• Oogst week 3 – 2025

    Oogst week 3 – 2025

    Hier ligt de waarheid in overdaad

    Myriem El-Kaddouri werd in 2023 kampioen Slam Poetry in West-Vlaanderen en onlangs werd ze benoemd tot stadsdichter van Kortrijk.

    Haar debuutbundel Hier ligt de waarheid in overdaad stond op de shortlist van de Granateprijs voor de bundel met het mooiste en best passende titel. Haar poëzie is maatschappelijk geëngageerd en wil een bijdrage leveren aan de strijd voor gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen. In haar werk probeert ze verbinding te zoeken tussen verleden en heden, ver weg en dichtbij, tussen individu en samenleving. Ze doet dit door geen enkel maatschappelijk probleem uit de weg te gaan, door het constant bevragen van zichzelf en de ander, in een taal die dichtbij de spreektaal blijft.

    Ook de thema’s van haar bundel zijn herkenbaar voor iedereen: vrouw-zijn, de liefde, de breekbaarheid van relaties en de angst. Daarnaast verkent ze de gevoelens die het begrip ‘migratie’ oproepen, waarbij ze duidelijk maakt dat ‘de waarheid’ niet voor iedereen hetzelfde is.

    ‘Ergens ligt een huis in puin.
     Dadelkoekjes staan in een aan stukken geblazen keukenkast
     en verwelkte bloemen zijn begraven onder gruis.
     De kettingen van een lege schommel draaien ineen
     tot ze zichzelf verstikken.
     Een bezoeker confisqueert schaamteloos het beeld
     en wint de hoofdprijs: een nieuwe camera en een reis naar Ibiza.’

     

    Hier ligt de waarheid in overdaad
    Auteur: Myriem El-Kaddouri
    Uitgeverij: Vrijdag

    Te midden van alles

    Frans Budé (1945) debuteerde op drieëntwintigjarige leeftijd met gedichten in Elseviers Weekblad. Sindsdien heeft hij zestien bundels het licht doen zien, waarvan Te midden van alles de nieuwste is. In 2018 ontving hij de Leo Herberghs Poëzieprijs. 

    Zijn poëzie is te plaatsen in de traditie die in Nederland wordt vertegenwoordigd door dichters als Gerrit Kouwenaar en H.C. ten Berge: oeuvrebouwers die een grote nadruk leggen op het ‘talige’ karakter van hun dichtwerk. In zijn werk getuigt hij van zijn liefde voor de natuur en de beeldende kunst: zo ontleent hij inspiratie aan de 30.000 jaar oude grotschilderingen in de ‘Grotte Chauvet’ in de Franse Ardèche. Alsook aan het werk over leegte, leven, dood en liefde van de Franse beeldhouwer Germaine Richier (1902-1959), de schilderijen van de hedendaagse Nederlandse beeldend kunstenaar Bep Scheeren en aan het werk van de in Wit-Rusland geboren Joods-Franse kunstenaar Chaïm Soutine (1893-1943).

    In deze bundel probeert Budé een verborgen werkelijkheid te ontdekken die aan het dagelijkse leven ontstijgt. Met groot inlevingsvermogen laat hij de doden spreken en geeft hij zich over aan de schoonheid van de natuur. 

    ‘Het leven komt en gaat voorbij. Voor en na
     speelt de tijd met ons een spel van winnen en
     verliezen. Vastgesnoerd aan regels en richtlijnen,
     –
     dag en nacht zoekend naar gaten om te ontsnappen,
     doorgangen naar wat bereikbaar is. Het is de liefde
     die redt, de schoonheid van ontroerende landschappen
     –
     die vol verwachting klaarligt. Wij allen, voorzichtig
     balancerend door het leven, ons bewust dat we ooit
     de afslag moeten nemen onderwijl het carrousel
     –
     almaar voortrolt, daaromheen een onbestemd ruisen
     als een spiraal van zich steeds herpakkende tegenwind.’

     

    Te midden van alles
    Auteur: Frans Budé
    Uitgeverij: Meulenhoff

    Plakboel

    Sinds 2000 wordt elk jaar eind januari poëzie extra in de kijker gezet. Op initiatief van Poetry International werd de laatste donderdag van januari uitgeroepen tot Gedichtendag. Een breed samenwerkingsverband van dichters, literaire organisaties, scholen, bibliotheken en andere verenigingen zorgde ervoor dat de donkere januaridagen in Vlaanderen en Nederland een poëtische invulling kregen. Bij elke editie werd aan een dichter gevraagd om 10 gedichten te schrijven die aansloten bij het thema van Gedichtendag. De eerste Gedichtendagbundel werd geschreven door Toon Tellegen. Later volgden onder meer nog Hugo Claus, Tom Lanoye, Remco Campert, Judith Herzberg, Antjie Krog.

    Door het grote succes van de Gedichtendag werd in 2013 besloten om van Gedichtendag een Poëzieweek te maken.

    Dit jaar is de poëzieweek van  donderdag 30 januari (Gedichtendag) tot en met
    woensdag 5 februari. Vanaf 30 januari is het poëziegeschenk gratis te verkrijgen bij de boekhandel bij aankoop van minimaal €12,50 aan Nederlandstalige poëzie. 

    Dit jaar is het poëziegeschenk, Plakboel geschreven door de Vlaamse schrijfster Charlotte Van den Broeck (1991). Haar eerste twee dichtbundels werden overladen met lof en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs en de Paul Snoeckprijs. Haar prozadebuut Waagstukken, een bestseller met meer dan 25.000 verkochte exemplaren, viel eveneens in de prijzen. 

