profane verlichting
    Auteur: Johannes van der Sluis
    Uitgeverij: Lebowski
  • Terugkeer van een zoon naar zijn stervende moeder

    Terugkeer van een zoon naar zijn stervende moeder

    Recensie door Arie Biesheuvel

    De terugkeer van schrijver en journalist Jeroen Thijssen werd in 2020 geschreven in het kader van het Brabants Boek Present. Jeroen Thijssen heeft inmiddels een oeuvre van zowel fictie als non-fictie opgebouwd, waarvan de verhalenbundel De kinderen van Triple A (2009), de romans Solitude (2014) en Hazer (2017), en het non-fictie werk Johannes van Dam. De biografie (2018) goed werden ontvangen. Het Brabants Boek Present is een provinciale versie van het landelijke Boekenweekgeschenk. Een van oorsprong Brabantse literaire schrijver krijgt de opdracht een novelle of roman te schrijven welke bij aankoop van een boek door de deelnemende Brabantse boekhandels cadeau wordt gedaan. De eerste auteur van Brabants Boek Present was  Henk van Straten, met de novelle Van Gogh sneed hier nooit een oor af (2019), en dit jaar Vrouwkje Tuinman met Tijdelijk verblijf

    Een Brabants familiedrama

    In De terugkeer komt Simon, lang geleden geëmigreerd naar Indonesië, aan op Schiphol om zijn stervende moeder in ’s Hertogenbosch bij te staan. Tijdens de treinreis wordt duidelijk dat de relatie met zus Koosje en broer Pieter verkild is en dat dit de reden van zijn vertrek naar Indonesië is gweest. Het is een Brabants familiedrama waarin hoofdstukken in het heden spelen afgewisseld met hoofdstukken waarin geleidelijk wordt onthuld wat zich tijdens Simons adolescentie heeft afgespeeld, wat uitmond in een epiloog waarin alles samen komt.

    Thijssen brengt de geest van het begin van de jaren tachtig fraai naar voren, met name waar het gaat om de invloed van de rooms-katholieke kerk op het Brabantse leven. Zelfmoordenaars kregen een aparte plek op het kerkhof, en homoseksualiteit was verderfelijk en maakte welhaast vogelvrij. Aan het slot blijkt dat wereldlijke rechtvaardigheid ondergeschikt gemaakt kan worden aan hemelse rechtvaardigheid. 

    Verwarring wekkend passages

    De woordkeuze in deze novelle kan de lezer op het verkeerde been zetten. Het verhaal begint bijvoorbeeld zo: ‘Hij arriveert na dertig jaar voor het eerst bij daglicht en herkent het oude land aan zijn contouren. Schiphol is weer groter, drukker. In het landschap waar de trein doorheen rijdt ziet hij grote veranderingen, ook al is het grotendeels groen, boerenland.’ Arriveert hij voor het eerst na dertig jaar weer op Schiphol, als het dag is; of arriveert hij op Schiphol voor de eerste keer in dertig jaar bij daglicht? De volgende zin wekt de indruk dat het tweede het geval is; de derde daarentegen alsof hij er jaren niet geweest is. Psa later wordt duidelijk dat Simon Nederland vaker bezocht heeft.

    Ook de passage waar Simon is aangekomen in het ouderlijk huis en aan de koffie zit. ‘Broer Pieter komt binnen. Hij staat op. Moeten ze elkaar omhelzen, zoals broers dat doen? Ze houden afstand, bekijken elkaar kritisch en Simon weet wat Pieter ziet, een vijftiger die lijkt op zijn jongere broer, met minder haar en meer vet.’ Wie is de jongere broer, Pieter of Simon? Ziet de jongere broer Pieter in Simon iemand die op hem lijkt, maar met minder haar en meer vet, of ziet Pieter zijn jongere broer Simon die in de loop der jaren kaler en dikker is geworden? Later lezen we dat Simon een nakomertje is.               

    Vlot geschreven verhaal

    Soms is niet goed te begrijpen wat er staat. Zoals hier, ‘Strategisch slaat de klok twaalf uur.’ Wat is hier strategisch aan? Zou hier bedoeld worden dat het slaan van de klok goed uitkomt? Eigenlijk geeft het verhaal weinig aanleiding tot deze interpretatie. Dit komt doordat te veel expliciet gezegd wordt, in plaats van dat dingen impliciet voelbaar worden gemaakt. Lees bijvoorbeeld, ‘Na de verbale is Koosje op zwijgende verwijten overgegaan. Ze loopt beschuldigend door de keuken, kijkt hem beschuldigend niet aan, zet beschuldigend water op voor thee – koffie heeft ze in haar puberteit al afgezworen.’

    Afgezien van die lelijke eerste zin, wat is er beschuldigend aan door de keuken te lopen en water op te zetten voor thee; die arme Koosje lust immers geen kofiie. Als er nu had gestaan: Ze loopt stampvoetend door de keuken, kijkt hem niet aan, en zet met veel kabaal water voor thee op. Koosje is duidelijk kwaad en het slaan van die klok is een uitkomst. Verder is De terugkeer vlot geschreven, een ‘pageturner’ en menig lezer zal er enkele plezierige uurtjes aan beleven. De voor de Nederlandse literatuur kenmerkende overbodig expliciet beschreven seksscène ontbreekt in De terugkeer ook niet. Simon verliest zijn maagdelijkheid aan – ach, u raadt het al. Genieten!

