• Niet altijd herkenbaar maar met liefde getekend

    Niet altijd herkenbaar maar met liefde getekend

    Zoals er mensen zijn die de titel noteren van de boeken die ze hebben gelezen, zo noteert schrijfster Nicolien Mizee in opschrijfboekjes de namen van vogels die ze heeft gezien. Soms ingefluisterd door haar man Rob, een fervent vogelaar. Sterker nog: ze schrijft niet alleen de vogelnamen op, maar ze tekent ze met kleurpotlood ook na, aan de hand van een vogelgids. En ze geeft er ook nog eens korte beschrijvingen bij. Zelf vindt ze, dat ze niet kan tekenen. ‘Die vogels van mij leken nergens op’, schrijft ze. Maar ook, ‘de ogen waren mij geopend’. En daar gaat het primair om, en zoals het veel mensen in coronatijd overkwam. Vogelbescherming Nederland spon er garen bij. ‘God zegene de stilte van de lockdown’ schrijft Mizee nadat ze de grote lijster heeft gehoord.

    Oké, technisch zijn de tekeningen lang niet allemaal geslaagd te noemen. Dat hoeft ook niet, want Mizee is natuurlijk vooral schrijfster. Maar het zijn wel tekeningen die aandoenlijk zijn. Neem die grote zaagbek met als het ware een waterhoofd en een te klein uitgevallen lijf, of een Nijlgans die wel vetgemest lijkt, of een platgewalste wilde eend. Zelf verzuchtte ze: ‘Zo’n mooie, metallic vogel – en nou teken ik hem zo lelijk!’
    Mizee is eerlijk, ook over welke vogels haar hart hebben gestolen en welke niet; de merel is haar lievelingsvogel, terwijl ze ook kuifvogels (kuifeenden, kuifmezen, reigers, kieviten) fraai vindt. De bergeend vindt ze weer niet zo mooi en de meerkoet zelfs lelijk.

    Leuk zijn de korte teksten bij de soms toch werkelijk wél goed gelukte tekeningetjes. De verontschuldiging is op zich ook leuk: ‘Deze heb ik van Lars Jonsson nagetekend en die maakte de vogels altijd wat boller, omdat Lars een Zweed is. In Zweden is het kouder dan hier, dus die vogels zetten hun veren op.’ Mooi geslaagd is een slechts schetsmatig weergegeven kleine zilverreiger, ja: een kuifvogel. Misschien schuilt in de beperking toch ook hier de meester?

    We lopen mee met Nicolien, Rob en op een gegeven moment ook een logé, Robinson – of is dit zo’n leuk Mizee-grapje en is het ‘gewoon’ Rob? Zo zitten er meer leuke dingen in de tekstjes, want waren die ooievaars langs de snelweg naar Den Haag wel echt (vast!), of was het gewoon de ooievaar in het wapen van ’s-Gravenhage?
    Geestig is ook die ene vogelbeschrijving zonder tekening: de balts van een houtsnip speelt zich namelijk af in de lucht, en niet op de grond waar Mizee naar zat te turen.

    Het is geen boek om onderweg mee te nemen om vogels te leren (her)kennen; de ekster is bijvoorbeeld in verhouding zó klein uitgevallen, dat dit beslist niet zou lukken. Maar dat doe je denk ik ook niet met de recent verschenen facsimile met vogeltekeningen van Peter Vos: 333 Vogels. Laten we wel zijn: Vos is een geschoold tekenaar, Mizee niet. Hij ging naar Artis, Mizee ging de natuur in en tekende met veel liefde. En dat bepaalt de waarde van de getekende vogels.

     

     

  • Oogst week 48 – 2021

    Nicolien Mizee's Vogelboek

    Nicolien Mizee (1965) schrijft romans en briefbundelingen. Ze werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en de BookSpot Literatuurprijs. Vorig jaar kreeg ze voor haar boeken De kennismaking – Faxen aan Ger en De porseleinkast – Faxen aan Ger de Henriette Roland Holst-prijs, die driejaarlijks wordt uitgereikt aan een literair werk dat niet alleen van hoog niveau is, maar ook sociale betrokkenheid toont.

    Behalve auteur is Mizee ook vogelspotter. Ze houdt met de precisie van een schrijver bij welke vogels ze al heeft gezien, inclusief rake en grappige beschrijvingen. Daarnaast tekent ze de vogels. In Nicolien Mizee’s Vogelboek zijn deze teksten en illustraties gebundeld.

    Nicolien Mizee's Vogelboek
    Auteur: Nicolien Mizee
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Oktober is de mooiste maand

    Johanna Spaey (1966) debuteerde in 2005 met de misdaadroman Dood van een soldaat. Hiermee won ze de Gouden Strop en de Hercule Poirot-prijs. Vervolgens schreef ze meerdere romans. Oktober is de mooiste maand is haar nieuwste boek. Het gaat over Stefan, die in de jaren tachtig tot levenslang wordt veroordeeld in Duitsland.

    Na twintig jaar komt hij vrij, al mag hij Duitsland niet verlaten. Dit doet hij toch, want zijn vroegere geliefde woont in België. Terwijl hij haar al vluchtend voor de politie probeert te vinden, overdenkt hij zijn leven: ooit was hij een gewone geschiedenisleraar die veranderde in een moordenaar.

    Oktober is de mooiste maand
    Auteur: Johanna Spaey
    Uitgeverij: De Geus

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus

    Caro Verbeek (1980) is kunsthistoricus en geurwetenschapper. In 2021 promoveerde ze op kunsthistorische geuren. Ze werkt als conservator bij het Kunstmuseum in Den Haag en doceert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Haar boek Een kleine geschiedenis van de (grote) neus is een lofzang op de neus.