    De bundel bevat nieuwe gedichten, waaronder een lang erotisch gedicht met de titel ‘Plakboel’, geïnspireerd door het thema van Poëzieweek 2025: Lijfelijkheid.

     

    Plakboel
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: Poëziecentrum
  • Gecontroleerde melancholie met comfortabele pasvorm

    Gecontroleerde melancholie met comfortabele pasvorm

    De  bundel  Enfin verscheen ter opluistering van het vijftigjarig jubileum van Anton Korteweg (1944) als publicerend dichter en bevat vijftig gedichten. Niks geen Romantic Agony (1971), was de titel van zijn poëziedebuut, waarin met enige distantie en in ironische stijl gevoelens worden beschreven, met vaak verouderde, poëtische clichés. Met verwijzingen naar de oude dichters die in goed lopende regels uitgespeeld worden tegen de weinig verheven gang van alledaagse gebeurtenissen. Alles met een knipoog uiteraard. Op dit soort poëzie paste het etiket van ‘nieuwe romantiek’ met soortgenoten als Gerrit Komrij en Lévi Weemoedt. Maar ondanks zijn toespelingen op andermans werk, bezit Korteweg wel degelijk een herkenbare eigen stijl. Een stijl waarin hij bij voorkeur sluipenderwijs, en anekdotisch in parlando, met een soms archaïsche schijnbeweging, zijn doel treft.

    In zijn met regelmaat verschenen bundels uit de afgelopen halve eeuw heeft Korteweg zijn neoromantische veren niet afgeschud. Deze bleken uitermate geschikt om zijn – met het vorderen van de leeftijd toegenomen – ongemakken voor het voetlicht te brengen. In Enfin lijkt de tekening van alledaags ongerief even op de vleugels van onder meer Nijhoff, Bloem of Gorter mee te liften om uiteindelijk niet echt van de grond te komen. Maar in plaats van ontnuchterd en gedesillusioneerd achter te blijven, koestert Korteweg zijn gecontroleerde versie van melancholie.

    Man zonder problemen

    De werkelijkheid is zelden zo prozaïsch of er valt nog wel een gedicht van te maken. In ‘Een ding van schoonheid maakt je blij. Voor even’, de titel van de tweede afdeling, wordt Keats’ onvergankelijke regel ‘a thing of beauty is a joy forever’ de maat genomen. Korteweg basht met plezier zo’n verouderd romantisch ideaal. We leven in een onvolmaakte wereld maar zijn er niet minder tevreden om. Nergens wekt Korteweg de indruk dat hij liever met een jong gestorven romantische dichter had willen ruilen. Misschien is het meer een soort ‘guilty pleasure’ van eens niet gebukt te gaan onder die armzalige, tekortschietende alledaagsheid. Korteweg komt er eerlijk voor uit dat hij een man zonder veel problemen is, ‘doorgaans welgemoed’. Iemand die zijn zegeningen telt als hij in een gedicht de kleine dissonanten in het leven in passende woorden heeft ‘kaltgestellt’. 

    Soms op het zelfgenoegzame af. Enige koketterie met oudemannenkwalen als ‘twee brillen, gehoormachientjes’ en stramme ledematen is hem niet vreemd. Toch komt men ook te weten dat hij nog aardig wat aftrapt op zijn fiets. Behalve zijn conditie houdt hij hiermee ook zijn poëzieproductie op peil, want vielen  hem niet met het ritme van de pedalen zijn versregels in? Enfin, alles misschien een tandje lager nu, maar het hoeft ook niet veel te zijn. Zijn achternaam getrouw zoekt hij het niet in het verre en weidse, maar in wat voorhanden is. Met  huis-tuin-en-keuken tips en wijsheden als een koe houdt hij zich op de been getuige gedichtentitels als: ‘Bij het in de herfst om de twee weken op donderdag aan de straat zetten van onze vuilnisbak’; ‘Over wat ik beter hoor met een apparaatje achter ieder oor’; ‘Over het geduw van Verleden de ene kant op en van Toekomst de andere’ en ‘Hoe je je laatste levensjaren als het een beetje meezit nog heel aardig door kunt komen’.

    Fijne pen

    Soms krijgt de lezer wat meligheid te verstouwen en mijmert Korteweg over een gehoorapparaat met een ‘filter ingebouwd (…) dat lulkoek tegenhoudt.’ Of zoals in het gedicht ‘Brasserie Streek’, de indruk wordt gewekt dat hij er zijn genoten maaltijd heeft mogen afrekenen met een stante pede geschreven vers.  ‘Het dagmenu is duif vooraf, dan hert of kabeljauw; / in Streek te Culemborg doen ze niet flauw. / Gekrijt op een zwart bord geven twee glazen wijn / te kennen liever vol dan leeg te zijn.’ Maar dat zijn gelukkig uitzonderingen. Over het algemeen weet zijn fijne pen uit het niets haast, nog steeds de juiste woorden te vinden: ‘komt een keurige dame, / fijn mens, top bereikt,/ toch eenvoudig gebleven, / op me afgestapt.’ Met weinig wordt een vrouw toch optimaal verbeeld.

    Behalve dat de vier afdelingen van Enfin voorafgegaan worden door een strofe of gedicht van respectievelijk Minne, Bloem, Paaltjes en Sontrop kent deze bundel ook toespelingen op onder andere De Schrift, Kloos en Kopland. Daarnaast ook wat verzen die geënt zijn op beeldende kunst, waarvan enkele zwart/wit afbeeldingen zijn opgenomen. Echter, het meest gewaagde – want #metoo-angehauchte – schilderij dat Korteweg ter sprake brengt, Thérèse Dreaming van Balthus, waarin de dichter zich vereenzelvigt met de man ‘die genadeloos bij haar naar binnen kijkt’ moet het zonder plaatje doen. 

