• Kampioen van het gelukkige leven op aarde

    Kampioen van het gelukkige leven op aarde

    Herman Schönfeld Wichers, de schrijver Belcampo, leefde bijna de hele 20e eeuw en heeft het merendeel van die jaren verhalen geschreven. Met Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo is nu een welverdiende biografie over hem uitgegeven. Voor Herman Schönfeld Wichers was schrijven tot het eind toe een plezier. Van belangstelling voor zijn persoon was hij wars, hij wilde om die reden bijvoorbeeld geen herkenbare portretfoto op zijn werk. Biograaf Nico Keuning laat de lezer nu toch uitgebreid kennismaken met de schrijver én mens Belcampo/Schönfeld Wichers: de notariszoon, levensgenieter, zwerver, echtgenoot, vader, arts en pleitbezorger van een ‘ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde.’

    Een korte proloog nodigt direct uit tot doorlezen. Keuning neemt de lezer in een prettige, toegankelijke schrijfstijl bijna letterlijk mee in de trein naar Rijssen, waar Belcampo’s wortels liggen. In oktober 2021 ontmoet hij daar Belcampo’s inmiddels bejaarde dochter Maartje om te onderzoeken of hij haar vaders biograaf zal worden. ’s Avonds brengt een taxi hem terug naar het station. Hij neemt plaats op de achterbank met naast zich zijn rugzak. Symbolischer kan haast niet. De teerling is geworpen; Keuning wordt biograaf van de man die het liefst vanuit de rugzak leefde, de wereldwandelaar en schrijver Belcampo.

    Groots en onbekommerd leven en schrijven

    De biografie leest bij tijden als een spannende roman. Herman Pieter Schönfeld Wichers lijkt in eerste instantie in de wieg gelegd voor burgerman met een respectabel beroep. Het gezin vestigt zich als Herman vier jaar oud is in het stadje Rijssen in Overijssel waar vader een notarispraktijk overneemt. Herman en zijn broer Karel groeien daar op en gaan in vaders voetsporen beiden rechten studeren. Maar het zijn andere voetsporen van vader die Herman volgt. Vader Jaap geeft meer om vrije tijd dan om geld, hij is bijzonder sportief, actief en handig en leeft zijn zoons een ‘vrijbuitersleven’ voor. Al vóór Herman aan de studie rechten begint blijkt dat zijn prioriteit niet bij studeren en een maatschappelijke carrière ligt, maar bij reizen en daarover schrijven. Doordat hij als tiener tbc krijgt verblijft hij als middelbare scholier en in aanloop naar zijn universitaire studie jaren in sanatoria, eerst in 1919 in het dan vrij nieuwe sanatorium in Renkum, later vanaf 1920 in Davos. Daar kan hij steeds meer wandelen en in de oneindige zeeën van tijd die hij heeft brieven schrijven. Hij blijkt een open blik te hebben en een grote opmerkingsgave, vindt schrijven een ‘prettig tijdverdrijf’ en beschrijft in vele brieven uitgebreid wat hij ziet, meemaakt en beschouwt. In een tussenjaar waarin hij zich voorbereidt op zijn staatsexamens Grieks en Latijn trekt hij met zijn rugzak door Nederland, Zwitserland en Italië en schoolt hij zich autodidactisch in talen, tekenen kunst en literatuur. De studie rechten wordt langzaam maar zeker afgerond maar een laatste examen notarieel recht haalt hij keer op keer niet. Als zijn vader hem jaren later in 1933 min of meer de wacht aanzegt, breekt Herman. Hij wil niet ‘terug in het hok’. In het vrij rondreizen in een ‘zee van belevenissen’ leeft hij ‘groots en onbekommerd’ en dat is wat hij wil. Het enige wat hij mist, is de zegen van zijn vader. En die krijgt hij dan.

