• De elzenkoning van Michel Tournier

    De elzenkoning van Michel Tournier

    De Franse schrijver Michel Tournier, die in 2016 op 91-jarige leeftijd overleed, schreef een klein, maar indrukwekkend oeuvre, waarvan De elzenkoning (1970) de bekendste titel is. Lang werd Tournier genoemd voor de Nobelprijs. Tegenwoordig zijn in Nederland zijn boeken alleen nog antiquarisch te verkrijgen. Tournier studeerde filosofie en begon pas op latere leeftijd te schrijven. Behalve de filosofie spelen ook wereldliteratuur, bijbelverhalen, legenden, sprookjes en mythen in zijn boeken een belangrijke rol. Zo is zijn debuut Vrijdag of Het andere eiland (1967), dat verscheen toen hij 42 was, gebaseerd op het verhaal van Robinson Crusoe. Tournier geeft aan al die verhalen een nieuwe draai, volgens hem dé manier om ze levend te houden.

    De forie

    In De elzenkoning worden diverse mythen en legenden op ingenieuze wijze met elkaar verbonden. Allereerst natuurlijk Goethes ballade Die Erlkönig, die door Schubert op muziek werd gezet. Hierin voert een vader zijn zoon mee op zijn paard. Het kind, waarschijnlijk doodziek, wordt gelokt door de elzenkoning. Zijn vader probeert het angstige kind gerust te stellen; bij aankomst blijkt het echter dood. Een ander belangrijk verhaal is de legende van Sint-Christoffel, die het Christuskind een rivier overdroeg en de legende van de vijftiende-eeuwse Portugese conquistador Alfonso d’Albuquerque, eveneens een kinddrager.

    De forie, het dragen, in het bijzonder van een kind, is het belangrijkste onderwerp van het boek. Er komen nog vele andere dragers langs, zoals postduiven (boodschappen) herten (geweien), paarden (ruiters), fietsen en auto’s (berijders). Aanvankelijk wilde Tournier het boek La Phorie noemen, maar dit vond zijn uitgever niet commercieel genoeg.

    Tekens en symbolen

    Tournier verweeft deze drie verhalen met het levensverhaal van hoofdpersoon Abel Tiffauges, een simpele garagehouder uit Parijs, die gaandeweg het boek mythische proporties krijgt. Tiffauges is net als zijn bijbelse naamgenoot een herder, een nomade. Zijn naam ziet hij als een teken. Tiffauges heeft namelijk het bijzondere vermogen tekens en symbolen te herkennen, die nieuwe, bevrijdende gebeurtenissen inluiden en hem de weg wijzen op zijn levenspad. Intussen stevent hij af op een onafwendbaar noodlot.

    Deze duistere tekens en symbolen beschrijft hij in zijn ‘sinister dagboek’. Bijvoorbeeld die uit zijn jeugd in het internaat Sint-Christophorus. Gepest door zijn leeftijdsgenoten vindt hij onverwacht steun bij de zoon van de conciërge, niet toevallig Nestor geheten, die zijn leven richting geeft. Nestor is zowel fysiek als geestelijk een reus die hem als het ware draagt. Als hij omkomt bij een brand voelt Tiffauges dat Nestor in hem voortleeft. Hij verandert van een schriel ventje in een reus van een kerel: van gedraagde wordt hij drager. Dit soort omkeringen of inversies spelen een belangrijke rol in het boek. Hierdoor komt de werkelijkheid, die volgens Tournier niet eenduidig is, in een ander licht te staan, niet zelden kwaadaardig: de drager wordt gedood door wie of wat hij draagt. Denk aan Christus die het kruis moest dragen waaraan hij stierf. Tournier schept door al die in elkaar grijpende verhalen en inversies een magische wereld.

    Realisme

    De romanwerkelijkheid overtuigt onder andere door de vele details. Tournier hechtte sterk aan feiten en deed voor elke roman uitgebreid (veld)onderzoek, net als negentiende-eeuwse naturalistische schrijvers als Zola die zijn grote voorbeelden zijn. De paradox is dat de zeer realistische beschrijvingen zorgen voor een surrealistisch resultaat. We lezen uiterst precieze verhandelingen over bijvoorbeeld verschillende soorten hertengeweien, nazirangen en uitverkoren rassen. De elzenkoning staat vol onvergetelijke, soms gruwelijke scènes. Daarbij staan verheven (zoals heraldiek) naast laag-bij-de-grondse onderwerpen (bijvoorbeeld coprologie: het lezen van uitwerpselen). En dat alles in een glasheldere stijl, voortreffelijk vertaald door Jenny Tuin.


    Kinderen

    Als ‘drager’ zijn kinderen voor Tiffauges het allerbelangrijkst in zijn leven. Ze zijn behalve de belichaming van de onschuld het toppunt van schoonheid en intelligentie. Ze kunnen zich echter ook tegen hem keren. Een minderjarig meisje beschuldigt hem ten onrechte van verkrachting en voor Tiffauges dreigt een lange gevangenisstraf. Maar dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit en zijn gevangenisstraf wordt omgezet in een dienstplicht: in de frontlinie zou hij ongetwijfeld snel omkomen. Tiffauges wordt echter krijgsgevangene gemaakt en maakt zich vervolgens nuttig, om te beginnen als chauffeur en monteur.

    Daarna volgt een opmerkelijke opmars binnen het Duitse leger. Helemaal opgaand in zijn eigen bezielde verhaal gaat Tiffauges volledig voorbij aan moraal en vijanddenken. Het levert fascinerende Indiana Jones-achtige avonturen op, tegen de achtergrond van het jachtslot van nazi-kopstuk Hermann Göring en een zogenaamde ‘Napola’, een militair SS-opleidingsinstituut voor jongens, in het voormalige Oost-Pruisen (nu Polen). Tiffauges begint en eindigt dus in een internaat. Nu ronselt hij echter jongens, op zijn beurt gedragen door zijn paard Blauwbaard, de naam van een kindermoordenaar: al deze jongens worden opgeleid tot kanonnenvoer.

    Zo goochelt Tournier voortdurend met begrippen, verwijzingen en symbolen. Het knappe is dat dit nergens gekunsteld of afstandelijk overkomt: De elzenkoning is een gloedvolle, organische roman en Tournier natuurlijk een geweldige schrijver. Dit absolute meesterwerk zou – net als al zijn andere, even magische boeken, zoals De meteoren en De gouden druppel – opnieuw moeten worden uitgegeven.

     

    Bronnen:
    De elzenkoning, Michel Tournier. Meulenhoff, Amsterdam, 2010 (tiende druk). Vertaling: Jenny Tuin.
    – Een vlaag van bezieling, een autobiografie, Michel Tournier. Meulenhoff, Amsterdam, 1994. Vertaling: Jeanne Holierhoek.
    – Het verontrustende proza van Michel Tournier en In gesprek met een ‘geslaagd monster’, Rudi Wester. Literair Moment.  Meulenhoff, Amsterdam, 1987.

     

     

  • De magische wereld van Julien Gracq

    De magische wereld van Julien Gracq

    De Franse schrijver Julien Gracq (pseudoniem van Louis Poirier, 1910 – 2007) was een schrijver in de marge van de literatuur. Met opzet, want hij verafschuwde de uiterlijkheden van het literaire bedrijf: de coterieën, zoals die rond zijn tijdgenoot Sartre, de bals, de prijzen. Hij weigerde de Prix Goncourt, de belangrijkste Franse literaire prijs, voor zijn roman De kust van de Syrten (1951). Gracq wordt vaak bij het surrealisme ingedeeld – de surrealist André Breton was zijn enige literaire vriend. Breder kun je hem zien in de fantastische traditie, van Keltische legenden tot aan Edgar Allan Poe.

    Ongewis avontuur

    Gracqs boeken ademen de geest van het buitenstaanderschap. Vanaf de eerste bladzijden word je in lange, beeldende zinnen in een verveemdend literair landschap geworpen. Bij Gracq geen opbouw ‘volgens het boekje’ met keurige vooruitwijzingen, een helder plot en psychologische duiding, zoals de tegenwoordige lezer gewend is. Gracqs proza is een ongewis avontuur waaraan je je moet overgeven. Je belandt in een abstracte en tijdloze wereld. Gracq is niet geïnteresseerd in het vertellen van een verhaal, maar in het schetsen van sfeer, van gemoedstoestanden. Het verhaal moet je zelf invullen.

    Verval

    Hoewel de beschreven wereld aan de fantasie is ontsproten zijn er wel degelijk referenties aan de kenbare werkelijkheid. De Syrten waren in de klassieke oudheid twee inhammen van de Noord-Afrikaanse kust. Bij de stad Orsenna, waar hoofdpersoon Aldo van De kust van de Syrten vandaan komt, denk je onmiddellijk aan Venetië: een oude stad met statige paleizen waar de Sinjorie de dienst uitmaakt. De eigennamen zijn Italiaans. De stad is op het hoogtepunt van haar roem, rijk en decadent. Verval dreigt. Aldo, die zijn bestaan in Orsenna hol en leeg vindt, geeft bij de machthebbers aan dat hij naar de provincie wil en wordt aangesteld als Waarnemer aan de verre Syrtenkust, die de landsgrens vormt.

    De Admiraliteit waar hij terechtkomt is gevestigd in een oud, vervallen fort. Het gebouw wordt omgeven door een woestijnachtig landschap waar het snikheet is. Kapitein Marino zwaait er de scepter, net als alle andere Gracq-personages een raadselachtige figuur. Aldo weet niet hoe hij zich tot hem moet verhouden. Zijn houding varieert van afkeer tot bewondering. Er is een duidelijk verschil tussen de twee. Marino vertegenwoordigt de status quo: hij is wars van verandering. Aldo, jongeman en nieuwkomer, is daarentegen nieuwsgierig. Hij houdt ontdekkingstochten in het fort dat een doolhof is van vertrekken en kazematten. Vooral de kaartenkamer met oude zeekaarten trekt hem aan.

    Dreiging

    Met de ik-figuur verkeert ook de lezer in voortdurende onzekerheid. Net als Aldo voel je iets broeien: verandering hangt in de lucht, het einde van een tijdperk nadert. Maar wat deze verandering is of waardoor ze wordt veroorzaakt blijft duister. Alleen dat die iets te maken zal hebben met Farghestan. Er zijn minieme signalen dat de driehonderd jaar oude oorlog met dit buurland oplaait. Aldo ontwaart op zee een illegaal schip dat hij later bij een door de natuur overwoekerde ruïnestad terugvindt. De manschappen van de Admiraliteit zijn niet meer welkom op het landgoed Ortello, waar ze bij gebrek aan militaire urgentie werken. Onheilsprofeten duiken op.

