• De dichter als beeldhouwer

    De dichter als beeldhouwer

    De poëzie van Nachoem Wijnberg in zijn 21ste bundel Hoe het werkt is niet lyrisch, maar wetenschappelijk van aard. Hij onderzoekt hoe poëzie werkt en probeert dat door te trekken naar andere vormen van kunst, zoals schilderkunst, muziek, beeldhouwkunst, textiele werkvormen, maar ook de vertaalkunst. De techniek van het maken van poëzie staat voorop: als je weet hoe je kunst moet maken, kun je die dan ook verbeteren? De dichter gaat hierbij te werk als een ambachtsman die een product wil neerzetten: alle mogelijkheden van aanpak worden beoordeeld, er wordt aan geknutseld, geschaafd, verbeterd. Alsof de dichter om zijn gedicht heen kan lopen als een driedimensionaal object.

    Het maken van poëzie is arbeid. Door na te denken over hoe poëzie werkt, probeert de dichter ook inzicht te krijgen in zijn eigen werkwijze en dus in zijn eigen geest. Ook de dichter Rutger Kopland probeerde inzage te geven in het vervaardigen van een gedicht in zijn proza-aantekeningen ‘Over het maken van een gedicht’ in de bundel Al die mooie beloften uit 1978. Maar waar het bij Kopland meer om de aanleiding en de inspiratie ging, belicht Wijnberg vooral de technische kant van het plaatsen van woorden, het maken van keuzes, het procedé.

    Poëzie interpreteren laat Wijnberg aan de lezer over. Hij biedt daarvoor keuzes te over, omdat hij zo veel mogelijk interpretaties plausibel wil maken. Elk geschreven woord is een bewuste keuze van de dichter en moet dus voor de lezer verschillende richtingen uit kunnen gaan. Hij maakt hierbij gebruik van de kracht van de herhaling van woorden en zinsneden. Veel gedichten dragen daarom dezelfde titel, alsof een enkel gedicht op verschillende manieren geschreven kan worden. Opvallend zijn ook de vele vergelijkingen, vooraf gegaan door het woord ‘zoals’, dat vaak voorkomt, evenals ‘alsof’, omdat alles met alles vergeleken kan worden in de kunst, want: ‘Alles kan met alles een vorm gegeven worden, in elke kunst/ en, als alle tijd, ook daarbuiten’. (Uit: ‘Zo ver als het gaat’)

    Interpreteren wat er is ingelegd

    Voor Wijnberg gaat poëzie van de lezer terug naar de dichter: de lezer dient te interpreteren wat de dichter er misschien wel, misschien niet in gelegd heeft. Zo is de titel van de bundel op twee manieren op te vatten: enerzijds hoe de dichter te werk gaat bij het maken van poëzie, anderzijds hoe die poëzie inwerkt op de lezer ervan. Voor de lezer is het lezen van deze gedichten als dwalen door een bos, waar Wijnberg én de lezer beiden niet van weten waar het ophoudt of waar het bos op uitkomt: ‘Nog een aanwijzing/ die mij laat raden hoe het verder gaat, […]’.

    In de richting van tijd

    In de richting van tijd
    kan ik niet zeggen dat wat voor een deel verborgen is
    door iets anders daarom verder weg is
    en in welke andere richtingen is diep niet altijd ver?

    Als de achtergrond het verst weg is
    in de richting van tijd is wat op de achtergrond gebeurt
    als een stipje licht waar ik jarenlang
    een afbeelding van mijn afbeelden op kan richten,
    zoals wie de lens een hele nacht open laat staan
    voor één onheldere ster en de maan
    wordt een kromme veeg daaronder. Elke kunst laat tijd langzamer gaan,

    wat druk naar buiten geeft,
    zoals tegen de onderkant van een vleugel
    en meer druk in de richting van waar de kunst opbolt
    in de wind van de tijd.

    Poëzie als ambacht

    Dit is poëzie als ambacht, lastig en ontoegankelijk, al vindt Wijnberg zelf zijn poëzie niet moeilijk: ‘Ik schrijf een zo helder mogelijke tekst als ik kan’. Hij is oprecht en daadwerkelijk geïnteresseerd in hoe poëzie tot stand komt. Deels uit persoonlijke overwegingen, maar ook om te zien hoe het proces van het maken van poëzie doorgetrokken kan worden naar andere dichters en kunstenaars. Deze bundel kent geen afdelingen, omdat de gedichten allemaal gelezen kunnen worden als een aaneengesloten gedachtegang, het denkproces van de dichter. Het ene gedicht leidt naar het andere. Wijnberg maakt gebruik van een visueel hulpmiddel door in te springen in de marge bij bepaalde regels. Alsof de gedichten een kern van belangrijkste regels bevatten, of zoals bij een sonnet een volta, waar het oog onmiddellijk naartoe geleid moet worden.

    Een ander opvallend aspect in de gedichten is de ingewikkelde syntaxis van de zinnen, waarbij zorgvuldig lezen en herlezen noodzakelijk is. Op het eerste gezicht lijken de zinnen niet te kloppen, maar dat is slechts schijn. Het enige persoonlijk voornaamwoord dat de dichter gebruikt is ‘ik’. Waar het over gaat, wordt niet direct aangeduid, maar omschreven, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Wat een begin blijft’:

    Wat het begin kan zijn
    omdat ik niets anders weet
    waarvan meer wegen gaan naar wat het meest als dit is,
    waar het eerste zeggen hoe verder is
    dat ik het begin kan herhalen in plaats van wat ik nog niet weet.

    Maar ook deze omschrijving is zo complex, dat de verwarring bij de lezer toeneemt. De zin lijkt grammaticaal te ontsporen, alsof poëzie in zichzelf een ontregelende werking heeft op de taal of door de gecreëerde chaos juist orde schept.

    Taalvaardigheid van de dichter

    Een kunstvorm die Wijnberg het meeste bespreekt, naast de poëzie, is de muziek. De dichter is gefascineerd door muziek, omdat de werking ervan een raadsel voor hem blijft: “Ik kan hoogstens zeggen/ hoe muziek op mij werkt, niet hoe die werkt’. Soms zijn poëzie en muziek elkaars concurrenten, soms samenzweerders in de strijd om niet vergeten te worden. In het gedicht ‘Techniek’ schrijft Wijnberg: ‘Alle andere technieken/ van poëzie om wat dan ook langzamer/ te vergeten en muziek/ om poëzie langzamer te vergeten.’