    Belcampo’s schrijverschap is in vele opzichten bijzonder. In de eerste plaats omdat hij naar eigen zeggen nooit de ambitie heeft gehad om schrijver te worden of daar geld mee te verdienen, sterker nog, dat is volgens hem zelfs onwenselijk want kan het schrijfplezier in de weg staan. Keuning laat in de biografie regelmatig zien hoe Belcampo’s ‘fantastische verhalen’ ontstaan, namelijk door wat hij als sensitieve reiziger opmerkt in de werkelijkheid om zich heen en hoe hij dat vervolgens vormgeeft in originele, creatieve, grappige, soms ver doorgevoerde bizarre en absurde verhalen. Deze door Keuning beschreven herkomst en achtergrond van sommige verhalen is interessant en verhelderend. Daarnaast is Belcampo’s werk een unieke, bijzondere eend in de bijt van het Nederlandse literaire landschap. Toenmalige recensenten als Vestdijk en Ter Braak typeren de verhalen onder andere als ‘komische grotesken’ en ‘sprookjesparodieën’. Zijn werk ‘raakt de sciencefiction’ en er worden wel overeenkomsten tussen het werk van Belcampo en de stijl en inhoud van Bordewijks Fantastische vertellingen genoemd of verwantschap met de fantasie in Maarten Biesheuvels verhalen. Keuning noemt een overeenkomst met de realistische beschrijvingen van een surrealistische werkelijkheid uit het werk van Rob van Essens ’absurdistische en geestige romans’. Dat Van Essen net als Belcampo uit Rijssen komt en in zijn werk soms naar hem en zijn werk verwijst, zoals met het geheimzinnige boshuisje in Ik kom hier nog op terug, is vermeldenswaard maar de veronderstelde verwantschap in het werk van beide schrijvers lijkt wat gezocht.

    Ideale wereld van vrijheid, schoonheid en ware liefde

    Een heikel punt is de beschrijving van Belcampo’s privéleven als echtgenoot en vader. Na bijna twintig jaar huwelijk scheiden Belcampo en zijn vrouw Joke in 1959. Joke vertrekt met de twee zoons naar Amsterdam. Zij willen daarna alle drie geen contact meer met hun man en vader en ook niet met dochter en zus Maartje die zelfstandig in Amsterdam woont maar wel contact met haar vader blijft houden. ‘Man en vrouw zijn van nature ‘omnigaam’ ‘, zegt Belcampo in zijn De filosofie van het Belcampisme, ‘misschien moeten alle huwelijken na vijf jaar van rechtswege worden ontbonden.’ Hier spreekt de vrije jongen, die weer kan ‘doen en laten wat hij wil’ en enige tijd later een relatie aangaat met de meer dan dertig jaar jongere Doite. De biograaf doet zijn best zich in te leven in Joke. ‘Het thuisblijven eiste een zware tol’ en Joke ‘mist het enerverende leven in haar vertrouwde stad’, maar wat hij erover zegt blijft speculatief of alleen gebaseerd op de veronderstellingen van dochter Maartje en hemzelf. Dat de zoons niet mee wilden werken valt de biograaf niet euvel te duiden, maar de eenzijdige beschrijving wringt en maakt nieuwsgierig naar hun versie.

    Het grootste deel van zijn leven heeft Belcampo in de stad Groningen gewoond, namelijk van 1954 tot zijn dood in 1990. Hij vestigt zich daar met zijn gezin als parttime studentenarts, nadat hij op late leeftijd in twaalf jaar (!) tijd een geneeskundestudie heeft doorlopen. Het was een luizenbaantje, precies wat hij wilde, want ‘van werken wordt niemand heel gelukkig’. In deze jaren groeit zijn plezier in openbare optredens en blijkt ook meer en meer zijn maatschappelijke betrokkenheid. Volgens Keuning is deze al aanwezig in Belcampo’s eerste verhalen in een levensbeschouwing ‘tegen dogmatisch geloof en maatschappelijke dwang’. In 1923 zegt Belcampo te deserteren als hij het leger in zou moeten. Op jonge leeftijd heeft hij een abonnement op het communistische tijdschrift De Tribune (‘zedelijk vergif voor een jongmens’ volgens zijn moeder) en ook in Groningen blijkt zijn engagement. Het is mede dankzij Belcampo’s publieke inzet in de jaren ‘70 dat de negentiende-eeuwse Groninger stadsschouwburg behouden blijft. Belcampo en buren voeren (tevergeefs) actie tegen een groot casino bij hen om de hoek en hij strijdt eind jaren ’70 tegen de beoogde locatie van het nieuwe Groninger Museum tegenover het hoofdstation, een strijd die hij – met de kennis van nu – gelukkig verloor. In 1985 verschijnt een stuk tegen de plaatsing van kruisraketten in de Volkskrant ondertekend door H. Schönfeld Wichers en zijn vriend Arend Rutgers.