    Vanaf een klein verlaten eiland ziet Aldo de vulkaan Tängri, die aan de overkant van de zee het vasteland van Farghestan markeert. Hij is naar dit Vezzano meegenomen door zijn jeugdliefde, de bekoorlijke, avontuurlijke en grillige Vanessa, afkomstig uit een beroemd adellijk geslacht, die net als hij de hoofdstad is ontvlucht. Aldo besluit de kust van Farghestan te gaan verkennen. Wat volgt is een doldriest, subliem beschreven zeeavontuur.

    Beeldend

    Gracq heeft een schitterende, suggestieve stijl. Zijn beschrijvingen zijn uiterst gelaagd en bezitten een enorme diepgang. Personages, steden en landschappen doemen messcherp voor je geestesoog op en zijn tegelijkertijd vol mysterie. Dit staat er bijvoorbeeld als de vulkaan opeens voor de bemanning oprijst: ‘Vóór ons hing, boven de zee, gelijk een verlichte vrachtboot die zijn achterschip voor het zinkt recht omhoog steekt, een als een deksel omhooggetild brok planeet, een verticale voorstad; doorzeefd, in verdiepingen verdeeld, en bespikkeld met zulke brandende braambossen en lichtende kroonkandelaars dat het de uitstraling en de vastheid van sterren benaderde.’

    Debuutroman

    Gracqs debuut Het kasteel Argol (1938) zette meteen de toon. Deze roman ademt de sfeer van oude sagen en legenden. Hoofdpersoon Albert, laatste telg van een adellijke familie en liefhebber van filosofie, koopt een verlaten gothisch kasteel met de bijbehorende bossen, landerijen en gebouwen. Een typisch Gracq-decor. Later voegen zijn dierbaarste vriend, Herminien, die hij bewondert om zijn kennis en kracht, en Heide, een betoverend mooi meisje, zich bij hem, beiden personages van mythologische proporties. Deze driehoeksrelatie zorgt voor spanning en inktzwarte ontwikkelingen.

    Gracq is een echte oeuvreschrijver. Steeds draait het bij hem om thema’s als isolatie, vervreemding, noodlot en avontuur. Een ‘ouderwetse’ schrijver misschien, maar je zou ook kunnen zeggen een tijdloze. Gezien de grote kwaliteit van zijn werk moet dit vertaald en herdrukt blijven worden.

     

     

  • Hoop op hernieuwde aandacht voor: Wolf Solent

    Hoop op hernieuwde aandacht voor: Wolf Solent

     

    Mathijs van den Berg hoopt op hernieuwde aandacht voor het magnum opus Wolf Solent van John Cowper Powys.

    Grootse roman over onmogelijke keuzes

    Wolf Solent uit 1929 is de meest succesvolle roman van de Britse schrijver, dichter en filosoof John Cowper Powys. In 1984 verscheen er voor het laatst een Nederlandse vertaling van bij De Arbeiderspers. Zoals zo vaak bij de grote ontdekkingstocht die lezen is ontdekte ik zijn naam bij toeval. Omdat Hugo Claus ergens in een interview Cowper Powys als een inspiratiebron noemde, ging ik naar zijn romans op zoek, waarna ik Wolf Solent, een gebonden boek van 741 pagina’s, via internet voor het luttele bedrag van vijf euro bij een antiquair op de kop tikte.

    Cowper Powys schreef het boek, dat zich in Engeland afspeelt, in de Verenigde Staten waar hij lange tijd woonde. Gezien de enorme precisie waarmee hij het platteland van Dorset oproept is dit een ongelooflijke prestatie. In een nawoord uit 1960, drie jaar voor zijn dood, noemt Cowper Powys Wolf Solent ‘een boek van Heimwee, geschreven in een vreemd land met de pen van een reiziger en het inkt-bloed van zijn vaderland.’ De roman is door en door Engels en behandelt universele thema’s.

    Een nieuw bestaan

    Wolf Solent is de naam van de hoofdpersoon, een vijfendertigjarige docent die tot voor kort geschiedenis gaf aan een kleine onderwijsinstelling in het centrum van Londen, waar hij woonde bij zijn moeder. Hij blijkt ontslagen na het spuien van ‘een stortvloed van woeste, smerige scheldwoorden tegen elk aspect van de moderne beschaving’. In het eerste hoofdstuk is hij met de trein op weg naar het platteland van Dorsetshire, dat hij vijfentwintig jaar eerder met zijn moeder verliet na allerlei schokkende ontwikkelingen rond zijn vader. Zijn relatie tot zijn dominante moeder en zijn losbandige, lang overleden vader – eveneens een geschiedenisleraar – speelt een belangrijke rol in het boek.

    In Dorsetshire heeft Solent dankzij bemiddeling van een invloedrijke neef van zijn moeder een betrekking gekregen bij de landheer van het dorp King’s Barton, Lord Urquhart, wiens literair assistent hij zal worden. De hoofdpersoon verkeert ondanks zijn existentiële gekweldheid in een opgewonden stemming nu hij naar zijn geboortegrond terugkeert, benieuwd naar wie hij allemaal zal ontmoeten en de aard van zijn werkzaamheden.

    Persoonlijke mythologie

    Op de eerste bladzijden wordt meteen gewag gemaakt van Solents bijzondere levenshouding. Van jongs af aan bezit hij namelijk de gewoonte ‘in zijn ziel te verzinken’ om de diepere werkelijkheid om hem heen te ervaren. Hij is alleen uit op bepaalde sensaties en heeft geen wereldse aspiraties. Zijn mythologie, zoals hij zijn levenshouding noemt, vormt de zin van zijn bestaan. ‘Zijn diepste persoonlijke trots – dat wat zijn overheersende levensillusie zou kunnen worden genoemd – [hangt] er volkomen van af.’

    Een idee dat met deze mythologie samenhangt is het gevoel deelnemer te zijn aan een kosmische strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. Hij is diep getroffen door de wanhoop op het gezicht van een zwerver op Waterloo Station, dat hem blijft achtervolgen. Aan de andere kant door het eeuwige beeld van een grazende koe, dat een onschendbare rust uitstraalt. Solent put zijn kracht uit ‘het hart van de Natuur zelf’, die een tegenstelling vormt met ‘de monsterlijke Verschijning van de Moderne Technologie’. Vanuit zijn moralisme valt zijn nieuwe werk hem niet mee: het schrijven van een chronique scandaleuse van Dorset, een verslag van alle obsceniteiten die daar ooit zijn voorgevallen.

    Existentiële twijfel

    Alles wat Solent in de lijvige roman denkt en doet staat in het teken van zijn mythologie. Dat levert prachtige natuurimpressies op waarin de natuur in al haar verscheidenheid en zintuiglijkheid wordt beschreven en die een spiegel vormt van zijn ziel: ‘Hij had het gevoel of hij op dat uur van een of ander primitief levensgevoel genoot, dat niet verschilde van wat deze beknotte iepen voelden, terwijl de windvlagen tegen hun geribde stammen waaiden, of wat deze glimmende stinkende gouwe-bladeren voelden, waarvan de wereld beperkt was tot boomwortels en varenbladeren en vochtige, donkere modder.’ Maar Solent komt hierdoor ook regelmatig in botsing met de werkelijkheid en valt dan aan vertwijfeling ten prooi. ‘‘’Ben ik op de een of andere ontstellend ongeneeslijke manier soms onmenselijk?” dacht hij. “Is de genegenheid die ik voor menselijke wezens voel minder belangrijk voor me dan de schaduwen van bladeren en het stromen van water?”‘

    Maar dat laatste blijkt onwaar. Zijn verwarring is het grootst waar het de liefde betreft. Solent ontmoet twee jonge meisjes die hem beiden bekoren en klassieke tegenpolen zijn. Gerda, de eenvoudige dochter van een steenhouwer, is van een schoonheid ‘zo onthutsend dat ze alle normale menselijke betrekkingen in een oogwenk te niet leek te doen.’ Christie, de kleine, tengere, droomachtige dochter van een boekhandelaar is een geestverwant. Met de één heeft hij geweldige seks, met de ander kan hij goed praten. Hij trouwt met Gerda, maar Christie blijft hem bekoren. Overspel zou echter een overgave aan ‘het kwaad’ betekenen en een breuk met zijn mythologie.

    Kleurrijke personages

    De roman bevat een waaier aan excentrieke personages die stuk voor stuk gaan leven. Zoals Selena Gault, een lelijke oude vrijster en voormalige minnares van zijn vader, die de enige man die haar als vrouw zag door dik en dun verdedigt. Of de vriendelijke gentleman Darnley Otter, tevens collega op de school waar Wolf op een gegeven moment – tot zijn enorme verveling – gaat lesgeven. Diens wereldvreemde, cynische broer Jason schrijft duistere gedichten. De dorpspredikant ‘Malle Valley’ stinkt altijd naar gin. De obscene landheer en zijn ongrijpbare, boomlange knecht vormen een opmerkelijke combinatie. Om er maar een paar te noemen. Het is alsof je op de set van Midsomer Murders rondloopt. En overal zijn er schandalen, of in ieder geval geruchten.

    Dan zijn er nog de doden. Solents voorganger Redfern is plotseling gestorven. Zal dit lot Wolf als zijn opvolger ook treffen? De roman staat bol van de suggestie, in de beste Britse Gothic traditie, van grafroof tot zelfmoord in het donkere, stille water van Lenty Pond. De belangrijkste dode is Solents vader, ‘de ouwe Reus’, die op het kerkhof begraven ligt en tot wiens ‘zelfvoldane, grijnzende’ schedel Solent zich regelmatig richt. Met deze schuinsmarcheerder moet hij in het reine zien te komen, net als met zijn eigengereide moeder die hem naar Dorset is gevolgd. Na veertien maanden getob komt Solent tot belangrijke inzichten.

    Prachtige volzinnen

    Cowper Powys heeft een machtige stijl, die voortreffelijk vertaald is door Jacob Groot. Het boek staat vol zinnen die je – zoals bij alle grote literatuur – wilt aanstrepen of hardop voorlezen: ‘Een dergelijke ongewone schoonheid was een bijzondere gave, zoiets als het genie van een dichter, en zou het vermogen moeten hebben een meisjeshart tegen de wrede schijnbewegingen van de liefde te beschermen.’ ‘Vervolgens drongen de blauwe lobelia’s en de halmen van donkergroen gras die zijwaarts tegen de rand van bruine teelaarde leunden, alsof een faun ze met zijn vederlichte voet had vertrapt, zijn bewustzijn binnen met de heldere openbaring dat de natuur in zeker opzicht zoveel zuiverder was dan alle menselijke bedenksels […].’ ’Naast de stalknechten die hen [de paarden] leidden zagen de beesten er zo machtig en smalend uit dat Wolf, bij het naderen van deze processie, het hele menselijke ras heel even in een vernederend en smadelijk licht zag, en het zich voorstelde als een slag duivelsknappe apen die een lage, listige streek hadden aangewend om veel edeler dieren dan zijzelf tot slaven te onderwerpen, zonder dat die daar verder iets slaafs door kregen.’

