• De dichter als beeldhouwer

    De dichter als beeldhouwer

    De poëzie van Nachoem Wijnberg in zijn 21ste bundel Hoe het werkt is niet lyrisch, maar wetenschappelijk van aard. Hij onderzoekt hoe poëzie werkt en probeert dat door te trekken naar andere vormen van kunst, zoals schilderkunst, muziek, beeldhouwkunst, textiele werkvormen, maar ook de vertaalkunst. De techniek van het maken van poëzie staat voorop: als je weet hoe je kunst moet maken, kun je die dan ook verbeteren? De dichter gaat hierbij te werk als een ambachtsman die een product wil neerzetten: alle mogelijkheden van aanpak worden beoordeeld, er wordt aan geknutseld, geschaafd, verbeterd. Alsof de dichter om zijn gedicht heen kan lopen als een driedimensionaal object.

    Het maken van poëzie is arbeid. Door na te denken over hoe poëzie werkt, probeert de dichter ook inzicht te krijgen in zijn eigen werkwijze en dus in zijn eigen geest. Ook de dichter Rutger Kopland probeerde inzage te geven in het vervaardigen van een gedicht in zijn proza-aantekeningen ‘Over het maken van een gedicht’ in de bundel Al die mooie beloften uit 1978. Maar waar het bij Kopland meer om de aanleiding en de inspiratie ging, belicht Wijnberg vooral de technische kant van het plaatsen van woorden, het maken van keuzes, het procedé.

    Poëzie interpreteren laat Wijnberg aan de lezer over. Hij biedt daarvoor keuzes te over, omdat hij zo veel mogelijk interpretaties plausibel wil maken. Elk geschreven woord is een bewuste keuze van de dichter en moet dus voor de lezer verschillende richtingen uit kunnen gaan. Hij maakt hierbij gebruik van de kracht van de herhaling van woorden en zinsneden. Veel gedichten dragen daarom dezelfde titel, alsof een enkel gedicht op verschillende manieren geschreven kan worden. Opvallend zijn ook de vele vergelijkingen, vooraf gegaan door het woord ‘zoals’, dat vaak voorkomt, evenals ‘alsof’, omdat alles met alles vergeleken kan worden in de kunst, want: ‘Alles kan met alles een vorm gegeven worden, in elke kunst/ en, als alle tijd, ook daarbuiten’. (Uit: ‘Zo ver als het gaat’)

    Interpreteren wat er is ingelegd

    Voor Wijnberg gaat poëzie van de lezer terug naar de dichter: de lezer dient te interpreteren wat de dichter er misschien wel, misschien niet in gelegd heeft. Zo is de titel van de bundel op twee manieren op te vatten: enerzijds hoe de dichter te werk gaat bij het maken van poëzie, anderzijds hoe die poëzie inwerkt op de lezer ervan. Voor de lezer is het lezen van deze gedichten als dwalen door een bos, waar Wijnberg én de lezer beiden niet van weten waar het ophoudt of waar het bos op uitkomt: ‘Nog een aanwijzing/ die mij laat raden hoe het verder gaat, […]’.

    In de richting van tijd

    In de richting van tijd
    kan ik niet zeggen dat wat voor een deel verborgen is
    door iets anders daarom verder weg is
    en in welke andere richtingen is diep niet altijd ver?

    Als de achtergrond het verst weg is
    in de richting van tijd is wat op de achtergrond gebeurt
    als een stipje licht waar ik jarenlang
    een afbeelding van mijn afbeelden op kan richten,
    zoals wie de lens een hele nacht open laat staan
    voor één onheldere ster en de maan
    wordt een kromme veeg daaronder. Elke kunst laat tijd langzamer gaan,

    wat druk naar buiten geeft,
    zoals tegen de onderkant van een vleugel
    en meer druk in de richting van waar de kunst opbolt
    in de wind van de tijd.

    Poëzie als ambacht

    Dit is poëzie als ambacht, lastig en ontoegankelijk, al vindt Wijnberg zelf zijn poëzie niet moeilijk: ‘Ik schrijf een zo helder mogelijke tekst als ik kan’. Hij is oprecht en daadwerkelijk geïnteresseerd in hoe poëzie tot stand komt. Deels uit persoonlijke overwegingen, maar ook om te zien hoe het proces van het maken van poëzie doorgetrokken kan worden naar andere dichters en kunstenaars. Deze bundel kent geen afdelingen, omdat de gedichten allemaal gelezen kunnen worden als een aaneengesloten gedachtegang, het denkproces van de dichter. Het ene gedicht leidt naar het andere. Wijnberg maakt gebruik van een visueel hulpmiddel door in te springen in de marge bij bepaalde regels. Alsof de gedichten een kern van belangrijkste regels bevatten, of zoals bij een sonnet een volta, waar het oog onmiddellijk naartoe geleid moet worden.