    Groningen is voor velen ver weg. Het is wellicht daardoor dat er enkele foutjes in het Groningse deel van de biografie geslopen zijn, zoals de vermelding van café De Kale Jonker (gestart 1982) in de jaren ’50 en het feit dat NoordWoord (sic) de jaarlijkse Belcampolezing ter stede organiseert (dat doet de plaatselijke Rotaryclub JA). Een kniesoor die hierop let. Keuning heeft met Groots en onbekommerd een boeiende biografie geschreven over de ‘gulzige genieter’ Belcampo.

     

     

  • Oogst week 40 – 2024

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo

    Groots en onbekommerd, Leven en werk van Belcampo door Nico Keuning is de onlangs bij Querido verschenen biografie van de originele en absurdistische Nederlandse schrijver Belcampo, pseudoniem van Herman Schönfeld Wichers (1902-1990). Halverwege de vorige eeuw was Belcampo een van Nederlands populairste auteurs en stonden de Salamander-pockets met titels als Bevroren vuurwerk en Verborgenheden in menig boekenkast. In 2015 verfilmde Mike van Diem, heel succesvol, Belcampo’s korte verhaal De surprise.

    Belcampo groeide op als notariszoon in het gelovige Rijssen. Op zijn zestiende kreeg  Herman tuberculose en tijdens het revalideren in sanatoria las hij veel, schreef brieven en had alle tijd om te fantaseren. Hij studeerde in Amsterdam, en reisde zijn hele leven veel. Uiteindelijk werd hij schrijver en arts in Bathmen en Groningen. Uit zijn vele brieven komt Belcampo naar voren als een ras-optimist, vrijheidsaanbidder en levensgenieter. Uit zijn vertelkunst rijst het beeld van een visionair die moeiteloos aan de haal gaat met filosofie, wetenschap en religie.

    Keuning is een ervaren biograaf, hij schreef ook over Jan Arends, Bob den Uyl en Willem Brakman. Groots en onbekommerd beschrijft Belcampo’s jeugd en adolescentie boeiend en geeft een compleet beeld van het rijke, avontuurlijke leven van een schrijver, tekenaar, echtgenoot, vader en arts, die altijd in de breedste zin van het woord is blijven zwerven.

     

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido

    Zelfportret

    De Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar Édouard Levé (1965 – 2007) wordt wel een  literaire kubist genoemd. Zelfportret (oorspronkelijke titel Autoportrait, 2005)  bestaat uit losse, niet-geparagrafeerde zinnen met beweringen en zelfbeschrijvingen van de auteur. Het is een briljant en ontnuchterend zelfportret, neergeschreven in een verzameling fragmenten. Levé verbergt niets voor zijn lezers en schetst zijn leven in min of meer willekeurige, ritmische zinnen. Zelfportret is in psychologisch, politiek en filosofisch opzicht een juweeltje en naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar radicale objectiviteit.

    Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en droge, spottende toon merken dat we ontwapend worden, geboeid en verrukt raken door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

    Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Levé’s laatste boek Zelfmoord  verscheen in 2021, eveneens bij Koppernik.

     

    Zelfportret
    Auteur: Édouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De tweelingentrilogie

    De tweelingentrilogie van de Hongaarse schrijfster Ágota Kristóf (1935- 2011) is opnieuw gepubliceerd, en terecht zo vinden haar fans.