    Wolf Solent is een roman over liefde en dood en over de onmogelijke keuze tussen goed en kwaad, lichaam en ziel. Een lucide boek met een enorme intellectuele diepgang en van een grote poëtische kracht. Cowper Powys is in verband gebracht met schrijvers als Thomas Hardy en Dostojevski en werd in Nederland bewonderd door onder meer Louis Lehmann, Simon Vestdijk en Willem Brakman. Wolf Solent is een magistrale roman die absoluut beschikbaar moet blijven voor de literaire lezer.

     


    Dit is een bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op heruitgave/hertaling/hernieuwde aandacht. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

     

  • Over de pijnlijke kanten van de liefde

    Over de pijnlijke kanten van de liefde

    Er is over geen onderwerp vaker geschreven dan de liefde. Je moet als schrijver of dichter van goeden huize komen om aan al het geschrevene wat toe te voegen. Liefde is het hoofdthema van de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreira. Ze publiceerde tot nu toe drie dichtbundels en een dichtbundel met eerder afzonderlijk verschenen gedichten. Vertaler Harrie Lemmens maakte hier voor deze bloemlezing een keuze uit die in 2020 verscheen onder de titel Scherven. Het betreft een tweetalige editie, die smaakvol is vormgegeven. Do Rosário Pedreira (1959) studeerde letteren, gaf een paar jaar les op een middelbare school en werkt op de afdeling fictie van één van de grootste boekenconcerns van Portugal, Leya. Ze schrijft haar hele leven al gedichten, maar publiceerde vrij laat. Lemmens schrijft in zijn nawoord dat ze door haar collega-uitgevers werd overgehaald om gedichten in te zenden voor een prijsvraag, die ze won. De eerste prijs was een uitgave in boekvorm. Het kenmerkt haar bescheidenheid die je terugziet in het ingetogen karakter van de gedichten. 

    Narratief karakter

    In de vijfendertig opgenomen gedichten komen verschillende facetten van de liefde aan bod en dan vooral de pijnlijke kanten ervan: de hunkering naar de ander, de verlatingsangst en het gemis. De gedichten hebben een narratief karakter. Hoewel ze zijn ingedeeld in strofes lopen de zinnen vaak door op de volgende regel. Het is makkelijk verstaanbare poëzie met een grote ritmische kwaliteit.  Do Rosário Pedreira is duidelijk gepokt en gemazeld in de literatuur. Menig overbekend romantisch thema komt voorbij, maar tegelijkertijd weet de dichteres goedkoop sentiment te vermijden. Dat doet ze door het hanteren van een heel persoonlijke, aardse stijl. Naast de verheven en subtiele gevoelens zet ze de nuchtere feiten van de alledaagse werkelijkheid:

    ‘De wind zegt dat het hoogtij vannacht niet slaapt.
     Ik wacht bang op je terugkeer: de golven hebben
     het kleinste strand al opgeslokt en algen gemorst
     in de bloempotten op het balkon. En naar het heet
     herbergden de pleinen in de stad vanmiddag tientallen
     meeuwen die pikkend achter de duiven aan zaten.’

    Verder zijn de Portugese saudade en fado sterk aanwezig – Do Rosário Pedreira schrijft ook liedteksten voor onder andere fadozangeres Ana Moura. De regels ademen gevoelens van heimwee en verlangen; het noodlot (fatum) ligt altijd op de loer:

    ‘Het was de slaapkamer van geen van ons,
     maar we keerden er telkens naar terug met de haast
     van wie hunkert naar de oude warme geuren van het
     bekende huis; van wie hoopt dat iemand op hem wacht.

     ik vermoedde echter dat ik het niet was op wie je wachtte:
     en ik vroeg je om een extra deken in plaats van om je arm.’

    Deze regels weerspiegelen zowel het verlangen naar de geborgenheid van de liefde – gesymboliseerd door ‘oude warme geuren’ en ‘het bekende huis’ – als het verraad dat op de loer ligt. Deze tegenstelling komt meerdere malen terug. 

    Persoonlijke en eeuwige

    Behalve in besloten huizen en kamers – decors van geluk en eenzaamheid – spelen haar gedichten zich ook vaak in de natuur af: op het strand, aan zee. Het persoonlijke en het eeuwige vallen dan mooi samen:

    ‘We hielden allebei van de kliffen, de uitgesneden rotsen,
     het grillige verloop van het voorgebergte; alle plekken die
     net als eilanden afgesleten worden door de wind en de zee.

     Er hing die nacht geen mist. Er was alleen het doffe licht
     van een vuurtoren dat de sterren tergend doofde. Je zei
     bijna niets om geen overdonderende innerlijke stilte
     te schenden. En je streelde voor het eerst mijn borsten
     alsof je daar voor altijd bang voor zou zijn.

     Je verliet het strand zodra de eerste visser kwam:
     de eerste lantaarn,
     het eerste net.’

    Do Rosário Pedreira weet de teerheid en kwetsbaarheid van de liefde heel precies te beschrijven. De tijd die erdoor verdwijnt of ondraaglijk lang wordt. Het geluk kan zo weer voorbij zijn. Door de orginaliteit en authenticiteit komen de gedichten fris en nieuw over. Het zijn de trefzekere beschrijvingen van gevoelens en de precieze keuze van haar beelden, die de gedichten schoonheid verlenen. 

    ‘Nu is het lichaam meer een boot die losraakt.
     Eerst varen de ogen en de angsten erin weg.
     Pas daarna geeft het vlees van de vingers, op
     drift, de golven van die zee hun smaak.’

    Spiegels en scherven

    De zomer speelt in de zinnelijke gedichten een belangrijke rol. Het jaargetij waarin de zintuigen het meest bediend worden. Ze roepen de typisch mediterrane sfeer op van lome warmte en genot. De volgende regels zullen voor lezers heel herkenbaar zijn: 

    ‘De zomer maakt mijn ogen trager boven de boeken.
     De middagen herhalen zich op het terras, waar de woorden
     kleine geheugenplekken zijn. Ik ben gescheiden van de
     anderen door de tijd tussen deze regels – ver van huis
     heb ik dromen die ik niemand vertel […]’

    Het is niet vreemd dat boeken in de gedichten van deze beroepslezeres en uitgeefster een belangrijke rol spelen. Ook andere elementen komen meerdere malen in de gedichten terug en geven eenheid aan haar poëzie: spiegels die de pijn weerkaatsen, aan scherven vallen (zie de titel van deze verzamelbundel), schaduwen, wonden, kamers, kleding, boten. De herinnering, die de liefde vaak is geworden, is een belangrijk motief. Ook de dood komt in enkele gedichten aan bod: geen gemis pijnlijker dan door de dood. De taal is daar kaler dan ooit: ‘Ik voel/de pijn op de herinnering aan/jouw lichaam in het bed liggen dat/open is gebleven als een wond. En/zonder reden herhaal ik voortdurend/met mijn vermoeide lippen die naam/die ik nog altijd bij haast alles mis.’

    Het blijft moeilijk om liefdesgevoelens in gedichten te vangen, zegt Do Rosário Pedreira ergens: ‘Mijn liefde past niet in een gedicht – er zijn van die dingen / die zich niet overgeven aan de geometrie van deze wereld; / ze zijn als de delen van een geheel die niet bij elkaar passen / of slaapkamers die niet worden ingevuld door de gebaren.’ Toch slaagt zij er hier glansrijk in. De herkenbare thematiek en de persoonlijke toon maken haar poëzie sympathiek. Vertaler Harrie Lemmens heeft haar precieze taal even trefzeker in het Nederlands omgezet.

     

     

  • Liefde voor het raadsel

    Liefde voor het raadsel

    De sprong van de vis is de zesde dichtbundel van Juliën Holtrigter (pseudoniem van de dichter en schilder Henk van Loenen). Holtrigter zou je een wat a-modieuze dichter kunnen noemen: eenvoudig, verstaanbaar, romantisch en klankrijk. Achter de eenvoudige regels gaan echter complexe en dramatische werelden schuil. De sprong van de vis bevat veertig relatief korte gedichten die gelijkelijk over vier afdelingen zijn verdeeld. Het openingsgedicht is meteen in alles typisch Holtrigter. Het kent een zorgvuldige opbouw.

    Eerst wordt een bijzondere sfeer geschetst: ‘Achter de duinen davert de snelweg, / de zee ademt rust. / Over het blauwe basalt kruipen nog / restjes spuug van de vloed.’ Holtrigter maakt de werkelijkheid niet mooier dan zij is: ‘Etalages, verlicht in de avond. / Schoenen, smartphones, bedden, juwelen.’ / Bij de poelier hangen gevilde hazen / schaamteloos voor het raam.’ De maan heeft  ‘aan haar vingers witgouden ringen, / in haar ogen witgouden leegte’. Waarna staat: ‘Haar sluiers moeten misschien wel / verhelen dat ze zich sneed.’ Het zijn vooraankonigingen van een drama, waarover we in de laatste regels lezen: ‘Er is iemand op weg, terug naar huis, / verslagen, ontwapend.’ Wat er is gebeurd wordt in het midden gelaten. 

    Aandachtig observeren

    Ook in de andere gedichten is Holtrigter een meester van de suggestie. Zijn manier van dichten doet denken aan de betere film, waarin een desolate omgeving en een plotselinge oogopslag boekdelen spreken. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Bladzij’, waarin de ‘ik’ in de trein tegenover een lezend meisje plaatsneemt. We kijken met hem mee. Hij probeert te raden wat er in haar omgaat: ‘Ze leest over duistere zaken, dat moet wel,/ zo donker glijden haar ogen over de regels./ Nochtans, haar hand streelt de bladzij,/zo lijkt het.’ In een ander gedicht bespeurt de ‘ik’ in een serveerster ‘een nog vers verdriet’. De slotregels luiden: ‘Ik loop met haar mee en leg veel te zacht/een hand op haar schouder.’ De personages zijn kwetsbare personen met wie de dichter meevoelt, waarbij de toon registrerend blijft. 

    Het ‘kijken’ is een constante in deze bundel. Holtrigter is een dichter die over zijn directe, alledaagse omgeving schrijft. De werkelijkheid valt op, zodra er iets gebeurt: ‘Werkelijkheid is dat wat werkt./Er spoelt wat aan, er kalft wat af.’ Werkelijkheid is met andere woorden beweging. Zoals in het titelgedicht ‘De sprong van de vis’: ’In het tanende licht van oktober, niets/is blijvend, landt een wolk op het water./Een vis springt, valt terug in zijn lijfgoed,/ verzilvert de stilte.’ Het gaat om dit soort magische momenten waarin de tijd zich samenbalt: ‘Met mijn langzaamste pen schrijf ik: tijd/is een zeer kleine ruimte.’ Bij alle beweging hangt boven de gedichten een bijna serene stilte, die erdoor wordt benadrukt.