    Het zit ‘m in de bijvangst

    Het rake wat deze gedichten te bieden hebben, bieden ze meestal terloops aan, als bijvangst in plaats van uitsmijter. Zoals in het gedicht ‘De sliert der geslagenen’, waarin Korteweg in de trein bedenkt dat een zijn treinstel betredende medereiziger met hazewindhond, beter af zou zijn met een vrouw in plaats van met een viervoeter, want: 

    Zit het mee, merk je op den duur
    niet eens dat ze niet in huis is
    als ze niet thuis is. Het huis
    voelt dan even lekker warm aan.
    Met een hond krijg je dat niet gedaan.

    De bundel sluit waardig af met een zonder meer naar metafysische troost hakende gedicht dat de beroemde slotregels uit het gedicht Herbst van Rilke als motto draagt: ‘Und doch ist einer welcher dieses Fallen / unendlich sanft in seinen Händen hält’.

    Zeef ‘De Tijd’

    We tuimelen uit een ritmisch heen-en-weer
    -met vaste hand of losse pols, dat maakt niet uit –
    geschudde zeef in iets wat er niet is
    en wat ons dus niet stuit. Als je dat al zou willen,
    klauter je bij gebrek aan houvast daar niet uit.

    Wie dit vooruitzicht al te zeer benauwt:
    er is er een, zegt Rilke, die ons vallen
    oneindig teder in zijn handen houdt.

    Dit neo-romantische gedicht toont de gespletenheid tussen de alledaagse werkelijkheid en de verheven versie van de Grote Dichters van Weleer. Niettemin biedt het troost voor wie er troost in ziet. Elf ‘kwaaltjes’ mankeren naar eigen zeggen deze dichter. Al met al kunnen de gedichten uit Enfin er, net als hun geestelijke vader, nog aardig mee door.

     

     

  • Heerlijk boek zeer geschikt voor in het onderwijs

    Heerlijk boek zeer geschikt voor in het onderwijs

    Anders dan bij haar eerdere boeken Hoe lees ik? en Hoe lees ik korte verhalen? heeft Lidewijde Paris dit boek niet de titel gegeven van een gebruiksaanwijzing, maar is het eerder een verontschuldiging die de veronderstelde moeilijke kanten van een gedicht wil afzwakken. Op de titel, Een gedicht is ook maar een ding volgt per hoofdstuktitel een aantal bijvoeglijke bepalingen als: ‘dat het hart beroert’;  ‘dat zich voor alles leent’; ‘waar hard aan gewerkt is’ en nog andere. Aan de hand van ruim honderdveertig voorbeelden legt Paris uit wat een gedicht kan zijn, voorbeelden die ze gekozen heeft omdat ze die zelf mooi vindt of omdat ze goed illustreren wat ze wil uitleggen. De gedichten nemen ons mee dwars door de tijd, beginnende bij ‘hebban olla uogala’, van Van Alphen naar Vasalis, en eindigend bij Kouwenaar, maar moderner dan de Vijftigers wordt het niet. Dat is geen bezwaar: de geciteerde gedichten zijn alle herkenbaar voor de lezer die zich vaker met poëzie bezighoudt en de beginnende liefhebber krijgt meteen het puikje van de poëtische canon voorgeschoteld. 

    Om poëzie te leren begrijpen, zegt Paris, moet je een ‘innerlijke antenne’ hebben die je vertelt wat je mooi vindt, maar je moet ook weten waar je op moet letten. Daarom vertelt ze per hoofdstuk over een aspect van de technische kant van poëzie: de ontwikkeling van het metrum, de functie van rijm en ritme, rijmschema’s, maar ook behandelt ze de stromingen in de poëzie en geeft ze een kijkje in de keuken van de dichter. 

    Waardevol naslagwerk

    Dit boek is een kleine ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse poëzie die niet alleen heel prettig leest, maar ook een waardevol naslagwerk is. Paris trekt je mee in de bevindingen van haar speurtocht naar voorbeelden van gedichten die haar uitleg ondersteunen. Ze analyseert de gedichten op een heel persoonlijke wijze en plaatst elk gedicht in zijn tijd binnen de historische en literaire context en eventueel de achtergrond van de dichter. Zo weet ze bij het Lied van Heer Halewijn verbanden te leggen met de Sirenen van Homeros, De rattenvanger van Hamelen en de huidige reclame op de televisie. Het zijn deze zijpaadjes die het boek zo aantrekkelijk maken. Paris maakt het ook voor iedereen mogelijk die zijpaadjes te kunnen volgen door gedichten en citaten uit het Middelnederlands en ook uit latere eeuwen waar nodig te vertalen in modern Nederlands. 

    De dichtkunst in Nederland heeft een lange weg afgelegd, schrijft Paris. Ze doet uit de doeken hoe de moderne dichters de regels van de poëzie lieten varen, maar nog steeds op de schouders staan van hun traditionelere voorgangers. In de moderne poëzie zijn herkenbaarheid en betekenis niet altijd de belangrijkste elementen: klank, ritme en de poëtica van de dichter spelen ook een rol. En de drang om te begrijpen moet soms worden losgelaten: ‘Als je iets niet begrijpt, heeft dat een reden,’ aldus Paris. Soms heeft de dichter het zo gewild en er met opzet voor gezorgd dat zijn gedicht niet te begrijpen is.

