• Verschuivingen

    Verschuivingen

    Dat ik steeds minder veranderingen verdraag. Ik, die niets liever doet dan de woonkamer anders indelen. Columnisten die verdwijnen, ergens anders weer opduiken. Sylvia Witteman weg bij de Volkskrant (onbestaanbaar). En waar blijft Stephan Sanders? En een boekenprogramma waarbij het publiek onzichtbaar is. Na het verdwijnen van het radioprogramma De Avonden ben ik eigenlijk uit de koers geraakt. Nu switch ik als een op hol geslagen paard van podcast naar podcast. Ik verlang naar oogkleppen. Nu de zon zo fel de lente verkondigt, sluit ik de gordijnen, treed gezonnebrild naar buiten. 

    Ik hecht dus aan dingen, aan gewoonten. Waarom dan die woonkamer. Schuiven met kasten en tafels door de kamer, eerst de chaos. Dan wordt het een andere beleving, die kamer. Soms wekelijks, naar gelang het seizoen, weertype ook. Humeur heeft er ook wel mee te maken. Tot zover de zelfanalyse. Het ontbreekt me aan een onderbouwing.

    De vrouw van Nick Cave doet hetzelfde, my sorrowful wife / Who is shifting the furniture around’. Hij vindt het niet leuk die veranderingen. ‘Dus gebeurt het als ik niet thuis ben’. Dat vrouwen dat dus gewoon zijn te doen, de dingen om zich heen verschuiven, ‘the furniture around’. Dat daar geen plan aan ten grondslag ligt.

    Er is nog iets wat ik niet verdraag. MarjaPruis heeft haar column plek in De Groene Amsterdammer afgestaan. Er staat: ‘Op deze plek wordt Marja Pruis de komende tijd vervangen door Maartje Wortel’. Dat niet weten hoelang de komende tijd gaat duren.

    Terug naar Nick Cave. Hij bezocht een psychiater om velerlei redenen. Uiteindelijk hadden ze het alleen maar over zijn vrouw, Susie. ‘Die veel interessanter is dan ik’, volgens Cave. De psychiater zei dat herinrichten iets is dat vrouwen doen als ze niet doen wat ze eigenlijk moeten doen. En wat ik daarvan moet denken. Dat ik ga schuiven als ik eigenlijk moet schrijven. Alsof een veranderde omgeving de ideale zal zijn.    

    Ik dacht er weleens over om in therapie te gaan. Te onderzoeken waar die onbedwingbare drang om banken en kasten van hun plek te verslepen vandaan komt. Nick Cave vertelde over een man wiens vrouw dit ook deed. De man timmerde alle meubelen aan de vloer vast. De vrouw rukte ze weer los, ze scheidden. Dwang is niet met dwang te bestrijden. Dat ik er wel eens van droom een schuurtje midden op een kaal stuk land te betrekken. Of en nieuwe taal te leren.

    Dan, terwijl ik aan dit stukje typ, klik ik naar Tirade.nu. Oh, afleiding, dit online open veld is niet te weerstaan. Klik, en weg ben ik, lees. ‘Net buiten de dammen op de hoogte van Ooltgensplaat begon de wind in de zeilen te blazen en begon het schip te lopen. De meeste binnenvaarders waren al snel uit het zicht; een verschillende manier van tijdsbeleving. Tango klonk op het achterdek en toen de zon doorbrak werd een gitaar buiten gebracht. De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’

    Verscholen in een aantrekkend blog van Wiebe Radstake staan namen als ‘Ooltgensplaat’, begrippen als, ‘en begon het schip te lopen’. En deze zin, ‘De kluiver werd aangeslagen en gehesen.’ Een woord als ‘kluiver’, ‘aangeslagen en gehesen’, geeft me vleugels, tilt me op. En dan die tango en gitaar op het achterdek, betoverend gewoon.

    Kunst werkt evenals het verschuiven van meubels, van woorden het gemoed te verlichten. Depressieve jongeren in Brussel krijgen al langer van hun arts een recept voor museumbezoek. Deze week volgde Zwitserland met dezelfde receptuur. We moeten van de bank af, of die bank tegen een andere muur zetten, liefst midden in de kamer.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest en ziet.