     

     

  • Voor wie dwalen wil tussen regels zonder begin of eind

    Voor wie dwalen wil tussen regels zonder begin of eind

    Een fotoalbum voorgelezen aan een blinde, die indruk wordt gewekt bij eerste lezing van de poëziebundel Niemand blijft het langst van poëzie- prozaschrijfster en kunstenares Gerry van der Linden. Meer specifiek is het album een familiealbum met welhaast huiselijke plaatjes uit vervlogen tijden. De blinde is in dit geval iemand die ooit kon zien en in het geheugen nog beelden bewaart van die huiselijkheid, de moeder met schort, de keuken, het kind, de boom in de tuin. Bij diepere lezing stuit men op een onderscheid van wat zich gemakkelijk en niet zo gemakkelijk in taal laat uitdrukken, kleuren bijvoorbeeld.

    Een schilder weet dat kleuren moeilijk met woorden te omschrijven zijn en daarom ten diepste geen naam kunnen hebben. Tenslotte kun je aan een blinde niet uitleggen wat rood is. Wellicht dat daarom spaarzaam met kleur wordt omgesprongen in deze bundel. Buiten een vleugje hemel en een toefje gras worden er in de gedichten nauwelijks andere kleuren genoemd dan die van huid en haar: zwart, wit, roze. Beweging is er daarentegen des te meer. Precies wat je op een schilderij juist weer niet zo goed kunt laten zien. Want er wordt wat bewogen. Er wordt gezwommen, geschommeld, gerend, gedanst, gefietst, op bedden gesprongen, hoger, hoger. Dat lijkt de ultieme beweging, weg van waarin men is vastgeklonken.

    jij doet mij niks wind
    ik houd niet in ik stap niet af
    ik fiets naar de einder
    mijzelf aan het stuur mijzelf achterop
    mijzelf in de fietstas

    Niemand blijft

    Gaandeweg wordt uit die vlieg- en vluchtbeweging duidelijk dat er niet zonder reden wordt bewogen. Er is een voortdurende drang tot weggaan, al vraagt men zich wel af waardoor die drang wordt veroorzaakt. Is er ergens verderop een doel dat lokt? Of ligt de noodzaak van het weggaan in het feit dat men niet blijven kan? En moet daar dan in godsnaam maar een doel voor bedacht of gevonden worden? Met de schrijfster, het kind, de verteller, voelt de lezer zich heen en weer geslingerd tussen die drang te moeten gaan enerzijds en het verlangen te blijven anderzijds. Waarmee de werkelijke tragiek in beeld komt: het weggaan wil eigenlijk het liefst een teruggaan zijn, en is daarom dooraderd met weemoed en alle attributen waaraan weemoed zich vastklampt, de kinderkleren, de schommel in de tuin, de gebaren van de moeder en wat er verder op die oude foto’s staat afgebeeld. Een weemoed die schrijnt, want nooit draait de tijd terug, noch het vergaan ervan. We worden ouder tegen wil en dank, ouder dan onze ouders soms. Nooit keren we terug in het kinderlijf en de meisjeskleren die we toen pasten. Alleen in dromen wordt de tijd nog bij de kladden gepakt en beetgenomen. Tot bij het ontwaken de beetgenomene de dromer zelf blijkt te zijn.

    elke ochtend elke avond elke nacht droom ik
    over mijn droom
    waarin ik rondloop op zoek altijd op zoek naar nou ja
    gewoon op zoek maar wel nog beeldig.

    Keukenla

    De gedichten zijn doordesemd met een veelvoud aan beelden en zijn allesbehalve eenduidig. Terwijl steeds opnieuw de vraag rijst hoe letterlijk – of niet letterlijk – die beelden moeten worden opgevat. Meteen in het eerste gedicht dat als een soort proloog aan de drie delen vooraf gaat, valt het woord keukenla en dat benadert dicht het gevoel dat meer dan eens wordt opgeroepen. Alsof iemand midden op tafel een keukenla heeft omgekieperd en met een zucht ergens tussen ergernis en lichte wanhoop de inhoud aanschouwt: ook dat nog. En datgene waarnaar zo naarstig werd gezocht ligt er niet tussen.

    In het eerste deel van de bundel, ‘Alles is vroeger’ wordt er veel van die inhoud op haast tastbare wijze beschreven. Gewone alledaagse voorwerpen die ooit in een ander tijdsgewricht betekenis hadden maar nu alleen nog maar zijn wat ze zijn. Rekwisieten van een verhaal dat – buiten de verteller zelf – haast niemand zich nog herinnert. Dingen die na het verlies van hun symbolische waarde niets anders over hebben dan hun substantie, hun vorm, hun naam. Doelloos voor het moment, mogelijk zinloos. Maar wel aandoenlijk mooi. Al zullen er vast mensen zijn die vinden dat dergelijke prozaïsche voorwerpen en woorden niet in poëzie thuishoren: gebaksvorkje, stofzuiger, krulspeld, soepkip, paardendeken.

    Het koord waarop ik liep als kind
    het koord waarop ik liep

    knapte en in vleermuismouwen viel ik
    in de schort van vrouwen

    glipte rakelings langs een graaiende oom
    het kirren van vrouwen op een familiefeestje

    prikken van een gebaksvorkje in de room
    o jij hebt te veel praatjes dacht je

    dat alles voor jou zou wijken dat
    door je te laten vallen

    het misschien anders zou lijken
    (vrouwen met dichte dijen bevallen?)

    Nog fysieker wordt het in deel twee, getiteld ‘Stemmen’. Langs een reeks plastische verbeeldingen van huid en haar, van mannelijke en vooral vrouwelijke lichaamsdelen, van vrienden in de loop der tijd aan de dood of aan het leven kwijtgeraakt, beschrijven de gedichten in dit gedeelte de kanteling van meisje naar vrouw. Ouder worden dat onherroepelijk gevoeld en ervaren wordt, tegen wil en dank, met weemoed, woede of weerbarstigheid.

