• Verzamelbundel met aansprekende en originele liefdesgedichten

    Verzamelbundel met aansprekende en originele liefdesgedichten

    Van Breyten Breytenbach (1939) verscheen een kleine verzamelbundel met liefdesgedichten afkomstig uit verschillende periodes van zijn leven. Ze worden op de omslag aanbevolen als ’25 liefdesgedichten die iedereen gelezen moet hebben’. De bundel kreeg de titel Allerliefste mee (waar het gedicht ‘als van veugels’ mee begint) en heeft een eenvoudige en vrolijke lay-out. Een typisch cadeauboekje, gericht op een zo groot mogelijk publiek, en daar is natuurlijk niets mis mee.

    De gedichten zijn van grote kwaliteit en prima vertaald. Een groot pluspunt is dat de originele Afrikaanse versies in het boekje zijn opgenomen, extra verdieping is mogelijk. De gedichten werden gekozen door Annemiek Recourt en de vertalingen zijn – op drie na – van Laurens van Krevelen. De andere zijn van Krijn Peter Hesselink en Adriaan van Dis. Recourt maakt haar keuze is uit de verzamelbundel ‘Rooiborsduif’ die in 2019 in Zuid-Afrika werd uitgebracht ter ere van Breyenbachs tachtigste verjaardag (samengesteld door de Zuid-Afrikaanse auteur Charl-Pierre Naudé).

    Breytenbachs taal

    Meteen valt weer op hoe mooi en rijk Breytenbachs taal is. De gedichten zijn begrijpelijk én origineel, waartoe alleen de grote dichters in staat zijn. Terwijl deze poëzie ook nog eens over liefde gaat. Probeer dan maar eens de clichés te vermijden. Zo is de maan vaak aanwezig, die steeds in een verrassend perspectief wordt geplaatst. In ‘Wintertroost’ uit 1964, het eerste opgenomen gedicht, maakt ze deel uit van het Chinese beeld van de draak:

    ‘en als het weer zomer is
     zullen we gedurende de langbenige avonden
     buiten onder de pergola wandelen
     om naar elkaar te wuiven

     en als het dan donker wordt
     met lantaarns als drakenogen in onze handen
     op de getande daken klauteren om
     naar de grommende maan te kijken’


    In het laatste gedicht, ‘We hebben de maan geplukt’ (2019) wordt het maanlicht letterlijk binnengehaald om de liefde kracht te geven:

    ‘we hebben de maan geplukt
     straaltje voor straaltje
     om het buiten donker te maken
     en de liefde niet te laten verleppen’


    Werk uit verschillende periodes 

    Doordat het gedichten uit verschillende periodes van zijn leven zijn – naar verschijning chronologisch opgenomen – valt extra op wat een authentiek dichter Breytenbach is. Ook dat hij nooit een vernieuwer was: zijn poëzie is klassiek van vorm, vol alliteraties, personificaties, enjambementen, etcetera. De gedichten zijn heel persoonlijk en hebben soms een autobiografisch en anekdotisch karakter. Ze spelen zich bijvoorbeeld een paar keer af in Parijs, waar Breytenbach jaren in ballingschap leefde (1964 – 1975) en waarnaar hij na zijn detentie in Zuid-Afrika in 1982 terugkeerde om Frans staatsburger te worden. 

    De gedichten staan bol van de melancholie. Vanwege de afstand tussen de ik en de ‘jij’ die hij steeds aanspreekt en naar wie hij hevig verlangt. Zoals in ‘gekooide vogel’ (1970): ‘ik ben een nachtvogel naar jou onderweg / door scheuten in de tijd / in tuiten van het duister / over steppen en savannes’. Melancholie is er ook over het ouder worden: ‘nazomeravond: de hemel / een ontsteking achter de Eiffeltoren, / sterren beginnen te brommen in de ruimte / zoals de ogen van vliegtuigen, / en ik met mijn gebalsemde lijf op het balkon / van dit oude gebouw’ (‘handpapier’, 1998). 

    De gedichten zijn zeer zintuiglijk en zinderen van de kleuren, geuren en geluiden. In ‘herfstavond’ (1964) loopt de ik in gedachten met zijn vrouw langs de Seine:

    ‘en de lucht krimpt tot een gebolde violette bloem
     de huizen, de winkels worden blauw en over
     de stad valt de bijtende kilte van vroege herfst: zoete  dood
     de vensters gaan een voor een geel open
     hoe lieflijk rins geurt het haar van mijn beminde in de schemer’


    Aansprekende verbeeldingskracht 

    Er is ook regelmatig sprake van erotiek, in latere gedichten worden die vrij expliciet beschreven. Hierdoor levert de poëzie – ook in het origineel – ten opzichte van de eerdere gedichten aan magie in: ‘als mijn pik ooit de magische/voering van je kut zou vergeten/de diepberg en het knopje clitoris/en het kloppende opzwellen door je tong –‘ (‘De eed’, 2007). Dat is toch iets heel anders dan: ‘ik zal uit haar tong drinken, we zullen als hagedissen/op onze kooi klauteren/langs de vensterbank tot de eerste glimmende nok/en dan de maan’ (‘herfstavond’, 1964).

    Maar denk niet dat de bard op zijn oude dag zijn verbeeldingskracht is kwijtgeraakt. Van een breekbare, metafysische schoonheid bijvoorbeeld is het gedicht ‘ce-suur’ (2012): 

    ‘zes uur en het licht ontvouwt
     een vlag van stille geboorte over de stad
     oud vuur gaat tegen de voorgevels
     van grachtenhuizen fonkelen
     grachten die beweging van weerspiegeling krijgen
     afwijzende gezichten van wolken
     als de liefde van afgelopen nacht wordt vergeten
     later een warreling van bladeren
     een bootje dat het vlies van het dromende water
     openbreekt tot een rilling van stilte
     bij het terugdenken aan de liefde van de afgelopen nacht
     een hond misschien een stem
     een zucht die door de straten slaakt:
     een flard gedicht en een verrukkelijk verdriet
     de ontrukking van vertrekken:
     zo is de zomer van het hart.’

    Zoals de flaptekst al vermeldt, is Allerliefste een ‘ideale introductie op Breytenbachs poëzie’. Het is in elk geval een mooie eerste kennismaking met deze belangrijke dichter. Doe dit mooie boekje beslist aan iemand of aan uzelf cadeau. Aanleiding overbodig.

     

     

  • Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    H.C. ten Berge (1938) is altijd geïnteresseerd geweest in andere culturen. Hij vertaalde onder andere Japanse noh-spelen, Azteekse poëzie en volksverhalen uit de Eskimo-cultuur. In zijn dichtwerk is het ‘onderweg zijn’ een belangrijk thema. In De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, dat zich afspeelt in Noord- en Midden-Amerika, worden deze interesse en thematiek met elkaar verenigd.

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is een reisverhaal in dichtvorm. In ‘een script in 45 scènes & een tussenspel’ beschrijft Ten Berge de avonturen van deze Spaanse edelman, alias ‘Koeienkop’ (‘Cabeza de Vaca’), een eretitel met een mythische oorsprong. Deze avonturenvonden plaats in de zestiende eeuw en begonnen met een expeditie naar toen nog onbekend land rond de Golf van Mexico. De expeditie mondde uit in een ware uitputtingsslag die bijna niemand overleefde. Na lange omzwervingen kwam Núñez terug in zijn vaderland waar hij schriftelijk verslag deed aan keizer Karel V. Ten Berge baseert zich op Núñez’ relaas en citeert hier delen uit.