    Interessant is ook de vergelijking van poëzie met toneel en dan met name waar het gaat om het spelen van rollen en het dragen van maskers, wisseling van personages. Wijnberg zegt daarover in het gedicht ‘Schrijven, lezen’: ‘Ik lees langzamer, schrijf sneller/ wanneer het om mij heen sneller groter wordt dan ik verder ga,/ het tegenovergestelde van dat ik steeds meer wil overslaan,/ het omgekeerde van dat ik binnen nog steeds als buiten ben.’

    Mag je dit cerebrale poëzie noemen? Hermetische poëzie? Intellectuele poëzie? Het is een intrigerende bundel, die bewondering afdwingt voor de taalvaardigheid van de dichter. Maar als lezer blijf je achter met de indruk dat Wijnberg de ambachtelijke kant van het gedichten schrijven te veel heeft benadrukt. Het geheel brengt onwillekeurig ‘Idee nummer 80’ uit Ideën I van Multatuli in gedachte, waarin een moeder de schoonheid van haar kind graag wil laten zien, maar iedereen alleen maar oog heeft voor het jurkje dat het draagt. Ook Wijnberg heeft alle aandacht voor het jurkje, maar als lezer zou je toch graag ook het kind willen zien dat daaronder schuilgaat.

     

     

  • Klassiek in kleur

    Klassiek in kleur

    De kleuren spatten van de pagina’s. Koos striptekenaar Dick Matena voor sober zwartwit bij Gerard Reves De Avonden en Willem Elsschots Kaas, Multatuli’s Saïdjah en Adinda verbeeldt hij in een explosie van groen, bruin en blauw. En het werkt!

    Dick Matena (1943) is een grote naam als het om Nederlandse striptekenaars gaat. Wie de stripbladen Pep en Eppo uit de jaren zeventig en tachtig las, kent hem van verschillende stripseries, zoals De Argonauten en Dandy. Daarnaast schreef hij scenario’s voor Storm en De Partners. In 1986 won hij al de prestigieuze Stripschapsprijs. Toen moest het leeuwendeel van zijn werk nog komen, de verstripping van klassieke kinderboeken, romans en verhalen. Een stroom van titels volgde: Chris van Abcoudes Pietje Bell en Kruimeltje, Nienke van Hitchums Afke’s tiental, Jan Wolkers’ Kort Amerikaans, Kees de jongen van Theo Thijssen. Ook Roald Dahl en Charles Dickens heeft hij eens onder zijn hoede genomen. En dan nu uit de Max Havelaar, Saïdjah en Adinda, de geschiedenis van een tragische liefde tussen twee jonge mensen in de dessa, tegen het decor van kolonialisme en machtsmisbruik.

    De tekst van deze stripeditie is nagenoeg integraal overgenomen van de Max Havelaar-editie uit 1979, zo staat in de verantwoording. Slechts kleine gedeelten van de tekst zijn weggelaten, coupures die de lezer niet opvallen. De spelling is stilzwijgend aangepast, geen ‘den ketapan’, zoals in de editie van 1979, maar ‘de ketapan’. Ook enkele stripplaten hebben het boek niet gehaald, maar zijn wel op een website terug te vinden. Achter in het boek staat een verklarende woordenlijst met Indonesische en Nederlandse woorden: melati is jasmijnbloem, klappa is kokos, ketapan is een boomsoort etc.

    Close-up

    In Saïdjah en Adinda laat Matena Multatuli (Eduard Douwes Dekker) zelf het verhaal vertellen. Al op de eerste pagina portretteert Matena hem, terwijl hij één van de beroemdste regels uit de Max Havelaar voorleest: ‘Saïdjahs vader had een buffel, waarmede hij zijn veld bewerkte. Toen deze buffel hem was afgenomen door het districtshoofd van Parang-Koedjang, was hij zeer bedroefd, en sprak geen woord vele dagen lang.’

    Enkele bladzijdes later blijkt dat Multatuli zijn verhaal voorleest op wat een soiree lijkt van witte, welgestelde dames en heren. De gezichten van die bezoekers zijn interessant. Ze lijken onaangeroerd, zelfs een tikje verveeld in het begin, maar tegen het einde, als het drama heeft plaatsgevonden, draait Matena zijn camera (die vooral close-ups gaf van Multatuli’s gezicht), naar de zaal en zie je hoezeer het publiek geraakt is. Het is een handige zet van de tekenaar om Multatuli sprekend op te voeren en hem in beeld te brengen. Zo zit je als de lezer Multatuli dicht op de huid en probeer je emotie in zijn ogen te ontdekken – wat overigens niet zo gemakkelijk is, ook van Multatuli’s gezicht is moeilijk iets op te maken. Maar juist de pagina’s waarop deze close-ups ontbreken, zijn aansprekender. Je wordt als lezer niet afgeleid en je blijft meer in het verhaal van Saïdjah en Adinda. Natuurlijk is die geschiedenis overbekend. Saïdjah en Adinda past in de traditie van tragische liefdesgeschiedenissen als Tristan en Isolde en Romeo en Julia. Politiek blijkt telkens fnuikend voor de liefde.

    Eenzaamste plaat

    Saïdjah vertrekt naar Batavia om voldoende geld te verdienen voor twee buffels. Hij belooft Adinda met haar te trouwen wanneer hij terugkomt. Dan komt de korte dialoog tussen Saïdjah en Adinda die de schaduw van de tragiek vooruitwerpt.

    ‘Als ik terugkom zal ik roepen in de verte…’
    ‘Wie zal dat horen, als we rijst stampen in ’t dorp?’
    ‘Dat is waar. Maar Adinda… O ja, dit is beter. Wacht me bij het Djatibos onder de ketapan, waar je mij de melati hebt gegeven.’
    ‘Maar Saïdjah, hoe kan ik weten wanneer ik moet heengaan om je te [op te] wachten bij de ketapan?
    Saïdjah bedacht zich een ogenblik en zei: Tel de manen. Ik zal uitblijven driemaal twaalf manen…’

    De terugkeer van Saïdjah bij de ketapan levert de mooiste strippagina’s op. Zijn geduld wordt op de proef gesteld. Hij observeert tijdens zijn ‘afmattend wachten’ het op en neer klauteren van een eekhoorn, ziet de komst van een vlinder. In de decors wordt wit steeds prominenter. Als Saïdjah naar
    Badoer rent en het huis van Adinda niet meer kan vinden, staat hij uiteindelijk in een groot wit vlak, met om zich heen – op afstand – de vrouwen van Badoer met in hun rug het groen van het oerwoud. Het is de eenzaamste plaat van het boek, die je meteen raakt.