    (Zijn we nu toch terug in de keuken
    waar het heerlijk naar vroeger ruikt
    waar de vrouw haar schort omknoopt
    de man zijn glaasje drinkt

    waar de kleine jongen
    tegen de tafelpoot schopt – ja
    wij zijn nog van die generatie.)

    In deel drie ‘Binnenin, buitenom’ lijkt de verteller definitief te zijn geland in het nu. Jeugd wordt enkel nog waargenomen in jonge blaadjes, konijntjes, een meisje met afgezakte kousen dat voorbij fietst. Waargenomen door een volwassene die zich bij deze onomkeerbaarheid lijkt te hebben neergelegd en weet dat de herinneringen verleden tijd zijn; hoe het jonge in het oude, het kleine in het grote, het kwetsbare in het harde wordt opgenomen en nooit meer terugkomt.

    Houvast

    Tussen haar debuut De Aantekening (1978) en deze (twaalfde) poëziebundel liggen jaren waarin het soms voor langere of kortere tijd stil was, maar niet werd stilgezeten. Jaren waarin de dichteres meer en meer haar eigen stijl ontwikkelde, daar ook vrijer in werd. De gedichten zijn allerminst eenvoudig, noch voor wat betreft thematiek en inhoud, noch qua vorm. In alle opzichten wordt de lezer uitgedaagd in het diepe te springen, het onbekende in dat op het eerste gezicht zo bekend en gewoon lijkt.

    Niemand blijft het langst is zeker geen poëzie voor wie houvast zoekt bij meer klassieke dichtvormen, met een traditionele opbouw in verzen, een stevig metrum en rijm. Des te meer voor wie dwalen durft tussen dit soort regels, zonder leestekens, hoofdletters, zonder begin of eind. En de vraag onbeantwoord wil laten of de dichteres dit alles werkelijk zo argeloos en impulsief uit de losse pols heeft neergekrabbeld of dat de woorden en regels zo zijn gestileerd dat het alleen maar zo lijkt; doorgecomponeerd op het perfectionistische af, prachtig is het hoe dan ook. En doet het ertoe, om dat te weten? Nee. Tegen de tijd dat we ons dat afvragen, zijn we al meegenomen; vliegen, springen, schommelen, fietsen we al, zijn we al gevallen en neergekomen in een bed met kruimels en gekreukelde lakens.

     

  • Berustend wachten in een benauwend niemandsland

    Berustend wachten in een benauwend niemandsland

    De vierde bundel van Froukje van der Ploeg, Nachtvangst, roept onmiddellijk een van de beste albums van Bob Dylan in herinnering: Blood on the tracks, ook wel Dylans echtscheidingsalbum genoemd omdat het gaat over de pijn en het verdriet die de scheiding van zijn toenmalige vrouw Sarah teweeg bracht. Dylan ontkende later dat persoonlijke ervaringen ten grondslag lagen aan de teksten, maar de eenzaamheid, de boosheid en de bitterheid die uit de songs spreekt, doen anders vermoeden.

    Dat geldt ook voor de bundel van Van der Ploeg, waarin het lyrisch ik, die autobiografisch lijkt te zijn, eveneens een echtscheiding achter de rug heeft. Die schijnt niet zonder slag of stoot verlopen te zijn: in het gedicht 23 juli, 02:23 staat de veelzeggende versregel: ‘Ik denk / aan escalatie, straatverboden, ontzeggingen, kapot / glas, een spoor bloed.’ Ook uit andere gedichten krijg je de indruk dat er in het huwelijk geweld gebruikt werd: ‘dit gaat niet vanzelf voorbij’ in het gedicht Uitgesproken doet denken aan de tv-spotjes van SIRE over huiselijk geweld. Al eerder werd er geconstateerd dat ‘de akte van berusting met een andere pen wordt getekend dan de huwelijksakte’. De bundel is dan ook doortrokken van een bitterheid en een tristesse, waarin het lyrisch ik berustend wacht alsof ze vastzit in een niemandsland waarin ze niet meer voor- of achteruit kan gaan.

    Stofje in het heelal

    De titel van de eerste afdeling is GJ1214b. Dit is een zogenaamde exoplaneet, die om een andere ster draait dan de zon. De dichter beseft dat we slechts een klein onderdeel zijn van iets groters; onze dagelijkse wereld is een stofje in het heelal. De mens staat machteloos tegenover de gebeurtenissen en kan niet zelf zijn koers kiezen. Uit de gedichten spreekt het verlangen om zelf het leven te kunnen sturen door in het hier en nu te blijven, niet achterom te zien en niet vooruit te kijken, maar door afstand te nemen en te relativeren.

    OVERZICHT

    Kijk: hier zijn we nu Halverwege. Sommigen van ons verlaten
    mannen voor vrouwen, verkopen huizen voor ze af zijn
    sluiten anderen buiten en staan weer op een schoolplein.

    We zijn de mensen geworden die er verstand van hebben
    verleiden met weinig tekens, bestellen personen als pizza’s
    sommigen van ons zien dingen van dichtbij onscherp worden.

    Voor een van ons is de dichtstbijzijnde ander een astronaut
    op vierhonderd kilometer boven zich in rondjes om de aarde
    iemand probeert slaapkamerbeloftes te ontbinden in de
    rechtszaal.

    Loslaten, zeggen we tegen de buurvrouw, want de angst van wat kan
    is erger dan het moment zelf, onze stemmen zijn laag geworden.