    Verbeek leidt de lezer door de geschiedenis, langs grootheden als Rembrandt, maar ook langs speelgoediconen als Barbie. Ook gaat ze in op schoonheidsidealen, zo werden grote neuzen vroeger nóg groter gemaakt, want dat straalde status uit. De neus van Cleopatra blijkt een knap stukje politieke strategie, dodenmaskers werden aangepast (wij zouden nu ‘gephotoshopt’ zeggen) om de neus van de overledenen nóg markanter te doen lijken en zelfs hashtags neemt Verbeek onder de loep.

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus
    Auteur: Caro Verbeek
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Mirthe van Doornik en Henriette Roland Holstprijs voor Nicolien Mizee

    Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor Mirthe van Doornik en Henriette Roland Holstprijs voor Nicolien Mizee

    De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft onlangs de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs aan Mirthe van Doornik toegekend voor haar debuutroman Moeders van anderen. Deze stimuleringsprijs wordt jaarlijks uitgereikt, afwisselend in de categorie poezie en proza. Mirthe van Doornik ontvangt een glasobject en 7.500 euro. Moeders van anderen verscheen in 2018 bij Uitgeverij Prometheus.

    De jury bestaande uit Hanneke van Eijken, Kester Freriks, Pia de Jong, Gerard Raat en Yves T’Sjoen: ‘Het is om zowel inhoudelijke als stilistisch-compositorische redenen dat de jury het pure en overtuigende prozadebuut Moeders van anderen voordraagt voor de Van der Hoogtprijs 2020 van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Met deze unanieme keuze wil de jury graag onderstrepen dat het genre roman in de huidige tijd, gekenmerkt door nadruk op het journalistiek-documentaire, zeer indrukwekkend kan zijn.’

    De Van der Hoogtprijs werd eerder onder meer  gewonnen door Lize Spit, Merijn de Boer, Erwin Mortier, Arthur Japin, Wessel te Gussinklo, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom en Anna Blaman de Van der Hoogtprijs.

     

    Henriette Roland Holstprijs voor Mizee

    De Henriette Roland Holstprijs, die sinds 1984 eens in de drie jaar wordt uitgreikt, is toegekend aan Nicolien Mizee voor haar eerste twee faxboeken De kennismaking en De porseleinkast (Van Oorschot). Mizee ontvangt een oorkonde en 3.000 euro. De prijs is – zo staat op de site van haar uitgever vermeld ‘na een troostprijs voor een tekenwedstrijd op mijn negende’ – de eerste prijs die Nicolien Mizee ontvangt.

    De in bestaat al sinds 1957 en is ingesteld als prijs voor een ‘in de Nederlandse taal geschreven werk van proza, poëzie of toneel dat zowel uitmunt door sociale bewogenheid als door literair niveau’.

    Uit het juryrapport: ‘In haar faxen brengt Mizee verslag uit van de periode waarin ze haar eerste romans concipieerde. Nauwgezet geeft ze weer hoe haar schrijverschap zich heeft ontwikkeld. In het bijzonder waardeert de jury Mizee’s sprankelende stijl, haar sterke humor, authentieke onaangepastheid, invoelbare wanhoop en niet in de laatste plaats ook haar genadeloos eerlijke zelfanalyse.’

    Eerdere laureaten van de Henriette Roland Holstprijs zijn onder meer Alfred Birney, David Van Reybrouck, Tom Lanoye, Johan de Boose, Bas Heijne, Geert Mak, Inez van Dullemen, Lieve Joris en Jan Hein Donner.

     

  • Oogst week 45 – 2019

    Allesverpletterende

    Allesverpletterende is de titel van het deze week verschenen derde boek van Nicolien Mizee met faxen aan Ger Beukenkamp. De vorige twee delen waren De kennismaking uit 2017 en De porseleinkast uit 2018. ‘Allesverpletterende’ is één van de aanspreekvormen die Mizee gebruikt in haar correspondentie met Ger. ‘Een oprechte stem die zichzelf niet spaart’, schreef Inge Meijer in een column op deze site over Mizee. Zij vond het tweede deel al diepgravender en onderzoekender dan het eerste. De recensie van De porseleinkast door Thomas de Veen in NRC Handelsblad kreeg zelfs de kop mee: ‘Nog een paar van deze verslavende boeken en Mizee wint de P.C. Hooft-prijs’. Dat belooft wat voor Allesverpletterende.

    Allesverpletterende
    Auteur: Nicolien Mizee
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Liever dier dan mens, Een overlevingsverhaal

    Journalist Pieter van Os, onder andere voor De Groene, wist van het bestaan van de in Polen geboren joodse Mala Rivka Kizel, die tegenwoordig Marilka Shlafer heet en in Amstelveen woont. Ze is nu tweeënnegentig. Van Os had de grote lijnen van haar wonderlijke overlevingsverhaal al eens gehoord van haar kleinzoon en zocht contact met haar. Hij las haar memoires, voerde gesprekken met haar en bereisde de plekken waar ze gewoond heeft. Ze overleefde de oorlog doordat ze inwoonde bij een nazigezin in Zerbst. Ze gedroeg zich alsof ze volksduitse was. Ontroerend is het moment waarop de Amerikanen bij de bevrijding ontdekken dat Mala geen Duitse is als ze meezingt met een jiddisch lied dat enkele joodse soldaten onder de Yankees hebben ingezet. In Liever dier dan mens vertelt van Os meeslepend zijn zoektocht en de odyssee van Mala door Polen, de Oekraïne, Duitsland, Israël en Nederland.

    Liever dier dan mens, Een overlevingsverhaal
    Auteur: Pieter van Os
    Uitgeverij: Prometheus

    M.