    Het perspectief ligt bij de ‘ik’, maar op een onnadrukkelijke manier. Door de vaak herkenbare situaties – een bezoek aan de kust, aan een café, reizen  – is het makkelijk je met de ‘ik’ te identificeren, waardoor het gedicht ook jouw ervaring wordt. De ‘ik’ cijfert zich soms letterlijk weg, beschouwt zich als een figurant: ‘Ik, figurant, staar in het donker.’ In het gedicht ‘Regels’ is de ‘ik’ net zo belangrijk als de zee: ‘Ik strijk neer op het strand en de zee/doet dat ook, komt dichterbij, strekt zich uit.’ In ‘Uitzicht’ draait Holtrigter het perspectief zelfs helemaal om: ‘Ik kijk opnieuw naar de verte, hoe verder hoe vager,/besef hoe onscherp het beeld is/waarin de verte mij waarneemt, hoe ik al turend/vervaag.’ 

    Sterke beelden

    ‘De sprong van de vis’ is een bundel met veel sfeer. Met een paar streken schetst Holtrigter sterke beelden, zoals in het mooie, melancholieke gedicht ‘Nachtboot’:

    ‘De nachtboot legt aan.
     Doodstille haven.
     Het water weerspiegelt het spooklicht van schepen.

     Stijf ligt de vangst op de kade,
     vissen in ijs, de huid nog glanzend van leven,
     de verbijsterde blik in de ogen, de bekken wijd open.

     Een krab beweegt nog een schaar.
     Zie toch dat wenken, dat hopeloze.
     De ochtend breekt aan.

     De krant meldt gemeier dichtbij en rampen ver weg.
     Roof en rot doen hun werk overal
     maar niet hier:

     de dauwdruppels op het boeketje zijn erg hardnekkig.
     En ook het hout in de haard brandt niet op.
     Onsterfelijk zijn de plastic kozijnen.’

    Ook hier, bij alle stilte, een verhalend gedicht dat gedragen wordt door het slot. De opbouw is niet origineel, maar de beelden en woordkeuze zijn dat wel. 

    In de tweede afdeling ‘Verre verwanten’ figureren ook familieleden, bij wie de ‘ik’ blijkbaar vervreemding voelt. Ook zij worden bekeken. Er klinkt ironie in de gedichten door. Over zijn vaders jaloezie op de acteur die door zijn vrouw in een toneelstuk wordt gekust. De vader speelt op zijn beurt weer graag de rol van een boer: ‘die rol lag hem goed, Goden wat was dat/ karakter devoot!’ In ‘Impasse’ is de verre verwant de dichter zelf: ‘In zijn bovenkamer zit een ventje dat schrijft/om iets te begrijpen,/een zenuwlijder/die woorden vuilmaakt aan wat schoonheid.’ Het dichten is een worsteling: ‘In zijn bovenkamer armzalig zijn voelen, zijn denken: een afgestompte/antenne, een bot ontleedmes./Iemand of iets dicteert hem zinnen waarvan hij/geen jota denkt te begrijpen.’

    Van bovenaf bezien

    Vriend Chaim duikt op, die we kennen uit Holtrigters eerdere bundels. Chaim is iemand met een grote fantasie, een buitenbeentje: ‘Hij steekt veel werk in onnutte zaken en vaart daar wel bij.’ Later blijkt hij in een kliniek te zitten. Chaim spreekt zeer tot de verbeelding van de ‘ik’: ‘Ik houd van zijn leugens, ze zijn ook fantastisch’. Maar ook vindt hij Chaim inhoudsloos: ‘hij praat/ honderduit, maar hij zegt bijna niets. Zijn verveelde verbeelding valt in herhaling.’ Het is vooral Chaims houding die de ‘ik’ fascineert: het onbekommerd om zich heen kijken en fabuleren. Chaim belichaamt de verbeeldingskracht en is voor de ‘ik’ een soort muze. 

    De ‘ik’ bekijkt de wereld graag van boven, bijvoorbeeld door op het dak te klimmen. Door letterlijk boven de werkelijkheid uit te stijgen, ontstaat weer een ander perspectief. Holtrigter schrijft poëzie waaruit een enorme nieuwsgierigheid spreekt. En een grote hang naar mystiek, zoals heel duidelijk wordt in het gedicht ‘Lichtschip’ uit de laatste afdeling ‘Dakruiters’: 

    ‘maar boven alles bemin ik de leegte, het zenit,
     boven alles bemin ik het lichtschip,
     bemin ik de leegte,
     bemin ik het licht.’

     

     

  • Puzzelen aan een zondvloedverhaal

    Puzzelen aan een zondvloedverhaal

    De nieuwe bundel van Mischa Andriessen, Het Drogsyndicaat, kwam min of meer toevallig tot stand. Eigenlijk zou Andriessen een tekst schrijven voor een Belgische theaterproductie, wat door de pandemie niet doorging. Hij besloot vervolgens het onderwerp, het verhaal van de ark van Noach, te gebruiken voor een dichtbundel. De opzet herinnert aan een theatertekst. Voorin staat een lijstje met de ‘dramatis personae’, die de onderwerpen van verschillende gedichten vormen en een eigen stem krijgen. Ook de meeste andere titels als ‘Vloed’, ‘Broom’ of gewoon ‘Het Drogsyndicaat’ keren telkens terug.

    Het drogsyndicaat moet worden gelezen als een geheel en heeft een sterk episch karakter. Andriessen houdt ervan bestaande verhalen en bronnen in zijn gedichten te verwerken. In de verantwoording staat hier een lange opsomming van. Als lezer moet je daar maar net mee bekend zijn, zoals de roman De zondvloed van David Maine of De zondvloedmens van Bert Sliggers. Laat staan dat je de talloze citaten en verwijzingen naar dichters, schrijvers, filosofen en (rock)musici zult herkennen. Andriessen kan trouwens ook zelf in een enkel geval de inspiratiebron niet meer thuisbrengen en schrijft dat er onbewust vast meer invloeden in de bundel zijn geslopen. De vraag rijst in hoeverre deze kennis belangrijk is voor het begrip van de bundel. 

    De reusachtige vogel Ziz

    Dat geldt in ieder geval voor het verhaal van de ark van Noach en de zondvloed. Hiervan zullen lezers zonder religieuze achtergrond maar globaal op de hoogte zijn. Wie weet dat Naäma Noachs vrouw was en Sem, Cham en Jafet zijn zonen? En dat Sem getrouwd was met Ila? Dat Noach zijn middelste zoon Cham wegstuurde nadat deze hem naakt en dronken had aangetroffen? En kent iedereen het verhaal van de reusachtige vogel Ziz, een fabeldier uit de Joodse mythologie? Tijdens het lezen moet je steeds in de bronnen duiken. Pas daarna worden de gedichten begrijpelijk. Andriessen veronderstelt dus te veel als bekend. Hij denkt zelfs dat iedereen The Dream Syndicate kent, een alternatieve rockband uit de jaren tachtig waar de titel op is geënt, al hoef je dat niet per se te weten.

    Als je ‘drogsyndicaat’ in Google intikt, wordt je gevraagd of je misschien ‘drugssyndicaat’ bedoelt. De personages zou je inderdaad als gedrogeerd kunnen zien door Gods bijna onbevattelijke opdracht. ‘Drog’ verwijst ook naar ‘bedrog’ of ‘schijn’. Het is een van de terugkerende titels van de gedichten. De onmenselijke opdracht roept allerlei vragen op. Bijvoorbeeld: waarom worden juist Noach en zijn familie gered? Hoe kan de Almachtige zo wreed zijn al zijn onderdanen te laten verdrinken? Is een nieuw begin wel mogelijk of zal de tot decadentie neigende mens spoedig in zijn oude fouten vervallen en is het nieuwe begin maar schijn?

    Knappe inleving

    Andriessen heeft het verhaal van de zondvloed teruggebracht tot menselijke proporties. In de gedichten staan de onderlinge relaties centraal: vooral die tussen Noach en zijn vrouw Naäma, Noach en zijn middelste zoon Cham en tussen Noachs oudste zoon Sem en diens vrouw Ila, tussen wie ook niet alles koek en ei is en die een kind verwachten. Het is knap hoe Andriessen zich in hen heeft ingeleefd. Hij verplaatst zich zelfs in de ezel, ook een van de terugkerende ‘personages’. De bundel heeft ook luchtige kanten. De ezel blijkt echter een scherpzinnig observator: ‘Tellen is niet je sterkste kant, of denk je zelf van wel? Druk doende was je al de treeplank/binnen te halen toen je me ineens op de kade ontwaarde, ik, die – heel de tijd dat je bezig was – je al bekeken had, zag hoe je uitdrukking veranderde; gradueel je voldoening overging in angst.’

    We lezen wat er in de hoofden van de personages speelt. De opdracht trekt een zware wissel op de relatie tussen Noach en Naäma. Er is veel sprake van onzekerheid en angst en van onderling wantrouwen. Vooral Noachs beslissing Cham weg te sturen zorgt voor tweespalt in zijn huwelijk en grote vertwijfeling bij zowel Noach als Naäma:

    ‘Steeds zag ik de jongen weggaan de wereld weer niets
     Dan water zijn steeds zag ik zijn onbegrip hoorde ik
     Zijn bevreesde kreten en hoe jij in antwoord stil bleef
     Steeds hoorde ik mezen die buiten de jongen zochten
     Hun woonst verlieten telkens terugkeerden om te zien
     Of zij zich het lege nest misschien toch hadden ingebeeld.’