    Het is één lang gedicht

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is dus eigenlijk één lang gedicht. Aan het begin voert Ten Berge  zichzelf als verteller op:

    ‘Op de tuibrug naar Tampa,
     staal en beton dat fraai gelijnd en hemelhoog
     de baai boven ravottende dolfijnen

     in een lange glijvlucht overspant,
     de zon trotseert en de orkaan weerstaat,
     denk ik aan Álvar Núñez Cabeza de Vaca
          die vijf eeuwen her onder Pánfilo de Narváez
          met drie kraken en een brigantijn
          op deze blinkend witte kust verzeilde.’

    Aldus een brug slaand naar het verleden. In het tussenspel keert de dichter terug, letterlijk stappend in de voetsporen van zijn helden. Althans, dat zou hij graag doen: ‘Wat trad ik graag als late nazaat/in hun weggewiste sporen –/ door niets gesteund en zonder liefde/ trok ik er, de angst verkropt, alleen op uit,/ een godvergeten minnaar van extremen.’ Uiteindelijk doet hij dat met het woord. 

    Ingenieus narratief spel

    Ten Berge speelt een ingenieus narratief spel met verschillende perspectieven. Alleen dit al maakt het gedicht bijzonder levendig. Zoals hij zich op Núñez baseert, verwees ook Núñez naar andere bronnen, om de keizer een zo compleet mogelijk verhaal voor te schotelen. Bijvoorbeeld over hoe het afliep met de roekeloze, zelfzuchtige expeditieleider Pánfilo de Narváez, de tegenpool van de verstandige, edelmoedige Núñez:

    ‘[Hernando] vertelde zijn verhaal aan Figueroa,
     die het doorgaf aan Dorantes en Castillo,
     die het overbrachten aan de nobele Álvar Núñez,
     die het later opschreef voor de vrome en gevreesde
        koning-keizer van een wereldrijk
     die men Carlos I in Spanje noemde, maar in Brussel Karel V.’

    De keizer moet Núñez op zijn woord geloven. Bewijsmateriaal is soms verloren gegaan: ‘Ik vroeg hem [een boosaardige kapitein die hij ontmoette] jaar en maand en dag / waarop wij voor het eerst / weer christenen zagen / voor mij op te schrijven / (wat hij toen ook deed). / het papier is later zoekgeraakt.’ Ten Berge legt hiermee extra nadruk op de verbeelding. Niemand weet meer wat er echt is gebeurd. Aan de andere kant heeft de lezer houvast aan talloze tijdsaanduidingen, soms als noot in de kantlijn toegevoegd.

    Huiveringwekkende avonturen

    Núñez’ belevenissen zijn prachtige en vaak huiveringwekkende avonturen. De lezer waant zich in een jongensboek. De titel van het gedicht zegt het al: er is sprake van talloze beproevingen. Ze worden met veel gevoel voor detail opgedist: 

    ‘Klamme hitte. Honger. Dorst.
     De van god gezonden monniken, soldaten,
     officieren hebben koorts of lijden aan kwetsuren.
     De gewonden legt men over paardenruggen
     bij het oversteken van rivieren.
        Er wordt een Arabier gedood, het vlees verdeeld:
        een daad die men alleen bij hoge nood
        met tegenzin herhaalt.’

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca staat vol met dit soort aansprekende anekdotes. In de scène ‘Kleine kroniek van Prikkelperenland’ (prikkelperen zijn cactusvijgen) wordt het leven van de Charruco, een volk van woudlopers, met sociologische precisie beschreven. Begrippen worden in de kantlijn verklaard of in de als bijlage opgenomen aantekeningen verduidelijkt. Waarom dit op twee verschillende plaatsen in het boek gebeurt is onduidelijk. Naar de aantekeningen wordt in het gedicht niet verwezen. Soms had er meer verklaard kunnen worden. Want wie weet dat een ‘cacique’ een opperhoofd is?

    Vloeiende regels vol klankrijm

    Uiteraard wordt de moeilijke verhouding tussen de Spaanse overheersers en de diverse indianenstammen beschreven, die gekenmerkt wordt door uitbuiting, wraak en onbegrip: ‘Zoals onwetende veroveraars in angst en vreze leven/ heeft de indiaan geen weet van overzeese volken/ of een wereldrijk dat inlijft en berooft.’ Núñez is in deze geschiedenis de ware adellijke held, die optreedt als heelmeester en streeft naar rechtvaardigheid voor de indianen. Het lijkt daarom rechtvaardig dat hij het overleeft, al is hij voornamelijk ‘een geluksvogel’. 

    Ten Berge schrijft dit alles op in vloeiende regels vol klankrijm. Beeldspraak wordt achterwege gelaten. De verhalen spreken voor zichzelf. Dat maakt dit gedicht tot een makkelijke leeservaring. Heel anders dan je doorgaans bij deze dichter gewend bent. Erg is dit zeker niet. Daarvoor fonkelt dit gedicht meer dan genoeg, waarbij je al lezende vergeet dat het voor een groot deel aan de verbeelding van de dichter is ontsproten.

     

  • Verhelst voert metaforiek tot het uiterste door

    Verhelst voert metaforiek tot het uiterste door

    Op de titelloze voorkant van de nieuwe bundel Zon van de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) spreekt de afbeelding voor zichzelf. Wat volgt is een lijvige bundel waarin het ene na het andere sterke beeld wordt opgeroepen. Zon is Verhelsts eerste volwaardige bundel na de verzamelbundel Koor waarin hij zijn gedichten herschikte en aanpaste. In de tussentijd verscheen ter gelegenheid van de poëzieweek het geschenk Wat ons had kunnen zijn. Zeven van deze tien gedichten komen in Zon in licht gewijzigde vorm en onder andere titels voor, waaruit opnieuw blijkt hoe soepel Verhelst zijn materiaal recyclet. De bundel heeft een strakke compositie en telt acht delen waarin de zon als metafoor centraal staat. Tussen de delen staan vijf losse gedichten onder de titel ‘Sun Arise’, genummerd 1 t/m 5. Deze zijn elk voorzien van een motto dat ontleend is aan een lied van zanger Phosphorescent; bij elk gedicht verschijnen van de songtekst volgende regels.

    Het is interessant te zien hoe het openingsgedicht ‘Wachten op Godot 1 (Samuel Beckett)’ uit Wat ons had kunnen zijn is omgebouwd tot het eerste ‘Sun Arise’- gedicht. Met een paar minieme aanpassingen gaat het niet langer over toneel (het thema van het poëziegeschenk), maar past het naadloos in de nieuwe bundel. Er wordt niet meer gewacht op ‘jullie’, de nadruk ligt nu geheel op de ‘ik’. Diens verlangen heeft daardoor een (nog) meer existentiële lading gekregen. Verhelst brengt verlangen en eenzaamheid tot mythische proporties door de zon en de zee tot decor van zijn gedichten te maken. 

    Jeugdherinneringen

    In de eerste afdeling ‘Marines’ bevinden we ons aan de kust. Het wordt meteen duidelijk dat het om jeugdherinneringen gaat:

    ‘Juichend renden we de trap op,
     stonden voorovergebogen met ellebogen op de knieën
     te hijgen op het dak, hesen ons op
     de reling, gehurkt tegen de wind in
     kwamen we overeind, spreidden de armen
     om de wereld te redden.’

    De herinneringen zijn scherp, maar lijken ook onwerkelijk: ‘Er moet toch iemand zijn/die ons op het dak zag staan.’ Het leven was nog puur: ‘We hadden nog niemand zien sterven toen’. Waarna het al snel om verlies gaat: ‘Nog altijd/vraag ik me af waar alles wat we niet kregen uiteindelijk is gebleven’. 