    M. De zoon van de eeuw van Antonio Scurati werd in Italië bekroond met de belangrijkste literaire prijs van het land, de Premio Strega. De M uit de titel is Mussolini, maar dan niet in retrospectie. Scurati is in deze vuistdikke roman in het hoofd gekropen van de Duce, of beter: de aanstaande Duce. Hij leefde zich helemaal in in de psyche en het taalgebruik van een man die er van overtuigd was dat hij een grote rol zou gaan spelen in zijn land en de wereld. Maar Scurati wilde het latere oordeel van de geschiedenis daar zoveel mogelijk buiten houden. ‘De toekomst is van ons. Al ga je op je kop staan, er is niets aan te doen, ik ben net als een dier, ik ruik de tijd die komt’, denkt de dan 36-jarige Mussolini. Hij is klaar voor de oprichting van zijn fascistische partij. Het is 1919.

    M.
    Auteur: Antonio Scurati
    Uitgeverij: Podium
  • Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Met zwier verteld verhaal rond twee moorden en een moestuin

    Moord op de moestuin is de wat dubbelzinnige titel van Nicolien Mizee’s eerste niet op autobiografische gebeurtenissen gebouwde roman. Wie de titel letterlijk neemt en bang is dat er een moestuin wordt vermoord kan gerust zijn: het gaat gewoon om een moord op het terrein van een moestuin. Mizee is een bewonderaarster van het oeuvre van Agatha Christie en wilde ook eens proberen een detective te schrijven.
    Ze vond daarvoor een heel geschikte personele bezetting en situatie. Hoofdpersonage Judith, net als Mizee zelf schrijfster en docent aan de schrijversvakschool is pas enkele dagen getrouwd met de vijftien jaar oudere Thijs als hij onverhoeds een hartaanval krijgt en moeizaam herstelt van de operatie die hij ondergaat.
    ‘De goden hadden de roekeloosheid bestraft waarmee ik mijn oude leven achter me had gelaten door met Thijs te trouwen en mijn zolderetage op te geven. Ze hadden mijn knappe, aardige, geleerde man in één minuut veranderd in een bijna onherkenbare grijsaard met lege ogen, voor wie ik eigenlijk een beetje bang was.’

    Culinaire traktaties

    Als de situatie nog verergerd wordt door bouwactiviteiten van de buurman bieden Judith’s zus en haar man soelaas: ze huren voor de zomer een boswachtershuisje op het landgoed Groenlust en gaan daar met Judith en haar man wonen. De eigenaressen van het landgoed zijn jeugdvriendinnen van Judith en haar zus en het wordt – zo te lezen – op het landgoed een gezellige boel, waar Thijs zichtbaar van opknapt. Culinaire tractaties die daar plaats vinden schrijft Mizee graag uitvoerig:
    ‘Ik liep met Cora mee om de vis uit de oven te halen. De zoutkorst was prachtig lichtbruin geworden. De marmeren plaat zou gauw afkoelen, toch was ik bang dat de bloemen zouden verflensen. Vlug maakte ik een krans van grote slabladeren om de zoutheuvels en daarop legde ik de bloemen. Cora maakte in een platte schaal een rand van de bladeren van de Oost-Indische kers, stortte de bietjes erin en tikte er met een pollepel de donkerrode pitten uit de granaatappel overheen. Her en der staken we nog wat bloemen in de schalen met krieltjes en worteltjes, en na enkele malen heen en weer lopen stond alles op tafel en konden we de bewonderende uitroepen gracieus in ontvangst nemen.’

    Een schedel

    Als de roman ongeveer op de helft is, de lezer een uitvoerig verslag van het maken van chipolatapudding achter de rug heeft en zich begint af te vragen wanneer het detective-verhaal nu eens zal beginnen, vindt Judith op de volkstuin die zij op het landgoed gehuurd heeft, een schedel. Ze barst van de weeromstuit in lachen uit, want Judith heeft zo haar eigenaardigheden, net als eigenlijk alle personages in deze roman. De schedel was ooit deel van het lichaam van de tientallen jaren geleden verdwenen vader van de beide zussen die nu – met hun 80-jarige demente moeder – het landgoed bewonen. Een dronkaard en weinig populair bij de tien volkstuinders die per traditie op het landgoed een gratis stukje grond mogen bewerken. Als vastgesteld is dat de eigenaar van de schedel is omgekomen door een klap met een scherp voorwerp hebben we eindelijk de moord waar het in dit boek om begonnen zou zijn. Eén van de volkstuinders zal vermoedelijk de dader zijn en Judith weet: de tiende is zij zelf en zij heeft het niet gedaan. Wie dan wel?

    Vreemde volkstuinders

    De politie (‘bij de politie komen ze altijd in paren, net als bij de ark van Noach’) richt haar aandacht op de vijf à zes actieve volkstuinders die Judith in de loop van die zomer heeft leren kennen als stuk voor stuk vreemde vogels.
    Heel erg ijverig wordt er door de politie niet gespeurd en als Judith probeert via gesprekken met de volkstuinders een verdachte te vinden, gaat het in de praktijk vooral over vogels en planten, waar Mizee en dus ook haar alter ego Judith graag hun gedetailleerde kennis over spuien.
    In het voortkabbelende verhaal vindt uiteindelijk nóg een moord plaats en na veel heen-en-weer-gepraat wordt bekend wie de vuige daders zijn van beide afrekeningen.

    Never a dull moment 

    Agatha Christie zou vermoedelijk niet erg onder de indruk zijn van Moord op de moestuin , want een rechttoe rechtaan whodunit zit er bij het soms wijdlopige en altijd van de hak op de tak springende proza van Nicolien Mizee niet in.
    Het is overigens goed te begrijpen dat Mizee veel fans heeft en dat Moord op de moestuin door het DWDD-boekenpanel gekozen is tot boek van de maand, want ‘never a dull moment’. Wat duidelijk haar schrijversmotto is en ze vertelt haar verhaal met zwier.
    Met als hoogtepunt de begrafenis van de bejaarde moeder, waar enkele oude vlammen komen opdagen en één van hen een lied gaat zingen:
    ‘Enkele seconden zweefden Felix’ handen boven het klavier. Toen sloeg hij toe. Raak. Maar zijn stem was licht en onvast, als een vlinder in de storm. (…) Ik was altijd diep onder de indruk van misplaatst zelfvertrouwen. Misschien hoorde hij iets heel anders dan wij.’

