• Geen rozen zonder doornen

    Geen rozen zonder doornen

    Ik heb nooit geluk met rozenstruiken in mijn tuin. Of ze gaan onmiddellijk dood, of ze zitten al na een week vol met luis. Ze willen niet bloeien en ontwikkelen in plaats van knoppen alleen zwarte valse scheuten met doornen van een duim dik. De rode stamroos die ik nu in de tuin heb staan – die ik niet op de mesthoop kan gooien omdat ik hem van een vriendin gekregen heb – heeft zich ontwikkeld tot een vervaarlijke hydra met meer uitsteeksels en prikkers dan zelfs Hercules zou kunnen bevechten.

    Toch ben ik op een zonnige middag de strijd aangegaan, gewapend met een scherpe snoeischaar die ik achter mijn rug verborgen hield. De struik loerde vals naar me uit al zijn oogjes en stond in gevechtshouding, klaar om zich te verdedigen. Het duurde niet lang of ik was overdekt met schrammen en krassen waar het bloed uit sijpelde, alsof ik was aangevallen door een boosaardig creatuur met enorme klauwen en tanden. Uiteindelijk behaalde ik de overwinning en was de struik gesnoeid, maar nog dagenlang droeg ik de sporen van de slacht en werd me gevraagd of mijn katten echt zo vals waren.

    Hoe had zo’n gemene bloem ooit het symbool van de romantische liefde kunnen worden? Ik kon niets vinden in de literatuur dat wees op de duistere kant van deze plantaardige harpij. Ik herkende wel iets in het vreemde, enigszins masochistische gedicht van Nijhoff, al waren het niet de rozen zelf die zich agressief gedroegen:

    ‘ De rozen 

     Hij zei me: ‘Zoolang deze rozen
     Bloeiend zijn, groot en rood –
     Zoolang zal ook mijn liefde
     Bloeiend zijn, groot en rood’.

      Ze stonden stil in de vazen,
     De rozen van mijn geluk:
     Toen kuste ik waanzinnig van vreugde,
     Toen kuste ik zijn rozen stuk. 

     Ik heb in de bloemen gebeten,
     Ik proefde het bittere bloed –
     En hij nam de doornige steelen
     En sloeg mij – en dat was goed.’

    Alleen in het gedicht van Goethe uit 1789, ‘Heidenröslein’, door Schubert op muziek gezet, wordt iets verteld over de dreiging die van een roos kan uitgaan. Als een jonge knaap een roosje wil plukken – symbool voor het verlies van maagdelijkheid – en de roos haar doornen gebruikt om hem te steken. Het viel me op dat bij zowel ‘der Knabe’ als ‘das Heidenröslein’ het persoonlijk voornaamwoord in de derde naamval gelijk is: ‘ihm’ , waardoor het niet duidelijk is op wie de laatste strofe betrekking heeft:
    ‘Und der wilde Knabe brach/ ’s Röslein auf der Heiden;/ Röslein wehrte sich und stach,/ Half ihm doch kein Weh und Ach, / Musst’ es eben leiden.’

    Ik dacht ook altijd dat de gestoken knaap het slachtoffer was, maar nu denk ik dat het de roos is. Heeft Goethe daarmee echt een gedicht geschreven over een brute verkrachting? Er zijn weliswaar meerdere interpretaties, maar nu zal ik het lied nooit meer anders kunnen lezen. Daarom wil ik de rozenstruik volgend jaar liever niet meer snoeien, beter voor de roos, maar ook voor mijzelf.

     

    Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Prometheus (1990)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.



  • De dichter als Richter

    De dichter als Richter

    Wie is die ‘je’ uit de titel tot wie Gerda Blees haar woorden richt? ‘[…] dat moet jij wel zijn, Willem Jan’, staat te lezen op de flap aan de binnenkant van dit kleine cahier. Het bevat een essay uit 2022 dat Gerda Blees als gastschrijver schreef voor het literair tijdschrift Liter, ter ere van het vijftigjarige dichtersjubileum van Willem Jan Otten, een dichter die zij bewondert. Elke avond, veertig dagen lang, schreef Blees precies honderd woorden, gericht aan Otten. Ze zal bewust gekozen hebben voor die afbakening: veertig dagen duurde ook de tijd waarin Jezus in de woestijn verbleef, waar hij door Satan op de proef werd gesteld, zoals in de Bijbel staat. Ook nu nog kennen katholieken de veertigdaagse vasten die voorafgaat aan het paasfeest, veertig dagen van inkeer en bezinning. Otten bekeerde zich in de jaren negentig tot het katholieke geloof en liet zich dopen; de symboliek van Blees’ onderneming zal hem vast niet zijn ontgaan.