    Deze veelgeprezen trilogie, bestaat uit Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen. Kristóf gebruikte haar eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. Toch is het geen autobiografisch of historisch relaas, maar een wreed, urgent drieluik over wat oorlog en ballingschap met mensen doet.

    Een meedogenloos en beklemmend verhaal, verteld met de rauwe eenvoud van een sprookje, dat de duisterste kanten van de mens blootlegt. Een Kafkaëske onwerkelijkheid, waarin iedereen anoniem is, waarin al het herkenbare (geografisch en historisch) verdoezeld is en alles ongrijpbaar wordt, wat de absurditeit van oorlog en dictatuur versterkt en voelbaar maakt. Geschreven in eenvoudige, uitgebeende taal wordt de gruwelijke realiteit nog aangrijpender.

     

    De tweelingentrilogie
    Auteur: Ágota Kristóf
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
  • Oogst week 6 – 2020

    Buiten beeld

    De Nederlandse fotograaf Alex Laagland ziet tijdens een demonstratie in Caracas een jongen struikelen die kort daarop, net als hij zijn camera op hem heeft gericht, wordt neergeschoten: ‘Achter elkaar drukt Alex af, de demonstrant die zijn vuist in de lucht steekt en recht in de lens kijkt, het schot dat uit de loop vlamt. En dan de foto: het moment net nadat de kogel hem in zijn linkerschouder heeft geraakt en zijn mond openstaat in een schreeuw’ – de foto wint de Zilveren Camera. Met die scene begint Buiten beeld, de debuutroman van journalist Jurriaan van Eerten. Op de cover staat een afbeelding die geïnspireerd is op de beroemde foto De gier (Starving child and Vulture) waarmee de Zuid-Afrikaan Kevin Carter in 1994 de Pullitzerprijs won. Daarop zagen we hoe een gier wacht op de dood van een hongerend kind in Soedan. Het leverde Carter kritiek op. Was hij niet zelf een soort gier? Dat brengt Van Eerten in deze roman tot vragen over ethische dilemma’s van een journalist

    Buiten beeld
    Auteur: Jurriaan van Eerten
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Broze aarde

    Broze aarde is een nieuwe bundel gedichten van Antjie Krog. Thema is de kwetsbaarheid van onze planeet. Krog heeft in deze tweetalige verzameling (Zuid-Afrikaans en Nederlands) de opbouw gekozen van een hoogmis, een mis voor het Universum. In de gebruikelijke gezangen is niet God maar de ‘Brose Aarde’ de aangesprokene. Dat leidt tot bijvoorbeeld de volgende regels in haar versie van het Onze Vader:
    U gee ons elke dag
    ons daaglikse lig, getemperde water, fotosintese en brood
    maar ons besoedeling kan u nie vergeef nie,
    ook nie ons mishandeling en vernietiging van mekaar nie;
    lei ons in die versoeking om u bo alles lief te hê
    u te verlos van alle etterende ontering.
    Een indrukwekkende uitvoering van de mis door Krog met koor en orkest tijdens Poetry International 2019 is hier te zien.

    Broze aarde
    Auteur: Antjie Krog
    Uitgeverij: Podium

    Een ongeneeslijk heimwee

    Willem Brakman (1922 – 2008) heeft vijfenvijftig boeken op zijn naam staan en won in 1980 de PC Hooftprijs voor zijn hele oeuvre. Zijn werk wordt nog steeds heruitgegeven en toch stond hij nooit hoog in beststellerlijsten. Zijn schrijftrant was niet geschikt voor lezers die een lineair verhaal willen. Nico Keuning schreef nu een biografie over hem, getiteld Een ongeneeslijk heimwee. Leven en werk van Willem Brakman. ‘Wim was een introverte, gevoelige jongen’, zegt Keuning in een recent interview: ‘Wellicht zou hij nu aangemerkt worden als hoogbegaafd. Hij keek op een indringende manier naar voorwerpen, kende elke winkel, iedere etalage en elk object. Een argeloos kind met veel fantasie, levend in zijn eigen wereld (…) Brakman schreef voor de ideale lezer. Dat hij daarmee geen groot publiek bereikte, heeft wel enigszins bitter gestemd, maar het weerhield hem er niet van om door te gaan op de ingeslagen weg. Hij kon niet anders. In een halve eeuw heeft hij een volstrekt uniek oeuvre bij elkaar geschreven. Een wereld op zichzelf. Daar heb ik enorme bewondering voor’.