    Saídjah sluit zich aan bij de opstandelingen tegen het Nederlands gezag: ‘niet om te strijden zozeer, als om Adinda te zoeken. Want hij was zacht van aard, en meer ontvankelijk voor droefenis dan voor bitterheid’. De kleuren zijn donkerder geworden, zeker bij de vondst van het dode lichaam van Adinda. Saïdjah, overmand door verdriet, werpt zich in de bajonetten van de Nederlandse soldaten.

    Tekenstijl

    Wat opvalt is dat Dick Matena in zijn tekenstijl meer inzoomt dan uitzoomt. Kenmerkend zijn de portretten, of uitsneden van gezichten, met name die van Multatuli of van Saïdjah, en heel verschillend zijn die gezichtsuitdrukkingen nu ook niet. Net iets te vaak zet Matena zijn camera op de lip van de personages. Het zijn de grote tekeningen die Saïdjah en Adinda bijzonder maken: de buffels op het land, de aanval van een tijger op een liggende Saïdjah, de jongen die uit de klappaboom valt, of de aankomst van Saïdjah in Serang, tekeningen die de lezer bijblijven, tekeningen – en kleuren! –  die de lezer brengen in het Nederlands-Indië van de negentiende eeuw. Dan zie je Matena’s meesterschap.

     

  • Een leugenaar?

    Een leugenaar?

    ‘Wie het ooit waagt mijn biografie te schrijven zal een doortrapte leugenaar moeten zijn’ verzucht Eduard Douwes Dekker aan het eind van zijn leven. En daar is hij dan, die biografie, geschreven door Ger Beukenkamp: Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Van leugenachtigheid is echter geen sprake. Beukenkamps Multatuli is zoveel mogelijk gebaseerd op de geschriften van Multatuli zelf en op brieven van en aan hem. Het boek geeft een betrouwbaar beeld van het leven van de historische Douwes Dekker. Alleen daar waar de bronnen hem in de steek laten, moet Beukenkamp improviseren door zich in te leven in Douwes Dekkers karakter. Hierbij baseert hij zich op secundaire literatuur, waarover hij ook verantwoording aflegt. 

    Controversieel, maar geniaal

    Nog steeds controversieel, zo noemt Ger Beukenkamp zijn held, aan wie hij zijn boek heeft gewijd. Oorspronkelijk lag het in de bedoeling een scenario te schrijven voor een hoorspel over Multatuli. Het is echter niet in productie genomen, omdat, volgens Beukenkamp, de opvattingen van Multatuli over tal van onderwerpen nog steeds niet algemeen geaccepteerd zijn. Iedereen kent Multatuli vooral vanwege Max Havelaar of de Koffie-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij en misschien van De geschiedenis van Woutertje Pieterse. Gezien het huidige debat over de koloniale geschiedenis van Nederland, is Max Havelaar nog immer actueel. Het is een ongehoord scherp statement tegen het koloniale beleid in Nederlandsch-Indië van die ‘kleine roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde’ (Multatuli).

    Het boek sloeg in als een bom in het gezapige, kleinburgerlijke Nederland van de 19e eeuw, niet alleen vanwege de aanklacht zelf en de morele implicaties daarvan, maar vooral vanwege de literaire kwaliteit die van elke bladzijde spat. Van meet af aan was voor vriend en vijand duidelijk: hier is een groot schrijver aan het woord. Zoals Max Havelaar eigenlijk geen roman is, maar veeleer een meesterlijk geschreven pamflet, zo is een nog steeds tot de verbeelding sprekend boek als De geschiedenis van Woutertje Pieterse al helemaal geen roman. Het boek is samengesteld uit de Ideeën van Multatuli, een verzameling scherp geformuleerde overwegingen van maatschappelijke aard. Hij was zijn tijd ver vooruit. Hij schrijft over de positie van de vrouw, over onderwijs, over opvoeding, over seksualiteit en de vrije liefde, over politiek en natuurlijk over de godsdienst, en altijd in humanistische, vooruitstrevende zin. Het is heerlijk je in het gedwongen isolement van deze coronatijd te verdiepen in zijn Ideeën of ongebreideld te schaterlachen om de fratsen van Woutertje Pieterse en de geborneerdheid van de zogenaamde ‘grote mensen’.

    Wie Multatuli wil leren kennen, kan zich het beste verdiepen in zijn Ideeën. Wie is die man nu eigenlijk? Die vraag dreef Ger Beukenkamp tot het schrijven van dit boek. Hij laat ons kennis maken met de persoon van Multatuli (Eduard Douwes Dekker) en spiegelt zijn levenswandel aan zijn Ideeën, niet om zoveel jaar na dato alsnog de criticus en zedenmeester uit te hangen, maar uit liefde en bewondering voor het genie van de schrijver.

    Multatuli heeft een tumultueus leven geleid, dat niet altijd strookte met de verhevenheid van zijn ideeën. Beukenkamp heeft zijn held tot leven gewekt in twintig dialogen, gebaseerd op evenzovele literaire werken van Multatuli. In elke dialoog gaat Multatuli in gesprek met een tegenkracht, iemand die het oneens is met hem of onder zijn gedrag te lijden heeft. Hilarisch is zijn conversatie met de toneelvedette en feministe Mina Kruseman tijdens de repetities van zijn toneelstuk Vorstenschool. Deze opzet geeft het boek een levendig karakter. Beukenkamp zet meteen al de juiste toon door zijn ideeën over dit boek uiteen te zetten in een gefingeerd tweegesprek tussen Multatuli en de auteur zelf. Zo wordt de lezer al direct meegezogen in deze dialoogvorm. 