    De personages gaan voor ons leven: ze worden mensen van vlees en bloed. Daardoor kun je de verhalen makkelijk op jezelf betrekken, wat een belangrijk doel van de dichter lijkt. Hoe gaan wij tegenwoordig met mens, plant en dier om? Het antwoord op deze vraag wordt impliciet gelaten, zodat de toon – en dat is een pre – niet moralistisch wordt. Soms spelen de gedichten zich opeens af in het heden, als er gewag wordt gemaakt van een auto, een saxofoon of een sms, of zitten we voor de televisie:

     Het Drogsyndicaat

    ‘Het regent op de eerste dag het regent toevallig
     Op de tweede het regent de derde vierde vijfde dag
     Het regent nog als de maand ten einde is een nieuwe begint
     En als ook die eindigt en het nog altijd regent is het toeval
     Sla de regels van de kansberekening er maar op na
     Zegt de man die voor de camera zijn kraag opslaat
     Zijn doorweekte haar in iets van een model kneedt en verdergaat
     Het mag onwaarschijnlijk zijn maar daarmee is het nog niet onwaar
     In Monaco viel bij roulette de zwarte bal eens zesentwintig keer achter elkaar
     Op zwart hij lacht triomfantelijk als de wind hem in het gezicht zwiept
     Als de kijkers thuis niet druk met het dichtspijkeren van hun ramen zijn
     Die lach door ontelbare druppels op de lens vervormd zien tot een grijns
     Verkouden op hun vingers nog eens natellen hoelang de regen nou wel niet’

    Het karakter van dromen 

    De opzet van de bundel is nadrukkelijk niet chronologisch. Het eerste gedicht heet ‘Omega’, de laatste letter in het Griekse alfabet, het laatste gedicht ‘Alfa’, de eerste. Daartussen loopt alles door elkaar, waardoor je als lezer regelmatig de kluts kwijtraakt. Ook is het niet altijd duidelijk wie er met de persoonlijk voornaamwoorden worden bedoeld. Poëzie mag uiteraard de hersenen aan het werk zetten, maar je bent in deze bundel wel erg vaak aan het puzzelen. De gedachtespinsels hebben het karakter van dromen. Er wordt in de gedichten veel geslapen. Idyllen staan tegenover de rauwe werkelijkheid. Men vraagt zich af wat beter was, de tijd voor of na de zondvloed. Noach en Naäma keren in gedachten regelmatig terug naar het begin van hun leven, toen alles nog pais en vree was. Het volgende beeld staat in schel contrast met de zondvloed: ‘De houten kuip zou op het tuinpad staan / En onbeschaamd lieten zij hun kleren neer / Stapten na elkaar in het water warm en klam / Zagen ze de zachte golven die ze maakten / Wegebben tot nauwelijks nog een rimpeling’ 

    De bundel bevat vooral lange gedichten met verhalende regels vol omkeringen en ellipsen. Doordat interpunctie veelal ontbreekt en de regels doorlopen (terwijl de regel met een hoofdletter begint) moet je deze vaak herlezen, wat wel eens gaat irriteren. De beeldspraak is weinig spitsvondig, schaars en ondergeschikt aan het verhaal. De dichter schetst soms mooie beelden, met treffende details: 

    ‘Met een ruige dos haar slepende tred en eeuwig slaap
     In de wimpers kwam van buiten een jongen de stad in
     Liep regelrecht door naar de fontein en nam daar plaats
     Op de stenen rand stond hij met geheven handen stil
     Tot hij in het bekken dook water wild over de kanten spatte
     Telkens als hij sprong tot het plein rondom blank stond
     Hij bloedend op de bodem van de springbron lag nu zacht
     Tegen de toegestroomde menigte sprak en zo zal het zijn’

    Een boom voor elk kind

    Het vele gebruik van tautologieën en van archaïsche woorden, zoals ‘zwadder’, ‘fezelen’ en ‘wepel’ (‘het wepele laken’), dragen bij aan de oudtestamentische sfeer, hoewel je die woorden ook weer moet opzoeken. Door de vele herhaling wordt Het Drogsyndicaat op den duur wat langdradig: wanneer er voor de zoveelste keer gemijmerd wordt over Chams terugkeer, of Naäma weer eens bedenkt hoezeer het gedrag van haar man is veranderd. Ook moet je thema’s als huwelijksgeluk en vaderschap maar interessant vinden. In de verantwoording lezen we dat Andriessens eigen vaderschap een belangrijke motivatie was. Centraal in de bundel staat het beeld van Noach die een boom plant voor zijn zoon. In de verantwoording lezen we dat ook Andriessen hoopt een boom te planten voor zijn twee zonen, iets aan hen na te laten. 

    Het Drogsyndicaat is een interessant en gedurfd experiment, maar als dichtbundel minder  geslaagd. Andriessen toont weliswaar een groot inlevingsvermogen, maar houdt te weinig rekening met de lezer, die in dit op bijbelse leest geschoeide relatiedrama, alle draadjes aan elkaar moet knopen. Misschien kan de tekst alsnog, met enige omwerkingen, op de planken worden gebracht. Met de vuige rock van The Dream Syndicate als soundtrack. 

     

     

  • Grote thema’s op luchtige wijze verwoord

    Grote thema’s op luchtige wijze verwoord

    Rob Schouten is behalve literair criticus, columnist en schrijver ook zijn hele leven al dichter. Zijn nieuwste bundel Dit moet dus de werkelijkheid zijn, draagt de titel waaruit twijfel, bevreemding en ongeloof spreekt. In deze bundel staat de afstand centraal die de ‘ik’ ervaart tot de werkelijkheid. Op zich niet zo bijzonder, zou je zeggen. Belangrijk is evenwel het perspectief vanwaaruit deze gedichten zijn geschreven, namelijk van iemand op oudere leeftijd. Hoewel je het lyrische ik en de dichter volgens de boekjes dient te scheiden, zou dat in dit geval flauw zijn. In toegankelijke, ritmische regels betrekt Schouten de lezer bij alles wat hem zoal bezighoudt. 

    In de eerste van vijf afdelingen,‘Uit het leven’, gaat het om gevoelens van nietigheid en vergankelijkheid die de dichter in deze fase van zijn leven ervaart. Openingsgedicht ‘Innocent’ beschrijft het verlangen naar jeugdige onschuld. Hoe graag zou de dichter zich weer in deze toestand bevinden: ‘mij lijkt het grandioos, / het nieuws nietszeggend springliedje, / links rechts en van je brexit trump’. Het was tijd van de ‘extase van het ik’. ‘Nu heb ik gevoel voor proporties’, schrijft hij in de laatste strofe. Maar wat heeft hij daaraan? ‘Geen idee waarom dit alles, / o rijke geest, o zoete dood, o niets!’ In een volgend gedicht vraagt hij zich af of niet onze ‘beschaving’, maar de ‘wit uitgeslagen wereld’ van de Noordpool de echte werkelijkheid is. Gelukkig heb je ook nog de intieme, beheersbare wereld van de literatuur. Het lezen wordt in ‘Lust’ op een erotische manier beschreven.

    ‘Maar het grootste genot vind ik
     uitstekende titels
     en toeschietelijke teksten;
     met mijn vingers duw ik pagina’s van elkaar
     en dring de zinnen binnen,
     roodgloeiend van de endorfine.’

    Vergankelijkheid en eeuwigheid

    Schoutens gedichten zijn zeer bespiegelend. Je leest over beide kanten van de thematische medaille. Zo denkt Schouten in het sonnet ‘Porties’ terug aan zijn overleden vader, om hier vervolgens zijn eigen sterfelijkheid aan te verbinden: ’tot op een dag ook ik oplos voordat / ze weer besmet raken en torens vallen’. De geschiedenis – corona, 9/11 – zal zich in enigerlei vorm herhalen. Zodra je denkt dat de dichter met het cyclische karakter van de geschiedenis vrede heeft, lees je na het octaaf – de klassieke wende – dat hij het onverteerbaar vindt dat een nieuwe generatie, ‘al dat nieuwbakken en frisse spul’, straks met zijn intellectuele erfenis aan de haal zal gaan.   

    Vergankelijkheid staat nadrukkelijk tegenover eeuwigheid. Dat de wereld buiten vergaat heeft de ‘ik’ te verdragen, maar wat als er ook geen eeuwigheid bestaat: ‘is de kosmos bij nader inzien misschien overdekt?’ De ‘ik’ laat zich regelmatig door onlustgevoelens meeslepen. In het gedicht ‘In het verkeer’ wil de ‘ik’ er zelfs de brui aan geven, om vervolgens te ervaren dat hem hiervoor de moed ontbreekt. Bovendien duiken meteen schuldgevoelens op.

    ‘Ben ik het spoor bijster of niet
     als ik denk: laat het over zijn?
     die twintig, dertig jaar schenk ik
     de miljardair die kosmos heet.

     dan toetert er een van opzij
     die vindt dat ik te krap bemeet.
     en haastig schuif ik in de rij,
     oneeuwig als een schuldig kind.’

    Zelfironie en de liefde

    Schouten schrijft over zichzelf met veel zelfironie. In ‘Het dure schrijverschap’ neemt hij zijn eigen betekenis als dichter op de korrel: Ik ben die oorlog misgelopen / opdat ik ongestoord kon puberen / richting gesubsidieerd dichterschap, / en nu, ondanks de verkoopcijfers, / legt mij mijn uitgever geen strobreed in de weg.’ Het maakt allemaal niet meer uit als de dichter er niet meer is: ‘Wie zegt iets zwaars als straks Bach klinkt / en ik het zorgeloze middelpunt ben…’ 

    Na het persoonlijke eerste deel gaat het volgende deel, ‘Aarde’, om de mens in het algemeen, waarbij Schouten vaak een kritische toon aanslaat. Bijvoorbeeld hoe ‘leugenaars en mythomanen’ de natuur in natuurseries menselijk maken, ‘er hun buiksprekerspraktijk op stillen’. In een ander gedicht beschrijft hij hoe de mens zichzelf overgeeft aan dierlijke instincten: ‘Auto’s in bermen tot voorbij mijn huis, / achter de beukjes wordt gebarbecued, / volvette lucht van hecatomben, / boven de baritons giert een sopraan het uit, / kinderen springen op iets, glijden er weer af.’ Maar: ‘Iets moet dit toch gewild, samengespannen om het voor elkaar te krijgen.’ 

    Als een vlucht uit de werkelijkheid is er, behalve muziek en literatuur, ook nog de liefde. De derde afdeling bestaat geheel uit liefdesgedichten (‘Minneliederen’). In de liefde laat de vergankelijkheid zich minder gelden, want ondanks zijn gevorderde leeftijd is de dichter nog goed tot liefde in staat. Wel heeft hij meer haast om er iets goeds van te maken. 

    ‘Ik maak er werk van tegenwoordig,
     korven vol hartjes, kussende lippen
     en liedjes die ik vroeger links liet liggen;
     ze ruist en gretig kom ik aangesneld.’

    De tijdgeest

    De vierde afdeling ‘Tijd’, beschrijft Schouten beurtelings ironisch en cynisch de tijdgeest. Het zijn gedichten waarin de columnist doorklinkt. Over moderne fenomenen als tattoos en viagra, maar ook over de zoönose die ons getroffen heeft, zoals in ‘De kroon op de schepping’:

    ‘Ik kijk corona want er is niks anders.
     Maken wij ook wat mee; ik dacht al zonder
     gebeurtenis te moeten sterven maar
     gelukkig zie ik artsen en agenten.’