    Een ongeneeslijk heimwee
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido
  • Becommentariëren van elkaars werk

    Becommentariëren van elkaars werk

    De brieven die de romanschrijvers Simon Vestdijk en Willem Brakman elkaar schreven in de jaren zestig, zijn samengebracht in een gebonden prachtuitgave en voorzien van de pakkende titel Gaven, giften en vergiften. Een derde letterkundige in dit boek is Nol Gregoor, wederzijdse vriend van de twee hoofdfiguren. Gregoor introduceerde Brakman begin jaren vijftig bij Vestdijk thuis in Doorn. Een persoonlijke kennismaking nadat Gregoor eerst Brakmans eerste verhalen onder ogen van Vestdijk had gebracht.

    Welke specifieke en merkwaardige rol deze Gregoor in de Nederlandse literatuur gespeeld heeft, komt in de inleiding van het brievenboek nauwelijks uit de verf. Samensteller Nico Keuning vermeldt over Nol Gregoor slechts: ‘rijksambtenaar, publicist en later radio-interviewer’.

    In vrijwel elke brief van de twee romanschrijvers, is Gregoor het mikpunt van spot die vooral toch als vriendschapsbetuiging van beide heren moet worden opgevat. Zij stelden de belangstelling van Gregoor zeer op prijs. Bij vele schrijvers was hij kind aan huis en als biograaf legde hij een mateloze interesse aan de dag voor niet zozeer het werk, alswel voor de persoon achter dat werk. Hij was gek op handschriften en manuscripten, en leidde een kleurrijk bestaan waarover talloze anekdotes de ronde deden. Wat in Gregoor voor de twee romanciers zo boeiend was blijft in de inleiding buiten beschouwing. In de daaropvolgende brievenverzameling is Gregoor dan ook niet meer dan een schimmige figuur.

    Nadat Brakman zijn debuut Een winterreis (1961) met een begeleidende brief aan Vestdijk had verstuurd , schreef Vestdijk hem terug. Dat was het begin van een langdurige correspondentie tussen Doorn en Enschede.
    Vestdijk prees in zijn eerste brief het boek van Brakman die daar zeer gelukkig mee was. De beroemde Vestdijk zag hem als een evenknie. De erkenning van de man uit Doorn die Brakman zeer bewonderde, zal zeker van invloed zijn geweest op de honorering van een ongewoon verzoek van Vestdijk in die eerste brief. Kon Brakman, die bedrijfsarts was, zelf tranquillizers slikte en als student in een psychiatrisch ziekenhuis ervaring had opgedaan, hem aan medicatie helpen om zijn gemoedstoestand te verlichten? Vestdijk leed sinds zijn jeugd aan depressies waardoor hij vaak tot zijn groot verdriet wekenlang niet kon schrijven. Hij gebruikte broom, een ouderwets kalmeringsmiddel dat in de jaren vijftig, begin zestig nog werd voorgeschreven maar waar hij weinig baat bij had. Andere psychedelica waren er wel maar werden zelden verstrekt.

    Evenals Brakman was Vestdijk arts. Alleen heeft Vestdijk na zijn afstuderen slechts korte tijd zijn vak uitgeoefend waarna hij voor de literatuur koos. Hooguit sprak de dokter nog in hem in de studies De zieke mens in de romanliteratuur (1964) en Het wezen van de angst (1968).
    De eerste brief van Vestdijk aan Brakman dateert van 2 juli 1961. In dat jaar was Vestdijk de zestig al ruim gepasseerd en zou hij nog een decennium te leven hebben. Brakman was in de dertig en stond aan het begin van zijn schrijverscarrière. Hij werkte als bedrijfsarts, een baan die hem niet dag en nacht opeiste en een zekere ruimte gaf om te schrijven. Na zijn debuut publiceerde hij in de voetsporen van Vestdijk vele boeken waarvan de eerste boeken sterk onder diens invloed staan. Brakman toonde zich vooral  gevoelig voor de schrijfstijl en humor in de Anton Wachterromans.