    Een ander opvallend aspect in de gedichten is de ingewikkelde syntaxis van de zinnen, waarbij zorgvuldig lezen en herlezen noodzakelijk is. Op het eerste gezicht lijken de zinnen niet te kloppen, maar dat is slechts schijn. Het enige persoonlijk voornaamwoord dat de dichter gebruikt is ‘ik’. Waar het over gaat, wordt niet direct aangeduid, maar omschreven, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Wat een begin blijft’:

    Wat het begin kan zijn
    omdat ik niets anders weet
    waarvan meer wegen gaan naar wat het meest als dit is,
    waar het eerste zeggen hoe verder is
    dat ik het begin kan herhalen in plaats van wat ik nog niet weet.

    Maar ook deze omschrijving is zo complex, dat de verwarring bij de lezer toeneemt. De zin lijkt grammaticaal te ontsporen, alsof poëzie in zichzelf een ontregelende werking heeft op de taal of door de gecreëerde chaos juist orde schept.

    Taalvaardigheid van de dichter

    Een kunstvorm die Wijnberg het meeste bespreekt, naast de poëzie, is de muziek. De dichter is gefascineerd door muziek, omdat de werking ervan een raadsel voor hem blijft: “Ik kan hoogstens zeggen/ hoe muziek op mij werkt, niet hoe die werkt’. Soms zijn poëzie en muziek elkaars concurrenten, soms samenzweerders in de strijd om niet vergeten te worden. In het gedicht ‘Techniek’ schrijft Wijnberg: ‘Alle andere technieken/ van poëzie om wat dan ook langzamer/ te vergeten en muziek/ om poëzie langzamer te vergeten.’

    Interessant is ook de vergelijking van poëzie met toneel en dan met name waar het gaat om het spelen van rollen en het dragen van maskers, wisseling van personages. Wijnberg zegt daarover in het gedicht ‘Schrijven, lezen’: ‘Ik lees langzamer, schrijf sneller/ wanneer het om mij heen sneller groter wordt dan ik verder ga,/ het tegenovergestelde van dat ik steeds meer wil overslaan,/ het omgekeerde van dat ik binnen nog steeds als buiten ben.’

    Mag je dit cerebrale poëzie noemen? Hermetische poëzie? Intellectuele poëzie? Het is een intrigerende bundel, die bewondering afdwingt voor de taalvaardigheid van de dichter. Maar als lezer blijf je achter met de indruk dat Wijnberg de ambachtelijke kant van het gedichten schrijven te veel heeft benadrukt. Het geheel brengt onwillekeurig ‘Idee nummer 80’ uit Ideën I van Multatuli in gedachte, waarin een moeder de schoonheid van haar kind graag wil laten zien, maar iedereen alleen maar oog heeft voor het jurkje dat het draagt. Ook Wijnberg heeft alle aandacht voor het jurkje, maar als lezer zou je toch graag ook het kind willen zien dat daaronder schuilgaat.

     

     

  • Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Weinig dichters verraden zich  na een paar regels. Al heb je voor het raden van dichters als Armando, Kouwenaar of Faverey  niet veel nodig. Sinds de bundel Nog een grap uit 2014 heeft Nachoem Wijnberg (1961) zich ook in dit groepje geschaard, met de voor hem zo karakteristiek geworden vragende vorm. Niet dat hij er voorspelbaar op geworden is. Integendeel, juist in zijn latere bundels verkent Wijnberg iedere keer een nieuw onderwerp dat hij vragenderwijs analyseert. In zijn negentiende en nieuwste bundel Afscheidswedstrijd waagt de dichter zich op en rond het voetbalveld. Een aantal gedichten van deze P.C. Hooftprijslaureaat beleefde een voorpublicatie in het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras. Het leverde hem een blurb op van niemand minder dan Henk Spaan.