    Stille herinneringen

    In de gedichten gaat het vaak om een ‘ik’ en een ‘jij’. Er is sprake van (mogelijk) gemis. De ander wordt soms gezien in een soort droom, zodat elke logica ontbreekt. Zo kan het perspectief voortdurend wisselen: ‘Ik sliep toen je de kamer uitging/Je liep de pier op met je koffer,/maar ik sliep niet meer toen je de kamer uitging/ […] / Toen je niet op de boot stapte,/keek je evenmin over je schouder,/ging je de kamer binnen/waar je naast me lag te dromen/dat je van de boot stapte – is er dan toch een overkant?’ Er worden herinneringen opgehaald aan gelukkiger tijden vol gelukzalige beelden: ‘Herinner je je die bocht waar de platanen als bleekgroene gipsen armen/Ieder apart reden we de hele dag om elkaar in de velden te omhelzen.’ Vaak is er een verlangen naar de ‘thuiskomst’ van de ander, die met veel verbeeldingskracht wordt opgeroepen. Een andere keer dringt de herinnering zich spontaan op: ‘Blijf nu maar weg, dacht ik, je was er al zo lang niet meer, maar/door een gat in de tijd spring je mijn leven weer in’. De ander verschijnt op een sterk zintuiglijke en lichamelijke manier, waardoor die nog meer aanwezig lijkt:

    ‘Laten we naar bed gaan en niet praten. Ik zal de stilte
     in je oogleden wrijven, in de kam van je neus, je hals,
     je borst, je navel, je geslacht, je voetzolen. Zoals toen
     je arm achter je hoofd.

    Soms heb je het gevoel dat je naar huis wil,
    maar je bent al thuis.’

    Veelkleurigheid

    Verhelsts stijl is zeer lyrisch. Hij schildert de meest fantastische beelden in soepel lopende regels:

    ‘Met brood in mijn handen rende ik de branding in tot ik de bodem
     niet langer voelde, trappelend hield ik het brood voor me uit dat zich volzoog
     en in vlokken uiteenviel toen duizenden visjes uit het niets,
     traag wentelende diamanten helix om me heen,
     het brood tussen mijn vingers uit pikten.’

    De gedichten zijn net zo veelkleurig als de zonneschijn: beschreven worden het oranje of de ‘helrode wolken’ van de avondschemering tot ‘een ochtend met lila strepen’. Opgeteld levert dat hele prisma van kleuren wit op: de zon is ogenschijnlijk monochroom: ‘éénkleurmonoliet, fel licht, ijswit’. Je zou het kunnen zien als je in de zon kon kijken. Verhelst speelt met alle mogelijke betekenissen en symboliek: het verlangen naar eenheid, het uiteenvallen van het leven in vele facetten. Dan bestaat er ook nog zoiets als een zonsverduistering: de dichter wijdt er een hele afdeling gedichten aan. De zon is een dankbare metafoor.

    Het is geweldig hoever Verhelst de metaforiek doorzet: de zon is als  de bemaande kop van een leeuw, die weer op een zonnebloem lijkt. Hij laat al die beelden in elkaar overgaan tot ze uiteindelijk in hemzelf samenvloeien. 

    ‘Als een zonnebloem een leeuw is
     op een stengel, stug, ruw behaard,
     de manen felgeel,

     en een leeuw een zon is op vier poten
     met stekelige corona, grillig plasma,
     uitslaande vlammen,

     laat die leeuw dan in mij plaatsnemen,
     eerst leunend op de voorpoten, gehurkt,
     en dan plots overeind, stokstijf.’

    Strategie

    De leeuw heeft ook een negatieve connotatie. Verhelst verwerkt hiervoor onder andere een fabel van De La Fontaine: De wolf en het lam, waarin de wolf verandert in een leeuw en het lam in een schaap. De moraal is dat de sterke altijd van de zwakke wint en alle rede hiervoor moet wijken. De stap naar rechts-populistische politici is dan snel gemaakt. Verhelst bouwt gedichten op uit citaten van N-Va politici Bart De Wever en Theo Francken (oud-staatssecretaris voor Asiel en Migratie) en van Thierry Baudet. Zelf vat de dichter hun cynische, xenofobe boodschap samen in het gedicht ‘STRATEGIE 3 – ontmenselijkt – beleg in angst als kapitaal’, waarin het gaat om ‘wij’ en ‘zij’:

    ‘Als de zij-vos niet te allen tijde bang van is van ons, bestaat de kans dat de zij-vos
     moet worden gevangen omdat hij niet langer voor zijn eigen eten kan zorgen.
     Geef de zij-vos daarom nooit eten, het dier wordt er niet door geholpen.

     Voorzie elke week een ramp. Ontferm je telkens als eerste over het puin.
     Bouw prachtige angstfabrieken. Voer angst in als munteenheid.’

    Het is een verrassende wending in de bundel, die een geheel nieuw thema aanroert, maar door de beeldspraak in dezelfde sfeer blijft. Het laatste gedicht (‘Sun arise! 5’) verwijst naar een demonstratie in Kiev in 2013 waar een jongen oog in oog met de oproerpolitie piano speelde. Het laat zien dat muziek, kunst, en poëzie ons kunnen samenbrengen. Het belangrijkste gevoel dat na lezing van Zon overblijft, is die van hoop.

     

     

  • Boom

    Boom

    Bomen moeten het regelmatig ontgelden. Ze zijn makkelijk te beschuldigen: ze nemen de zon weg, verpesten het uitzicht, of vormen een potentieel obstakel voor een dronken automobilist. De zaag wordt er vervolgens ingezet en er verdwijnen mooie, soms monumentale bomen. Alleen als ze gewoon ziek zijn, is er geen sprake van schuld. Het gaat me aan het hart wanneer een boom om de verkeerde redenen wordt omgezaagd. Het duurt al gauw een half mensenleven voordat een boom een beetje omvang heeft bereikt. Ik denk dan altijd aan het gedicht ‘Aan een boom in het Vondelpark’ van Vasalis uit Vergezichten en gezichten:

    ‘Er is een boom geveld met lange groene lokken.
    Hij zuchtte ruisend als een kind
    terwijl hij viel, nog vol van zomerwind.
    Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.

    O, als een jonge man, als Hector aan de zegewagen,
    met slepend haar en met de geur van jeugd
    stromende uit zijn schone wonden,
    het jonge hoofd nog ongeschonden,
    De trotse romp nog onverslagen.’

    Dit gedicht roept de pijn op van verloren gegane schoonheid, hoewel die zelfs na de kap nog blijft bestaan. Ook al zou dit gedicht eigenlijk om een gestorven kind gaan, het blijft ook letterlijk een sterk beeld. Laatst maakte ik een boswandeling en ontmoette een enorme kaalslag. Staatsbosbeheer is tegenwoordig een marktpartij en heeft targets voor houtkap. Dit was een zogeheten productiebos. Het herinnerde mij aan regels van Armando uit het gedicht ‘De waarheid’ uit: Liever niet:

    ‘langs de straten slapen de vochtige lichamen,
    stapels op een hoop verzameld.

    Hier heeft iets plaatsgevonden
    dat op de vage waarheid lijkt.’

    Zoals bekend bestonden er voor Armando schuldige landschappen, getuigen van vreselijke gebeurtenissen, zoals de bossen rond Kamp Amersfoort waar hij dichtbij opgroeide. Bij het begrip ‘schuldig landschap’ komen bij mij automatisch de beelden van de geblakerde bossen uit Australië op. Die doen denken aan een ontluisterend gegeven: dat van de opwarmende aarde, en de ontkenning daarvan door sommigen.