    Onmogelijke man

    Het is een heerlijk boek geworden, dat leest als een trein. Multatuli blijkt een zeer gecompliceerde man geweest te zijn, overtuigd van zijn eigen genialiteit en voorbestemdheid tot grote dingen. De passie waarmee hij zich stort op de bestrijding van de uitbuiting van de mensen in de koloniën, zie je ook terug in zijn passie voor het kansspel. Hij terroriseert zijn hele gezin met het zoeken naar een systeem voor het roulettespel in het casino. Nachtenlang dwingt hij zijn huisgenoten mee te doen aan zijn zoektocht tot dit uiteindelijk zelfs leidt tot een handgemeen met zijn zoon, die hem haat. Zijn overburen, Bosboom-Toussaint en Potgieter leggen hiervan getuigenis af. Hij is voortdurend ontrouw aan zijn vrouw Tine, die niet zonder hem kan en hem adoreert. Zij accepteert zelfs een driehoeksverhouding in haar eigen huis met Mimi, een vriendin van Multatuli.

    Uiteindelijk sterft Multatuli op 66-jarige leeftijd in de omgeving van Wiesbaden in het bijzijn van zijn aangenomen zoontje Wouter en zijn – dan inmiddels- echtgenote Mimi, opgejaagd door schuldeisers. Multatuli was ook een romantische figuur, veel te goed van vertrouwen in Jacob van Lennep, de uitgever van zijn Max Havelaar, die hem bedonderde door het aanbrengen van wijzigingen in zijn boek. Hij was heftig, spontaan, altijd op de bres tegen onrecht, hartstochtelijk in zijn liefdesleven, kortom een moeilijke man om mee te leven. 

    Een prachtig portret

    Ger Beukenkamp is erin geslaagd een levendig portret neer te zetten van een geniale, maar ook onmogelijke man, die je tegenwoordig misschien narcistisch zou kunnen noemen.  Het boek leent zich zonder meer voor verfilming, juist omdat Beukenkamp grotendeels voorbijgaat aan de historische betekenis van Max Havelaar, het belangrijkste boek van Multatuli, en vooral oog heeft voor de man zelf en zijn ideeën. Het gaat dan ook minder over Multaluli dan over Eduard Douwes Dekker. Eigenlijk toetst Ger Beukenkamp in zijn boek het leven van Douwes Dekker aan zijn ideeën. Dit doet hij niet als moralist, maar gewoon feitelijk. Wat resteert, is een prachtig portret. 

     

     

  • ‘Hertalen die handel!’

    ‘Hertalen die handel!’

    Lang was Marita Mathijsen faliekant tegen het hertalen van boeken die kunnen bogen op een canonieke status in de Nederlandse literatuur. Ze zag niets in het inwisselen van door een schrijver weloverwogen gekozen woorden voor hedendaagse equivalenten. Hertalen deed in haar ogen geen recht aan het origineel. En het inkorten van een verhaal ook niet. Inmiddels is Marita Mathijsen om. ‘Liever een luie lezer dan geen lezer. Hertalen mag. Het is de enige manier om literatuur uit het verleden te redden van de vergetelheid’, liet ze zich vorige maand in een interview ontvallen.

    Ik snap haar oorspronkelijke bedenkingen. Waar Marita Mathijsen bang voor was, is dat literaire meesterwerken teruggebracht worden tot simpele verhaaltjes. Als literatuur staat of valt met de stem en de stijl van de schrijver wordt met het hertalen en/of inkorten van een tekst iets wezenlijks geamputeerd. Ik snap ook waarom ze terugkwam op wat ze vond. Ze wil dat Vondel, Multatuli, Couperus en al die andere voortreffelijke schrijvers uit het verleden gelezen en gewaardeerd worden door nieuwe generaties lezers. Taal mag wat ze te vertellen hebben niet in de weg staan.

    Het belang en de zeggingskracht van letterkundige werken van voor negentienhonderdnogwat wordt in Nederland onderschat. Of het ontbreken van een hertaaltraditie daar de oorzaak of een gevolg van is, laat ik in het midden. Maar betreurenswaardig is het ontbreken van die traditie wel.

    Een tekst die stevig in zijn schoenen staat, kan heel wat hebben. Neem nou Hamlet. Ik hou van Hamlet en die liefde werd tijdens mijn meeste recente verblijf in Londen bekroond met vier versies voor mijn verzameling die inmiddels meer dan honderd exemplaren telt. In lang niet al die exemplaren wordt het toneelstuk van William Shakespeare op de voet gevolgd. Sommige ver- en hertalers veroorloven zich heel veel vrijheden. Maar Hamlet blijft Hamlet. Als Hamlet het kan hebben dat hij grondig onder handen genomen wordt, waarom zouden Gijsbrecht van Aemstel, Max Havelaar en Eline Vere dat dan niet verdragen?

    Nederland is het bewerken van haar eigen klassiekers niet gewend, maar helemaal onbekend is het fenomeen hier ook weer niet.
    Eerstegraads docente Nederlands en schrijver van de roman Darko’s lessen Michelle van Dijk pakte de door Marita Mathijsen én Ronald Giphart – ‘hertalen die handel!’ is zijn motto – toegeworpen handschoen op en treedt daarmee in de voetsporen van onder andere Ivo de Wijs, Daniël Mok en Gijsbert van Es, die zich ontfermden over De geschiedenis van Woutertje Pieterse, De kleine Johannes en Max Havelaar. Michelle van Dijk maakt zich sterk voor Louis Couperus’ Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan. Haar hertaling die het origineel uit 1906 trouw volgt, is werk in uitvoering en verschijnt als feuilleton op haar blog.

    PS. Anders dan Marita Mathijsen suggereert is hertalen niet de enige manier om klassieke literatuur nieuw leven in te blazen. Verstrippen is ook een optie. Kijk maar naar Dick Matena en Viktor Hachmang. Hachmang werkte ruim drie jaar aan de graphic novel Blokken: de mislukking van een heilstaat en gebruikte daarbij gewoon de woorden van F. Bordewijk.

     

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • Vernieuwend essayist geworteld in een traditie

    Vernieuwend essayist geworteld in een traditie

    Rudy Kousbroek (1929-2010) wordt vooral herinnerd vanwege zijn essays. Hij ontving daarvoor meerdere prijzen, waaronder de Essayprijs van de gemeente Amsterdam (1969), de P.C. Hooftprijs (1975) en de Jan Hanlo Essayprijs (2005).
    Sinds 2010 wordt er ieder jaar op initiatief van uitgeverij Augustus, NRC, De Gids en De Rode Hoed een Kousbroek-lezing georganiseerd, uitgesproken door een toonaangevend essayist en aansluitend bij thema’s uit het werk van Kousbroek. Hiermee wordt de herinnering aan van de belangrijkste essayisten die Nederland heeft voortgebracht levend gehouden.