    Vrolijk is anders

    Niet alle gedichten gaan over het lyrisch ik of over de dichter zelf. In de derde afdeling Hoofdzaken zijn gedichten opgenomen die zijn geschreven vanuit het perspectief van een ander: er worden portretten geschetst van een gescheiden vader die zijn dochter weer ziet, een dementerende vrouw die ‘wil onthouden wie [ze] was’, en zelfs een dode vrouw die haar vroegere minnaar toespreekt vanuit haar kist. Het is ironisch te bedenken dat deze gedichten over scheiding, afscheid, zelfmoord, ziekte en dood onder Hoofdzaken gerekend worden door de dichter, alsof er niets anders in het leven is dat de moeite waard is. Het zegt wel iets over de teneur van deze bundel, vrolijk is anders. 

    In de afdeling Insomnia staan vijf gedichten die alle in de vroeger ochtenduren van de zomermaanden juli en augustus geschreven zijn. In een van de gedichten, 26 juli, 03.15, geeft de dichter aan dat haar leven tot stilstand is gekomen, ‘het dagelijks leven dat almaar wacht / op beginnen / en niet weer die droom waarin niets vooruitkomt.’ Uitgesproken is de titel van de laatste afdeling waarin de aanleiding tot de scheiding centraal staat, met titels van gedichten als Geduld, Te lang en Overval. Uitgesproken slaat zowel op het bevestiging van de scheiding als een aspect van de voorbije relatie. Het is ook de afdeling waarin naar verandering van de situatie gestreefd wordt:

    Ik had iets nodig dat me overnam, groter
    dan de ruimte waar mijn ex zat, lichter
    van kleur, iets dat mijn grenzen opzocht, iets
    dat dingen vloeibaar maakte, oprekte, opnieuw
    uitvond, de realiteit veranderde

    (Uit AMOR FATI 3

    Mooi in deze strofe van het gedicht is het verrassende gebruik van de enjambementen, maar ook de aanduiding van het in beweging komen na een periode van stilstand. 

    Er is hoop

    In elke afdeling, behalve in Insomnia, is een gedicht opgenomen getiteld Lieve Imke, gedateerd in respectievelijk september, oktober en november, met als standplaats Amsterdam, maar de laatste afdeling bevat een brief aan Imke die in augustus is geschreven, in de Franse plaats Dole. Waar de eerste drie briefgedichten nog getuigden van verslagenheid, is de laatste brief in de zomer in Frankrijk opgewekter en gewaagt van een nieuw begin: ‘Mijn vader stelt me steeds mannen voor met een kalm karakter / en zonder gelaagde geheimen’. Al eerder werden terloops aanwezige mannen vergeleken met dat wat de kat binnenbrengt: de verklaring voor de Nachtvangst uit de titel van de bundel. Er is sprake van een acceptatie, de troost van de alledaagsheid en een berusting die niet meer voortkomt uit wanhoop. Er is hoop.

    Froukje van der Ploeg heeft in deze bundel haar emoties goed onder controle en houdt haar stemmingen met vaste hand in toom door haar parlando taalgebruik, dat vlak en toonloos is en waarin het temmen van het verdriet de overhand heeft. Soms komt dat te kalm, te berustend over en zou je willen dat ze een keer uitschiet, maar dat gebeurt niet. Het gedicht Doldrums  (Doldrums zijn zones rond de evenaar met relatief rustig weer en lage luchtdruk) illustreert dat:

    Mijn hersens zijn glad
    windstil water, ik drijf
    door de dagen, geen vlaagje

    in de ruimtes waar ik woon
    een vast vestjesklimaat alleen
    een trui als de aankleders samen zijn

    de vloer, de lakens, mijn haar
    de tegels in de badkamer, puree
    appelmoes, vla, glad, glijdt

    nergens een haakje, splinter
    drempel of kronkel waar iets
    aan kan blijven hangen.

    De emoties in deze gedichten zijn zodanig geserreerd dat een splinter of een haakje welkom zou zijn, in ieder geval iets waar je als lezer ‘aan kan blijven hangen.’

     

  • Oogst week 46 – 2021

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden

    De titel Winteren van de Engelse schrijfster Katherine May (1977) is beeldspraak voor het omgaan met moeilijke, zware periodes in het leven, zoals ziekte, zorgen, te veel werk, verlies. May interviewde mensen daarover en tekende de gesprekken op, niet van plan om ook introspectie een plaats te geven in het boek dat speelt van de herfst tot eind maart. Maar ‘het persoonlijke deel bleef maar op de deur kloppen’, zegt ze in een interview, waarna ze ook haar eigen bespiegelingen en beschouwingen over problemen opnam. Want een plotselinge ziekte in haar familie had haar onzekerheid en afzondering gebracht. Uiteindelijk vond ze kracht in de veranderingen en overlevingsmechanismen van de natuur en in de ervaringen met ‘winteren’ van anderen. Winteractiviteiten hielpen haar erbij: ze ging ijszwemmen, baadde in IJslandse bronnen, nam deel aan een zonnewendeviering in Stonehenge en zocht het noorderlicht.

    Ook kinderboeken spelen een rol in Winteren omdat verdriet als feit in kinderliteratuur veel meer aanwezig is dan in volwassenenliteratuur. Net als in de natuur is de donkere periode van het leven een tijd om zich terug te trekken, stil te staan, te rusten en te herstellen. En daarin het proces herkennen, begrijpen, verzorgen, leren de kou lief te hebben en zien dat dit soort periodes net als de seizoenen komen en gaan, maakt May duidelijk. Winteren is wereldwijd een bestseller.