    Begrijpen van poëzie

    Paris stelt dat er drie dingen aan te pas komen om een gedicht te begrijpen: het gedicht zelf, de context en de achtergrond van de dichter en zijn poëtica, maar ook de lezer zelf met al zijn ervaringen en herinneringen, die steeds weer aan verandering onderhevig zijn. Want wat je vroeger zo mooi vond, kan nu tegenvallen en andersom. Ze illustreert dat met heel persoonlijke voorbeelden, waarmee ze haar poëzietheorie, om het zo maar eens te noemen, dicht bij de lezer brengt. 

    Hoewel het een prachtig, enthousiast geschreven boek is, zijn er toch een paar kanttekeningen te plaatsen: Paris stelt met betrekking tot het gedicht Oote van Jan Hanlo dat ‘iets een gedicht is als de dichter zegt dat het een gedicht is.’ Dat is twijfelachtig: een gedicht mag zich dan wel onttrekken aan traditie, regels en verwachtingen, maar alleen de bewering van de dichter dat iets een gedicht is, trekt ook veel geschreven tekst de poëzie binnen waarvan je in de verste verte niet zou durven beweren dat het er thuishoort. Niet elk versje wordt een gedicht door het zo te noemen, niet elk boodschappenlijstje is poëzie. 

    Het zou ook interessant zijn geweest als Paris een hoofdstuk had gewijd aan ‘foute’ gedichten, waar het online van wemelt en in overlijdensadvertenties en poësiealbums. Wel haalt ze het gedicht Zwarte hoofden van Jan Prins aan, dat volgens haar tegen het randje van kitsch aan ligt. Eens legde ze de kwestie van kitsch en kwaliteit voor aan dichter Gerrit Kouwenaar (1923-2014). Ze vroeg hem of er een gedicht is dat hem ‘ongelooflijk dierbaar is, maar dat verouderd, truttig traditioneel, sentimenteel, helemaal niet goed of misschien zelfs kitsch is?’ Tot haar verbazing kende Kouwenaar veel van dat soort gedichten: de situatie en het moment waarop je het gedicht voor het eerst las bepaalden de dierbaarheid, kwaliteit had daar vaak ‘geen snars’ mee te maken. Paris en Kouwenaar bedachten toen het plan om alle dichters bij Querido (waar Paris uitgever was) te vragen naar hun ‘geheime foute gedicht’. Het kwam er niet van, Kouwenaar overleed en ze waren vergeten elkaar ‘- stom, stom, stom! –’ te vertellen wat hun geheime foute gedicht was. Maar het zou mooi geweest zijn als Paris niet  aansluitend had vertelt wat haar keuze zou zijn geweest en vooral: waarom dat gedicht? Het zou een goed voorbeeld kunnen zijn van het verschil tussen kunst en kitsch, tussen kwaliteit en knutselwerk, waarmee veel lezers geholpen zouden zijn. Een laatste opmerking betreft de zetduivel die talloze malen heeft toegeslagen in dit boek: letters en woorden die zijn weggevallen, of juist dubbel in een zin terechtgekomen zijn, en de letteromkering waardoor het ‘gestolen brood’ in een gedicht van Martin Veldman, De jongen I, verderop in de tekst van Paris een ‘gesloten brood’ wordt. Je vraagt je af wat de juiste versie is.

    Aanpak bij het begrijpen van poëzie

    Maar dat zijn niet meer dan kanttekeningen bij een heerlijk boek, dat ook heel goed in het onderwijs te gebruiken zou zijn. Paris doet er voor het plezier nog een quiz bij, waarin beginregels van bekende gedichten moeten worden afgemaakt en ze heeft ook een begrippenlijst van literaire termen opgenomen, evenals een aantal handige vragen bij het lezen van gedichten, die de lezer zichzelf kan stellen. Ze raadt aan dicht bij je eigen gevoel te blijven: raakt het gedicht je op de een of andere manier, kun je er troost, herkenning, of een andere emotie in terugvinden? Daarna kun je nagaan of je er meer van wilt begrijpen. Daartoe heeft Paris een ‘Klein noodplan van aanpak bij het begrijpen van gedichten’ toegevoegd aan hoofdstuk 6 (maar de hoofdstukken zijn niet genummerd) dat heel geschikt is om als docent samen met leerlingen te behandelen. In dat geval zou het wel wenselijk zijn om ook werk van jonge, moderne dichters op te nemen.

    De speurtocht van Paris naar de ontwikkeling van Nederlandstalige poëzie door de eeuwen heen is een reis die ze niet alleen maakt, maar samen met de lezer als reisgenoot, waarbij ze onderweg op tientallen mooie bezienswaardigheden in de vorm van gedichten wijst en laat zien hoe er gekeken moet worden naar details, technieken, vorm en inhoud. Maar bij dit lezen, staat het genieten voorop. 

     

  • Twintig jaar afwezigheid

    Twintig jaar afwezigheid

    Met enig uitstel van Blue Monday werd het pas dinsdag dat de sluier viel. Ochtendlicht wilde maar niet doorkomen, regen ruiste als een afweerscherm tegen enig ander geluid dat op een beginnen van de dag kon duiden op het afdak onder mijn slaapkamerraam. De krantenjongen liet verstek gaan, waar ik begrip voor had. Er gonsden woorden door mijn hoofd, demissionair en missionair. De laatste dagen veelvuldig gebruikt als was het een bal waarmee iedereen een schop in open doel wilde maken. Ook klonk het tot de verbeelding sprekende begrip, waterbedeffect door mijn hoofd. Laat er vooral stilte zijn of zeg alleen het noodzakelijke met weinig woorden, zei het grote voorbeeld van A.L. Snijders, Epictetus al.