    Dat Kousbroek na zijn dood nog actueel is, blijkt uit de in december 2017 verschenen dissertatie van Rudy Schreijnders Rudy Kousbroek in de essayistisch-humanistische traditie. De belangrijkste vraag die Schreijnders in zijn promotieonderzoek stelt is: ‘In hoeverre kan de essayist Rudy Kousbroek worden beschouwd als representant van de essayistisch-humanistische traditie waartoe ook Montaigne en Multatuli kunnen worden gerekend?’
    Schreijnders typeert zijn onderzoek als een literair- of cultuurhistorische studie. Hij maakt een interpretatieve historische en vergelijkende reconstructie van het essay en plaatst het essay in de humanistische tradities. Het definiëren van ‘essay’, ‘humanisme’ en ‘traditie’ blijkt echter nog niet zo eenvoudig. ‘Wat een essay precies is, is moeilijk te zeggen,’ schrijft hij.

    De definitie van essay
    Voor de theorievorming maakt hij onder andere gebruik van De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays, de bloemlezing die Joost Zwagerman in 2008 samenstelde. Schreijnders citeert uit Zwagermans inleiding: ‘Bij Nederlandse essayisten wijst Joost Zwagerman (…) op continuïteit: Multatuli is erflater en voorbeeld voor auteurs als Gerrit Komrij, Hugo Brandt Corstius en Willem Frederik Hermans en Zwagerman ziet Multatuli’s Ideeën als een oerbron voor de essayistiek in Nederland.’ Zwagerman omschreef in zijn inleiding tot de bloemlezing het essay zo: ‘Denken op persoonlijke titel, zonder strikt wetenschappelijke pretenties maar met des te meer aandacht en liefde voor de vorm, de stijl – dát tekent doorgaans de essayist.’

    Schreijnders vindt bij de (taal)filosoof Ludwig Wittgenstein in zijn Philosophische Untersuchungen een alternatief voor het eenduidig definiëren van begrippen. Wittgenstein gaf als voorbeeld dat familieleden op elkaar kunnen lijken en van elkaar kunnen verschillen, maar dat er toch een samenhang is. Hij noemt dat ‘familiegelijkenissen.’ Voor zijn definitie van het essay laat Schreijnders het bij de constatering dat er ‘familiegelijkenissen’ tussen essays bestaan, waardoor ze soms het ene dan weer het andere kenmerk met elkaar gemeen hebben.

    Het doorgeven van waarden
    Ook ‘humanisme’ blijkt lastig te definiëren. Een belangrijk kenmerk is het recht van de mens om alles te bevragen en te bekritiseren zonder inmenging van staat of kerk. Het zijn de ideeën uit de Verlichting en uit het vrijdenken. Het zoeken naar waarheid staat centraal. Schreijnders betoogt dat het essay als vertegenwoordiging of belichaming van humanisme kan worden opgevat. Traditie en humanisme hangen nauw samen, want in het humanisme is het doorgeven van waarden van wezenlijk belang. Traditie komt uit het Latijn: trádere. Dat betekent overleveren, doorgeven. Het belangrijkste argument om bij essays te kunnen spreken van een traditie is dat ‘essayisten zich bewust zijn van en reageren op eerdere essayisten’.

    Aan de hand van vijf kenmerken toont Schreijnders aan dat zijn drie essayisten als representanten van de essayistisch-humanitistische traditie beschouwd kunnen worden. Bij hen is de blik gericht op de wereld en de mens. Een kritische kijk op die wereld en op zichzelf is daarbij cruciaal. Bovendien kijken zij ‘over de grenzen’ van literatuur en filosofie heen. De waarheid zoekende en autonoom denkende essayisten koppelen stijl en ironie aan het schrijven van hun essays; stijl om te overtuigen en ironie om te bekritiseren.
    Aan de hand van deze kenmerken bespreekt Schreijnders werk en leven van zijn drie Michel de Montaigne, Multatuli en Rudy Kousbroek. Met deze structuur lijkt de dissertatie een invuloefening geworden: kruisjes zetten om de verwantschap tussen de drie auteurs in kaart te brengen. Maar het is meer dan dat: Schreijnders slaagt er in dat te doen aan de hand van sprekende voorbeelden en goed gekozen citaten.

    Kritische kijk op religie
    Schreijnders wijdt aan elke auteur een hoofdstuk. Dat over Kousbroek is het uitgebreidst en het overtuigendst. Naast het beschrijven en het afvinken van de vijf kenmerken gaat Schreijnders in op vijf beslissende momenten – kantelpunten – in het leven van Kousbroek. Een daarvan is de ‘afval van het geloof’. Al op zeer jonge leeftijd is Kousbroek kritisch op het geloof.
    Het belangrijkste onderwerp in zijn essays blijkt de strijd tegen religie. Religie biedt volgens Kousbroek valse hoop: ‘religie speldt mensen wat op de mouw. Het steekt hem dat gelovigen vinden dat ze wel het recht hebben niet-gelovigen de morele les te lezen (en het liefst de wet voor te schrijven), maar menen zelf gevrijwaard te zijn van kritiek.’ In Hoger honing zijn zijn essays over religie verzameld. Bekender zijn de bundelingen Anathema’s (negen delen) en Fotosynthese (drie delen) die Kousbroek zelf samenstelde.

    Stendhal en Lucebert
    Schreijnders schrijft met aanstekelijk enthousiasme over de diverse onderwerpen in Kousbroeks essays. Mooi zijn de passages over schrijvers die hij bewonderde, zoals de Franse schrijver Stendhal en de Nederlandse dichter Lucebert. Bij Stendhal herkende hij de grote afkeer van religie en de liefde voor dieren. Lucebert bewonderde hij om zijn poëzie. Kousbroek stopte met het schrijven van gedichten nadat hij die van Lucebert las. Hierin valt de kritische kijk van de essayist, ook op zichzelf, te herkennen. Kousbroek: ‘Wedijveren met iemand als Lucebert, dat kon ik absoluut niet. De weinige navolgers die hij had zijn dan ook allemaal roemloos ten onder gegaan. Hij was een profeet, iemand die stemmen hoort. Hij was in elk geval zó’n komeet aan de hemel, dat hij mij als dichter volledig tot zwijgen heeft gebracht.’