    In de postuum verschenen bundel Toch lijkt Armando de rol van het landschap te relativeren:

    ‘Natuurlijk is de boom gestorven,
    moest de boom dan openbaren,
    een getuigenis afleggen?’
    (‘Boom’)

    Inderdaad. Getuigen doen in het geval van de Australische bosbranden alleen de televisiebeelden, die ons er niet alleen van doordringen hoeveel schoonheid er verloren gaat, maar ook wie de ware schuldige is. Het landschap is hier overduidelijk slachtoffer.

     

    Vergezichten en gezichten / Vasalis / Van Oorschot (1954); Liever niet en Toch / Armando / AtlasContact (2017 en 2019).


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Spotprenten van een erudiet dichter

    Spotprenten van een erudiet dichter

    Normaal gesproken zouden we geen belangstelling hebben voor schunnige gedichten van een zeventienjarige. Wel als het Arthur Rimbaud (1854 – 1891) betreft. De tweeëntwintig gedichten die in de tweetalige bundel Perverse verzen zijn opgenomen schreef hij van half oktober tot half november 1871, kort nadat hij op uitnodiging van Paul Verlaine in Parijs was komen wonen. Verlaine had hem geïntroduceerd bij de ‘Cercle zutique’, een gezelschap jonge dichters dat zich verzette tegen de gevestigde orde. ‘Zut’ is een eufemisme van ‘merde’ en betekent zoiets als ‘shit’.

    Gelegenheidsgedichten

    De gedichten van de Zutistes zijn minder bekend, omdat het gelegenheidsgedichten waren, bedoeld voor vermaak tijdens alcoholische avonden, die buiten het officiële werk bleven. Ze werden genoteerd in een soort gastenboek dat waarschijnlijk in de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Omdat de in pornografie gespecialiseerde schrijver Pascal Pia er foto’s van had gemaakt, zijn ze bewaard gebleven. In 1991 verschenen negen van Rimbauds zutistische verzen in de bundel Obscene gedichten, ter gelegenheid van zijn honderdste sterfdag, in vertaling van Judith Mok. Nu is er een compleet overzicht, vertaald en van een uitgebreide inleiding en toelichting voorzien door Rimbaud-kenner en -vertaler Paul Claes.

    Zowel de inleiding als de toelichting is onontbeerlijk om de gedichten te kunnen plaatsen en begrijpen. De tumultueuze liefdesrelatie tussen Rimbaud en Verlaine is algemeen bekend, net als Rimbauds status van poète maudit. Het eerste verklaart het homoseksuele karakter van veel van de gedichten. Maar de ‘Cercle zutique’ en de tijd waarin zij hun gedichten schreven moeten geduid worden, alsmede het slang dat Rimbaud hanteerde. Claes doet dat op een zeer verhelderende manier.

    Spotprenten in classicistische vorm

    De Zutistes sympathiseerden met de revolutionaire Commune van Parijs, die eerder in 1871 na het einde van de Frans-Duitse oorlog was uitgeroepen en die daarna met steun van Pruisen door regeringstroepen omver werd geworpen. Rimbaud bespot in zijn gedichten de oude machthebbers, onder wie keizer Napoleon III, en de dichters die tot het establishment behoorden en gekant waren tegen de Commune. Namen als Armand Silvestre, Léon Dierx, Louis Ratibonne en François Coppée, die – in tegenstelling tot Rimbaud en Verlaine – in de vergetelheid zijn geraakt. Het meest gebeten was Rimbaud op Coppée, die, na eerst de kant van de revolutionairen te hebben gekozen, nu pleitte voor verzoening van de partijen. Aan hem wijdde hij zeven van de gedichten, waarin hij het sentimentele karakter en de zoetsappige stijl van diens poëzie hekelde. 

    Het geestige is dat Rimbaud voor zijn spotverzen de classicistische vorm van de gehate ‘Parnassiens’ handhaafde. Zo bevat Perverse verzen sonnetten en dizijnen (gedichten van tien versregels) bestaande uit alexandrijnen en met over het algemeen ijzeren eindrijm. Wel schreef hij enkele sonnetten met ultrakorte versregels, zoals in de ‘Conneries I’ (‘Lulkoek I’):
    Jonge slokop // ‘Meneer / Trekt met /Zijn pet / Van leer. // Paul zet / Zich neer / Voor meer / Buffet. // Hij plet / Vol pret / Een peer: / In ’t net / Toilet / Valt beer.’

    Vertaling volgt origineel op de voet

    Het handhaven van de vorm was voor de vertaler een uitdaging. Claes schrijft in zijn inleiding dat hij ook het poëtische van de gedichten recht heeft proberen te doen. Hij volgt Rimbaud zo precies mogelijk. Zo laat hij bijvoorbeeld de regels met de rijmwoorden ‘gauche-sacoche’ ook onzuiver rijmen: ‘Seine’ – schrijnen’ en hij handhaaft in ‘De onthullingen van de oude gek’ de prozaïsch klinkende alexandrijnen waarmee Rimbaud de stijl van Coppée belachelijk maakt. Een andere opdracht was om de dubbelzinnigheden waar deze gedichten om draaien adequaat weer te geven. Volgens Claes was dit alleen mogelijk dankzij het erotisch woordenboek van Alfred Delvau uit 1864 en recente analyses van diverse commentatoren. Rimbaud heeft zich in obsceniteiten uitgeleefd. Het meest beruchte gedicht is het ‘Sonnet van de reet’ (‘Sonnet du trou du cul’), waarmee de reeks opent. Verlaine schreef hiervan de kwatrijnen en Rimbaud de terzinen:

    ‘Mijn Droom is door dit tochtgat meer dan eens verleid;
    Mijn ziel, die het lichamelijk genot benijdt,
    Heeft snikken voor dit rossige vat en nest vergoten.

    O hijgende olijf en fluit vol lieflijkheid;
    O buis waardoor de hemelse praline glijdt;
    Vrouwelijk Kanaän in klammigheid besloten!’

    Erudiet dichter kende zijn vijanden

    Verder valt Rimbauds enorme eruditie op. Hij kende zijn vijanden goed en verwijst regelmatig naar hun werk. In zijn gedicht ‘Lelies’ persifleert hij de voorliefde van contemporaine dichters voor lelies, zoals in de volgende regels van Armand Silvestre (1837 – 1901):

    ‘In de lucht vol zijden draden
    Rezen sidderend de lelies,
    De lelies die de dag ontplooit.’

    Rimbaud heeft een totaal andere associatie:

    ‘O klokkenspel! O lelies! Zilveren klysmaspuiten!
    Werken en honger lijden zijn niet jullie stijl!
    Het ochtendgloren laat je liefdessap ontspruiten!
    De hemellust maakt je meeldraden botergeil!’

    Betekenissen van de leliebloem

    Behalve naar mannelijke voortplantingsorganen is de lelie ook een verwijzing naar het Franse koningshuis dat de leliebloem in zijn wapenschild voert en waar men niet werkt of zich om het hongerlijdende volk bekommert. De tweede regel is een zinspeling op een passage uit de Bergrede, Mattheüs 6:28: ’Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld; zij werken niet, en ze weven niet’ (Nieuwe Bijbelvertaling).

    Ook de kerk krijgt ervan langs.  In het gedicht ‘‘k Zat in een derdeklaswagon’ (slang voor een goedkope hoer, maar hier – heel geestig – juist letterlijk bedoeld) bedelt een priester in een trein om een seksuele gunst: ‘De paap trotseerde de schimpscheuten welgezind, / Keerde zich naar me om en vroeg op een al even / Ferme als droeve toon of ik een pruim kon geven’.
    Rimbauds ‘Vers zutiques’ vormen een ludiek literair-historisch document. Perverse verzen is een vermakelijk boekje, waarin Paul Claes deze weinig bekende gedichten tot leven weet te wekken. Het is ook nog eens mooi vormgegeven. En dat alles voor een tientje. 