    Lichtvoetig en zwaar op de hand

    Voor haar fans zal Moord op de moestuin ongetwijfeld een traktatie zijn. Mizee moet wel uitkijken dat haar schalkse terzijdes en het het Joop ter Heul-achtige zeggen-wat-in-haar-opkomt van haar ‘fictieve’ alter ego niet teveel een maniertje wordt. Er zit ook iets vreemds in de combinatie van vermakelijke invallen en associaties die de schrijfster haar reputatie van originaliteit bezorgen, en de vele doodserieus bedoelde wijsheden en karrenvrachten kennis van plant en dier die ze op de lezer los laat.
    Dat Mizee enkele succesvolle boeken op haar naam heeft staan, wordt de lezers wel erg vaak verteld en de ‘Waardevolle Lessen’ die ze aan haar studenten aan de Schrijversvakschool voorschotelt, worden hen evenmin onthouden:
    ‘Les twee van mijn schrijfcursus gaat over het personage. Met koeienletters schrijf ik dan op het bord: “Grote Wil en Grote Angst.”‘
    Oei! Samenvattend lijkt het probleem van deze schrijfster dat ze én lichtvoetig én zwaar op de hand wil zijn. En dan moet je wel héél erg veel in je mars hebben. Maar daar zit allicht nog een roman in.

     

  • Saffraanperenboom

    Saffraanperenboom

    De tuinbonen staan te weken op het aanrecht. Het weekwater haalde ik gisteravond uit de regenton achter het huis. Vijfentwintig gerimpelde, tot in hun kiem verdroogde tuinbonen schudde ik vanuit een zakje in mijn hand en liet ze in het bakje glijden waar ze zich lispelend en knisperend volzogen met minuscule waterelementen. Straks gaan ze de grond in, vijf centimeter diep. Terwijl ik de tuin inloop denk ik aan de schrijfster wiens boek Moord op de moestuin diezelfde avond bij dwdd tot ‘Boek van de maand’ werd uitgeroepen. De boekverkoopster die het mocht onthullen liep over van enthousiasme: ‘het sleurt je naar binnen…, een whodunit…, droogkomisch…, met vaart…’, en eindigde tenslotte met: ‘Ik heb zó genoten jonge.’ (inderdaad zonder ’n’). En ik, die altijd geërgerd de stickers van gelauwerde boeken afpeuter, voelde geen aversie tegen dit Himmelhoch bewonderen.

    De karakters in Moord op de moestuin zijn, zoals in de Engelse detectiveserie Midsomer Murders, vormvast in hun handelingen. Met hier en daar een kleine afwijking in hun gedrag waardoor ze (oh heerlijke suspense) voor even de mogelijkheid van verdachte claimen. Er is een dertig jaar oude vermissingszaak en er vallen doden, al dan niet door moord. Bijzonder is de rol van een honderdjarige saffraanperenboom, de enige in zijn soort in Nederland. Ik had er geen weet van en zocht het op. In 1652  liet Jan van Riebeeck in Zuid-Afrika een park aanleggen voor groente en fruit om de VOC-schepen te kunnen voorzien van vers voedsel om scheurbuik te voorkomen. Anno 2019 staat er in het Van Riebeeckpark in Zuid-Afrika de oudste saffraanperenboom ter wereld, die blijkt uit Nederland afkomstig.
    Het voortbestaan van de saffraanperenboom in het moestuinencomplex is aanleiding tot een van de moorden.

    In de ik-figuur Judith is (voor wie de Faxen aan Ger gelezen heeft) de schrijfster te herkennen. Als de vrouw die zwijgen kan wanneer dit nodig is maar die, als ze spreekt, op het puriteinse af eerlijk is. Ook als Judith een herinnering wil delen en de anderen roepen: ‘Dat weten we al uit je boeken!’, is zo’n mooie verwijzing.
    Wanneer halverwege het boek de ontwikkelingen opeens wel erg snel gaan, deelt ze met onderstaand fragment een knipoog uit aan de lezer.
    ‘Tante Lidewij stierf nog diezelfde dag. Volgens Cora was zij over het hek rond haar bed geklommen omdat in haar verwarde geest toch iets was blijven hangen van de terugkeer van haar man [de schedel van haar vermiste man was gevonden]. Ook haar dood konden we hieraan toe schrijven, ze had gewacht tot hij terugkwam en toen het leven eraan gegeven.
    Het klonk allemaal wat al te mooi en ik zag dat Thijs bedenkelijk keek, maar het was toch troostrijk.’

    Ik stel me zo voor dat de man van de schrijfster, die in het boek de rol van Thijs kreeg, haar eerste lezer is. Dat hij bij deze passage de wenkbrauwen fronste en vroeg: ‘Is dit niet wat al te mooi?’ En inderdaad, dat is het. Maar door de manier waarop het er staat, wordt het Meesterlijk.
    Nu wil ik dus ook die dwdd sticker op mijn boek.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • De faxen van Mizee

    De faxen van Mizee

    Verwarde geesten hebben baat bij goede literatuur. Liever geen therapeutische boeken of levenslessenliteratuur. Beter een oprechte stem die zichzelf niet spaart, zoals in het tweedelige ‘Faxen aan Ger’ van Nicolien Mizee, daar leer je wat van. Dikke boekwerken met ‘verslavend proza’ – vermeld de achterflap – wat gewoon waar is. Met het eerste deel De kennismaking kon ik al amper stoppen met lezen. Uit dit tweede boek De porseleinkast, kan ik niet meer wegblijven. Dus doe ik of ik niets anders te doen heb en lig een hele dag op bed met Mizee. Wat ook wel weer toepasselijk is, als je de wereld van Mizee een beetje kent. Lezen over iemand die nergens geschikt voor is, overal buiten valt en als ze ergens aan meedoet, bang is door de mand te vallen. Wie kent dat niet, roept het in mij. In De porseleinkast is de toon urgenter en dwingender dan in het eerste boek. Mizee stopt na vijf jaar les, met scenarioschrijven maar blijft faxen versturen aan haar docent.

