• Een verre prinses

    Een verre prinses

    Sinds kort heb ik hulp in de huishouding: een jonge vrouw die met man en kind uit Eritrea gevlucht is voor een onmenselijk regime. Slank en soepel loopt ze door mijn woonkamer, als de koningin van Sheba die over haar buurland Ethiopië geregeerd zou hebben. Ze praat niet veel, wil niets drinken, ook niet als het 38°C aantikt op de thermometer, wil niet zitten. Ze vraagt wat ze doen moet en gaat aan het werk. Op mijn vragen geeft ze zacht antwoord: ze is vier jaar in Nederland, heeft inmiddels twee zoontjes, volgt een opleiding in de zorg, loopt stage en werkt op verschillende adressen. Ze verstaat het Nederlands goed, maar vindt het lastig om het te spreken. Als ik vraag of het Tigrinya een moeilijke taal is, geeft ze na even nadenken het enige juiste antwoord: ‘Voor mij niet.’

    Als ik haar met de stofzuiger door de kamer zie gaan, vind ik dat ze eigenlijk als een verre prinses door de woestijn zou moeten schrijden, een felgekleurde omslagdoek boven de borst geknoopt, koninklijk en ongenaakbaar, een waterkruik torsend op haar trotse, opgeheven hoofd, zoals haar voorouders dat hebben gedaan. Maar ze wil van het verleden niets weten, ze wil uitsluitend in het hier en nu leven. Een foto op de kast van mijn zoon als kleuter kan weg, vindt ze, ‘is geweest, is voorbij, bewaren doen oude mensen’. Ze wil nooit meer terug naar Eritrea en ik zal nooit vragen waarom. Wel zou ik haar willen waarschuwen dat herinneringen altijd ongevraagd boven komen, ook zonder tastbaar bewijs, en dat het verleden nooit voorgoed voorbij is. Dat je je geschiedenis een leven lang met je meezeult en dat daar geen ontkomen aan is. Dat alles wat weggegooid wordt als een boemerang van heimwee terugkomt, je midden in je hart treft. Dat niet alles wat oud is daarom zonder waarde is. Maar ik zeg niets, de Keniaanse dichteres Micere Githae Mugo kan dat veel beter: 

    ‘Waar zijn de liederen?

    Waar zijn de liederen
    die mijn moeder en de jouwe
    altijd zongen
    met hun ritmes
    aangepast aan de
    immense levensduur?

    […]

    Wat weet je nog?

    Zing
    ik ben het vergeten,
    mijn moeders lied
    mijn kinderen
    zullen het nooit kennen.
    Ik herinner me dit:
    moeder zei altijd
    zing kinderen zing
    maak een lied
    en zing
    geef zelf je eigen ritme aan
    de ritmes van je leven
    maar maak je lied bezield
    en laat je leven
    zingen

    Zing dochter zing
    om je heen zijn
    ontelbare melodieën
    sommige zijn gezongen
    andere ongezongen
    zing ze
    op jouw ritme
    kijk
    luister
    zuig ze op
    doordrenk jezelf
    baad
    in de stroom des levens
    en zing dan

    Zing
    eenvoudige liederen
    voor de mensen
    voor iedereen om te horen
    en te leren
    en te zingen
    met jou’

    Ik zou dit gedicht willen voorlezen aan mijn Eritrese prinses als ik dat durfde. Later misschien, nu nog niet. Er is nog tijd genoeg. 

     

    Gedicht van Micere Githae Mugo (1942), ‘Where are those Songs?’
    Uit: The Heinemann Book of African Women’s Poetry, 1994, vertaler onbekend.


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.