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden
    Auteur: Katherine May
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    Gij zult niet bloemlezen

    ‘Portret van een homo universalis’, staat er op de website van Louis Th. Lehmann. Hij was een Nederlandse dichter en behalve dat een internationaal bekende scheepsarcheoloog. Daarnaast was hij  onder meer vertaler, essayist, componist en muziekkenner en vooral een scherpzinnige vrijdenker. Dat deze veelzijdige man nog een website heeft lijkt in eerste instantie opmerkelijk want hij is al jaren geleden overleden (1920-2012). De website is dan ook in beheer bij De Bezige Bij en Alida Beekhuis, de weduwe van Lehmann.

    Erik Bindervoet (vertaler, schrijver, dichter en tekenaar) publiceert nu Gij zult niet bloemlezen, een bloemlezing uit de gedichten van Louis Lehmann. Hij illustreerde het boek ook. De frappante titel is ontleend aan een opvatting van Lehmann zelf, die in een interview in de Volkskrant (december 2000) zei: ‘Bloemlezen, had ik indertijd het idee, was een manier om van dichters te profiteren zonder er veel voor te betalen,’. Lehmann hoopte met zijn gebod een massabeweging op gang te brengen. Wat niet gebeurde. Ook Erik Bindervoet, die Lehmann persoonlijk kende en behalve een nawoord in een van diens boeken een autobiografisch gedicht over zijn eerste ontmoeting met hem schreef, trok zich niets van die uitspraak aan. Hij grasduinde met veel plezier in Lehmanns fantasierijke werk en koos voor zijn bundel ongeveer 200 gedichten die hij in thema’s als varen, reizen, muziek, jonge jaren en steden onderverdeelde. ‘Deze dichter,’ zegt Bindervoet, ‘is van zichzelf al een complete bloemlezing van de Nederlandse poëzie van de 20ste en de 21ste eeuw tot dusver.’

    Gij zult niet bloemlezen
    Auteur: Erik Bindervoet
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers 2021

    De goede dood

    De vader van de jonge arts Franz Czekalski was ooit een beroemde operazanger, maar ook een pionier van de vroege fascistische Broederbond. Nu is hij dementerend en verhuist hij met Franz naar het provinciestadje Houweningen, waar de fascisten de scepter zwaaien en waar zijn zoon heel gemakkelijk een baan vond als huisarts, als enige huisarts. Franz zorgt voor zijn vader, wat bij de inwoners van het stadje vragen oproept. Er zijn toch oplossingen voor een geval als zijn vader? Mensen boven de zeventig, andere onrendabelen en andersdenkenden of mensen die een klein vergrijp hebben gepleegd, worden in Houweningen geëuthanaseerd of in Kamp de Sluis gezet. Maar zijn vader een spuitje geven gaat Franz te ver.

    Jongens uit het kamp worden als dwangarbeiders te werk gesteld op de dijk, waaraan Franz en zijn vader in het laatste huis wonen. Franz krijgt al snel bedenkingen tegen het kamp. Ondertussen raakt hij verliefd op zijn buurvrouw Meeke, die een relatie heeft met de machtigste man van het stadje. De burgemeester vraagt Franz als voorzitter van een commissie die feestelijkheden voor een door de dwangarbeiders aangelegde dijk coördineert. Een van de dwangarbeiders is een zoon van de burgemeester en halfbroer van Meeke. Hij ontsnapt uit het kamp en vraagt Franz bij hem te mogen onderduiken. Behalve dat Franz in een machtsstrijd verwikkeld raakt, komt hij ook voor een morele keuze te staan.

    Klaas ten Holt is componist, gitarist, schrijver, columnist en dichter. De goede dood is zijn tweede roman.

    De goede dood
    Auteur: Klaas ten Holt
    Uitgeverij: Podium 2021
  • Oogst week 44 – 2021

    Miniapolis

    Op een ochtend komt Jonathan zijn moeder tegen in de tram. Eén probleem: ze is al vier jaar dood. Toch gaan ze samen op zoek naar het landhuis waar zijn moeder is opgegroeid. Twee andere mannen verlaten de stad gelijktijdig. Het viertal ontmoet elkaar, letterlijk en figuurlijk, en leert dat de reis niet altijd belangrijker is dan de bestemming. Rob van Essen (1963) schreef meerdere romans. Met Visser werd hij genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en met De goede zoon won hij deze prijs zelfs in 2019. Zijn nieuwste roman Miniapolis bevat dezelfde humor en vervreemding als in zijn eerdere werk.

    Miniapolis
    Auteur: Rob van Essen
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Dit soort kleinigheden

    De Ierse auteur Claire Keegan (1968) won verschillende prijzen voor haar romans en korte verhalen. Haar nieuwste roman Dit soort kleinigheden gaat absoluut niet over kleine thema’s. Het verhaal speelt zich af in de jaren tachtig, in het katholieke Ierland. Hoofdpersoon Bill heeft een bedrijf in hout en kolen. Hij is zelf de zoon van een tienermoeder die het huis werd uitgezet. Tijdens de feestdagen bezoekt hij vanwege zijn werk een klooster waar jonge vrouwen gedwongen worden om in de wasserette te werken onder de noemer ‘heropvoeding’. Deze roman is opgedragen aan de vrouwen en kinderen hebben geleden op de plaatsen waar ongetrouwde zwangere vrouwen werden weggestopt.