    Wat maakt het zo verslavend, vraag ik me af wanneer ik terugkom van het toilet en het boek weer naar me toetrek. De stukken in het tweede boek zijn diepgravender, onderzoekender. Dat onderzoekende boeit mateloos. Mizee schrijft om haar angsten te bestrijden. Vooral de angst om afgewezen te worden maakt haar het leven ondragelijk. Ze bekent in een fax, dat ze pas vrijuit heeft leren schrijven, ‘toen het een middel werd om Ger te veroveren’. Ze ontdekt dat als de echt belangrijke dingen een terzijde worden, ze binnen je bereik komen. Ger is ‘bereikbaar geworden. Nu het leven nog dat ze voor zich ziet en het maar niet wil worden.  ‘de enige manier om het leven tot een terzijde te maken, was door je op God te richten.’
    Haar eerste boek Voor God en de sociale dienst (2000) vindt zijn ontstaansgeschiedenis in deze faxen aan Ger.

    Mizee schrijft zich met deze faxen – als waadt zij door aanzuigende moerasgronden – een weg naar haar schrijverschap. Haar mededelingen in de faxen worden naar het eind toe meer prozaverhalen. Over haar jeugd, dilemma’s die in de familiesfeer spelen en aandoenlijke beschrijvingen van haar vijfjarige nichtje Bio die (net als Mizee) in een volstrekt eigen wereld leeft.
    Ze schrijft  hoe ze als vijftienjarige gedichten van Vroman uit haar hoofd leert, hem een brief schrijft. Waarop Vroman terugschrijft, een gedicht aan haar opdraagt. Ze schreef hem nog twee keer en hij haar ook. Toen hield ze er opeens mee op. ‘Ik denk dat ik mezelf niet goed genoeg vond. Wat had ik nou te geven?’

    Dezelfde onzekerheid uit haar jeugd, brengt haar in haar faxentijd nog tot wanhoop: ‘Ger, waarom ga je eigenlijk met me om? Wat heb ik je te bieden?’ Maar nu schrijft ze door. In die intens geschreven faxen die haar, tegen alle verwachtingen in, een uitweg boden.
    Nu dacht ik zo dat iedereen die de zwaarte van de huidige  tijd niet verdraagt, eens begint te schrijven naar een te bewonderen persoon, of anders dit boek gaat lezen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Geen geschikt moment

    Geen geschikt moment

    Het kwam vast door de februari wind, de nachtvorst en het onverbiddelijk witte daglicht waardoor ik deze dagen wat ongemakkelijk in elkaar stak. Als klopten de verbindingen niet meer, was er een defect in het handelen opgetreden. Toch toog ik afgelopen zondag naar een literaire salon aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam. Omdat ik gereserveerd had. Omdat de schrijver Nicolien Mizee  er geïnterviewd zou worden. Haar openheid van zaken en exacte formulering der dingen (wat ik geheel ontbeer), wilde ik eens live meemaken. Omdat deze literaire salons bestaan uit twee zeer onderhoudende interviews, omlijst met muziek en er een voortreffelijke maaltijd geserveerd wordt, wilde Mijn Lief mij wel vergezellen. In het felle middaglicht zaten we in de Intercity waar een medereiziger luid sprak: ‘Wat een prachtige dag is het toch. Een dag voor een elfstedentocht!’ Ik dacht aan bevroren vingers en stugge schaatsriempjes en drukte mijn rug in de stoelleuning, mijn hoofd afgewend van het treinvenster.

    Bij aankomst station Amsterdam kocht ik bij de Hema een parapluutje alvorens het daglicht in te gaan. We wandelden langs de Prins Hendrikkade richting Noordermarkt en verder. Tot we ons opeens bevonden tussen een aanzienlijke hoeveelheid dames van een zekere leeftijd, met een zekere mate van make-up, een speelse krul of pluk in het haar en opmerkelijke brilmonturen. Ik vergat even wat voor dame ikzelf was. We vonden twee lege stoelen achterin het overvolle atelier tegen een lange muur waar ik mijn rugzak, waarin een exemplaar van De kennismaking van Nicolien Mizee, onder mijn stoel schoof. Ze werd geïnterviewd door Mieke van der Weij. Het publiek was enthousiast, leek alles voor het eerst te vernemen. Over de faxen die Mizee dagelijks schreef aan iemand die er niet op zat te wachten en waarop ze nooit een antwoord kreeg. Over de humor in De kennismaking als ook in haar andere boeken. Dat is het mooie van een literaire salon: je laten vermaken, nieuwsgierig gemaakt worden naar een boek.