  • Nagenoeg perfect

    Nagenoeg perfect

    Flapteksten zijn nuttig, zo lang ze zich beperken tot feitelijke informatie over de schrijver en het onderhavige boek. Zo valt er op de achterkant van Nagenoeg van Filip Rogiers te lezen dat dit een debuutbundel is, samengesteld uit gedichten waarvan sommige er meer dan dertig jaar over deden om tot stand te komen. Het merendeel van de gedichten verscheen eerder in Het Liegend Konijn en Poeziëkrant. Ook wordt vermeld dat Rogiers journalist is en een verhalenbundel en een roman geschreven heeft. Maar nadat er ook nog even iets over de inhoud van de bundel wordt verteld, wordt de lezer vervolgens de mogelijkheid ontnomen om zelf een mening te vormen: ‘[…] de vaak gitzwarte en meedogenloos harde inhoud van nagenoeg elk gedicht in deze bundel. Soms lijken Rogiers’ gedichten op in taal gestolde depressies.’ Dit is niet echt een aanbeveling – wie wil er gestolde depressies lezen? – maar het is bovendien niet waar. Nagenoeg elk gedicht? Ja, er staan gedichten in deze bundel die weliswaar somber van teneur zijn, maar er zijn er ook minstens even veel die teder, mijmerend of hoopvol zijn. Wat te denken van het gedicht ‘Vrouw’:

    ‘Soms als sikkel aan mijn hemel staat zij,
    een dwaallicht, een stuk van haar voor mij.

    Toch blijft zij driekwart achter, houdt zij
    van mij, blijft zij vol. En ik in al haar wanen.

    Zij keert altijd weer
    weg naar haar volle staat,
    zij kan niet anders dan kantelen.

    Volta, wassen naar haarzelf,
    naar de vrouw in haar holte.’

    Een gitzwarte, in taal gestolde depressie? Een eerbetoon voor de geliefde is het, liefdevol uitgedrukt in zorgvuldig overwogen klanken die herhaald worden in de diverse strofen. De vergelijking van de vrouw met de schijngestalten van de maan om mysterie en verandering uit te drukken is al eeuwenoud, maar Rogiers heeft ook zichzelf als minnaar het gedicht binnengesmokkeld. Het gedicht staat in de eerste afdeling, Passages getiteld, waarin beschreven wordt hoe alles voorbijgaat: tijd, mensen, relaties. Door middel van foto’s en herinnering probeert de dichter de tijd te laten stollen en te bestendigen.

    In de afdeling Nagenoeg reikt de dichter naar idealen en probeert hij te vervolmaken wat onaf is. Dat hij daar niet helemaal in slaagt, wordt al aangekondigd door de titel van deze afdeling, eveneens de naam van de gehele bundel.

    Bruno volente

    De bundel bestaat uit acht korte afdelingen van nooit meer dan zeven gedichten, vaker hooguit twee of drie. De onderwerpen zijn zeer divers, omdat Rogiers zich laat inspireren door mensen uit de geschiedenis of de huidige media: een uit drie gedichten bestaande afdeling behandelt een televisiedocumentaire over een man die lijdt aan het syndroom van Asperger. In een andere afdeling, Campo de’ Fiori, spreekt Giordano Bruno. In 1600 veroordeelde de Kerk hem tot de brandstapel, omdat hij beweerde dat het heelal oneindig was en de aarde slechts een stip daarin. Dit was volgens het Vaticaan ketters, omdat het bedreigend was voor de gevestigde orde. Rogiers citeert een citaat van Bruno, dat veronderstelt dat zijn rechters meer angst hadden om het vonnis uit te spreken dan Bruno had om het te ondergaan.