    Schouten is een dichter van rake observaties, zijn gedichten zijn realistisch en eerlijk. Zoals in ‘Agnitio’ waarin Schouten zijn ambivalente gevoelens over zijn scheiding verwerkt: ‘Hoe simpel daalt ze af in mijn onderbewuste, / of het haar eigen ziel betreft: / je kunt je eigen ex niet echt afschudden / omdat je nog van haar aandacht geniet.’ 

    Het losstaande gedicht ‘Pompejisch’, waarin hij zijn bestaan tot enkele kale feiten reduceert, vormt een passend en ironisch slot. In Dit moet dus de werkelijkheid zijn snijdt Rob Schouten op originele wijze grote thema’s aan zonder zwaar op de hand te worden. De werkelijkheid is zorgelijk en dramatisch, maar je hebt het ermee te doen.

     

  • Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt

    Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt

    De titel van de nieuwe bundel van K. Michel, ‘& rol door’ roept vragen op. Er wordt een verband gesuggereerd, maar je weet niet welk. De dichter lijkt een advies te geven. Maar wat bedoelt hij met dat ‘rol door’? De opmerkelijke typografie is typisch K. Michel, die vanaf zijn debuut in 1989 als een speels en onconventioneel dichter bekendstaat. Binnen de beperkte omvang van & rol door, de gedichten beslaan vijftig bladzijden, valt opnieuw een hoop te beleven.

    Het  openingsgedicht ‘Smalle brief’ zet meteen de toon, er is onmiddellijk verwondering. In de eerste strofe is deze nog banaal, de ‘ik’ schrikt wakker uit een droom, ‘de kluts totaal kwijt’. Terwijl je in een droom bent overgeleverd aan je onderbewustzijn is er in de twee strofen daarna sprake van bewuste verwondering, ontsproten aan de fantasie van de dichter. Het woord ‘ruimend’ in een prozaïsche regel uit een weerbericht (’De wind ruimend naar het westen’) roept groteske beelden op: ‘hele graanvelden komen in beweging/fietsers, loofbomen, jurken en de plastic/fruitzakken van onze straatmarkt die opbollend/ voorbijzweven als Thaise gelukslampionnen.’ Het kan zelfs nog absurder, wanneer hij het woord ‘maanlanding’ letterlijk opvat: ‘wat een spektakel zou dat zijn als de maan landde, stuiterde en doorrolde’. Daar heb je meteen voor de eerste keer het woord ‘doorrollen’. 

    Taal speelt in de verwondering een nadrukkelijke rol. Michel probeert deze los te maken van vaste betekenissen, zoals in het fantastische gedicht ‘Taalnood’. Hierin beschrijft hij hoe voor het bouwen van een zandkasteel water, bij ontstentenis van een emmer, getransporteerd wordt in een plastic zak:

    ‘[…] en tijdens
     het teruglopen voelen hoe het bollende
     plastic onder spanning staat en beseffen
     dat het mogelijk niet lang meer duren zal
     tot de handvatten los worden getrokken
     of de bodem openscheurt,
     voor deze hachelijke vorm van dragen
                geen goed woord weten
     – iets tussen vallen en groeien –
     haastiger gaan lopen, ho ho niet schudden,
     om bij het kasteel te komen voor het water breekt
     – nee wacht, die uitdrukking is al vergeven,
     zoek maar iets anders.’

    In dit gedicht is alles vloeibaar: zowel het water als de taal. Bovendien is de existentie van het zandkasteel ook maar betrekkelijk, want tijdelijk. Taal kan ook het uitgangspunt zijn van actie.

    Taal als actie

    ‘Duwen deur klemt’ dankt zijn titel aan het gelijknamig tekstbordje dat de ‘ik’ als een uitnodiging opvat om er eens flink zijn schouder tegen te zetten, waardoor hij in een onbekende situatie terechtkomt. De werkelijkheid stelt je voortdurend voor keuzes en dat valt niet altijd mee: ‘Soms is het moeilijk om te kiezen welke/knopen door te hakken, waar de rotonde/te verlaten, wie uit de luchtballon te gooien/welke hand te bijten, welk signaal te negeren.’ Je kunt zomaar de verkeerde keuze maken, mijmert de dichter in ‘Alles was heel anders gelopen’: ‘was de vrije wil/maar nooit uitgevonden, de horizon/de kutsmoes, het tweede wiel/lieten voetstappen zich maar oprapen.’ 

    Dit inzicht zorgt voor melancholie, maar er wordt in de poëzie van Michel nooit lang getreurd. In ‘Smalle brief’ heeft de ‘ik’ met ‘oude vriend Hans’ een museum bezocht, ‘dat hij doodziek is is geen onderwerp we praten/over wat we kunnen zien.’ Een andere vriend, ‘Lange Jan’, wordt gememoreerd aan de hand van een streek die hij uithaalde: ‘hoe je met een bamboestok de schakelaar/in de gevel van een bankgebouw kon bedienen/zodat het gele logo machtig stralend op het dak/boven het stadsplein uitfloepte, weer aan weer uit/en de kantoorkolos de hik scheen te hebben.’ In de laatste strofe schrijft Michel dan: ‘Het blijft belangrijk, vrienden, om muren blauw/te verven, je hoofd te stoten en al je meningen/te veranderen in aria’s van een degenslikker’. Door de briefvorm word je ook als lezer direct aangesproken. In ‘Goeie fouten’ roept Michel herinneringen op aan de kindertijd waarin je voortdurend leert van je fouten: ‘Zelfexpressie begint met op je duim te slaan, toch’ en ‘Soms moet je de weerstand van de wereld testen/door een vaas om te duwen’. De bundel lijkt één lange oproep de werkelijkheid te bevragen en beproeven, dus ook ver na je kindertijd.

    Kwetsbare schoonheid

    Een vaas die omvalt geeft scherven. Met poëzie kun je de scherven proberen te lijmen en de werkelijkheid herstellen. Toch zul je altijd de sporen blijven zien. Michel gebruikt als metafoor hiervoor de Kintsugi, een Japanse kunst van lijmen waarbij je de breuk blijft zien, wat bijdraagt aan de schoonheid van het object. De kwetsbaarheid blijft echter:

    ‘Aaneengelijmd vormen de scherven
     zo’n grillige vaas
     waarin geen snijbloem overeind blijft
     geen bamboe of plu
     waar geen ruzie mee te winnen valt.’

    Michel experimenteert volop met de vorm. Bij andere dichters kan zoiets algauw gekunsteld lijken, maar bij hem is het altijd raak en origineel. Het titelgedicht is een verbale koprol. Een aantal gedichten vormt samen een mini-toneelspel. In de cyclus ‘Rode draden’ is een van de gedichten samengesteld uit noten bij de eerdere gedichten uit de reeks. Bij deze rode draden bestaat het verhaal nog niet, het laatste gedicht luidt: ‘sprenkel nu een handje regenwater/over deze regels/om ze op te kweken tot fabel.’ En zo werken gedichten natuurlijk: ze vertellen niet, maar suggereren. Ze zijn onvolledig. Michel maakt dit hier door middel van de vorm aanschouwelijk. Tegelijk is er de absurde humor, die de ernst relativeert:

    ‘de veerboot heeft een ei gelegd
     dezelfde nacht nog heeft de vuurtoren het bevrucht
     het ei is ovaal, meet 2 meter in doorsnee
     en heeft groene spikkels

     over het uitbroeden – wie hoe – spoedoverleg
     achter de ramen van het juttershuis bewegen schimmen.’

    Originele beelden

    Sommige gedichten in & rol door staan op zichzelf, zoals een vrije bewerking van ‘Bounded Duty’, een gedicht van de Amerikaanse dichter James Tate waarbij het loont op internet het origineel erbij te zoeken. Of een anekdotisch gedicht over een bezoek aan een tentoonstelling van beeldend kunstenaar Carl Fredrik Hill. De dichter laat zich soms ook meeslepen door een beeld, bijvoorbeeld een scène op Corsica of in Berlijn. Of er is opeens maatschappijkritiek en krijgen bankiers een sneer. Net zo actueel is de spanning tussen tussen feiten en ‘alt feiten’, waar een dichter natuurlijk wel raad mee weet:

    ‘Roept de veerman alleen mensen
     die de waarheid spreken zet ik over
     wie liegt vliegt de plomp in
     Bliksems zeg ik hoofdbreker
     Als ik het goed begrijp beste man
     als ik mij niet vergis, ja
     dan gaat u mij nu in het water gooien.’ 

    Al die taalvondsten, mooie regels, originele beelden en bizarre humor maken & rol door tot een enorme belevenis. Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt. Door het accent te leggen op het kunstmatige en betrekkelijke karakter van taal en werkelijkheid schept de dichter een prettige afstand, waardoor je als lezer alle ruimte hebt om je eigen verbeelding aan het werk te zetten. Wat wil je nog meer?

     

     

  • Het dubbele gezicht van de eenvoud

    Het dubbele gezicht van de eenvoud

    Het komt niet vaak voor dat de bladspiegel van een poëziebundel regelmatig opgebouwde gedichten laat zien van louter terzetten of kwatrijnen. Bij de terhandneming van Alles is hier nog, de nieuwste bundel van Marc Tritsmans, valt dit daarom onmiddellijk op. Het heeft iets sympathieks. Dit is een dichter die zich niet verliest in pretentieuze gekunsteldheid, maar gewoon mooi vloeiende regels schrijft. Voor lezers die Tritsmans al kennen is dit geen nieuws. Alles is hier nog is Tritsmans dertiende bundel en is ook inhoudelijk heel vertrouwd. De bundel is opgebouwd uit vier delen die samen de menselijke levenslijn beschrijven. Het eerste deel heet dan ook ‘Beginnen’ en bestaat uit een reeks van elf gedichten van elk drie terzetten die de eerste levensdagen van een baby beschrijven.

    Inlevingsvermogen

    Opmerkelijk genoeg gebeurt dit vanuit het ik-perspectief, wat immers onmogelijk is omdat een zuigeling zich nog niet van de werkelijkheid bewust is. We kunnen een baby niet naar zijn ervaringen vragen, noch gaan onze herinneringen ver genoeg terug. Precies dat maakt deze gedichten bijzonder. De dichter stelt zich met groot inlevingsvermogen voor wat er door het hoofd van een zuigeling zou kunnen gaan, maar dat, vanuit de kennis en ervaring van de volwassene. Dit levert een spanningsveld op. In de eerste gedichten bevindt het kind zich zelfs nog in de baarmoeder.

    ‘Dit is het zijn in zijn zuiverste zin.
    Er is nog geen tijd en er zijn nog
    geen vragen en zo mag het altijd

     blijven maar dat kan ook hier dus
    niet. Iets groots staat op stapel.
    Er zijn tekenen dat de grot mij

     wil verjagen want wanden komen nu
    dreigend op me toe terwijl het bonzen
    angstaanjagend snel en almaar luider.’