    Na het interview stond het eten opgediend. Literatuur maakt hongerig en iedereen kwam in beweging. Een enorme rij ging voor de tafel langs waarachter de schrijver zat (die ook geen kant op kon). Sommigen die voor haar tafel tot stilstand kwamen, kochten een boek, kregen dat gesigneerd. Mijn boek zat (omdat ik wat ongemakkelijk in elkaar stak) nog in mijn rugzak. Tegen Mijn Lief die me erop attendeerde, zei ik dat ik een geschikt moment afwachtte. En bedacht wat ik zou zeggen terwijl ik het boek naar haar toe zou schuiven: ‘Ik vond het een zeer vermakelijk boek.’ Waarop ik me direct zou verontschuldigen omdat ‘vermakelijk’ niet het juiste woord was voor een boek waar ik… tja, me toch wel ongelofelijk mee vermaakt heb. Dat ik me verheug op het volgende deel, zou ik haar zeggen, dat in mei uitkomt en dat De Porseleinkast heet. Ja, dat zou ik zeggen. Maar dat geschikte moment kwam maar niet en zo bleef het boek ongemakkelijk in mijn rugzak zitten.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Meeneemboek

    Meeneemboek

    Ik was deze week in Deventer, een stad die zich uitstekend leent om er zonder enig plan rond te lopen. Onderwijl dacht ik aan een plek om het boek te lezen dat ik bij me had. Er zijn boeken die zich buitenshuis niet laten lezen, die blijven vergeten in de tas. Er zijn ook boeken die gelezen willen worden, waar dan ook. Boeken die er geen genoegen mee nemen alleen in de trein gelezen te worden, als ze eenmaal mee zijn willen ze overal uit de tas. Ze brengen iets teweeg wat je niet kunt duiden maar waar je steeds weer in duikt om de ervaring van die ‘teweegbrenging’. Zo ging het mij met De kennismaking van Nicolien Mizee. Brieven aan een introverte man die haar nooit terug schrijft. Vanaf de eerste tot de laatste brief heb ik er me ongelofelijk mee vermaakt om zinsneden als deze:
    ‘Je lijkt soms zozeer een verzameling afgeronde theorieën, dat ik me wel eens afvraag of je menselijk bent. Ik kreeg even hoop toen ik je twee speculaasjes zag eten, maar nam aan dat je research aan het doen was voor een nieuw scenario.’

    Toen ik een leeg tafeltje vond in een geschikt café, haalde ik – nog voor ik mijn jas uit had – het boek tevoorschijn. Terwijl ik zat te lezen in dat stevig uitgevallen boek, stelde ik me zo voor dat enkele cafébezoekers zich zouden afvragen: ‘Wat leest zij daar toch zo gretig?’ En wanneer ik – gebogen over het boek, amper opkijkend om een glas wijn te bestellen – met een ingehouden lach op mijn gezicht een bladzijde omsloeg, zouden ze zich afvragen: ‘Wat lacht zij daar toch?’ En ze zouden met me mee lachen en vragen wat er zo leuk was. Dan zou ik begeesterd vertellen over een vrouw die  naar het theater ging omdat er een vrijkaartje voor haar geregeld was, maar dat toch betalen moest. Dat alles wat ze zegt verkeerd begrepen wordt. En dat er veel tijd heen gaat met de dingen weer rechtbreien. Dat alles zo goed geschreven is, zou ik vertellen.

    Er rekening mee houdend dat ze er niets van zouden begrijpen, zou ik ze tot slot de brief van vrijdag 10 januari 1997 uit het boek voorlezen.
    ‘Vandaag, beminde ongelovige, zullen we het eens hebben over goede manieren, een onderwerp dat al eerder ter sprake gekomen is, maar dat we naar mijn idee nog niet voldoende uitgediept hebben.
    Het is je misschien weleens opgevallen dat wij een groot deel van de tijd langs elkaar heen praten. Jij bijvoorbeeld, geeft eigenlijk nooit antwoord op de vragen die ik stel, maar op de vragen die je erachter vermoedt. Om jou niet in een lastig parket te brengen, praat ik dan maar met je mee, waardoor we aan het eind alle twee volkomen de kluts kwijt zijn.’

    Als ik die hele brief dan heb voorgelezen en vooruit, er nog eentje doe, zouden ze het net als ik een boek vinden dat ‘iets’ teweeg brengt. Ze zouden het vast meesterlijk vinden.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Fictie en non-fictie lijken in elkaar over te lopen

    Marly Sanders treedt op bij de boekwinkel in haar woonplaats. Boekhandelaar Koos heeft gevraagd of ze Waldemar Prins wil interviewen, de biograaf van veelschrijver Tolbert. Geen onverdeeld aanlokkelijke opdracht, want ze heeft, zoals ze zelf uitdrukkelijk zegt geen verstand van literatuur. Tolbert is een geweldenaar, die man heeft wel zestig boeken geschreven, zijn kennis is ontzagwekkend. Als ze zich verdiept in zijn werk, raakt ze de wanhoop nabij, want ze begrijpt er niets van … al zou ik de woorden uit mijn hoofd leren en schreeuwend en zingend herhalen, ze kregen geen betekenis. Ze overweegt het verzoek te weigeren, want wat zou ze moeten vragen over de geleerde biografie? Noch boekhandelaar Koos, noch haar zuster Victoria, met wie ze alles in haar leven deelt, nemen haar aarzelingen serieus. Onzin, vinden ze. Je hebt kasten vol boeken gelezen, je schrijft zélf, je publiceert stukjes over schrijven en je geeft schrijfles – roepen ze uit. Het klonk logisch, dacht Marly, ik kon er eigenlijk niets tegen inbrengen.

    Marly Sanders is de hoofdpersoon en verteller van De halfbroer, het zesde boek van Nicolien Mizee. De schrijfster en haar personage hebben zo op het eerste gezicht opmerkelijk veel overeenkomsten, af en toe lijken fictie en werkelijkheid daarom in elkaar over te lopen. De gebeurtenissen in het boek spelen zich af in een duidelijk herkenbaar Haarlem, hier en daar worden gemakkelijk identificeerbare situaties beschreven – de biografie van Henriëtte Roland Holst door Elsbeth Etty komt ter sprake, een redactievergadering van het oudste literaire tijdschrift van Nederland, nogal doorzichtig Het baken genoemd. Maar het overgrote deel gaat over huis-, tuin-, en keukenaangelegenheden van de familie Sanders die een schijnbaar hecht netwerk vormt. Marly en Victoria zien elkaar dagelijks. Maar ze klitten ook aan het ouderlijk huis, het ligt allemaal bij elkaar in de buurt. Het gaat slecht met vader. Hij heeft het aan zijn hart en hij dementeert; moeder kan de verzorging niet alleen af en laat haar dochters bij ieder wissewasje opdraven. Ze kennen ook elkaars buren, vrienden, kennissen.