     

  • Identiteit

    Identiteit

    Er zijn schrijvers waarvan je elk nieuw boek blind koopt. Dat geldt ook voor overleden schrijvers als er een nieuwe boekvertaling verschijnt. Plots zijn ze herontdekt, goede literatuur is tijdloos. Na Gloed van Sándor Márai werd het een na het andere vertaalde boek van deze Hongaarse schrijver uitgebracht. Een ander voorbeeld is de Noor Knut Hamsun. En de Tjech Karel Čapek (1890 – 1938), van wie met enige regelmaat een nieuwe titel verschijnt, steeds vertaald door Irma Pieper in schitterend Nederlands. Deze drie schrijvers behoren tot mijn favorieten.
    Mijn kennismaking met Čapek begon met Een doodgewoon leven (1934), waarin de hoofdpersoon geen geëxalteerde held is, maar een eenvoudige spoorwegbeambte, een man als iedereen. Wanneer hij zijn memoires schrijft, blijken die verrassende inzichten in zijn persoonlijkheid te verschaffen. Hij is complexer dan hij altijd had gedacht, een inzicht dat we volgens Čapek op onszelf kunnen betrekken.

    Čapek schreef ook een paar zeer fantasievolle boeken. In Oorlog met de Salamanders (1936) wordt de mens voor de kust van een Aziatisch eiland geconfronteerd met een hyperintelligent salamandersoort. Het is een satire op totalitaire (onmenselijke!) systemen en inspireerde Orwell tot het schrijven van Animal Farm. In Oorlog met de Salamanders klinken de echo’s van Swifts Gulliver’s Travels en Defoes Robinson Crusoe door.
    Kritiek op het vooruitgangsgeloof vinden we al in het vroegere Krakakiet (1924) over een ingenieur die een raadselachtige, verwoestende springstof uitvindt, een briljante vooruitwijzing naar de ontwikkeling van de atoombom. Natuurlijk wil iedereen dit krakakiet hebben, met alle gevolgen vandien. Behalve verbeeldingsrijk zijn Oorlog met de Salamanders en Krakakiet ook nog eens ongelooflijk spannend.

    Ook het in 2017 verschenen Meteoor (1934) was direct op mijn stapel nog te lezen boeken beland. Omdat ik meer favoriete schrijvers heb, kwam ik er pas dit jaar aan toe. Het boek kan als een pendant gezien worden van Een doodgewoon leven. Alleen gaat het ditmaal over wat we kunnen weten van andermans leven, in dit verhaal dat van een neergestorte vliegenier, die onherkenbaar verbrand is en in coma ligt. Vanuit verschillende perspectieven lezen we vier mogelijke geschiedenissen, waaruit een fantastisch beeld oprijst van deze mysterieuze figuur.
    In het dit jaar verschenen Hordubal (1933) wordt er eveneens getracht de waarheid te achterhalen en hanteert Čapek opnieuw een wisselend vertelperspectief. Aan de lezer om ermee aan de slag te gaan.
    Dat is de kracht van fictie en van een goede schrijver: verschillende waarheden te verbeelden en je na te laten denken over je eigen identiteit.

     

    Een doodgewoon leven, Oorlog met de Salamanders, Krakakiet, Meteoor en Hordubal verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Krijgertjes

    Is het een cadeautje? Elke boekenkoper kan deze vraag dromen. Je bent net een inspirerend bezoek aan de boekhandel aan het afronden en hebt het boek naar keuze op de toonbank gevleid. De vraag geeft je een schuldgevoel omdat je een boek voor jezelf koopt. Egoïst! Een boek geef je cadeau. Boeken zijn cadeauartikel nummer één, daar kan geen nieuwe, door elektronica beheerste tijd tegenop. Op zich verheugend natuurlijk. Toch klinkt de vraag stupide. Zou een boekverkoper niet vermoeden dat er mensen zijn die boeken voor zichzelf kopen? Als ik een cadeaupapiertje wil, dan vraag ik er wel om. Ik ken mensen die het boek uit valse schaamte toch laten inpakken, om thuis het plakband weer los te peuteren. Cadeautje voor jezelf.

    Heel veel geschonken boeken worden niet gelezen. Men werpt even een gespeeld enthousiaste blik op het boek dat men niet wilde hebben en roept: Goh, wat leuk! Het zijn vaak slappe boeken speciaal uitgegeven om cadeau te doen: taalboekjes, krantenstukjes, boekjes over katten. De uitgeverijen kennen hun pappenheimers. En de gelukkige ontvanger zit er intussen mee. Om dit te voorkomen roep ik alvast geen boeken cadeau te willen. Voor de zekerheid, want de meesten weten het wel. Ook wat ik aan boekenkasten heb staan. Ze denken waarschijnlijk: hem hoef ik geen boek te geven, die heeft alles al. Natuurlijk kan ik altijd vragen of ik het boek mag ruilen, maar dat is minder feestelijk. Bovendien moet men dan met het bonnetje – inclusief het bedrag dat men voor het cadeau overhad – op de proppen komen. Dat is heel onpersoonlijk en zakelijk. En misschien wilden ze juist een persoonlijk cadeau geven. Vonden ze het boek geweldig en wilden ze een leeservaring delen.

    Je reputatie als lezer kan ook averechts werken. Laatst bracht bezoek ongevraagd een stapeltje oude boeken mee. ‘We zijn aan het opruimen en dachten aan jou. Jij houdt toch zo van lezen?’ Terwijl ik al voortdurend mijn hoofd pijnig waar ik mijn vers aangeschafte boeken moet laten. Wik en weeg welke boeken plaats zouden kunnen maken. Een moeizaam proces. Ineens heb je er weer een stapel boeken bij, waarvan straks ongetwijfeld gevraagd wordt ‘wat je ervan vond’. Je moet die krengen nog lezen ook. Als je dit gevoel herkent: gewoon weigeren. Wees keihard. Of doe ze weg. Lieg. En mocht je voor je verjaardag of een ander feestje toch boeken willen krijgen: geef ze een lijstje.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar raakt ook geïnspireerd door schrijvers uit het verleden.

  • Poëzie met een lach en een traan

    Poëzie met een lach en een traan

    Chawwa Wijnberg (1942) debuteerde dertig jaar geleden met de bundel Aan mij is niets te zien. Behalve dichter is ze beeldend kunstenaar en columnist. Twee jaar was ze stadsdichter van haar woonplaats Middelburg. Het ontbreken hoor je niet is haar achtste bundel. Haar gedichten zijn eenvoudig en geëngageerd van aard. Ze schrijft vaak over haar joodse achtergrond, maar gaat ook regelmatig in op de actualiteit. Dit laatste doet ze in haar nieuwe bundel meer dan het eerste.

    Wijnberg schrijft zeer eenvoudige gedichten, bestaand uit korte regels. Ze gaan over  onderwerpen als ouderdom en vergankelijkheid, maar ook de vluchtelingenproblematiek en de robotisering van de samenleving komen aan bod. Wijnberg schrijft alles direct op, zonder veel beeldspraak. De gedichten zijn daarom na één lezing al te begrijpen. Dit eenvoudige zou je kunnen roemen als glashelder. Het zijn persoonlijke en eerlijke gedichten en daarom beslist sympathiek en integer. Maar originele inzichten, die ontstaan door de werkelijkheid te bevragen, biedt Wijnberg niet. Ze komt vooral met boodschappen:
    ‘als we/elkaar beloven/lief te hebben/maar ook in alle talen/in het Visch en Koeis/en luisteren naar vogels/en de bloemen/van het veld/dan hoeft een mens/geen lauweren/geen lauweren – geen geld.’ Mooi hoor. Het gaat in het leven om de ander, om de natuur, niet om geld. De bundel staat vol met dit soort wijsheden die nogal voor de hand liggen. Lezers zullen het vooral met haar eens zijn.