    Meer afscheid dan wedstrijd

    In Afscheidswedstrijd worden geen hijgerige odes geserveerd aan vedettes die met hun wonderschone en legendarische doelpunten een staat van onsterfelijkheid verwierven. Er worden geen sport-filosofische inzichten ontvouwd. Wat dat aangaat is het meer ‘afscheid’ dan ‘wedstrijd’. Een greep uit de motieven die wél worden aangesneden: wachten, oefenen, verliezen, of beter gezegd: niet willen winnen, verguisd worden, laatste worden, niet kunnen kiezen, niet gekozen worden. Wijnberg hanteert vaak de comparatief en superlatief en speelt zo tegenstellingen tegen elkaar uit: ‘Enkel in de donkerste nacht zag je makkelijk / zo weinig als alle anderen samen’. Er wordt veel in extremen gedacht, met bijpassende woorden als: eerste, laatste, niemand, geen, niet, meer, minder. Het wemelt daarbij van bijwoordelijke bijzinnen en uitweidende vergelijkingen.

    De zinnen springen van het ene onderwerp naar het andere. Wijnberg is een denkende dichter, die voortdurend schakelt tussen de probleemstellingen om vat op de materie te krijgen. En dat in een consequent volgehouden parlandostijl maakt dat dit alles leest alsof je iemand hardop hoort denken. ‘Je wilde / dat je pas over je hoort dat je een minder goede verliezer bent dan iemand dacht / wanneer je niets meer te verliezen hebt.’
    Alles in de je-vorm, alsof er geen ontkomen aan is. Maar wel met de dichterlijke pen in de aanslag, om de zin een wending te geven die de schoonheid van het denken dient: ‘jullie kregen net zoveel kansen als jullie tegenstanders / van die dag om te doen waardoor de wereld dichterbij gebracht was waarin jullie / één kans meer gehad hadden.’

    Melancholische ondertoon

    Er zijn veel variaties op het thema ‘voetballen voor verliezers’ want een sukkel is de je-persoon in kwestie zeker. In de meeste gedichten schuilt een schlemielige vorm van humor met een melancholische ondertoon, die niet zelden ontroert: ‘En als jullie zeggen, / wijs maar een van ons aan / laat ik dat liever doen door een geblinddoekt kind (ik zou eerst om een vrouw vragen, / dan om een blinde, dan om een kind van wie de ouders toestemming gaven dat het geblinddoekt werd)’. In een gedicht waarin zowaar sprake is van winst, wordt champagne geserveerd: ‘Champagne in een koeler / midden in de kleedkamer. Eén glas voor iedereen? De wisselspelers die niet dachten // dat ze nog in het veld zouden komen zijn al weg en de anderen douchen liever thuis. Willen ze niet meer / naakt gezien worden? Word je daar bedroefd over / om het ergens anders / niet over te zijn?’ Dat elders ook weer champagne opduikt schept een zekere samenhang tussen de gedichten, die verder niet gegroepeerd en zonder inhoudsopgave in deze bundel zijn ondergebracht.

    Als hoogleraar economie van beroep kent Nachoem Wijnberg de waarde van uitstel van behoeftebevrediging als geen ander. Als dichter keert hij het begrip binnenste buiten. ‘Het is er een die zegt, laat mij, / voor de verandering, één keer krijgen wat ik nog niet kan zeggen dat ik wil hebben.’
    Met een motief als schaarste kan hij ook goed uit de voeten, zoals bijvoorbeeld in Om te lezen:

    ‘De volgende keer geef ik je een boek mee en je kan het uitlezen
    voordat je het doorgeeft of zou je dan bang worden
    dat er op een dag geen boeken meer zijn die je nog kan lezen? Zoals
    wanneer je in een bibliotheek loopt

    en alle boeken die je ziet heb je al gelezen
    en je vraagt of er niet nóg een deel
    van de bibliotheek is
    voor wie ouder dan jij is.’