    Er wordt heel wat afgekletst in deze gemeenschap. Marly heeft een man opgeduikeld waarmee het misschien iets zal worden, oude familieverhoudingen worden opgerakeld, er worden uitstapjes ondernomen, vergaderingen bijgewoond, boeken gelezen, poezen gevoerd; er zijn problemen met slaap, drank, werk, kleding, huisdieren en er zijn, hoe kan het anders, liefdesperikelen. De nieuwe vlam van Marly flakkert, dooft uit, wordt weer ontstoken, dooft uit, dit alles met tussenpozen van hooguit een paar uur of een paar dagen – stof voor nieuwe gesprekken en beraadslagingen. Liefst in brede kring. De dood van vader is een climax. Na afloop van de receptie eet het gezelschap bij zus Victoria en in een paar bladzijden lezen we over tante Wanda, Trijntje, Gijs, Gezien, Marieke, Van Slobbe, Priem, Rob, Simon, Mary, Storm, de Haan, oom Piet, Gerlach, Jifke, Victoria. En dat zijn alleen de hoofdrolspelers, daaromheen cirkelt nog een leger figuranten – wie had ook alweer wat gezegd?

    Tussen al deze boompjes verlies je het bos uit het oog. Ook de rode draad, welke is dat. De toestand van vader; de problematische verhouding tot moeder; de ontluikende liefde van Marly en Rob? Hoeveel namen en gezichten er ook rondlopen, niemand maakt voldoende indruk om langer dan een paar bladzijden in leven te blijven. Wie was Victoria, Jifke, Koos, Jaap, Arthur? Alleen Marly zelf komt uit de verf door de nadrukkelijke en herhaaldelijke typeringen: ze weet niets van literatuur, ze is bang voor seks met een man, ze heeft geen oriëntatievermogen, ze begrijpt niets van wetenschap. Ik herken de straten en gebouwen, maar zie het verband niet en weet niet meer wat links of rechts, voor of achter is (…) In de lesstof (op school) kon ik evenmin enige lijn ontdekken. Kortom, het prototype van een onnozel wicht, geen inspirerende hoofdpersoon voor een roman.

    Maar des te stralender schijnt ze als ze de opgaven van haar bestaan toch tot een goed einde weet te brengen, schijnbaar moeiteloos uit de mouw geschud. Het interview met Waldemar Prins, waar ze als een berg tegenop zag, blijkt een doorslaand succes. Boekhandelaar Koos: Je hebt hem geweldig weerwerk gegeven. En wat had je je goed voorbereid! Ik ga je beslist vaker vragen!. Na de toespraak bij de crematie van haar vader krijgt ze allerwegen complimenten: prachtig je toespraak (…) ik vond het heel mooi wat je allemaal zei (…) je toespraak was geweldig. Als ze met Rob heeft geslapen, de eerste man na een jarenlange lesbische praktijk, belt hij haar de volgende dag enthousiast op: Dat was een grootse inwijding vannacht.

    Je zou er misschien voor kunnen vallen als de koketterie er niet zo duimendik bovenop was gesmeerd, een benauwde wollen deken die het literaire drama smoort en verstikt. Mizee is zodanig met haar Marly Sanders ingenomen dat ze de afstand uit het oog verliest, emoties vloeien over in platte sentimentaliteit. Is het de vorm? Wie weet. Mizee is op haar best in korte hoofdstukjes die op zichzelf kunnen staan, bondige typeringen van een situatie of een personage, één of anderhalve pagina. 

    En, o ja, dat is waar ook, laat nou net in de periode die Mizee beschrijft neef Arthur een DNA-test doen … is dat niet toevallig?! Uitkomst: de zojuist overleden vader blijkt eveneens Arthurs vader te zijn geweest. Hoe is het mogelijk. Marly Sanders heeft een keer met Arthur geneukt, toen ze nog jong en onschuldig waren. Dat was dus bloedschande, roept Marly uit, als ze de uitslag van de test hoort. Wacht eens even, De halfbroer … zou dat eigenlijk niet een leuke titel voor mijn nieuwe roman kunnen zijn?

     

     

     

  • Gedichten van een rijkgevulde dis

    Een gedicht een impressie van een emotie, een observatie van een tafereel, een familieportret of verhaal? Schetsen in versvorm die het zicht op de werkelijkheid verscherpen dan wel vervormen? Bij poëzie kun je daar mee aankomen.

    Het Liegend Konijn maakt de diversiteit van de poëzie in het Nederlandse taalgebied op ruimhartige wijze zichtbaar. In het boekwerk dat in het dagelijkse leven voor een (literair) tijdschrift doorgaat, zijn deze keer 154 gedichten opgenomen van 34 dichters. Wel geheel volgens de traditie van een literair tijdschrift schittert er in Het Liegend Konijn, naast nieuw werk van gerenommeerde  dichters, een tiental jonge talenten.

    Eén van de jonge talenten is Mathijs Gomperts. Het is van een prachtig, onhandige droefheid te lezen hoe nabestaanden afscheid nemen van hun dierbare in het gedicht Oud-West: onder het laken vandaan steken protserig zijn voeten / maat negenenveertig (…) iedereen dromt om die voeten, houdt ze vast, betast ze, / schudt ze de hand (…) want wat moet je met zo’n lijk? hoe rouw je er mee? / nou, we hielden er dus de voeten van vast en huilden (maar lees vooral het hele gedicht dat uit drie coupletten bestaat waarin de weg wordt gebaand naar die rouwende voeten).