    In vijf gedichten van vijf distichons laat Rogiers Bruno het woord voeren tegen de kopstukken van de Katholieke Kerk. Omdat Bruno een wetenschapper is, heeft Rogiers de gedichten een ordelijke en regelmatige indeling gegeven: die beginnen met een gebiedende wijs (‘Wen er maar aan, u daar in het paars’) om aan te tonen dat Bruno zich niets gelegen laat liggen aan de kritiek van de kerk. Vervolgens stort Bruno zijn toorn uit over zijn rechters, die geen wetenschappelijke bewijzen willen aanvaarden. Liever blijven zij halsstarrig geloven in iets wat niet bestaat. Elk gedicht eindigt met een distichon die begint met de woorden ‘Uw Christus’, waarna Bruno ongezouten zijn mening geeft: ‘Uw Christus kus ik liever niet,/ uw klem lik ik eerder dan uw hiel.’ (Het spreken werd Bruno voor straf belet door een ijzeren klem in zijn mond.)

    Rogiers maakt alleen in deze gedichten gebruik van eindrijm en binnenrijm (‘en staak het gemekker over uw verwekker.’), misschien omdat er geen vrije verzen geschreven werden in de 16de en 17de eeuw en hij zo dicht mogelijk bij Bruno zelf probeert te blijven. Het is een mooie cyclus van felle, doordringende gedichten:

    V

    ‘Lik dan, vlam, onheilig vuur, dit
    is niet mijn maar uw laatste uur.

    Liever ben ik vijand dan laffe buur.
    Mijn graf uw straf, uw boek

    een voetnoot bij mijn woorden.
    Feller dan uw toorts zijn de zonnen

    die u sterren waant. Mij wacht
    een verlichte dood, u het duister.

    Uw Christus draag geen kroon,
    in uw hemelrijk staat geen troon.’

    Buitenbeentjes als inspiratiebron

    Een andere afdeling die geïnspireerd is door een historisch persoon – zij het fictief – heet Meid. Hierin staan slechts twee gedichten, geschreven bij de textiele werken van de kunstenares Louise Bourgeois. Hiermee bracht ze een ode aan Eugenie Grandet, de heldin van Honoré de Balzacs gelijknamige roman. In het eerste van de twee gedichten probeert Eugenie een spaarzame, kuise en onderworpen dienstmeid te zijn, zoals haar gierige vader van haar verlangt. In het laatste gedicht heeft de ontluikende liefde voor haar neef haar echter getransformeerd tot het begin van de vrouw die ze zou willen zijn. Haar neef probeert haar te verleiden ‘en verbloemt mij/ van meid tot meisje/ zoals het raam/ het ijs.’

    Ook de reeks De onfatsoenlijken haalt zijn inspiratie elders. Ditmaal resoneert het gelijknamige boek van de journalist Jan Antonissen op de achtergrond. Hij schreef over zijn ontmoetingen in Europa met mensen die “met de nek worden aangekeken, […] het racistisch stemvee van de populisten.” In zes gedichten schetst Rogiers een beeld van deze vaak eenzame, want verfoeide buitenbeentjes die niet passen in de samenleving en die hardnekkig blijven vasthouden aan hun eigen gedachtespinsels.

    III

    ‘Hij heeft het niet begrepen hoe
    de tijden zijn gekeerd. Hij stemt
    op de verkeerden, smaak en rede
    zijn hem vreemd. Hij is te klein,

    te laaggeschoold, de wereld
    draait te snel en is te groot.

    Dat zeggen zij die deugen.
    Wat hij zegt, blijft ongehoord.’

    Flaptekst voor in het closet

    De voorlaatste afdeling is getiteld Closing time. Zo genoemd met het album van Tom Waits in gedachten? Het zou kunnen, want een van de gedichten in deze afdeling draagt als motto ook een paar zinnen uit het lied ‘Jesus alone’ van Nick Cave. De inspiratiebronnen van Rogiers komen van heinde en verre. Ze brachten hem tot het schrijven van intieme en weloverwogen gedichten, die af en toe somber zijn – welke dichter is dat nooit? – maar die toch voornamelijk tederheid laten zien, deernis en een besef dat de wereld groter is dan de eigen gezichtskring. Deze bundel is verrassend veel gevarieerder dan de tekst op de achterkant aankondigt. Lees die daarom niet. Laat de gedichten voor zichzelf spreken.