    Bedwelmende gedichten

    Een fijn netwerk van vragen spreidt zich uit over deze gedichten , die daarmee iets bedwelmends krijgen. Zeker wanneer men bedenkt dat de meeste gedichten paginavullend zijn en in vaste formaties van vier strofen, 105 pagina’s lang over het papier waaieren. De gedichten lijken ‘aus einem Guss’ opgeschreven, al verkondigde Wijnberg ooit dat zijn poëzie vele kladstadia kent. Het leest in ieder geval alsof het allemaal  makkelijk is geschreven. Hierin lijkt zijn poëzie op het echte voetbal, waarin wat eenvoudig oogt, het moeilijkst te spelen is. Het associatieve in deze gedichten zie je als het ware onder je ogen plaatsvinden, als in De opstelling:

    ‘Of je nog opgesteld wordt of niet
    (of je ongesteld wordt of niet, omdat je het oneerlijk vond dat alleen meisjes dat mochten zeggen,
    wat de gymleraar bozer maakte dan wat je verder zei om niet mee te hoeven doen)
    en als de trainer je zegt buiten het veld te gaan zitten

    is dat ook een deel van de opstelling, want zoals op de lagere school tegen je gezegd werd
    wanneer de rest van de klas ging zingen,
    het enige wat samen gedaan werd, een of twee keer per jaar, er moet ook iemand luisteren
    en jij bent vandaag de luisteraar (…)’

    Overdaad schaadt niet

    Wijnbergs stijl behoeft een zekere overdaad om tot bloei te komen. Deze gedichten hebben verhalende aanzetjes nodig om het ontregelende, het vervreemdende te kunnen schragen. Je kunt als lezer gegrepen worden door zinnen als ‘maar je speelt toch tegen de hemel aan de kant van de aarde?’ Of wrevelig vaststellen dat het nergens naartoe gaat. Maar in deze poëzie gaat het vooral om waar gedachten, als in een schijnbeweging, haast terloops in gedichten overgaan. Vragenderwijs denken als sparring partner van poëzie. Dwingt Wijnbergs manier van dichten zulke ontregelende vragen af? Of woelen deze vragen poëtische lagen bloot?
    Dat Wijnbergs poëzie voor moeilijk wordt versleten is eigenlijk een groter raadsel dan zijn poëzie zelf. Het is niet het soort dat lezers op het verkeerde been zet. In wezen vraagt ze de bereidheid om op een vraag niet met een antwoord, maar met een andere vraag genoegen te nemen.

    Zinnen die willen schitteren

    Dat deze gedichten niet langer dan een pagina zijn, is een beperking die zijn poëzie ten goede komt. In zijn zeer uitgedijde bundel Van groot belang uit 2015 overspeelde de wetenschapper Wijnberg hier en daar zijn dichterlijke hand met al te wijdlopige gedachtestromen, waaraan het belang van de poëzie ondergeschikt leek. Iets ouderwets Wijnbergiaans zit nog in enkele langere titels van gedichten als Het mooiste verlies waarover je weet of Als er iemand anders geweest was had je zijn beide benen kunnen breken. Verreweg de meeste gedichten hebben beduidend kortere titels en een meerderheid daarvan heet gewoon Afscheidswedstrijd. Heel treffend voor een bundel waarin ieder gedicht voor typerend door kan gaan.

    In ieder gedicht schuilen zinnen die willen schitteren. Sommige lukt dat beter dan andere. ‘Hoe maak je een afscheid / zo groot als een juweel dat je probeert in te slikken als het al te laat is om / weg te lopen?’ levert niet echt een schitterend beeld op. Maar daar staat een waarlijk juweeltje van een wandtegelwijsheid tegenover: ‘Wie zegt, je hebt maar één leven, // moet lang hebben zitten tellen.’ En daarmee maakt deze dichter op overtuigende wijze het winnende doelpunt!

     

  • Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    De eerste editie van het tweejaarlijkse tijdschrift Het Liegend Konijn, bevat werk van vierendertig dichters, waaronder Gilles Boeuf, Fleur Bourgonje, Fred Papenhove, Vicky Francken, Anne Büdgen, Luuk Gruwez, Bernke Klein Zandvoort, Mustafa Stitou, Delphine Lecompte, Florence Tonk en Arno Van Vlierberghe. Samen zijn ze goed voor 173 gedichten. Altijd weer een plezier door dit boekwerk (256 p.) met pril materiaal te bladeren. De verscheidenheid doet de aandacht niet verslappen, wat bij een bundel van een dichter nog wel eens kan gebeuren. Niet omdat het werk zou vervelen maar meer omdat er een soort van overdaad kan optreden die eerst verteerd moet worden om weer verder te kunnen lezen. Bij een bloemlezing als HLK, wordt de lezer steeds opnieuw geprikkeld door een andere dichter, andere stijl en thematiek.