    Ik lees Thuis, van Marilynne Robinson. Er is een nieuw boek van haar verschenen, Jack. Nu vraagt eerder verschenen werk van haar om herlezing. Haar eerste boek Gilead, speelt ook rond Jack, vanuit het perspectief van de knorrige geestelijke, John Ames. In Thuis komt Jack na twintig jaar terug naar het ouderlijk huis. De verloren zoon, de aan drank verslaafde, die diefstallen pleegde, twintig jaar van de aardbodem verdween. Nu ik het opnieuw lees heeft die twintig jaar opeens aan betekenis gewonnen. Sinds mijn broer, die ik twintig jaar niet zag er niet meer is, zoek ik naar betekenissen. Twintig is nu het getal van nooit meer te overbruggen tijd. Als een gapend gat liggen die jaren tussen Jack en zijn vader, dominee Boughton, nu een oude man. Jack doet zijn best een goede zoon te zijn. Hij helpt hem naar bed, speelt piano voor hem, drinkt niet meer, maar goed komt het niet tussen hen. 

    Vader Boughton, die van al zijn acht kinderen het meest van Jack houdt, kan hem niet accepteren zoals hij is. De liefde van de vader is een eenrichtingsweg, zonder omkeren. Vanaf de andere kant kan Jack zijn vader niet vertellen dat hij in een andere staat een zwarte vrouw heeft, en een kind. Het is eind jaren vijftig, dat een witte man met een zwarte vrouw leefde was ondenkbaar. Jack is in Gilead om te onderzoeken of het een geschikte stad voor hem en zijn gezin is, om te wonen.

    Als hij aan het bed van zijn vader zit vraagt zijn vader, “‘Laat je hand eens zien, waar je die splinter in had.’
    ‘Dat geneest al.’
    ‘Laat eens kijken.’ Jack gaf zijn vader zijn hand, en de oude man nam hem in zijn handen, streelde hem en bekeek hem. ‘Er blijft wel iets van een litteken over.’ Dan: ‘Twintig jaar,’ zei hij, ’twintig jaar.’ Jack stopte zijn vader in bed, droogde de borden af, ging naar zijn kamer.”
    Thuis is e
    en zeldzaam mooie roman. Razend benieuwd naar die nieuwe roman, geschreven vanuit Jack, vanuit het perspectief van iemand die twintig jaar van de radar verdween, wat hem bewogen heeft. Er is een gretig willen weten, verbanden te leggen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, zoekt antwoorden in een goed verhaal, wast haar mondkapjes.

     

  • Strijkend licht

    Strijkend licht

    We zitten aan de keukentafel, binnen is het zestien graden. We roosterden granen en noten in een koekenpan, maakten koffie. Naast me op tafel de verhalen van William Trevor. Op de radio ‘Het spoor terug’. Over Ernest Shackleton, die in 1914 een expeditie naar Antarctica ondernam. De expeditie eindigde niet zo best. Shackleton was een romanticus, schreef en droeg gedichten voor aan zijn bemanningsleden. Toen hij zeventien was, wilde hij indruk maken op een meisje en meldde zich voor de Discovery-expeditie van Robert Falcon Scott, een reis naar het toen nog vrij onbekende Antarctica. Het werkte, na drie jaar kwam hij terug, een jaar later, in 1904, trouwde hij met haar. Hoewel Scott beroemder werd dan Shackleton, wordt de laatste geroemd om zijn organisatietalent. Nog schijnen de Britten te zeggen: ‘Zit je in een hopeloze situatie, geef me dan Shackleton.’

    Je kunt nooit helemaal weten wat iemand beweegt de dingen te doen die ze doen. William Trevors verhalen vertellen niet wat er gebeurt. In het verhaal ‘Afzondering’, duwt een kind in een nauwelijks beschreven beweging, haar moeders minnaar van de trap. Haar vader is Egyptoloog, een dromer, ongrijpbaar. Zonlicht strijkt over de keukenvloer, buiten is het koud.

    Op de radio de holle knallen van houten spanten die breken, een ijzige wind, er is schipbreuk. Shackleton laat een kamp opslaan op het pakijs. Het is min dertig graden, er worden tenen geamputeerd, vallen met een klikkend geluid in een emmer, (ik hoorde het echt). De kou in de keuken is opeens te verwaarlozen. Met de verhalen van Trevor in mijn hoofd veroorzaakt dit een heen en weer schakelen tussen twee manieren van zijn. Daartussen sluimeren gedachten, doen zich mogelijkheden voor die nooit overwogen waren.

    In een sfeer van wijkende werkelijkheid en sluimerende gedachten, moet ook bij de jonge vrouw uit het titelverhaal ‘Heilige beelden’, de gedachte ontstaan zijn dat ze haar vierde kind dat ze verwacht tegen betaling aan haar kinderloze vriendin zou kunnen afstaan. Dan zou haar man, die prachtige beelden maakt, dit kunnen blijven doen in plaats van als wegwerker te gaan werken. De vriendin is verbijsterd, ‘Ze trilde op haar benen en moest gaan zitten, (…) “Ik denk niet dat ik je goed begrepen heb”, zei ze, ofschoon ze beter wist.’ Het leek de jonge vrouw een mogelijkheid, een optie om twee hunkerende zielen te helpen. Zelf zou ze, als ze erover heen was, wel weer zwanger worden.