    Op de cover prijken de namen van de dichters die een bijdrage aan deze editie leverden en dan denk je: Ah, Lies van Gasse, Bernke Klein Zandvoort, Paul Demets en kijk aan, nieuw werk van Delphine Lecompte, Maarten van der Graaff, Hans Mirck, Saskia Stehouwer en Arno van Vlierberghe (hoewel de laatste nog geen bundel heeft gepubliceerd maar wel eerder in HLK stond), en je wordt nieuwsgierig.

    In Hoelang duurt dat, iemand nooit meer zien? dicht Dirk Clement in prachtige strofen over het leven tussen geboorte en dood en hoe je geheugen speelt met waarheid en leugen: (…) zo liegen wij onszelf en ons leven voortdurend bij elkaar. / Wie wij zijn is wie wij ons herinneren te zijn.
    Marleen de Crée dwingt de lezer zich te verdiepen in actuele thema’s: (…) hoe is wegjagen als iemand / begonnen is met blijven

    Tot de verbeelding spreekt het werk van Saskia Stehouwer die vorig jaar debuteerde met Wachtkamers, wat in de pers goed, doch als bevreemdende poëzie werd ontvangen. De zeer gedetailleerde gebeurtenissen in haar gedichten lijken zich over tijd en ruimte heen te buigen en tegelijkertijd binnen te dringen, als een zoemende mug bij het oor die de giftige steek al voelbaar doet maken. In het gedicht Ketting zit een ik achter het raam, het is mooi weer. Dan: (…) het verleden belt op spreekt in / had je een vriend besteld?
    In het volgende couplet zit de ik met hoogtevrees boven op een tafel nota bene ook nog in een flat en eet een appel: Ik woon hier zonder te weten / waar ik niet woon / is er iemand die met me mee wil lopen? Haar werk getuigt van een ‘ik’ die de wereld op afstand houdt maar die tevens scherp observeert. In het derde gedicht Gang bijvoorbeeld: dan komt het moment om iets te zeggen / waardoor mijn vingers open gaan / en de omtrek voelen van de vensterbank. Hoe een concrete gedachte de motoriek aanstuurt waarmee de sensitiviteit aangesproken wordt. Gedichten die, vanaf de eerste strofe tot de laatste, je meenemen, of je wilt of niet, je gaat gewoon.

    Het was weer een heerlijk genoegen deze editie door te nemen en de poëtische diversiteit, als van een rijkelijk gevulde dis, stukjes bij beetjes te verorberen. Van Het Liegend Konijn  krijg je nooit genoeg en het gaat lang mee.

    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 13, nr. 1, april 2014
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-
    Uitgegeven bij Van Halewijck / Leuven en
    Van Gennep /Amsterdam

     

     

  • Een frisse wind in schrijversland

    Een frisse wind in schrijversland

    Vierendertig stukjes over een schrijfcursus die Nicolien Mizee aan de Volksuniversiteit in Haarlem gaf en die eerder al in het NRC Handelsblad stonden, zijn nu gebundeld in een echt schrijfcahier en dat leest prettiger dan op krantenpapier. Het viel me bij herlezing op dat de stukjes niet gaan vervelen, zoals vaak gebeurt met ultra korte verhalen. Dat zegt heel veel over de kracht van Nicolien Mizee, die net als in haar romans direct en persoonlijk is. Zo vermeldt ze plompverloren dat ze tijdens de cursus een relatie krijgt met een cursist en dat ze met hem gaat trouwen.

    De bundel heeft vaart, de vrolijkheid spat eraf. Op de eerste pagina verbaast Mizee zich over een cursist die volgens haar naambordje Lalira lijkt te heten, hetgeen Mizee tot het volgende gedachte brengt: ‘Welke ouders geven een kind al zo’n naam? Misschien is ze daarom zo boos.’ Meteen daarop blijkt dat ze het verkeerd heeft gelezen. Het meisje heet Laura.

    Hou het simpel met vlag en wimpel, is het devies van Mizee. Ze gaat uit van één ijzeren wet: ‘Iemand Wil iets, dat gaat Mis, en dan gebeurt er iets Anders.’
    Het is vermakelijk om de reacties te lezen van de cursisten op de beweringen. Ontroerend ook zoals Ben die in plaats van verder te gaan met schrijven, uitkomt bij een betere relatie met zijn vader.

    Voor een deel schuilt de charme van Mizee in haar openlijk beleden onwetendheid. Op school kreeg ze altijd een black-out als de leraar iets ging uitleggen; later leerde ze veel van de schrijver Ger Beukenkamp, die zijn cursisten als medeschrijvers behandelde en haar vooral zelfvertrouwen gaf.

    Mizee vindt het vreselijk als mensen paraplu-woorden gebruiken, zoals structureren, situatie of cognitief; daarover zegt ze treffend dat zulke moeilijke woorden niet in dienst staan van gedachten maar de plaats van gedachten hebben ingenomen. In die lijn past ook haar opmerking dat ze niet van fictie houdt, maar liever rauwe verhalen leest. Ze haalt daarbij Multatuli aan die ? vrij vertaald ? ooit heeft gezegd dat wie zich toelegt op eenvoudige mededeling van wat er om gaat in z’n gemoed, zonder te denken aan schrijverij, weldra even mooi zal schrijven als hij.
    Tegelijk verbaast Mizee zich erover dat haar leerlingen nooit van de Matthaüspassion gehoord hebben. ‘Misschien kun je een kinderbijbel lezen,’ raadt ze hen aan. ‘En de verhalen van de Griekse mythologie en een paar sprookjesboeken.’

    Mizee is solidair met haar leerlingen. Ze is uitdagend: ‘Wie van jullie vindt zichzelf saai?’ en eigenzinnig. Alleen koppigheid kan een mens redden. De cursisten van de volksuniversiteit in Haarlem mochten blij zijn met zo’n juf!