    Er is poëzie die direct aanspreekt en er is poëzie die je steeds opnieuw moet lezen om te begrijpen wat er staat, om dan te ontdekken dat er bij iedere lezing weer iets anders staat. Er is poëzie die zich niet laat lezen, die je moet ondergaan, zoals de gedichtencyclus over een man en een huis en een – waarschijnlijk – vrouwelijke ‘ik’, ‘In de nacht’ van Eva Gerlach (1948).
    Zeven gedichten met de volgende titels: ‘droom over U (1), een nacht – Thies – soms – adem –  ga! – dag – droom over U (2)’. Wil je de woorden, de opeenvolging van de woorden die Gerlach heeft gebruikt tot een verhaal maken, dan lukt dit niet. Zelfs als je voor een moment denkt te begrijpen wat er staat, krijg je het niet te pakken, kun je het niet navertellen. Maar mooi is het wel. Zoals in Ga!:

    Ik smeet de kortste zijn van boven tegen
    het dak, het huis brak overlangs
    open tot op zijn ijzers. Iemand hield zich
    schuil in de fundamenten, knieën hoog
    tegen de borst, armen kruiselings. Klein, erg
    klein, het kind dat we niet kregen.

    Direct aansprekende poëzie is de tien-luik in prozagedichten, ‘Duivelskermis’ van Lucas Hirsch (1975). Beeldend taalgebruik in proza-achtige fragmenten, de een langer dan de ander. Over verlies, afscheid en vooral afstand nemen van de dingen om de ‘ik’ heen. Een vader sterft en de relatie van de zoon loopt ten einde. In tien genummerde gedichten wordt een heel leven weergegeven. Waarvan hier nummer 8 van de tien-luik:

    Na het laatste nummer aangehoord te hebben was het aan ma / een laatste klap te geven op het leven van pa. Zuinig was de mond / die openging. Karig de woorden die gekozen werden hem tot zin te maken / We prevelden een gebed en volgden vader naar het graf dat een ritje verder / op hem lag te wachten in het waterkoude weer van dienst / Ik dacht er mijn huwelijk in te herkennen en kromp ineen.

    Op de dag dat dichter Nachoem Wijnberg de P.C. Hooft Prijs kreeg uitgereikt (23 mei), liet hij in een interview (Trouw) weten dat poëzie niet moeilijk is. ‘Moeilijk? Als je maar niet zoekt naar een gesloten wereldbeeld of een redenering met een uitkomst. Er staat wat er staat.’ Laten we lezen zoals Nachoem Wijnberg voorstelt: Lezen wat er staat en laat de rest zijn werk doen.

    Deze poëziebloemlezing leent zich daar goed voor, te lezen wat er staat en te kijken wat er gebeurt. Te beginnen met een cyclus van vijf gedichten door Obe Alkema (1993). Alkema loodst de lezer door de tijd waarin hij zowel Simone Weil , Netflix als Wim Kok opvoert op een wijze als was hij ermee opgegroeid. Indrukwekkend ook hoe hij zichzelf in dat tijdsbeeld registreert, alsook voorbije tijdsbeelden naar zich toetrekt. ‘Dat ik niet in staat ben / aflevering na aflevering Black Mirror te bingen / heeft niets te maken met eventueel verzet tegen de manipulatie van Netflix / maar met mijn empatisch hart, mijn liberale emoties / die me na 45 60 90 minuten dystopie verlammen. Mijn flanken staan open.’ Getuigenis van zelfkennis ook: ‘Laat ik me dan nu ook kwetsbaar opstellen en het niet meteen weer deleten.’ Alkema publiceerde nog geen bundel maar dat zal, naar vermoed, niet lang op zich laten wachten.

    Paul Desmets (1966) schreef onder het begrip ‘Taxonomis’ (ordening en naamgeving in het planten- en dierenrijk) vijf gedichten, bestaande uit drie kwatrijnen afsluitend met een concluderende, enkele regel. Met titels als ‘Zwaluwen’, ‘Wolf, ‘Eik’, ‘Motten’ en ‘Grondeling’.  Desmets roept werelden van heden en verleden op met ‘Wie haalt nu neer, hanteert de bijl? Dit huis kruipt in mijn botten. / De stoel die ooit weer boom zou worden schilfert. / Zijn mond zakt open als hij slaapt. De kamer bewaart / ons zwijgen. Traag groeien de wijzers terug naar elkaar.’