    In het verhaal ‘Afzondering’ komt Shackleton ook voor. ‘Ernest Shackleton was een hoogst opmerkelijk man,’ zegt de vader van het meisje die haar moeders minnaar van de trap duwde. ‘Misschien wel de nobelste van al die mannen die zich hebben onderscheiden (…). De geheimen die ze voor elkaar hadden, de kwalen die ze verborgen hielden, hun gebeden, hun teleurstellingen. Wat een ontbering, maar ook wat een geesteskracht! We zitten vreemd in elkaar, wij mensen, vinden jullie ook niet?’ Daar schrijft William Trevor prachtige verhalen over, over mensen en hun raadselachtige beweegredenen.

     

    Heilige beelden / William Trevor / vertaling Sjaak Commandeur / Meulenhoff (2014)


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • De dagen van Lazarus – Alexander Hemon

    Recensie door Karel Wasch

    Alexander Hemon maakte een bliksemcarrière als schrijver. Hij kwam vanuit Bosnië aan in Chicago met niet veel meer kennis van het Engels, dan wat toeristenzinnen, maar ging aan het schrijven. Zijn boeken Nowhere Man en Questions of Bruno werden bejubeld en hij werd zelfs met Nabokov vergeleken. Een groot idool van hem.

    Peter Abelsen vertaalde voor Meulenhoff zijn derde roman De dagen van Lazarus.

    Er zijn een aantal lijnen in deze roman, die kunstig ineen worden gevlochten. Allereerst een historische lijn. In 1908 gaat een jonge anarchist ene Lazarus Averbuch, een joodse immigrant uit de Oekraïne naar de hoofdcommissaris van Chicago met een brief. Deze politieman, Shippy genaamd, denkt dat er een aanslag op hem gepleegd zal worden en schiet Lazarus neer. De kwestie blijft met raadsels omgeven. Wilde Averbuch werkelijk de commissaris vermoorden? Waarom dan? We maken ook kennis met zijn zuster Olga, die de pogrom in Oekraïne overleefde. De gruwelijke gebeurtenissen tijdens deze pogrom worden uiterst kil beschreven maar missen hun uitwerking op de lezer niet. Politie beschermde de joden niet tegen de antisemitische uitbarstingen van geweld. Wilde Lazarus daarom alsnog een politieman vermoorden, toen hij in Amerika landde en werd opgehitst door anarchisten? Geweld roept dus vroeg of laat geweld op.

    De tweede lijn in de roman heeft als hoofdpersoon de schrijver Vladimir Brik, afkomstig uit Bosnië, die een boek wil schrijven over Lazarus Averbuch. De Engelse titel The Lazarus Project dekt de lading van het verhaal dus meer dan de Nederlandse. Hij gaat op zoek in zijn land van herkomst vergezeld door Rora een fotograaf met veel connecties in de onderwereld. Deze onderwereld wordt in Sarajevo nog steeds beheerst door veteranen uit de belegering van deze stad in de jaren ’90 van de vorige eeuw en politici uit het heden. Ook hier gaan- evenals in het verhaal van Lazarus Averbuch tijdens de pogrom- misdaad en overheid hand in hand. Brik is een melancholicus met duidelijke roots in de Balkan. Hij is echter getrouwd met een neurochirurge, ene Mary, die Amerikaans oppervlakkig en tenenkrommend ‘positief’ zijn leven vorm en inhoud probeert te geven. De gruwelen van de burgeroorlog zullen Brik echter levenslang aan zijn land van herkomst ketenen. Net zoals de pogroms door Lazarus Averbuch nooit vergeten konden worden. De naam Lazarus verwijst bovendien naar de bijbelse Lazarus, die uit de dood wordt opgewekt door Christus. In deze roman is het de vraag of Brik zijn verleden (de dood) achter zich zal kunnen laten. Daar kan hij met zijn Amerikaanse echtgenote niet aan werken. Zij begrijpt hem niet. Vanuit Sarajevo belt hij haar meerdere malen maar het levert niet veel op. Zullen ze nog bij elkaar blijven?

    Brik trekt door zijn geboorteland en bezoekt ook een joods museum. Wil hij achter het verhaal van Lazarus Averbuch komen of achter de geschiedenis van de pogroms, de achteloosheid waarmee ze werden bedreven?

    Het verschil tussen de Amerikaanse cultuur zonder veel verleden en zijn eigen roots met de loodzware beladen geschiedenis vormt de laatste verhaalstreng. Het meest overtuigt Aleksandar Hemon wanneer hij ? als een toeschouwer – in de huid kruipt van Olga en Lazarus Averbuch.

    De reis naar zijn eigen verleden wordt in veel opzichten een fiasco. In Oekraïne en Moldavië heerste de chaos en misdaad. Bordelen floreren en jonge boerenmeisjes worden gedwongen veelal door hun ouders om er te werken. Gokken, zuipen, schieten zijn nog steeds aan de orde van de dag. Terwijl er naar het buitenland de indruk wordt gewekt dat deze landen in harmonie en wederopbouw zijn. In Amerika inmiddels, waar de echtgenote van Brik wacht, is oppervlakkigheid troef. Men leeft er langs elkaar heen. Tussen deze twee werelden is Brik verdwaald, hij verdwaalt in het verhaal ook letterlijk wanneer hij op een joodse begraafplaats dicht bij de gruwelijke waarheid is gekomen. Aan het eind van zijn tocht vindt vriend Rora de dood, maar waarom precies blijft ook in raadsels gehuld. De politie maakt zich erg makkelijk van het onderzoek af. Het lijkt Brik niet echt te raken. Hij wordt door de realiteit al lang niet meer overrompeld. Hij lijkt er in te berusten. Dat maakt hem tot een buitenstaander zowel in Amerika als in zijn thuisland. Toch zal hij moeten kiezen. Maar deze keuze hangt als een zwaard van Damocles boven het verhaal. Voor ieder hoofdstuk staat een foto uit de tijd van Averbuch. Zij vormen op zich weer een apart verhaal dat niet met woorden verteld wordt.