    Delibereren over toegezonden medicijnen en becommentariëren van elkaars werk vormen de hoofdbestanddelen van de brieven. Daarnaast gaat het over dagelijkse beslommeringen en het roddelend dwepen met Gregoors liefdesaffaires die Vestdijk en Brakman zelf volgaarne aanknoopten. Diep graven de brieven niet en de breed besproken leverantie van tranquillizers wordt op z’n zachts gezegd al gauw vervelend.

    Brakman schonk een productief schrijversbestaan aan Vestdijk maar of zijn belang werkelijk zo groot was als uit zijn brieven uit Doorn mag worden opgemaakt is zeer de vraag. In een kort voor zijn dood geschreven en postuum gepubliceerde getuigenis, noemde Vestdijk namen van artsen die met de perfecte medicatie zijn leven draaglijk hadden gemaakt en zijn schrijverschap hadden gered. De naam van Brakman was daar niet bij.
    Deze informatie is te vinden in de inleiding op de brieven, die zoals gezegd te weinig toelichting geeft. Verder verdient zij alle lof maar die valt zeker niet aan de daaropvolgende correspondentie ten deel.

    Een veel strengere selectie zou van deze brieven van Vestdijk en Brakman een onderhoudend geheel hebben gemaakt. Dan zou er een boekje uit de bus zijn gerold met een prachtige ‘petite histoire’ maar wel een dat te dun zou zijn uitgevallen. Beter nog zou een uitvoerig essay voor tijdschrift of bibliofiele uitgave zijn, bestaande uit de tekst van de inleiding en aangevuld met de mooiste brieffragmenten.

     

  • Oogst week 22 – 2018

    Gaven, giften en vergiften : brieven

    De correspondentie tussen Simon Vestdijk en Willem Brakman begint als Brakman Vestdijk zijn debuutroman toestuurt. ‘Beste Brakman’ en ‘Beste Vestdijk’ werd al heel snel ‘Beste Wim’ en ‘Beste Simon’. Dat zij elkaar niet alleen over literatuur en hun wederzijdse vriend Nol Gregoor schreven, blijkt uit Gaven, giften en vergiften, de door Nico Keuning verzamelde en ingeleide brieven uit de periode 1961-1969. Het gaat ook heel vaak over de gezondheid van beide literatoren, die allebei arts waren. Beiden hebben een aanleg voor zwaarmoedigheid en depressies. Vestdijk weet Brakman te vinden als hij advies en pillen nodig heeft. Uit het voorwoord van Nico Keuning blijkt hoe groot de invloed van zijn depressies op het werk van met name Simon Vestdijk was.

    Gaven, giften en vergiften : brieven
    Auteur: Willem Brakman en Simon Vestdijk
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2018)

    Ik bestaat uit twee letters

    In Privé-domein verscheen Ik bestaat uit twee letters, het dagboek dat A.H.J. Dautzenberg bijhield vanaf de dag dat hij 49 werd tot zijn vijftigste verjaardag. Het gaat hier niet om een alsnog publiek gemaakt dagboek, maar om speciaal voor deze reeks bijgehouden aantekeningen. Net als Ilja Leonard Pfeijffer is A.H.J. Dautzenberg iemand die in zijn werk speelt met het thema ‘werkelijkheid’. De vraag is of Dautzenberg van zijn verslag van zijn dagelijkse leven meer maakt dan alleen een literaire exercitie.
    De rode draad in Ik bestaat uit twee letters mag dan de relatie met tweelingbroer Hub zijn, aan wie hij al zijn hele leven vastzit, maar Dautzenberg doet ook uitgebreid verslag van wederwaardigheden in de literaire wereld. En dat kan interessant zijn, want in het vijftigste levensjaar was het onrustig bij zijn uitgeverij en ging Theo Sontrop dood.