    Wijnberg dicht vaak over geweld en intolerantie, thema’s die te herleiden zijn tot haar joodse achtergrond: ‘In gedachten/doe ik de helm/op mijn hoofd/en bedek ik/alle zachte plekken/met weerbaar rubber/waar de politie/met een knuppel/op kan slaan’. Het verleden is nooit voorbij, er is altijd weer dreiging: ‘het was er toen/het is er weer’. Misschien komt het gevaar dit keer van moslims: ‘nu mogen we/de moslims helpen/we weten van hun jodenhaat/is er nu een groter kwaad.’ Haar gedichten zijn ook op te vatten als een waarschuwing. Dat zij hier op moslims wijst is gedurfd.

    Buiten de tijd

    Veel gedichten hebben betrekking op de levensfase waarin de dichter zich bevindt. Ze valt er met het openingsgedicht Slijtage meteen mee in huis: ‘Er is/een scherfje/van me af/ja en kreukels/en hier/en daar een barst.’ Ze schrijft er vaak op ironische toon over en wil zich niet bij haar ouderdom neerleggen: ‘ik zie mijn bloedrood/gelakte nagels/en zeg tegen mijn lief/met mijn oudevrouwenstem/wij moeten/altijd/strijdbaar feministisch/blijven. De ironie maakt de ernst dragelijk, een bekend procedé in de poëzie.

    De dichter voelt zich niet thuis in deze tijd. In het gedicht ‘Poëzie en computer’ gaat ze in op de tegenstelling tussen het verhevene en het banale. Op zich een prima thema, maar ze doet dit op een oubollige wijze: ‘Nou goed ik heb een bestand/of hoe heet het, map, geopend/nu moet er ook iets in/ik weet wat niet, dat wel/niets prozaïsch en vooral/geen oeverloze lange zin.’ Hier is een oudere dame aan het woord, die met haar digibetisme koketteert. Het is natuurlijk opnieuw (zelf)ironie, maar een die enkel appelleert aan een (oudere) bevolkingsgroep. Het gaat in Wijnbergs gedichten niet om vervreemding maar om herkenning. Ergert u zich ook zo aan sociale media, aan voetbalprogramma’s of aan het kappen van bomen?

    Tegelwijsheid

    Stilistisch is de bundel niet echt opzienbarend. ‘Ik hoor de stad/ ademen of snurken/soms schreeuwt zij/of hoest’, ‘zelfs de depressie is op vakantie’. Het wemelt van dit soort flauwe personificaties, soms twee dezelfde achter elkaar: in Artsbezoek lezen we: ‘Het spreekuur/ heeft constipatie’ en in het volgende gedicht: ‘ook onze wegen hebben constipatie’.  Wijnberg bedient zich vaak van de retorische vraag om de boodschap erin te hameren: ‘Hoe kan een mens/zo haten/dat ze zelfs hun kind/hun huis, hun lief, hun alles/ bloem en boom verraden’; ‘is de haat besmettelijk/en de kanker/van een zwak verstand’ (Liefdeloos). Alles is opgeschreven in eenzelfde dreun: ‘Het is te warm/voor/helder denken/veel te heet/voor politiek’ […] ‘ik wil/ gezondheid/zonder grenzen/en een wereld/ min verdriet.’ (Puf warm). Het kan zo op een tegeltje.

    Troost wordt geput uit de natuur. Het motto is van Leo Vroman: ‘Zo lang er gras bestaat/o wee is het nog niet te laat?’ De gras-metafoor komt diverse malen terug, zoals in het gedicht,

    Hoop

    ‘Groei maar gras
    groei over alle haat
    en wanhoop heen
    bedek hun zieke
    dode lijven

    groei maar gras
    en laat de kinderen
    de wonderen vinden
    de mierenbergen
    en de wortels en hoe
    het in den beginne was.’

    In Wijnbergs gedichten is het zeker niet alleen maar kommer en kwel. Het ontbreken hoor je niet is een bundel voor wie graag leest waar het op staat en van een lach en een traan houdt.

     

     

  • Ode aan het leven

    Ode aan het leven

    De eerste van de vijf gedichtenreeksen in de nieuwe bundel van Frans Kuipers (1942), Alles waait, is getiteld, ‘Het sterft van de verloren dromen hier’. De dichter is oud(er) geworden en beseft dat zijn leven voor het grootste gedeelte voorbij is, dus ook zijn dromen:

    ‘Want link is het en niet makkelijk te verstouwen,
    ziektes die niet overgaan,
    deuren voor altijd dichtgedaan,
    geen sneeuwvloks kans in de hel te maken
    en alles door zien gaan.

    […]

    Eens was het anders.

    Haast kopje-onder in haar wonder ging je.
    Achter de woorden stond haar naam.
    In de kamer op het zuiden stond je vleugel bij het raam.

    Het sterft van de verloren dromen hier.’

    De wereld is er intussen niet beter op geworden: ‘Steeds meer slagers aan het hoofd van de kudde’. Hij haalt herinneringen op aan zijn op familiefeestjes kaartspelende ooms, bezoekt zijn ouderlijk huis ‘zoals de meesten doen,/het huisje aangegaapt, rondgedwaald,/in het gras gelegen’ om met de volgende paradoxale constatering te komen: ‘alles is er nog, niets is gebleven’. Gebleven zijn de dromen, de universele natuur om het huis, maar de ooms en tantes zijn allang dood.

    Het gaat Kuipers hierbij niet om weemoed, al krijgen de gedichten door het terugkijken vanzelf iets melancholieks. De toon is luchtig, de taferelen zijn soms humoristisch met al die drinkende en zingende ooms. Kuipers citeert wat ze zongen: een cynisch liedje over de dood: ‘De kist is ien de kuul gezakt – /Boem!’ Daartegenover zet hij zijn eigen lied, een – licht veranderd – gedicht dat in zijn bundel ‘De tafel van wind’ (2001) stond. Hij is ‘de Joker’, ‘de Nar’ uit het kaartspel van zijn ooms, de kaart die altijd terzijde werd gelegd: ‘Die mocht niet meedoen maar was wel belangrijk, verklaarden zij.’ De dichter zit er duidelijk niet mee en speelt zijn rol van nar met verve. De laatste afdeling van de bundel heet ‘Narrenliederen’.
    Ondanks alle verloren dromen en voorbij avontuur staat de dichter nog hetzelfde in het leven:

    ‘Dit houd ik staande: hoe naamloos nietig en kortstondig ook
    onder maan, melkweg en sterrenstraten, groot nochtans
    het raadsel van ons figureren in dit sprookje
    van een bij het zonspinnewiel goudwevende Schone is.’

    Het gaat in het leven om het raadsel. En om schoonheid, vooral die van de natuur. Dit alles is universeel en valt nog steeds te bezingen. Dat doet Kuipers uitbundig in deze bundel. De gedichten zijn zeer persoonlijk en buitengewoon vitalistisch. Ze zijn daardoor heel aanstekelijk, zoals het eerste gedicht van de afdeling ‘Waar te beginnen’, waarin hij de lezer op een ironische wijze van advies dient:

    ‘Je koffers pakken is Goed.
    Je hielen lichten is Goed.
    Zitten op het dek van een stampende veerboot
    door kermende meeuwen omgeven is Goed,
    staan aan de reling als een dolende koning
    tussen andere dolende koningen uitkijkend over zee is Goed
    en is een Uitstekend Begin.’