    Wellicht geeft Hemon ons in zijn volgende boek Love and other obstacles, dat in de steigers staat, een antwoord op de dilemma’s van dit prachtige boek. Met zijn virtuositeit overtreft hij schrijvers als Jonathan Safran Foer en Daniel Mendelsohn, die ook op weg gingen naar het verleden. De wereldliteratuur heeft een nieuwe Nabokov!

     

    De dagen van Lazarus

    Aleksandar Hemon (The Lazarus Project)
    Vertaling : Peter Abelsen
    Blz: 319
    Meulenhoff €21,95

     

     

  • Aleksandar Hemon – De dagen van Lazarus

    Op 2 maart 1908 meldt de negentienjarige Lazarus Averbuch ? een Russische jood die vanwege de pogroms zijn vaderland is ontvlucht ? zich bij het huis van George Shippy, hoofd van de politie in Chicago. Als Lazarus hem een brief overhandigt, wordt hij door Shippy zonder pardon doodgeschoten omdat hij een staatsgevaarlijke anarchist zou zijn. Het incident laat Lazarus’ zus Olga ontredderd achter in een stad die gebukt gaat onder etnische en politieke spanningen.

    Honderd jaar later raakt een Amerikaanse schrijver van Bosnische afkomst geobsedeerd door deze waargebeurde geschiedenis. Samen met zijn vriend Rora, een fotograaf uit Sarajevo, reist Brik in de voetsporen van Lazarus Averbuch naar Oost-Europa. En daar raken de verhalen van Lazarus en Olga, Brik en Rora onvermijdelijk met elkaar verweven.

    In De dagen van Lazarus smeedt Aleksandar Hemon het schijnbaar onbeduidende verhaal van een voetnoot in de geschiedenis en dat van een hedendaagse immigrant om tot een scherp portret van onze tijd en de wereld waarin we leven.

    Vertaald door Peter Abelsen

  • Een boek dat je in de kern van de ziel raakt

    Een boek dat je in de kern van de ziel raakt

    Recensie door Daphne de Heer

    Op vrijdag 9 mei 1986 verscheen de roman Mystiek lichaam van Frans Kellendonk (1951-1990). Het is geen roman met een verhaaltje dat zich even in drie regels laat navertellen. Het boek is een drieluik, bestaande uit de relazen van drie leden van de familie Gijselhart. In het eerste deel verheugt vader Gijselhart zich over de terugkeer van zijn dochter Magda, door hem Prul genoemd. Prul blijkt zwanger van de jood Bruno Pechman, wat haar de spotzucht van haar vader oplevert. In deel twee duikt Leendert, de broer van Prul op. Hij wordt slechts aangeduid met Broer, zijn vader heeft niets met deze jongen. Broer is homoseksueel en ziet groen van jaloezie wanneer hij verneemt dat zijn zus zwanger is: als homo zal hij nooit kinderen kunnen krijgen.

    Deel drie wordt vanuit Leendert verteld en langzaam maar zeker wordt steeds duidelijker dat Leendert dodelijk ziek is. Zonder de naam te noemen weet de lezer dat Leendert aids heeft. Hij beklaagt zijn wrange lot in ‘een hoogliedje’ op de dood: leven kan hij niet geven, maar dood wel: Leendert weet vrijwel zeker dat hij zijn nieuwe geliefde met de dood bezwangerd heeft. ‘De dood, daar kon je staat op maken, die zou nooit verstek laten gaan. Zekerheid die alles onzeker maakt, neuriede hij, trouwe allemansvriend, niet-zijn dat, meer dan wat ook, is; aan jou ben ik al in de moederschoot uitgehuwelijkt.’

    Kritiek op bepaalde denkbeelden

    De schrijver, die op dat moment al een paar bejubelde romans en novellen op zijn naam heeft staan, werd diezelfde dag uitgebreid geïnterviewd in het NRC Handelsblad. In dat gesprek leek Kellendonk zich in te willen dekken tegen eventuele kritiek op bepaalde denkbeelden die uit het boek naar voren kwamen: ‘Ik kies er niet voor niets voor om mijn ideeën in verhalen te vertellen. Daar staan ze in een context, je hebt de mogelijkheid om inclusief te denken. Het is niet goed om literatuur te versimpelen tot filosofie of sociologie.’ Toch was dat precies wat er gebeurde toen Aad Nuis een week later in een recensie in De Volkskrant schreef: ‘Er staan geborneerde opmerkingen in, over homoseksualiteit vooral, die niet gerechtvaardigd worden door het feit dat ze in de mond van een homoseksueel worden gelegd. Nog minder te rechtvaardigen is het waas van dubbel en driedubbel geïroniseerd, maar onmiskenbaar antisemitisme dat over bepaalde passages hangt.’ Nuis zette in zijn nogal slap beargumenteerde betoog de toon voor een koor van nazingers die allemaal om het hardst begonnen te roepen dat Mystiek lichaam een antisemitische en homohaat uitdragende roman was.

    Superieur gevoel voor ironie

    Het is zonder meer waar dat er in de roman bepaalde uitspraken door de hoofdpersonen worden gedaan die je als haatdragend kunt beschouwen. Maar Kellendonks gevoel voor ironie is superieur: het is vanaf het begin van de roman duidelijk hoe de karakters, die messcherp en zonder mededogen door de schrijver worden neergezet, beheerst worden door hun eigen frustraties en obsessies, ze zijn niet tot enig nuttig zelfinzicht in staat: ze kunnen niet anders dan hun tragisch lot buiten zichzelf zoeken.
    Wat altijd zo jammer is aan buitenliteraire kritiek is dat de criticus dikwijls zo vergenoegd is met zijn eigen gelijk, dat hij prompt vergeet zijn vaak toch niet geringe literaire kennis toe te passen. Je hoeft maar een beetje thuis te zijn in de geschiedenis en beeldvorming van joden, homo’s en vrouwen om je te realiseren dat Kellendonk juist de vinger op allerlei gevoelige plekken legt; hij durft de haat bij de wortels aan te pakken.