    Ik bestaat uit twee letters
    Auteur: A.H.J. Dautzenberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2018)

    De melodie

    Na een succesvolle carrière lijkt chansonnier Alfred Busi verzekerd van een rustige oude dag. In zijn ouderlijk huis, een riante villa op een aantrekkelijke plek, zou hij tevreden terug hebben kunnen kijken op zijn leven, als in het dorp niet geplaagd werd door dieren die ’s nachts de vuilnisbakken plunderen; een projectontwikkelaar het niet op zijn villa voorzien had, een journalist niet om werk verlegen had gezeten en zijn vrouw Alicia niet was overleden.
    De melodie van Jim Crace wekt de indruk een realistische roman te zijn over actuele onderwerpen, maar er gebeuren teveel wonderlijke dingen om het symbolische over het hoofd te zien.

    De melodie
    Auteur: Jim Crace
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)

    Victorieverdriet

    Toen haar grote liefde haar tijdens een vakantie in New York verliet, kwam dat hard aan bij Elfie Tromp. Onmiddellijk daarna werd haar liefdesverdriet een onderwerp in haar werk. Haar eerste pijn schreef ze van zich af in haar columns, daarna maakte ze een theatervoorstelling. Ook haar poëziedebuut Victorieverdriet is een verslag van het rouwen en klagen dat hoort bij een dergelijk verlies. Victorieverdriet is een reis in drie etappes, die min of meer samenvallen met de stadia van verwerking. De gedichten zijn een vrij letterlijke verwoording van gevoelens.

    Victorieverdriet
    Auteur: Elfie Tromp
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2018)
  • De performing dichter die de kreet verkoos boven het papier

    De performing dichter die de kreet verkoos boven het papier

    Eindelijk is er dan een biografie over Johnny van Doorn (1944 – 1991). Hoe men ook over hem moge denken, dat hij een unieke plaats inneemt in de Nederlandse literatuur staat buiten kijf. De titel verwijst naar een libretto, dat zelden werd opgevoerd maar door Van Doorn van tekst werd voorzien.

    Opgegroeid in een burgerlijk milieu in Arnhem in de vroege jaren vijftig ontworstelt hij zich aan school, wordt afgekeurd voor militaire dienst, ontloopt een eventuele baantjescarrière en kiest voor een vlucht naar voren. Hij treedt op in cafés waar hij vooral vuurwerk nadoet en onsamenhangende teksten scandeert, waarbij hij zichzelf in trance brengt. Uiteindelijk settelt hij zich in Amsterdam in een afbraakpand. Vanuit deze wankele veste presenteert hij zich als Johnny the Selfkicker. In 1966 treedt hij op uitnodiging van Simon Vinkenoog, op tijdens het roemruchte ‘Poëzie in Carré’. Hier valt hij direct op door een onorthodox optreden met veel verbaal en non verbaal lawaai. In het boek dat na deze manifestatie wordt uitgegeven, is Van Doorn degene die het meest gerecenseerd wordt door de verzamelde pers. Men weet niet goed raad met deze woordbarbaar.

    Het Algemeen Dagblad meldt: ‘Toen verscheen Johnny the Selfkicker, die in het begin nogal tam van wal stak met een gedicht waarin de paringsdaad met nadrukkelijke realiteit werd beschreven maar tenslotte in zijn bizarre kreten losbarstte , waarop het publiek wisselend reageerde. Eerst proestte de zaal van pret, daarna klapten de aanwezigen van enthousiasme en tenslotte brulde de menigte van afkeer om Johnny’s openhartigheid. Het was in ieder geval een boeiende afsluiting vóór de pauze.’

    Zonder het te beseffen is hij plotseling een ‘performing poet’ geworden. Iemand die de kreet verkiest boven het dulle papier. Uitgeverijen Meulenhoff en De Bezige Bij bieden hem echter wel degelijk contracten aan en dat leidt tot de uitgave van zijn eerste bundel Een nieuwe mongool (1966) gevolgd door Een heilige huichelaar (1968).