    Het raadsel bestaat omdat de werkelijkheid altijd veranderlijk is en bepaald wordt door toeval: ’Altijd dat woord samenloop/met dat andere woord onachterhaalbaar in zijn kielzog’. ‘Al wat vaststaat liegt: alles waait’. Kuipers gebruikt, net als in eerder werk, vaak de wolkenmetafoor: ‘nooit komt er aan het worden van wolken een einde’. Hij richt zich op geestverwanten:

    ‘Aan de Duimpjes verdwaald
    en de kaalgeworden Kuifjes van het laatste avontuur,

    houd moed.

    Aan de dubbers en dobbelaars,
    aan de rijders op de tijger de tijger de tijd,

    een groet.’

    De moed dus om het raadsel van het leven tegemoet te treden. De laatste woorden van de bundel zijn ‘heb de moed’. Het klinkt zelfgenoegzaam, maar, schrijft hij ergens, we zijn ‘aanmodderaars onder elkaar’. De dichter heeft juist een afkeer van al die ‘ikken’, ‘mijn verhaal is niet uniek’. Hij deelt een inzicht. Dat kan hij omdat hij dichter is. Veel gedichten gaan over het dichten zelf, wat overigens een moeilijk proces is:

    ‘En als het niet te zeggen is en dat is het niet, bekwaam je dan,
    in stamelen in stamelen, hartenvanger van Hamelen.

    En als het niet te vatten is en dat is het niet,
    raadsel wil je dan mijn vriendje zijn.’

    Het zijn open en vrije gedichten, zonder vaste vorm. Ze zijn zeer verstaanbaar, heel realistisch en ook lyrisch. De regels hebben een mooi ritme en de dichter maakt veelvuldig gebruik van alliteraties en klinkerrijm. Dat levert fraaie regels op als: ‘vliegebeestjes veel en vlug vonkten in de lucht’, ‘er zijn snoevers en droeven in kroegen meer dan genoeg’.

    Er staan prachtige natuurbeschrijvingen in. Je krijgt zin om net als de dichter wandelend de natuur in te trekken om je over de schoonheid ervan te verwonderen. Vooral de korte gedichten in de afdeling ‘Passages’ zijn vaak zeer mooi:

    ‘Een cumulusdag door de zomer gedwaald, naar nergens
    op weg, naar niets getaald, onder het doorschenen groen
    van een laaghangende bladerentak aan een met de zon
    kaatseballend water gevraagd steek me aan
    leeuwenlicht, goudvonkenpolka, hemelvuurkoorts.’

    Het is poëzie waarin echo’s doorklinken van dichters als Kloos, Marsman en Campert, maar die vooral heel erg Frans Kuipers is. Alles waait is een ode aan het leven. Want ‘de wereld is zorgwekkend klote [maar] de wereld is betoverend mooi’, omdat alles waait.

     

  • Geboren boekenwurm

    Geboren boekenwurm

    Vreselijke term: boekenwurm. Alsof het om iemand gaat die niet helemaal serieus genomen hoeft te worden. Om van de connotatie van een kruipende diersoort nog maar te zwijgen. Toch wordt het woord vaak gebruikt om het lezen aan te prijzen. Zelfs als het om volwassenen gaat. Dat is dus ook nog eens heel kinderachtig.
    Wilma van Meteren (Trouw, 31 augustus) wil ze zelfs kweken in een zoveelste pleidooi om de jeugd aan het lezen te krijgen. Want slechts een kwart van de Nederlandse basisscholieren vindt lezen ‘erg leuk’, schrijft ze bezorgd. ‘Bij middelbare scholieren neemt het dramatische vormen aan.’

    Het is een bekend verschijnsel, want decennia oud. W.F. Hermans zegt in een interview uit 1969 (Scheppend nihilisme, Amsterdam, 1979) dat van de driehonderd leerlingen op zijn gymnasium er maar twee interesse hadden in literatuur, waarvan hij er een was. De rest las nooit. Hij zegt er trouwens bij dat er ‘tegenwoordig’ wel door meer jongeren wordt gelezen.
    Toch blijft dit een minderheid. Ik weet dit van mijn eigen middelbareschooltijd (begin jaren ’80), waar ik ook tot een kleine minderheid literatuurliefhebbers behoorde. En in de twintig jaar dat ik docent Nederlands aan middelbare scholen was, zag ik hetzelfde beeld. Per klas had je hooguit vijf geïnteresseerde leerlingen. Gelooft u mij dat ik al die jaren mijn stinkende best heb gedaan om de schone letteren te propageren. De vraag is of deze beperkte belangstelling erg is. Zelf had ik bijvoorbeeld de pest aan wiskunde en niemand had me zover kunnen krijgen dit vak ‘erg leuk’ te vinden.

    Ik voelde dus dezelfde ‘emotionele weerstand’ als de leerlingen waar Van Meteren over schrijft. Er moet volgens haar meer gelezen worden omdat ‘lezen en taalvaardigheid onontbeerlijk zijn om verder te komen in de samenleving’. Literatuur dient dus voornamelijk een educatief en ‘nuttig’ doel.
    Zelf las ik om een heel andere reden: ik had fantasie, hield van verhalen. Het boek was een vlucht uit de werkelijkheid. Later herkende ik me in hoofdpersonages die met dezelfde problemen worstelden als ik. Lezers hebben verbeeldingskracht en een bepaalde intellectuele belangstelling. En ze hebben een natuurlijk concentratievermogen. De lezer is, met andere woorden, een bepaald type, net als ‘de wiskundenerd’. Dit soort kinderen zit niet te wachten op  ‘voorleesmaatjesprojecten’ of dergelijke flauwekul. De literaire auteur moet niet gedegradeerd worden tot leesbevorderaar. Literatuuronderwijs is vanwege de culturele waarde van het grootste belang. Al was het maar voor die vijf belangstellende leerlingen.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers uit het verleden.

     

  • Samengaan van engagement en persoonlijke ervaringen

    Samengaan van engagement en persoonlijke ervaringen

    Ik ga het donker maken in de bossen van is de dertiende bundel van Tsead Bruinja maar de eerste die verschijnt bij uitgeverij Querido en tevens zijn eerste bundel sinds hij verkozen is tot Dichter des Vaderlands begin dit jaar. Gedichten die hij in deze hoedanigheid schreef zijn tevens in deze bundel opgenomen. Merkwaardig genoeg zijn de bladzijden niet genummerd en ontbreekt er een inhoudsopgave. Er is ook geen verantwoording achter in de bundel opgenomen, zodat je niet kunt achterhalen welke gedichten Bruinja in opdracht schreef. De gedichten worden opzettelijk als gelijkwaardig gepresenteerd.

    Geëngageerde dichter

    Bruinja profileert zich in deze bundel als een geëngageerd dichter. Voor sommige dichters en critici is dit vloeken in de kerk. De verkiezing tot Dichter des Vaderlands lijkt deze kant van hem als dichter volledig te hebben losgemaakt. In het vijf pagina’s tellende openingsgedicht schetst hij een caleidoscopisch tijdsbeeld: aan de ene kant zijn we ‘rijker en veiliger dan ooit’, maar ‘wij mogen niet sterven want wij zijn klanten/er is behoefte aan ons’. Het gedicht is een duidelijk politiek statement: ‘ik ben een onderdeel van een belegging/een gezicht in een portefeuille’. Als wij doorgaan met alleen maar in geld denken ten koste van ‘drs. Illegaal’ en de natuur, dan gaat het mis: ‘wij bouwen aan een plafond/terwijl we aan een uitzicht zouden moeten werken’ staat er herhaaldelijk. ‘wij hebben het misschien gehaald/maar onze kinderen nog niet’.