    Het verlangen naar geborgenheid is een bekend thema in Tritsmans oeuvre, dat ook in deze bundel regelmatig terugkomt. In prachtige, ritmische regels beschrijft de dichter minutieus het hele proces van geboorte, gevoed worden, het ontdekken van het eigen lichaam, om na de aanvankelijke vrees de opwinding van het leven te ontdekken: ‘De wereld rondom mij stopt niet met groeien / wordt almaar spannender, steeds meer moet / worden ontdekt: nooit wil ik hier nog vandaan.’

    Levensverhalen

    Het tweede deel, ‘Kleine verhalen’, heeft een anekdotische inslag. De toon is een stuk verhalender en ze gaan over de verwondering van alledag, over onderwerpen als natuur en muziek. Het zien van een bijzondere vogel, of het wonder wanneer voor je ogen een oude dame op een brancard door middel van een ladderwagen haar grachtenpand in wordt getild, alsof het om een tenhemelopneming gaat. Vaak gaan de gedichten over (zelf)relativering en dood. Van kleine drama’s als onmacht bij de plundering van een merelnest door een kat of een bespiegeling over een vliegtuigcrash waarbij niets anders overblijft dan ‘misschien nog een tas / ergens aangespoeld met daarin dit door zeewater / volmaakt geworden leesboekje’. Soms behelzen de verzen niet meer dan een gedachtespinsel: hoe komt het dat, terwijl gedurende ons leven al onze cellen en neuronen worden vervangen, wij toch als dezelfde worden herkend? Een enkel keer is de toon luchtiger, zoals wanneer de dichter erover mijmert Bachs Goldbergvariaties te spelen. (‘Wat ik wel zou willen kunnen’).

    Deel drie bevat de tweede lange cyclus van de bundel, ‘Litanie van de tijd’, waarin Tritsmans filosofeert over de tijd. De nadruk ligt hierbij op de vergankelijkheid – het is tenslotte een klaagzang – een thema waar Tritsmans vaak over dicht. In de eerste gedichten slaat hij een woedende toon aan: de tijd is een ‘stilzwijgende vermorzelaar’, ‘een genadeloze pletwals’ en ‘wrede verbrijzelaar’, ‘Die geen enkele cel, geen enkele vezel / in ons weerloze lichaam ongemoeid laat. / Die ons onderwerpt en knecht en paait’. Maar algauw wordt de toon milder en wordt de tijd ook afgeschilderd als ‘de hondstrouwe, immer aanwezige / de machtige maker, de geduldige / opvoeder, de wijze leermeester’. We kunnen immers niet zonder tijd: ‘Ongrijpbaar, niets is de tijd / maar zonder hem waren / ook wij niets, was er nergens / iets.’

    In het gedicht ‘Geen psalm’ dat op de cyclus volgt voegt Tritsmans als een soort noot hieraan toe dat de mens in het proces van vergankelijkheid zelf een kwalijke rol speelt door met zijn gedrag de aarde te vernietigen. Een thema dat Tritsmans in zijn vorige bundel Het zingen van de wereld uitvoerig behandelde.

    Na aandacht voor de geboorte, de levensverhalen en het verstrijken van de tijd eindigt Tritsmans in het vierde en laatste deel ‘Eindigen’ met de dood. Tritsmans verhalen en bespiegelingen zijn steeds treffend geformuleerd en meestal herkenbaar. Tegelijkertijd vormt dit soms een bezwaar als het om inzichten gaat die weinig bijzonder zijn, zoals bij de bespiegelingen over de tijd. Soms wordt het zelfs sentimenteel, zoals in het gedicht ‘Het boek van mijn vader’. Hierin treft de ‘ik’ in een boek van zijn overleden vader diens naam op het schutblad aan ‘in nog altijd even koningsblauwe inkt’. De laatste strofe luidt:

    ‘Als een meteoriet uit vroegere warmere tijden
    rust het boek van de vader hier nu schroeiend
    in een hand die al begonnen is te lijken op de zijne.’

    In een later gedicht kan de ‘ik’ zich dankzij een oude foto verplaatsen naar het Knokke van 1948 waarop zijn ouders jong, verliefd en hoopvol zijn te zien. Het is de sensatie waarnaar de titel van de bundel verwijst: Alles is hier nog

    Even ademloos

    Tritsmans drukt zich wel erg letterlijk uit en wanneer hij beeldspraak gebruikt, bewandelt hij gebaande paden. Neem het gedicht ’Deuren’, ‘Hoeveel deuren hebben zich zovele jaren / en zo vanzelfsprekend voor ons geopend.’ De deuren openen naar ‘werelden / waarin al die mensen die ons koesterden / die wij koesterden, voor altijd samen / en veilig waren, zo leek het.’ Het gedicht besluit met ‘Dezelfde deuren / nu gesloten, het paradijs voorgoed onbereikbaar.’ 

    De kwaliteit van deze bundel ligt in de precieze bewoordingen, de fijngevoelige blik en het ritme van de poëzie. Tritsmans schrijft heldere taal in fraai lopende zinnen. Eenvoud is zijn kracht, maar ook zijn zwakte: de gedichten benoemen terwijl het om verbeelding zou moeten gaan. De gedichten zijn sterker wanneer er gekozen is voor een bijzondere invalshoek, zoals in de eerste cyclus. Andere voorbeelden zijn ‘Schrödingers kat’ en ‘Het gedrag van kwantumparen’ die respectievelijk uitgaan van een gedachte-experiment van de Oostenrijkse fysicus Erwin Schrödinger en een proef van de TU Delft ten aanzien van het gedrag van kwantumparen. In het sonnet ‘Stilte’ zorgt Tritsmans voor een bijzonder effect door stilte als persoon op te voeren. Dan ben je, met de dichter, even ademloos.

    STILTE

    Gisteren trof ik haar nog onverwacht.
    In een afgelegen hoekje van de wereld
    en de tijd lag ze blijkbaar door iedereen
    vergeten en onaangeroerd terwijl ik haar

    toch lang en steeds wanhopiger had gezocht
    en wat me opviel: hoe loodzwaar zij hier
    tussen de bomen hing, hun kruinen wat
    liet doorbuigen en hoe zij overduidelijk

    verongelijkt en op weerwraak belust
    de wereld haar wil oplegde zoals je
    iemand met een kussen welbewust

    het ademen belet. De wind, de vogels
    en ik, wij zwegen met ons allen
    onder haar nietsontziend gewicht.

     

     

  • Een poging de schepping te herscheppen

    Een poging de schepping te herscheppen

    In de vierde bundel van Martijn den Ouden, Ruimtedagen, gaat het over de schepping. Dat is aan een predikantenzoon wel toe te vertrouwen. Bijzonder is evenwel dat de schepping nog moet worden voltrokken. Het motto is ontleend aan Openbaringen, het laatste Bijbelboek. Daarin wordt geprofeteerd over de toekomst. Dit is dus wat de lezer ongeveer kan verwachten. Er is geen maagdelijk begin, alles is er al:

    ‘dit is het begin
     het begin is niet woest
     of leeg

     het begin is een onvoorstelbaar
     zware doos
     van onbepaalde afmetingen
     waarin alles besloten ligt’

    Je denkt hierbij aan het heelal, maar het blijkt om een soort doos van Pandora te gaan. In het motto is sprake van een vrouw: ‘En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw; bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.’ (Openbaringen 12:1). In Ruimtedagen is de vrouw genaamd Marna, en er is ook ‘de lezer’. Tussen hen vinden een aantal dialogen plaats over de schepping, waarbij ze meteen al van mening verschillen:

    ‘dit is geen begin

     een weiland
     vol overwoekerde kuilen en keien
     waarin beesten hun poten breken

     en aria’s zingen

     Marna
     toch is het een begin

     het valt nog onder de hoofdregel’

    Alles op losse schroeven

    Aan welke hoofdregel de discussie moet voldoen blijkt daarna: ‘alles moet zich in de ruimte bevinden’. De definitie van ruimte staat in een noot onderaan de bladzijde. Vervolgens wordt er door de lezer een paar keer aan de definitie getornd, die zich daarmee een onbetrouwbare gesprekspartner toont. Hij wordt omschreven als ‘alwetend, almachtig […] een konijnenpootje aan een snoer om de hals’. Dat konijnenpootje, talisman en geluksbrenger, zit Marna dwars: het konijnenpootje hoort in de ruimte. Ze zijn het erover eens dat er ‘geen autoriteit [is] waaraan we verantwoording moeten afleggen / behalve aan onszelf’. Later blijkt de lezer het pootje toch weer te dragen, anders ‘voel ik me zo naakt’.

    Door alles steeds op losse schroeven te zetten wordt niet alleen de discussie, maar ook het leesproces ontregeld. De dichter speelt overduidelijk een spel. Dat blijkt ook uit de vorm. Aan het begin van de bundel geeft Den Ouden in een kort gedicht een opsomming van elementen die zich in de ruimte bevinden. Deze vormen vervolgens de bouwstenen van de volgende gedichten, die de schepping beschrijven. Het scheppingsproces komt hierdoor aan de oppervlakte, wat op zich een aardige vondst is, maar tevens gekunsteld overkomt.

    Centraal in de discussie tussen Marna en de lezer staat een veulentje ‘met natte bruine ogen’, symbool voor hoop en onschuld, waar het slecht mee gaat: ‘het veulentje breekt zijn poten / en zingt een aria’. In het volgende gedicht rilt het van angst en koorts: ‘de lezer is genoodzaakt een roofdier / tot de ruimte toe te laten’. Terwijl de lezer onverschillig of zelfs cynisch is, toont Marna erbarmen: ‘waarom ligt er een veulen te creperen in het weiland’, ‘ik heb liever dat het aria’s zingt’. 

    Twaalf scheppingsdagen

    De schepping vindt niet plaats in zeven, maar in twaalf dagen (ruimtedagen). Twaalf is net als zeven een heilig getal. De bundel wemelt van Bijbelse symboliek en metaforen, die in een heel ander licht worden gesteld. De werkelijkheid is aards en rauw. Zo barst in de brandende braamstruik ‘een luidruchtige discussie los/ over wie wanneer het vuilnis naar buiten brengt’. Daarnaast zijn er ook verwijzingen naar andere religieuze en filosofische bronnen. De theepot die opduikt bijvoorbeeld, die verwijst naar Bertrand Russells theepotfilosofie over de bewijsbaarheid van God: ook de nietige theepot zou in het heelal onzichtbaar zijn. 