    Het is de tijd van de provohappenings rond het Lieverdje in Amsterdam. Rookmagiër Robert Jasper Grootveld ontvouwt zijn theorie rond de mythische figuur Klaas. En Johnny van Doorn doet zijn duit in het zakje door overal en nergens te declameren ‘dat men eindelijk maar eens klaar zou moeten komen.’ Gevolgd door zijn soundrepeteergeweer: ‘Een magistrale stralende zon’. Uw recensent mocht een aantal malen getuige zijn van optredens van Van Doorn en vooral de wilde, allesoverspoelende energie en de herhalingen werkten op de lachspieren en wekten bewondering. Ook in het dagelijks leven schrikt Johnny er niet voor terug zijn knallende geluidseffecten overal (tram, bus, café) ten beste te geven. Vaak tot verbazing van het gehoor.

    Hij drinkt in deze hashdoorrookte dagen liever veel alcohol en dat zal zijn hele leven zo blijven. Was hij alcoholist? Hij trouwt met de danseres Yvonne en ze krijgen een zoon, Sindbad Bruce. Bruce naar de Amerikaanse cabaretier Lenny Bruce. Johnny wordt (terecht) moe van het optreden in rokerige studentenzaaltjes en besluit zich meer te gaan concentreren op proza. Via Hans Sleutelaar krijgt hij een column aangeboden bij de Haagse Post. Uiteindelijk worden zijn verhalen gebundeld in Mijn kleine hersentjes (1972). Het boek wordt lauw ontvangen maar na een tv-optreden verkoopt het redelijk. De Bezige Bij is in haar nopjes.

    De VPRO toont belangstelling voor Van Doorn en Wim Noordhoek en Peter Flik maken mooie programma’s met Johnny als middelpunt. Zijn causerieën voor de VPRO-radio worden later gebundeld in de cyclus Gevecht tegen het zuur. (Zijn drankzucht veroorzaakt regelmatig –  vooral ’s ochtends – overtollig maagzuur.)

    Inmiddels is Van Doorn met vrouw en kind in het troosteloze Amsterdam Noord neergestreken, waar hij koortsachtig aan het schrijven is geslagen. Zijn optredens doet hij nu voor veel geld met steeds meer tegenzin. Hij heeft zelfs een grijs pak aangeschaft. Zijn oude kompanen Hans Verhagen en Cor Vaandrager zien dat met lede ogen aan.
    Door Armando en Cherry Duyns wordt hij in Herenleed gevraagd, een toneelachtige absurdistische voorstelling die spoedig een cultstatus zal krijgen, mede door de vreemde rol, die Van Doorn erin vertolkt. Hij speelt o.a. kabouter, moeder en bediende. Er volgt een heuse tournee door Duitsland onder de titel Herrenleid. Een boek met foto’s van de voorstellingen is in drie dagen uitverkocht. Johnny van Doorn wordt gevraagd voor een reclame voor het zoutje Nibb-it. Later zou Jules Deelder hem volgen en reclame maken voor Legner jenever (‘Waar Deelder, dáár Legner’).

    Moegestreden wordt hij tenslotte in het ziekenhuis opgenomen. Maar hij is te laat, de kanker is ongeneeslijk en hij sterft.

    Nico Keuning heeft veel mensen geïnterviewd uit de grote kring rond Van Doorn. Hij portretteerde eerder Jan Arends en Bob den Uyl en het beeld dat hij van Johnny van Doorn schetst is helder. Over een fenomeen in de jaren zestig, een bekende in de jaren zeventig en een moegestreden afvallige in de jaren tachtig. Jammer dat er geen Selfkickers meer zijn.

    Oorlog en pap. Het bezeten leven van Johnny van Doorn.
    Auteur: Nico Keuning
    Blz: 262
    Uitgever: De Bezige Bij
    Prijs: €24,90

    Bijzonderheid: met cd en het niet eerder gepubliceerde libretto Oorlog en pap.