    Zonder sentiment

    Behalve geëngageerd is de bundel ook heel persoonlijk. Algemene observaties worden vaak gekoppeld aan persoonlijke ervaringen, waardoor de gedichten menselijker en inleefbaar worden. Daarbij is alles geschikt als poëziestof. Zo gaat een gedicht over een scheiding plotseling over zijn eigen scheiding, waardoor het een grotere lading krijgt. De toon is opmerkelijk zakelijk, waardoor het gedicht een nog grotere impact heeft: ‘mijn vrouw en ik tekenden gisteren de akten van berusting/waarin staat dat onze echtscheiding is uitgesproken/en dat we afstand doen van alle rechtsmiddelen’. Bruinja is geen sentimenteel dichter. Soms uit het persoonlijke zich in anekdotes: ‘en ik pas me aan/aan hun smaak/zodat mensen er hebberig van raken/en mijn teksten willen/dat loopt vaak rampzalig af/zoals toen met mijn renault/omgekieperd vanaf zijn vaste standplaats/bij ons voor het huis/in de vaart.’ De achteloosheid waarmee hij zijn regels opschrijft maken zijn gedichten sterk.

    Ook met humor bereikt Bruinja een optimaal effect. Deze heeft vaak een absurdistische inslag: ‘ik legde een paar eieren voor de televisie/ en probeerde verschillende programma’s op ze uit/maar de eieren applaudisseerden niet’. Even later staat er: ’ik zette een koekenpan/dreigend naast het mandje met eieren/draaide de volumeknop open bij een nieuw recept van jamie oliver/[…]/maar nog steeds reageerden de eieren niet’. Totdat aan het eind van het gedicht de toon opeens ernstig wordt. Slechts een enkele keer slaat hij de plank mis, zoals met de melige verwijzing naar Mark Rutte in ‘mark my words’.

    Experimentele dichtvorm

    De vorm is volledig vrij: regels en strofen van verschillende lengtes, weinig interpunctie, geen hoofdletters en gebruik van spreektaal. Bruinja houdt van het experiment. Soms bestaat een gedicht geheel uit plaatsbepalingen, een andere keer staan er enkel zelfstandige naamwoorden. In het gedicht ‘herfstvizier’ worden de woorden met tabs gescheiden, vetter en groter afgedrukt en zelfs doorgestreept (terwijl je ze ondertussen wel leest). Zo valt er heel wat te beleven, maar zoals vaak met experimenten vraag je je soms ook af wat je ermee moet. Dat geldt ook voor de opgenomen stripgedichten. Heel geslaagd is weer de tekst ‘Wacht met Henk zeggen als He-Herman zich aan u voorstelt’ vol readymades, waarin vorm en inhoud door de herhaling samenvallen. Van wisselende kwaliteit zijn de Friese gedichten waarmee de bundel afsluit, waar de Nederlandse vertaling als ondertiteling aan is toegevoegd. De stijl is vrij kaal, af en toe is de toon lyrisch, zoals in onderstaand gedicht, een van de weinige korte gedichten:

    retourenvelop

    ‘alle banken in het park nat
    het huis de vijand
    bomen regenen na

    je kijkt naar de zwemmer in de stadsgracht
    naar haar armen in de golven en het asfalt
    begint te bewegen
    traag te stromen

    lava waar je in wilt duiken donkerte
    waar je niet uit terug hoeft te komen

    stapeltje rode regenjas
    zomerkleren sportschoenen
    koptelefoon.’

    De meest afwijkende gedichten vormen de cyclus waarnaar de bundel is vernoemd. In een interview vertelde Bruinja dat deze over de Schotse dichter Alexander Hutchison (1943-2015) gaan, met wie hij zich verwant voelt. Hij heeft ook een gedicht van hem met vertaling opgenomen. In ‘ik ga het donker maken in de bossen van’ wordt ‘de oude man’ als een bos voorgesteld. Het zijn gedichten vol mystieke verwijzingen: ‘als deze wereld onderdeel is van iets wat één is/dan is dat één een één waaraan iets mist’, maar ‘niets ontsnapt uit iets wat één is’ wordt als een mantra in de volgende gedichten herhaald.

    Ik ga het donker maken in de bossen van is een bundel met sterke gedichten, al zijn er ook gedichten die in vaagheid blijven steken door de talloze -onduidelijke- verwijzingen en het voortdurend wisselende perspectief. Meer context was dan prettig geweest, zeker voor de in opdracht geschreven gedichten, waarvan de actualiteit alweer uit het geheugen is verdwenen. Een andere keer is zo’n gedicht weer te concreet, te pamflettistisch. Het blijft een lastig genre, waar de dichter zich de komende twee jaar nog meer in kan bekwamen.

     

  • Handtekening

    Handtekening

    Het is leuk gesigneerde boeken te hebben. Hoewel, ergens vind ik het kinderachtig. Alsof de schrijver belangrijker is dan het boek. Alsof het een pop- of filmster betreft. Sommige schrijvers wekken overigens graag die indruk. Maar het maakt het boek wel persoonlijker. Dichter bij de schrijver kun je niet komen, tenzij je tot de literaire incrowd behoort. Zoals biograaf Wim Hazeu ooit schreef: de schrijver heeft het boek toch in zijn handen gehad. Het vastpakken van een gesigneerd boek als een verre handdruk. En een mens mag iets verzamelen. Het moet wel een bewonderde schrijver zijn, hoewel je daar gradaties in hebt. Er zijn weinig schrijvers voor wie ik in de rij ga staan. Op zich al iets waar ik een hekel aan heb. Het gedrang voor een balie of tafeltje.

    De interessantste schrijvers zijn op leeftijd en signeren niet of nauwelijks meer of zijn – de grootste groep – overleden. Veel gesigneerde boeken koop ik dus antiquarisch. Het is opvallend hoe weinig zo’n handtekening kost. Een gesigneerde Mulisch, Wolkers of Haasse tik je voor 25 euro op de kop. Natuurlijk bestaan er van deze schrijvers tienduizenden gesigneerde boeken, die in boekenkasten gekoesterd of vergeten worden. Belangrijk is dat het boek alleen gesigneerd en – liefst – gedateerd is. Zonder opdracht dus. Een opdracht aan een ander maakt het minder persoonlijk. Bovendien heb je het gevoel te raken aan andermans intimiteit. Op de laatste Deventer Boekenmarkt zag ik bij een antiquariaat tot mijn vreugde een hele kast gesigneerde boeken. Maar allemaal met een opdracht voor een verzamelaar die onlangs was overleden. De familie zag van de gesigneerde boeken blijkbaar de waarde niet in of vond dat zij er niets mee te maken had.

    Later scoorde ik op de Boekenmarkt een gesigneerde Het stenen bruidsbed. In een antiquariaat in de stad kwam ik nog een gesigneerde Brakman tegen, in de gelegenheidsdruk Oom Anton. Uniek ook omdat de kluizenaar uit Boekelo weinig signeerde. Brakman is een van mijn grote helden. Verder vond ik een gesigneerd boek van Maarten ’t Hart: De droomkoningin, gedateerd Zutphen, 9 september 1980. De volgende avond las ik in De IJssel stroomt feller dan de Amstel, de herinneringen van de Zutphense ex-boekverkoper Ad ten Bosch,  dat ’t Hart dat jaar de eerste schrijver was die ooit in zijn boekhandel signeerde. Alles viel even op zijn plaats en dat maakt dit exemplaar extra bijzonder.

     


    Mathijs van den Berg volgt de literaire ontwikkelingen op de voet, maar laat zich evengoed inspireren door schrijvers en dichters uit het verleden.