    ‘Familiegelijkenissen’
    In het laatste hoofdstuk komt Schreijnders terug op de ‘familiegelijkenissen’ tussen zijn drie essayisten. Hij concludeert dat de essays van Montaigne, Multatuli en Kousbroek inderdaad in de essayistisch-humanistische traditie passen. Van grote betekenis is daarbij dat Multatuli zich heeft uitgelaten over Montaigne, en Kousbroek over Montaigne en Multatuli.
    Schreijnders schrijft dat alle drie in de essaytraditie vernieuwers genoemd kunnen worden: Montaigne is de grondlegger van het genre. Multatuli en Kousbroek vonden een nieuwe vorm; Multatuli presenteert zijn Ideeën als genummerde invallen en Kousbroek neemt in zijn Fotosyntheses een illustratie of foto als het beginpunt van het essay. De drie waren hun tijd vooruit. Montaigne schrijft voor het eerst over zichzelf. Dat was in de zestiende eeuw niet gebruikelijk. Multatuli kiest eveneens nieuwe onderwerpen, zoals feminisme en onderdrukking. Denk aan de inheemse bevolking in Nederlands-Indië. Kousbroek schrijft al heel vroeg stukken over brein en computer.

    Inspiratie
    Ondanks het schematische karakter van zijn dissertatie – elk hoofdstuk heeft dezelfde opbouw met de vijf kenmerken en een conclusieparagraaf – heeft Schreijnders een zeer leesbare dissertatie met goedgekozen citaten en voorbeelden afgeleverd.

    Hij sluit zijn proefschrift af met de woorden: ‘Ik spreek tot slot de hoop uit dat de essays van Kousbroek, net als die van Montaigne en Multatuli, niet alleen voor mij maar voor een grotere groep humanisten en vrijdenkers inspirerend zullen zijn.’

    Zijn gedegen boek zorgt ervoor dat Kousbroeks werk weer onder de aandacht komt. Het laat ook zien dat de essays van Kousbroek over onderwerpen gaan die ook nu nog actueel zijn. En wellicht inspireert hij nieuwe onderzoekers om andere essayisten in de traditie te plaatsen. Een voorzetje geeft hij al: Karel van het Reve en Bas Heijne. Een biografie over Kousbroek is er nog niet. Schreijnders heeft al veel interessant biografisch materiaal verzameld. Hij schrijft dat hij zijn archief met artikelen en boeken van en over Kousbroek daarvoor graag beschikbaar stelt. Hij zou die biografie natuurlijk ook zelf kunnen schrijven.

    Rudy Schreijnders (1950) is literatuurhistoricus. Hij schreef dit boek als proefschrift bij het J.P. van Praag Instituut en de Graduate School van de Universiteit voor Humanistiek.

     

  • De Parelduiker eert de schrijver

    De Parelduiker eert de schrijver

    In deze tweede editie van De Parelduiker van dit jaar aandacht voor de vrouwen rond Multatuli door Gaia van Bruggen. Dingen over Gerard Reve die we niet wisten maar door de berichten daarover in de media nu natuurlijk wel en voor wie de media niet volgt en wil weten wat er over Reve is losgekomen, gelieve zich deze Parelduiker aan te schaffen.

    Er is de rubriek Schoon & Haaks waarin Jan Paul Hinrichs publicaties bespreekt van privédrukkers en marginale uitgevers. Waaronder ook de uitgave bij de Statenhofpers van Brieven aan Nanne Tepper  van Geerten Meijsing valt dat ten tijde van het Brievenboek van Nanne Tepper zelf uitkwam. Een marginale rubriek over interessante uitgaven. In de rubriek De laatste pagina aandacht voor de onlangs overleden vertaalster Térese Cornips en als hoofd’stuk’ een mooie bijdrage van Graa Boomsma over de schrijver A. Alberts.

    Boomsma werkt aan een biografie van A. Alberts en schreef over de moeilijke gang van het ontstaan van het ruim veertig bladzijden tellende verhaal De vergaderzaal en de afronding daarvan. Boomsma, schrijver en criticus, belicht de verhouding van Alberts tot het schrijven en tot zijn uitgever, Geert van Oorschot. Aan De vergaderzaal, heeft Alberts, ongelofelijk maar waar, twintig jaar gewerkt voor Geert van Oorschot het eindelijk kon uitgeven. Dat zegt ook iets over Van Oorschot als uitgever, die wist gewoon dat hij goud had met Alberts. De vergaderzaal is dan ook een fantastisch, dicht op de huid geschreven verhaal (geen roman) van ruim 40 bladzijden. Maar ozo fantastisch geschreven en je geniet ervan na als las je een roman. Lees dan ook nog eens De koning is dood, Haast hebben in september en De honden jagen niet meer, van Alberts.

    Eens zat deze schrijver klaar voor een signeersessie bij een boekhandel in een middelgrote stad. De schrijver een oude man met een sympathiek, wat boers aandoend gelaat. Boekpresentaties werden nog niet zo gretig bezocht als tegenwoordig. Het zou ten tijde van het verschijnen van zijn roman  Een venster op het buitenhof (1987) geweest kunnen zijn. Er kwam geen mens opdagen. De boekhandelaar zei dat dat wel eens voorkwam en het misschien aan het weer lag. Alberts scheen er niet mee te zitten.

    Het was ook voordat A. Alberts (1911-1995) in 1995 de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre ontving. In 2005 werd er nog een verzamelbundel van zijn verhalen en romans door Van Oorschot uitgegeven. Maar bracht geen grote vervoering voor zijn werk teweeg. Terwijl het dat wel verdient.

    ‘De verborgen schatten uit boek en literatuur weer in beeld brengen’, dat is waar De Parelduiker voor staat. Vergeten literatuur wordt dichterbij gebracht. Onderschat de invloed van De Parelduiker dan ook niet. Want elke schrijver waarop dit literaire blad zijn licht laat schijnen, wordt weer tot leven gewekt. Reden om De vergaderzaal weer eens open te slaan. De biografie van Aberts zal eind dit jaar verschijnen bij Van Oorschot. Daar wordt naar uitgekeken.