    Dit soort kleinigheden
    Auteur: Claire Keegan
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Kluger Hans #41 Gêne

    Kluger Hans is een platform voor nog onbekend literair talent, zowel in woord als in beeld, waarbij woord en beeld elkaar versterken. Twee keer per jaar komt er een nieuw nummer uit. Nummer #41 is net verschenen en heeft als thema ‘gêne’, en dan vooral in de literatuur. Is gêne iets wat overwonnen moet worden of juist iets wat je kunt vieren? Daan de Jager, Jonathan van der Horst, Bas Tuurder, Nic Wouters, Daan Kogelmans, Anna Wegloop, Anke Cuijpers, Hanne Craye, Nikki Dekker, Marloes van der Singel, Sixtine Bérard, Gaël van Heijst, Farīd ad-Dīn ʿAṭṭār in vertaling van Remi Hauman, Frederick Seidel in vertaling van Mattijs Deraedt en beeldend kunstenaars Corentin Grossman en Joëlle Dubois droegen bij aan dit nummer. Het nummer is hier te bestellen.

    Kluger Hans #41 Gêne
  • Liefde is een opstandig beest

    Liefde is een opstandig beest

    De openingszinnen zijn een aardige illustratie van wat De zaak aan Highway 62 van Laila Lalami goed en tegelijk minder sterk maakt. De eerste zet het verhaal meteen op scherp: ‘Mijn vader kwam om het leven op een voorjaarsavond, vier jaar geleden, terwijl ik aan een hoektafel van een nieuwe bistro in Oakland zat’. Maar daarop volgt: ‘Telkens als ik aan dat moment terugdenk, dringen zich twee tegengestelde beelden aan me op: mijn vader snakkend naar adem op het gebarsten asfalt, en ik aan de champagne met mijn huisgenote Margo’. De eerste zin roept voldoende vragen op om je het boek in te trekken, maar waarom moet in de tweede worden benóémd dat het ‘twee tegengestelde beelden’ zijn? Dergelijke schendingen van show, don’t tell komen helaas te veel voor en dat doet afbreuk aan een boek dat om zijn thematiek wel degelijk lezers verdient.

    Achter de openingszinnen zit een schuldgevoel van Nora, de dochter die hier aan het woord is. Ze heeft kort voor het ongeluk haar vader Driss aan de telefoon gehad en heeft beloofd hem terug te bellen. Maar op het moment dat ze daar tijd voor heeft doet ze het niet en gaat ze rustig een kopje koffie drinken. Daarmee heeft ze haar laatste kans laten schieten.
    Driss Gerraoui heeft op 28 april rond half elf zijn restaurant ‘The Buffet’ afgesloten en is bij het weggaan geschept door een auto die is doorgereden. De politie komt niet verder dan een aanrijding met dodelijke afloop door een onbekende, maar Nora laat het daar niet bij. Waarom sloot haar vader die avond ‘The Buffet’ af, iets dat hij altijd over liet aan een personeelslid? Heeft de politie wel genoeg gedaan om getuigen te vinden? Was het haat en was het ongeluk moord? Het verhaal wordt zo een whodunnit, die de boog gespannen houdt, maar dat is niet wat de roman het lezen waard maakt. Juist daarom is de oorspronkelijke titel The Other Americans eigenlijk beter. Daarin gaat de aandacht niet primair uit naar een mogelijk misdrijf, maar naar de fricties en problematische verhoudingen in de smeltkroes Amerika.
    De omgekomen Driss is een Marokkaanse immigrant en dat maakt ‘de zaak’ anders.

    Zondebok

    Auteur Laila Lalami zelf is ook geboren in een arbeidersmilieu in Marokko en is nu universitair docent creative writing in Californië. Haar vorige roman uit 2014, in 2020 in het Nederlands vertaald als La Florida, werd bekroond met de American Book Award en haalde de shortlist van de Pulitzer Prize. In die roman stond de vermeende superioriteit van de witte man tegenover andere culturen centraal.
    Nu, in De zaak aan Highway 62, is het de hardnekkige achterdocht van de witte Amerikaan jegens immigranten sinds 9/11. Dat trauma zoekt nog steeds een zondebok waarop een diepgewortelde angst kan worden afgereageerd.
    De roman is bijna helemaal gesitueerd in de Mojavewoestijn in het zuiden van de VS. Veel van de personages zijn immigranten. Driss Gerraoui is in de jaren 70 met zijn vrouw Maryam en dochter Salma de repressie in Marokko ontvlucht. In Amerika wordt hun dochter Nora, de belangrijkste stem in het boek, geboren. De confrontatie met de Amerikaanse cultuur leggen een zware druk op het gezin. Driss wordt atheïst terwijl zijn vrouw juist gehecht blijft aan de islam en haar moederland. Nora, die in Amerika is geboren, wil componiste worden en wordt daarom door haar moeder gekleineerd: waarom bouwt ze geen carrière op, net als haar zus Salma? Ze heeft het gevoel dat alleen haar vader haar begrijpt. Daarom heeft zij er de meeste moeite mee zijn dood te aanvaarden als louter een verkeersongeval.