    Zoals Jozef Deleu in zijn inleiding – waarin hij de stand van de poëzie, aan de hand van het essay ‘Waarom we poëzie haten’ van Ben Lerner, opnieuw peilt – laat weten dat poëzie ‘perspectief en diepgang’ aan onze ervaringen en inzichten verleent. Alleen daarom al zou er poëzie gelezen moeten worden. Lezen zonder het te willen begrijpen, is een voorwaarde. Het mooie van dit poëzietijdschrift van formaat is dan ook dat het zich uitstekend leent om op vakantie me te nemen in rugzak of koffer. Zodat niet alleen de geografische blik verbreed wordt maar ook de blik op de poëzie. Dan kan er zomaar uit deze prachtige bloemlezing een favoriete dichter naar voren komen, wiens werk je anders niet onder ogen zou krijgen.

    Het Liegend Konijn.be

     

     

  • Dood aan de Universiteit!

    Dood aan de Universiteit!

    Wijnberg heeft een absurdistische roman geschreven over de universitaire gemeenschap. Hoofdpersoon is een student van de ‘Janprofessor’, met een Ex, en een Fanclub met vriendinnen van de Janprofessor. Die Fanclub heeft hij van zijn professor aangeboden gekregen en hij mag zelf bedenken wat hij met de Fanclub wil doen. Dat lijkt de Janprofessor  beter dan dat hij alleen maar zou studeren, hij stelt hem zelfs vrij van de studie en geeft hem voldoendes voor tentamens die hij helemaal niet aflegt. De student krijgt van de Janprofessor het voorstel ‘te proberen de doden door hem te laten spreken’, hoewel de ik-verteller geen idee heeft hoe hij dat moet doen. Wel doet hij met die vriendinnen uit de Fanclub apart dingen, zoals de Italiaanse taal leren of goochelen. Soms komen ze bij elkaar en spreken over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals ‘het klaarkomen’.

    Op de eerste bladzijde van het boek krijgt de absurditeit al direct vorm.
    Zo is er een Coca-Cola professor in marketing die drie mensen heeft doodgeschoten. Hij had een aanstelling in de VS en daarnaast een kleine aanstelling aan de VU. ‘VRIJE UNIVERSITEIT ONTSLAAT MOORDENDE PROFESSOR, koppen de Nederlandse kranten. Er is ook tenminste één Pepsico-professor in marketing. Die komt uit Nederland maar werkt in Dallas en Houston, al heeft hij ook nog een gastaanstelling in Tilburg  of Groningen of allebei.’ Daarnaast passeren de Persoonlijkheidstestprofessor, Grote Wanja, UHD Weltevree en UD Willem Twee de revue.

    Wat volgt zijn diverse bizarre voorvallen en gebeurtenissen die symbool staan voor het verval van de academische gemeenschap. Het zijn incidenten die weinig met elkaar te maken hebben, er zit geen lijn in. Soms hilarisch om te lezen, maar vaker niet. De realiteit is veelal zo ver te zoeken dat de ironie en het sarcasme hun doel voorbij schieten. Je kunt de absurditeit ook te ver doorvoeren en dan wordt het lastig om de aandacht van de lezer 200 bladzijden lang vast te houden.

    Het boek eindigt met een huilende Janprofessor, die ‘in de afgelopen week iets heeft opgeschreven over lang geleden, over wat ik me herinner van wat er vijfentwintig jaar geleden in Rotterdam is gebeurd, toen ik daar mijn proefschrift schreef en in de jaren daarna’. Dan volgt een heldere reconstructie van een conflict in een benoemingscommissie van de Erasmus Universiteit van Rotterdam waar de promotor van de nu Janprofessor een hoofdrol in speelde en slachtoffer van werd. Een reconstructie die herkenbaar is en model staat voor benoemingsconflicten ook op andere universiteiten.  Maar ook niet nieuw, want W.F. Hermans schreef er al in 1975 over (Onder Professoren) en wie de biografie van Otterspeer over hem heeft gelezen, ziet veel gelijkenis met de gang van zaken ten tijde van Hermans’ lectoraat aan de Universiteit van Groningen.

    Het is een te serieus einde van een lichtvoetig boek dat vooral een ironisch en sarcastisch portret schetst van de moderne academische gemeenschap.


    Alle collega’s dood

    Auteur: Nachoem Wijnberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 203
    Prijs: €18,90