    Zo blijft de lezer voortdurend aan het puzzelen met vorm en betekenis. Ruimtedagen moet gelezen worden als een geheel en is chronologisch opgebouwd. Den Ouden heeft de afwisseling gezocht in de vorm. Naast de tien dialogen en de twaalf gedichten over de respectievelijke scheppingsdagen die door de bundel zijn geweven, bevat de bundel nog een aantal prozagedichten en een brief. De gedichten zijn kaal met (ultra)korte regels en bovendien vrij verhalend. Verbanden worden voornamelijk gelegd door herhaling. Den Ouden doet niet aan mooischrijverij. Slechts een enkele keer tref je een paar mooie regels:

    ‘het water is koud
    ondanks het vlammende geweld dat de zon
     erop loslaat
     is het water koud

     kom hier
     KIJK

     bomen groeien uit minachting
    voor de zoogdieren

     vogels kunnen zij velen
     de lucht is wat hen verbindt’

    Eruptie van beelden

    De handelingen zijn absurd. De discussie gaat in de kern over schuld en onschuld. Het veulentje is al genoemd. Er is veel verdorvenheid: ‘er zijn tegenstrijdige regels opgesteld / die een moraal kweken waarbij het geoorloofd / is en zelfs gewaardeerd wordt om geniepige proeven / op dieren uit te voeren’. Ook is er wreedheid tussen mensen onderling: ‘de mensen met de normale oren zijn bezig de kleinorige uit te roeien’. Een parallel met de vervolging van de christenen door de Romeinen. Later duikt ook ene Adolf op met ‘een strakke scheiding en een smal snorretje’. Het gaat hier ineens wel erg van dik hout zaagt men planken.

    Ondertussen heeft de relatie tussen Marna en de lezer een persoonlijke vorm aangenomen. Je voelt het bij de volgende regels al aankomen:

    ‘Marna strekt zich uit

     ze draagt haar badpak
     wit
     met een rode streep
     over de borsten

     rokend is ze op haar mooist
     in haar zwarte brillenglazen
     dansen tien vlammen’

    Maar ook deze relatie loopt slecht af. De bundel eindigt met een eruptie van beelden, vol neologismen en klankrijm. De taal valt letterlijk uit elkaar. Als laatste blijven de woorden ‘ik licht’ achter, een verwijzing naar het licht aan het begin van de schepping wanneer de wereld nog moet worden ingericht. De bundel is terug bij af. Er volgen nog twee gedichten – als we die zo kunnen noemen – die alleen bestaan uit losse letters en punten. Dit komt opnieuw nogal gekunsteld over.

    Ten slotte vraagt je je af wat Den Ouden met de bundel wil zeggen. Dat de wereld niet deugt? Dat ieder zijn eigen werkelijkheid heeft? Dat er geen perfecte schepping mogelijk is? Door de nadruk op de vorm en de vele buitentekstuele verwijzingen is het lezen van Ruimtedagen vooral een intellectuele excercitie: de lezer heeft wat meegemaakt, maar staat tegelijkertijd met lege handen.

     

     

  • Dichten met de moed der wanhoop

    Dichten met de moed der wanhoop

    Af en toe wordt in de literatuur de vraag gesteld of deze geëngageerd moet zijn. Dichters als Tsead Bruinja en Peter Verhelst vinden dat ze in hun poëzie kritische vragen moeten stellen over de politieke actualiteit. Jens Meijen (1996), een bewonderaar van Verhelst, trad eind vorig jaar in hun voetsporen met zijn debuutbundel Xenomorf. Hij won er op 26 juni jl. de C.Buddingh’-prijs mee. In zijn debuutbundel stelt hij uitgebreid de klimaatproblematiek aan de orde en het effect daarvan op zijn generatie. Meijen verklaart de titel in het gelijknamige gedicht heel eigentijds aan de hand van Google. Xenomorf betekent ‘niet de gebruikelijke vorm hebbend’. De titel slaat zowel op de alarmerende toestand van onze planeet als op de experimentele vorm van de gedichten: ‘Jij landschap gebloemschikt naar mijn adem / Jij xenomorf’.

    In rijke beelden beschrijft Meijen de wereld van vroeger en nu en werpt hij een blik in de toekomst. Over dat laatste is hij ronduit somber, meteen al in de eerste regels van de bundel: ‘De mens kreeg de natuur om het lichaam open te plooien: vet en groot en naakt werden we.’ We zijn verveemd van de natuur: ‘met elke cirkel van de seizoenen maken we onszelf vreemder’. De dichter moet ‘kneuzen’, de ‘zachte blauwe plekken stollen tot inkt’. Een mooi beeld. Hij moet zijn verontwaardiging uiten: ‘Pas in taal krijgt dit woord een zin’. ‘De mens kreeg taal om het hoofd open te plooien: gedachte werd wereld, wereld werd gedachte’. De taal is echter vaak krachteloos: ‘Deze woorden kwijnen weg, vergrijzen/rotten op de rank’. ‘Wat van ons overblijft is plastic’.

    Met taal het tij keren

    Met Xenomorf doet Meijen toch een poging om met taal het tij te keren, of in ieder geval een bijdrage te leveren aan het inzicht dat het zo niet goed gaat met de aarde. ‘Een bewoonbaar huis is niet / te verzoenen met de verlangens / die je koestert: wildgroei van klimop, een tuin vol diepzeemeren, gletsjers, vol neushoorns, octopi, koraalduikers. Het huis in de tuin zal snel opgeslokt zijn / met de welgemeende excuses van een outsourced pr-team’, schrijft hij in de eerste van drie ‘Puinsonnetten’. Het hoeft niet te verbazen dat deze met de sonnetvorm niets te maken heeft: ook deze vaste vorm is tot puin vervallen. De regels zijn onregelmatig op de badspiegel geplaatst, rijm ontbreekt. Meijen schrijft sowieso losse, vrij vertellende poëzie.

    De dichter beschouwt zichzelf als een aanjager, hij kan het niet alleen: ‘Help me / om woorden weer genoeg te maken, / deze explosie te bevatten / deze tijden te bevolken’ schrijft hij in ‘Vlees zonder bloed / Tijdnood’. En in ‘De god zichtbaar de god’: ‘We zijn mysterie verschuldigd / aan moeder aarde / ook hier en nu, / op deze bank, in dit park. / Schep zorgen voor jezelf / als een kind in Kruidvat suikerkersen’.

    De gedichten schieten in de tijd heen en weer.‘In ‘Een Back To The Future-remake in 2040’ verplaatst Meijen het perspectief, heel origineel, naar de toekomst:

    ‘Iedereen is vertrokken naar koelere plekken,
     waar mensen elkaar niet de kop inslaan voor een glas water.

     Het zal niet lang meer duren
     of ook de bergen zullen vluchten
     naar landen waar ze niet welkom zijn.

     De laatste archeologen graven nog naar sporen,
    de laatste biologen documenteren
    de planten die nog overleven in deze woestijn,
    maar ook zij
    houden het niet lang meer uit.’

     Het was allemaal te voorzien, zegt de dichter in de laatste strofe:

    ‘Maar ik vraag me af:
     wat is het punt van tijdreizen
     als je weet hoe het eindigt?’

    Herinneringen aan vroegste jeugd

    Even later duikt de dichter in ‘Nul’ weer in het verleden en beschrijft een herinnering aan zijn vroegste jeugd, waarin de aanslag op de Twin Towers opduikt:

    ‘Het verleden herneemt zich , wil breuken opsporen
     zoals een computer zichzelf herstelt. Ik zie:
     fluwelen broeken, sandalen met witte sokken,
     veel te grote surfshirts
     en vooral elf september tijdloos
     het ontkiemen van een nieuw millennium
     gladiolen omringen een doodgevroren dier.
     Ik was nog kind. Proefde bloed die nacht.’

    De regels zijn vaak elliptisch van vorm en dat heeft een reden. Meijen geeft deze letterlijk weer in het gedicht ‘Waanbeelden van een omgevallen boomstronk’: ‘Ik vul mijn zinnen met ellipsen / omdat de woorden door mijn vingers glippen / een ontwrichte wereld verdient geen mooie dingen’.
    Het was sterker geweest dit impliciet te laten. De titel van het gedicht verwijst naar Meijens gevoel van ontwrichting door de snel veranderende wereld: ‘ik kan het niet aanzien, / de verandering die betekent / dat ik ook onherroepelijk veranderd moet zijn’. ‘dit gevoel van onbehagen / lijkt op wanneer je door een telescoop kijkt / naar een lege plek in de lucht / waar je zou gezworen hebben dat er net nog / een licht brandde.’
    De dichter vraagt zich meermaals af wie hij nog is, wat hem definieert.

    Het zijn maar stijlfiguren

    Om zijn boodschap kracht bij te zetten gebruikt hij veel herhalingen, opsommingen en parallellismen. De poëzie krijgt hierdoor iets bezwerends:

    ‘Mijn galblaas is een luchtballon

     en ik heb watervrees. Malawi niets meer dan een mooie naam
     en ik heb watervrees. Nooit een punt van homeostase
     en ik heb watervrees. Balans van vloeistoffen, energie, chakra’s.’

    Dat dit ook maar stijlfiguren zijn, blijkt uit de volgende passage waarin de kracht van taal weer wordt gerelativeerd:

    ‘Ik tel mijn leeftijd in seconden en
     mijn naam draagt enkel betekenis in een lang verzonken taal.
     Er zijn skeletten gevonden in de Marianentrog
     met in hun botten gekerfd:
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     de aarde is plat
     herhaal het genoeg en alles wordt waarheid. (‘Ochtendzang van een slaapwandelaar’).

    Citaten uit muziekteksten en Wikipedia

    Heel opvallend zijn de citaten die los van de gedichten worden geplaatst, cursief, aan de rechterzijde van de bladzijde. Vooral citaten uit de muziek, van Britney Spears, rapper Drake tot Spinvis, waarbij hij het citaat van de laatste in de tegenwoordige tijd zet. Verder citeert hij uit Wikipedia. Moderne media (Google, Skype en Snapchat) komen regelmatig in zijn gedichten voor. We bevinden ons overduidelijk in de wereld van de millennial die zijn informatie voor een groot deel van het scherm haalt. Ook dit maakt zijn poëzie heel authentiek. Verder bestaat het onderscheid tussen hoge en lage cultuur voor hem niet. De poëzie bevat zowel verwijzingen naar Sylvia Plath en Kafka als naar Harry Potter en Game of Thrones.

    Doordat het merendeel van de gedichten over dezelfde problematiek gaat, weet je het echter op een bepaald moment wel. Meijen draaft een beetje door, ook al is hij inventief in het variëren op het thema en schrijft hij soms sterke regels (‘vogels kunnen niet vliegen in cyberspace’). Xenomorf geeft vooral een indringend beeld van de kopzorgen van een nieuwe generatie, waarvan de talentvolle Jens Meijen een van de spreekbuizen is: 

    ‘Het mag niet vergeten worden
     zweer me dat ze lezen
     hoe het voelt
     om weggegeven te worden.
     Hele levens lang.’