    Kellendonk pakt stilistisch stevig uit om zijn verhaal te vertellen. Zijn stijl is barok en melodisch. Die muzikaliteit komt vooral naar voren in de interpunctieloze monologen die de schrijver in Pruls mond legt. Ze rebbelt maar door, maar je mist de interpunctie geen moment, door de feilloze ritmiek die in de zinnen besloten ligt.
    Mystiek lichaam is een boek dat je, via het verstand, in de kern van je ziel raakt. Het boek bezit een universele zeggingskracht. In tijden waarin het weer rommelt en knaagt wat betreft onze ideeën over beschaving en medemenselijkheid, is Mystiek lichaam verplichte kost.

     

    Gebruikte literatuur: Gerard Raat, ‘Verhaal en betoog, de affaire Mystiek lichaam’. In De Revisor, 1&2, 1991. p. 41-50

     

  • De onzichtbare kan op veel manieren worden gelezen

    Recensie door Patrick Bassant

    Uitgeverij Meulenhoff is in zeer korte tijd het overgrote deel van zijn auteurs kwijtgeraakt. Dat schijnt te maken te hebben gehad met schaalvergroting, winstmaximalisering en doelgroepoptimalisering; begrippen waar een fatsoenlijk schrijver van op de vlucht slaat. Niet iedere auteur kan schrijven over moestuinen en niet iedere hovenier is een literair wonder. Dat kan je niemand verwijten. Meulenhoff heeft het zwaar te verduren gehad. Voor de lezer is het natuurlijk wel erg interessant om te zien wat deze uitgeverij gaat doen aan de leegloop. Hoe slaat Meulenhoff terug, en gebeurt dat overtuigend? Is de huidige opdruk ‘Meulenhoff literair’ geloofwaardig

    Jeroen Theunissen debuteerde in 2004 (in het boek staat 2003) met de roman De onzichtbare, later dit jaar verschijnt de dichtbundel Thuisverlangen. In 2003 was hij writer in residence van het Belgische literaire tijdschrift yang, en vanaf begin dit jaar ook redactielid. Een veelbelovend cv, want yang steekt met kop en schouders boven de andere Nederlandstalige tijdschriften uit, vooral op experimenteel vlak en internationale oriëntatie. Dat de redactie een schrijver die nog niet eens gedebuteerd heeft, writer in residence liet worden, is een keurmerk van jewelste.

    Goed, De onzichtbare dus. Klopt het keurmerk? De afloop van het verhaal wordt gelijk aan het begin verklapt: De hoofdpersoon Herbert Danigs ‘is op weg naar wat zijn woning zijn lief zijn verloofde zijn vrouw zal worden. Hij zal van haar gaan houden en uiteindelijk loopt het verkeerd af zonder veel woorden: hij brengt haar om. En daarna zichzelf.’ Goed, dat scheelt mij weer het maken van een samenvatting. Het boek leest net zo pretentieloos weg als dit citaat klinkt. Aanvankelijk grinnik je om het rake beeld dat Theunissen schetst van matig-ambitieuze dertigers (kalend, witte sportsokken, ‘multiculturele avonden vol zang, dans, gezelligheid en een bezinnend woord’), maar langzamerhand wordt het verhaal steeds dreigender. En dat is niet door de gebeurtenissen, want die zijn niet zo grimmig.

    De hoofdpersoon haalt dozen met rommeltjes van vroeger uit de kelder als zijn vrouw op zakenreis is, zij bezoekt een Dalí-tentoonstelling in Spanje, hij gaat nog eens een stukje joggen door de buurt. Het is iets in de manier van vertellen die maakt dat je voorzichtig begint te huiveren. Middels doeltreffende stilistische ingrijpen bereikt Theunissen dat je heel langzaam merkt dat de hoofdpersoon doordraait. Het terloops melden van stemmen in Herberts hoofd, een tussenstukje over zijn vrouw die in het buitenland lijkt te voelen dat er iets aan het misgaan is, een ik-verteller die geheimzinnige dingen rond het huis uitspookt. Of misschien wel het regelmatig vermelden dat alles zo ‘heel gewoon’ is bij deze twee mensen. De onzichtbare uit de titel kan op veel manieren worden gelezen, zoals het ongeboren kind, de ik-verteller, maar ook als de naderende psychose.

    Een schrijver die zonder veel sensatie een verhaal kan vertellen waar je het toch koud van krijgt, verstaat zijn vak. Dat neemt echter niet weg dat ik uitkijk naar een boek van Theunissen waarin hij probeert zijn vakmanschap aan te wenden voor iets groters, een belangrijker thema dan twee ontzettend gewone mensen.

    Overigens: een vriend van vroeger wint de loterij en vertrekt naar Thailand om zich te laten verwennen door kleine jongetjes en een geslachtsziekte op te lopen. In dit portret van gewone Vlaamse mensen ontkomt de auteur er niet aan het thema kinderseks aan te snijden. Weliswaar met een knipoog naar Houellebecq, die zich een voorstander van sekstoerisme heeft getoond, maar toch. Marc Dutroux heeft diepe wonden geslagen.