    Irak

    Er is wel degelijk een getuige van het ongeluk. Dat is de Mexicaanse immigrant Efraín Aceves. Die durft zich niet te melden omdat hij geen verblijfsstatus heeft en bang is te worden uitgezet.
    Dan is er nog de Afro-Amerikaanse rechercheur Erica Coleman, geen immigrante, maar ook zij krijgt te maken met raciale bejegeningen.
    Daarnaast zijn er de Amerikanen Jeremy Gorecki en zijn marinemaatje Brian Fierro. Zij verwijzen op een andere manier naar 9/11. Ze hebben gevochten in Irak. Ze gingen er vol overtuiging naar toe om de daders van de aanslagen op de Twin Towers uit te schakelen. Ze dragen de last van hun missie op verschillende manieren met zich mee. Fierro is veranderd in een bullebak met woede-aanvallen, terwijl Jeremy zich aan een nieuw leven heeft weten aan te passen door zijn gevoelens weg te stoppen. Dat lukt hem niet meer als hij een verhouding krijgt met Nora die tot spanningen leidt. Bij haar ziet hij in dat hij en zijn maten in de politieke drogredenen van Bush en de zijnen zijn getuind om in Irak dood en verderf te zaaien.
    Aan de andere kant staan de Amerikanen als Anderson Baker en zijn zoon, die heilig geloven in de VS als brenger van gerechtigheid. Ze exploiteren naast het restaurant van Driss een bowlingbaan en reageren zich voor alles wat tegenzit af op de moslims; in hun geval natuurlijk vooral de Marokkaanse buurman.

    Compassie

    Lalami kiest voor haar roman een vorm die zorgt voor een veelzijdig narratief. Alle hoofdstukken dragen als titel de naam van één van de personages: zij vertellen steeds hun kant van het verhaal: Nora, Maryam, Salma, Coleman, Jeremy, Efraín, Baker enzovoort. Zelfs de overleden Driss wordt als verteller opgevoerd.
    In ieders verhaal draait veel om hun herinneringen, die duidelijk maken wat hen in hun leven heeft gevormd. Juist daarin komen helaas nogal wat ontsierende platitudes voor die in de vertelstijl afbreuk doen aan de kracht van het verhaal: ‘Het geheugen is een merkwaardig iets. Wat de een voorgoed bijblijft, is de ander zo weer vergeten’. Of: ‘Wat was het hart toch een kwetsbaar iets. Zo makkelijk voor de gek te houden’.

    Er is nog een laatste aspect dat De zaak aan Highway 62 goed maakt. Dat is de compassie die Lalami bij de lezer weet te wekken voor haar personages. Uiteindelijk begrijp je dat ieder van hen, óók de agressieve Fierro of vreemdelingenhater Baker, in zekere zin de pech hebben gehad te belanden in een leven en denkwereld die voor een groot deel door ongelukkig toeval werden bepaald. Uiteindelijk kunnen werkelijke belangstelling en aandacht voor elkaar, ja liefde, daaruit een uitweg bieden. Het is zoals Nora concludeert waar ‘dat liefde geen tam of passief wezen was, maar een opstandig beest, chaotisch en onvoorspelbaar, ruimhartig en vergevingsgezind’. Laten we Lalami haar paar stilistische zwakheden vergeven en ons openstellen voor haar werkelijke verhaal.

     

  • Het dubbele gezicht van de eenvoud

    Het dubbele gezicht van de eenvoud

    Het komt niet vaak voor dat de bladspiegel van een poëziebundel regelmatig opgebouwde gedichten laat zien van louter terzetten of kwatrijnen. Bij de terhandneming van Alles is hier nog, de nieuwste bundel van Marc Tritsmans, valt dit daarom onmiddellijk op. Het heeft iets sympathieks. Dit is een dichter die zich niet verliest in pretentieuze gekunsteldheid, maar gewoon mooi vloeiende regels schrijft. Voor lezers die Tritsmans al kennen is dit geen nieuws. Alles is hier nog is Tritsmans dertiende bundel en is ook inhoudelijk heel vertrouwd. De bundel is opgebouwd uit vier delen die samen de menselijke levenslijn beschrijven. Het eerste deel heet dan ook ‘Beginnen’ en bestaat uit een reeks van elf gedichten van elk drie terzetten die de eerste levensdagen van een baby beschrijven.

    Inlevingsvermogen

    Opmerkelijk genoeg gebeurt dit vanuit het ik-perspectief, wat immers onmogelijk is omdat een zuigeling zich nog niet van de werkelijkheid bewust is. We kunnen een baby niet naar zijn ervaringen vragen, noch gaan onze herinneringen ver genoeg terug. Precies dat maakt deze gedichten bijzonder. De dichter stelt zich met groot inlevingsvermogen voor wat er door het hoofd van een zuigeling zou kunnen gaan, maar dat, vanuit de kennis en ervaring van de volwassene. Dit levert een spanningsveld op. In de eerste gedichten bevindt het kind zich zelfs nog in de baarmoeder.

    ‘Dit is het zijn in zijn zuiverste zin.
    Er is nog geen tijd en er zijn nog
    geen vragen en zo mag het altijd

     blijven maar dat kan ook hier dus
    niet. Iets groots staat op stapel.
    Er zijn tekenen dat de grot mij

     wil verjagen want wanden komen nu
    dreigend op me toe terwijl het bonzen
    angstaanjagend snel en almaar luider.’

    Het verlangen naar geborgenheid is een bekend thema in Tritsmans oeuvre, dat ook in deze bundel regelmatig terugkomt. In prachtige, ritmische regels beschrijft de dichter minutieus het hele proces van geboorte, gevoed worden, het ontdekken van het eigen lichaam, om na de aanvankelijke vrees de opwinding van het leven te ontdekken: ‘De wereld rondom mij stopt niet met groeien / wordt almaar spannender, steeds meer moet / worden ontdekt: nooit wil ik hier nog vandaan.’