     

     

  • Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    In het derde hoofdstuk van Max Havelaar vertelt de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, hoe zijn zoon Frits uit het pak van Sjaalman een lang gedicht van Heinrich Heine had opgevist. Het gebeurde tijdens een avondje bij de familie Rosemeyer.  De zoon had het voorgedragen en zou dat kunststukje, op dringend verzoek van de andere gasten, herhalen:

    ‘Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee ’t hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was — waarin ze groot gelijk had, vind ik — dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling.’

    Ik moest aan deze Havelaar-passage denken bij het lezen van De schennis van Lucretia van Shakespeare. Dit lange gedicht verhaalt van de beeldschone Lucretia, echtgenote van een Romeinse vorst, die zozeer wordt begeerd door een edelman, dat deze haar  ’s nachts overrompelt en verkracht. Vervuld van schaamte en weerzin pleegt Lucretia, nadat ze haar man gesmeekt had haar te wreken, zelfmoord.

    Reuzensprongen door de tijd

    Deze samenvatting doet geen recht aan Shakespeare’s rijmende vertelling van 265 strofen van elk zeven regels. Toch komt het verhaal hier op neer. Shakespeare wijdt uit, vergelijkt en herhaalt. Hij schrijft, kortom, poëzie. Het is een serieus, soms schokkend gedicht dat ons met reuzensprongen door de tijd voert. De gebeurtenis zelf voltrekt zich ca. 500 jaar vóór onze jaartelling tegen de achtergrond van het ontstaan van de Romeinse republiek. Shakespeare ontleende zijn motief aan teksten van Livius en Ovidius van ruim een half millenium later. Shakespeare zelf  publiceerde dit gedicht in 1594. Het is een uitdaging dit lange en vormvast opgebouwde gedicht te lezen en de bekoring ervan te ondergaan. Hoewel een verkrachting zich moeilijk leent voor een poëtische behandeling, wordt het gedicht zeker spannend en dramatisch wanneer de lezer weet wat de sluwe verkrachter Tarquinus van plan is.​

    De werkelijke betekenis van deze publicatie zit in de toegang die tot de tekst wordt verschaft. Uitgever en vertaler – het moet gezegd – reiken de lezer hierbij optimaal de hand. Op de linkerbladzijde lezen we de Engelse tekst, rechts de metrisch parallelle en dus gelijkvormige vertaling van de hand van Peter Verstegen. De bonus van deze publicatie is verborgen in de noten en het commentaar. Per couplet wordt daar namelijk een letterlijke vertaling van de tekst gegeven, zonder het keurslijf van metrum en rijm. Dat zijn dus drie versies van Shakespeares tekst: het origineel, de dichterlijke omzetting in het Nederlands en de letterlijke vertaling.

    Engels van vierhonderd jaar geleden

    Shakespeare lees je het best in het Engels. Maar het Engels van vierhonderd jaar geleden begrijpen, is niet voor iedereen weggelegd. Waar vertaler Peter Verstegen zich aan de vormvastheid onderwerpt, is de vertaling teleurstellend. Je merkt hoe de vertaler zich in bochten wringt  om het Nederlands metrisch en qua betekenis gelijk op te laten gaan met het Engels, en daar lijdt het resultaat onder. Terwijl de vrije, letterlijke vertaling van  de tekst, (die ‘verstopt’ zit in het verklaringen- en notenapparaat), wel de noodzakelijke verduidelijking biedt:

    ‘This said, his guilty hand plucked up the latch,
    And with his knee the door he opens wide;
    The dove sleeps fast that this night owl will catch.
    Thus treason works ere traitors be espied;
    Who sees the lurking serpent steps aside;
    But she, sound sleeping, fearing no such thing,
    Lies at the mercy of his mortal sting.’

    De Nederlandse metrisch-poëtische vertaling luidt:

    ‘Hij zwijgt, waarna hij stil de klink oplicht,
    De deur wijd openduwend met zijn knie;
    De duif slaapt waar die nachtuil zich op richt.
    Zo werkt verraad eer ’t wordt bespeurd; al wie
    Een slang ziet, stapt meteen opzij, maar zie
    Hoe zij daar in haar onschuld ligt te slapen,
    Reeds prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen.’

    De letterlijke vertaling in het notenapparaat is als volgt:

    ‘Na deze woorden lichtte zijn schuldige hand de klink,
    En met zijn knie opent hij de deur wijd.
    De duif slaapt diep die deze nachtuil wil vangen.
    Zo werkt verraad nog eer verraders bespeurd zijn;
    Wie de slang op de loer ziet liggen, stapt opzij,
    Maar zij, vast in slaap, niet vrezend voor zoiets,
    Ligt overgeleverd aan de genade van zijn dodelijke steek.’

    De lezer kan zelf vaststellen hoezeer in deze strofe de poëtische omzetting afwijkt van de originele tekst, en hoe weinig poëtisch de letterlijke vertaling is. Waar de schone Lucretia in het Engels is overgeleverd aan ‘the mercy of his mortal sting’ is dat in het dichterlijk Nederlands geworden dat zij ‘Reeds [is] prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen’, terwijl Lucretia hier echter nog springlevend is. De Engelse ‘mercy’ is wel in de letterlijke vertaling te vinden.

    Vertaling te prozaïsch

    Kortom, de poëtische vertaling schiet zijn doel voorbij omdat die niet duidelijk genoeg is en vaak gewrongen en te vrij. De letterlijke vertaling is te prozaïsch om voor poëtisch te kunnen doorgaan. Op zijn best poëtisch proza, dus. Maar zo heeft de vertaler het vast niet bedoeld en zo presenteert de uitgever het ook niet.

    In strofe één, meteen al een omineus voorteken, staat: ‘Collatium begroet zijn duistere gloed, / Die niemand ziet […]’ Hoe kan dat nu? Iets begroeten wat ‘niemand ziet’? Shakespeare zelf dichtte over ‘lightless fire’, op zich vernuftig vertaald met ‘duistere gloed’, maar bij Shakespeare is dit ‘fire’ ‘in pale embers hid’ wat zich, met Verstegens letterlijke vertaling bij de hand, laat begrijpen als ‘het lichtloze vuur […] in bleke as verscholen’. Geen sprake dus van een begroeting van iets dat onzichtbaar is.

    Deze publicatie is een goede aanleiding  weer eens met deze poëtische en dramatische tekst van Shakespeare bezig te zijn. Het is voor het betere begrip van de Engelse taal jammer dat de poëtische vertaling tegenover het Engels is afgedrukt en dat de letterlijke vertaling in het notenapparaat is ondergebracht. Dat had beter andersom gekund, omdat het voortdurend bladeren tussen het Engels en het Nederlands dan niet nodig is. Tot troost kan strekken dat Frits Droogstoppel na zijn herhaalde voordracht van Heine’s gedicht bij het avondje van de Rosemeyers weliswaar niet de goedkeuring kreeg van zijn vader:  ‘… maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was.’

     

     

  • Multatuli in een ander daglicht

    Multatuli in een ander daglicht

    Ach, we houden zoveel van lijstjes, van hiërarchieën. Héérlijk vinden we het, die Top 2000, die filmlijst van de IMDb, die peilingen van Maurice de Hond. Genieten. Redacties weten dit als geen ander en verwennen ons met sterren: vier sterren voor die film met Julia Roberts, drie voor die met Tom Hanks, vijf voor die schitterende roman van Buwalda. Dit lijstjeswalhalla is ook de wetenschap niet onbekend gebleven en dientengevolge schonk de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ons reeds tien jaar geleden de beeldschone, tot diepe ontroering voerende ‘Nederlandse literaire canon’. Voor literatuurliefhebbers was dit een godsgeschenk – dat Slauerhoffs Het verboden rijk op plaats 109 stond, en dat we Heijermans’ Op hoop van zegen op plaats 65 aantroffen. ’s Avonds, als met het donker de eerlijkheid komt, huilen wij allen nog van verdriet om de schamele plek van Vestdijks De koperen tuin (117), doch bij het opstaan bejubelen wij Multatuli, en begroeten wij elkaar – bij de badkamer, in de supermarkt – met citaten uit de Max Havelaar.

    Tja, die Multatuli. De grootste Nederlandse auteur aller tijden, met zijn Max Havelaar als het neusje van de literaire zalm. Zijn wij echt allemaal zulke multatulianen? Op middelbare scholen wordt hij nog maar weinig gekozen voor de leeslijst (men leest liever iets van Hermans of Mulisch), en in een werkgroep Moderne Nederlandse letterkunde aan de RuG bestudeert men duizendmaal liever Nicolaas Beets (ja, desnoods zelfs Jacob van Lennep). Is Multatuli dan echt gedoemd om de Homerus van zijn tijd te worden? Vaak genoemd (want dat staat erudiet), maar nooit gelezen? Nu, misschien niet. Atte Jongstra, bekend van zijn roman De avonturen van Henry II Fix (2007), heeft toetsenbord ter hand genomen en een vlot, boeiend essay over Multatuli geschreven: Kristalman. Als dít er niet in slaagt om nieuwe Multatuli-lezers te werven…

    Kristalman, met als ondertitel Multatuli-oefeningen, is een hoogst opmerkelijk boek. Kennis van Multatuli of van zijn vele publicaties is niet vereist. Het heeft wat weg van een biografie van Eduard Douwes Dekker (de eigenlijke naam van Multatuli, waarschijnlijk overbodig om te vermelden, maar – om met Jean Pierre Rawie te spreken – ‘je weet nooit wie zo’n stukje onder ogen krijgt’); aan de andere kant gaat Kristalman over veel meer. Vanuit de gedachte dat de figuur Multatuli is ‘gekristalliseerd’ in allerlei ditjes en datjes wordt er geen levensbeschrijving van de schrijver gegeven (op een kort overzicht na dan), maar wordt hij benaderd vanuit verschillende, bijzonder verrassende invalshoeken. Zo worden er hoofdstukken besteed aan worst, melk en Multatuli’s opvattingen over ‘gevoel’. De verkenningen of ‘oefeningen’ die Jongstra doet om Multatuli beter te leren kennen, gaan vaak aan de hand van citaten, met name uit Multatuli’s Millioenen-studiën (1872) en Ideeën (1872-1880). Het stevig ingeburgerde beeld van de idealistische schrijver die zich met hart en ziel inzet om een emancipatie van Nederlands-Indië te bewerkstelligen, moet plaats maken voor een veel genuanceerder beeld: eerzucht en een kort lontje zijn dan wel moeilijk verenigbaar met het beeld van de ‘held’ Multatuli, ze maken hem tezelfdertijd tot een veel interessanter persoon.

    Boeken over oudere literatuur zijn zelden ‘leuk’. Wie neemt wel eens een literatuurgeschiedenis mee op vakantie? Lekker op het strand liggen bladeren in een verhandeling over het retorisch vernuft van Cicero. Flaneren over de boulevard van Marseille, met in je zak een pocketversie van Bastets biografie van Couperus. Een knappe Spanjaard aan de haak slaan door te beginnen over de maatschappijvisie in de Don Quichot. Nou, wie? Laten we eerlijk zijn: het merendeel der Nederlanders vindt het lezen van literatuur-historische werken te gênant voor woorden. Liever bloot in de trein dan met Beets in de trein. Nu zal Atte Jongstra hier weinig verandering in gaan brengen, maar wellicht wil men toch voor Kristalman wel een uitzondering maken: het is namelijk een vakantieboek. Het is rijk geïllustreerd, zowel in beeld als in woord (bij dit laatste denke men aan citaten uit Couperus en Zola), en het ademt een opgewekt sfeertje uit. Hier is geen dweepzieke multatuliaan aan het woord, geen stoffige filoloog, maar een romanschrijver die eens grondig onderzoek heeft gedaan naar een belangrijke collega van weleer en dit onderzoek op een luchtige wijze presenteert. Er schuilt ook humor in.

    Natuurlijk blijft de vraag voor wie dit boek bestemd is. Allereerst natuurlijk de Multatuli-fans, al is het maar de vraag of zij zich altijd kunnen vinden in Jongstra’s opvattingen van onze Veellijder. De letterkundigen zullen zich kostelijk vermaken met Kristalman (en er in stilistisch opzicht veel van kunnen opsteken), maar hun aantal is te verwaarlozen binnen de wereld van het geschreven woord. Rest de ‘gewone’ lezer. U dus. Komaan, wees een Vakantielezer! Denk aan zandkorreltjes over voetnoten, denk aan de knappe Spanjaard! Denk aan al die bevallige, charmante multatulianen, die in strandcafés en nachtclubs smachten naar uw kennis van de timmervaardigheden en melkafkeer van de grootste Nederlandse auteur aller tijden! Komaan!