    Levensverhalen

    Het tweede deel, ‘Kleine verhalen’, heeft een anekdotische inslag. De toon is een stuk verhalender en ze gaan over de verwondering van alledag, over onderwerpen als natuur en muziek. Het zien van een bijzondere vogel, of het wonder wanneer voor je ogen een oude dame op een brancard door middel van een ladderwagen haar grachtenpand in wordt getild, alsof het om een tenhemelopneming gaat. Vaak gaan de gedichten over (zelf)relativering en dood. Van kleine drama’s als onmacht bij de plundering van een merelnest door een kat of een bespiegeling over een vliegtuigcrash waarbij niets anders overblijft dan ‘misschien nog een tas / ergens aangespoeld met daarin dit door zeewater / volmaakt geworden leesboekje’. Soms behelzen de verzen niet meer dan een gedachtespinsel: hoe komt het dat, terwijl gedurende ons leven al onze cellen en neuronen worden vervangen, wij toch als dezelfde worden herkend? Een enkel keer is de toon luchtiger, zoals wanneer de dichter erover mijmert Bachs Goldbergvariaties te spelen. (‘Wat ik wel zou willen kunnen’).

    Deel drie bevat de tweede lange cyclus van de bundel, ‘Litanie van de tijd’, waarin Tritsmans filosofeert over de tijd. De nadruk ligt hierbij op de vergankelijkheid – het is tenslotte een klaagzang – een thema waar Tritsmans vaak over dicht. In de eerste gedichten slaat hij een woedende toon aan: de tijd is een ‘stilzwijgende vermorzelaar’, ‘een genadeloze pletwals’ en ‘wrede verbrijzelaar’, ‘Die geen enkele cel, geen enkele vezel / in ons weerloze lichaam ongemoeid laat. / Die ons onderwerpt en knecht en paait’. Maar algauw wordt de toon milder en wordt de tijd ook afgeschilderd als ‘de hondstrouwe, immer aanwezige / de machtige maker, de geduldige / opvoeder, de wijze leermeester’. We kunnen immers niet zonder tijd: ‘Ongrijpbaar, niets is de tijd / maar zonder hem waren / ook wij niets, was er nergens / iets.’

    In het gedicht ‘Geen psalm’ dat op de cyclus volgt voegt Tritsmans als een soort noot hieraan toe dat de mens in het proces van vergankelijkheid zelf een kwalijke rol speelt door met zijn gedrag de aarde te vernietigen. Een thema dat Tritsmans in zijn vorige bundel Het zingen van de wereld uitvoerig behandelde.

    Na aandacht voor de geboorte, de levensverhalen en het verstrijken van de tijd eindigt Tritsmans in het vierde en laatste deel ‘Eindigen’ met de dood. Tritsmans verhalen en bespiegelingen zijn steeds treffend geformuleerd en meestal herkenbaar. Tegelijkertijd vormt dit soms een bezwaar als het om inzichten gaat die weinig bijzonder zijn, zoals bij de bespiegelingen over de tijd. Soms wordt het zelfs sentimenteel, zoals in het gedicht ‘Het boek van mijn vader’. Hierin treft de ‘ik’ in een boek van zijn overleden vader diens naam op het schutblad aan ‘in nog altijd even koningsblauwe inkt’. De laatste strofe luidt:

    ‘Als een meteoriet uit vroegere warmere tijden
    rust het boek van de vader hier nu schroeiend
    in een hand die al begonnen is te lijken op de zijne.’

    In een later gedicht kan de ‘ik’ zich dankzij een oude foto verplaatsen naar het Knokke van 1948 waarop zijn ouders jong, verliefd en hoopvol zijn te zien. Het is de sensatie waarnaar de titel van de bundel verwijst: Alles is hier nog

    Even ademloos

    Tritsmans drukt zich wel erg letterlijk uit en wanneer hij beeldspraak gebruikt, bewandelt hij gebaande paden. Neem het gedicht ’Deuren’, ‘Hoeveel deuren hebben zich zovele jaren / en zo vanzelfsprekend voor ons geopend.’ De deuren openen naar ‘werelden / waarin al die mensen die ons koesterden / die wij koesterden, voor altijd samen / en veilig waren, zo leek het.’ Het gedicht besluit met ‘Dezelfde deuren / nu gesloten, het paradijs voorgoed onbereikbaar.’ 

    De kwaliteit van deze bundel ligt in de precieze bewoordingen, de fijngevoelige blik en het ritme van de poëzie. Tritsmans schrijft heldere taal in fraai lopende zinnen. Eenvoud is zijn kracht, maar ook zijn zwakte: de gedichten benoemen terwijl het om verbeelding zou moeten gaan. De gedichten zijn sterker wanneer er gekozen is voor een bijzondere invalshoek, zoals in de eerste cyclus. Andere voorbeelden zijn ‘Schrödingers kat’ en ‘Het gedrag van kwantumparen’ die respectievelijk uitgaan van een gedachte-experiment van de Oostenrijkse fysicus Erwin Schrödinger en een proef van de TU Delft ten aanzien van het gedrag van kwantumparen. In het sonnet ‘Stilte’ zorgt Tritsmans voor een bijzonder effect door stilte als persoon op te voeren. Dan ben je, met de dichter, even ademloos.

    STILTE

    Gisteren trof ik haar nog onverwacht.
    In een afgelegen hoekje van de wereld
    en de tijd lag ze blijkbaar door iedereen
    vergeten en onaangeroerd terwijl ik haar

    toch lang en steeds wanhopiger had gezocht
    en wat me opviel: hoe loodzwaar zij hier
    tussen de bomen hing, hun kruinen wat
    liet doorbuigen en hoe zij overduidelijk

    verongelijkt en op weerwraak belust
    de wereld haar wil oplegde zoals je
    iemand met een kussen welbewust

    het ademen belet. De wind, de vogels
    en ik, wij zwegen met ons allen
    onder haar nietsontziend gewicht.