    Inkeer en zelfreflectie, daar moet Gerda Blees zich ook van bewust zijn geweest toen ze zich ’s avonds op haar kamer richtte tot Otten in de uren die ze eigenlijk aan haar nieuwe roman had moeten besteden. ‘Romanontwijkend schrijfgedrag’ noemt ze het. Gerda Blees schreef eerder al een roman, een verhalenbundel en twee gedichtenbundels. Met haar roman Wij zijn licht won ze in 2021 de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Nederlandse boekhandelsprijs. In het essay vertelt ze hoe ze Ottens poëzie had leren kennen toen ze zijn bundel Eindaugustuswind uit 1998 las. Hoe allereerst de klanken van dat woord haar aangrepen, hoe ze die terug zag komen in de rest van het gedicht. Klank is het begin van taal, stelt Blees vast. Dat geldt niet alleen voor de taalontwikkeling die ze bij haar zoontje kon waarnemen, maar ook voor de aantrekkingskracht van een gedicht. Eerst is er klank, dan volgt het beeld, nog later de betekenis en de interpretatie.

    Terloops geformuleerde zinnen

    De prachtige, haast terloops geformuleerde zinnen van Blees over dit procedé doen denken aan de educatie van Helen Keller, de doofblinde schrijfster die van haar lerares Anne Sullivan het vingeralfabet leerde toen ze zeven jaar was. In de weliswaar zeer geromantiseerde film The miracle worker uit 1962 is de euforie op het gezicht van een jonge Keller te lezen als ze voor de eerste keer begrijpt dat de vingertekens die in haar handpalm gemaakt worden een beeld uit de werkelijkheid voorstellen, namelijk als ze haar hand houdt in het water dat uit de pomp stroomt. Deze verbinding van taal met beeld die plotseling inzichtelijk wordt, maakt Blees duidelijk aan de hand van een ontroerend gedicht van Otten, waarin het water een belangrijke rol speelt:

    ‘Wij bereikten
    na een tocht door een druipend bos
    het Randmeer.
    Het was alsof een slapende haar ogen opende
    en ons kende.
    Jij zat voorop.
    Ik legde mijn hand
    op de warme kokosnoot van je schedel.
    Het licht keek ver je ogen in.
    Ik zei: dit nu is water.
    Wa-ter.
    Wa-ter.
    Wa-ter zei ik nog een keer.
    En jij zei: bwa-pl.
    Je zei het nog een keer.
    Het was zeker, zoontje van mij,
    dat wij hetzelfde niet begrepen.’

    Blees selecteert een aantal motieven die ze steeds ziet terugkeren in de poëzie van Otten:  vader, kind, water. De relatie vader-kind kan gezien worden als die van een gelovige tot God. Water is het symbool voor alle leven, met water wordt een kind gedoopt. Water kan ook een spiegel zijn waarin je zelf gereflecteerd wordt; een  gedicht heeft ook die functie, volgens Blees. Zowel dichter als lezer kunnen zichzelf tegelijk weerspiegeld zien in een gedicht en daardoor kunnen ze ook een glimp van elkaar opvangen. Deze verbinding, die dichter en lezer met elkaar aangaan via het gedicht, komt niet alleen door de dichter tot stand, maar evenzeer door de lezer, die zich een voorstelling tracht te maken van wat hij leest. Zowel de dichter als de lezer trachten via het gedicht net als Helen Keller greep te krijgen op de werkelijkheid. Wat doet de lezer met het gedicht, en wat doet het gedicht met de lezer? De dichter schrijft een gedicht, de lezer zet het om in klank en bedenkt daar een beeld bij, dat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn als wat de dichter in zijn hoofd had toen hij schreef.

    Geschreven voor speciale lezer

    Blees kent aan de gedichten van Otten nog een extra dimensie toe: het gedicht dat geschreven is met een speciale lezer voor ogen. De titel van een bundel van Otten uit 2011 luidt: Gerichte gedichten. Hierin richt Otten zich tot God. Blees richt zich tot Otten. Volgens haar brengen ‘gerichte’ gedichten schrijver en lezer nog dichter bij elkaar, want door het richten schept de dichter zich aan de achterkant van het papier een luisteraar en aan zijn eigen kant een lyrisch ik, dat niemand anders kan zijn dan de dichter zelf. ‘En dat moet jij wel zijn, Willem Jan.’

    Deze veertig keer honderd woorden zijn gericht aan Willem Jan Otten, maar ze geven net zo goed een inkijkje in Blees’ eigen poëtica. Ze laten zien dat Blees zelf ook een heel goede dichter is. Ook al vergeet ze nooit dat ze schrijft voor een ander, toch laat ze onbevangen een deel van zichzelf zien dat de vorm lijkt aan te nemen van een dagboek. Ze maakt de lezer deelgenoot van haar gedachten die niet alleen gaan over de poëzie van Otten, maar ook over haar zoontje, haar schrijfproces, en over haar dagelijkse leven. Maar in haar laatste ‘brief’ aan Otten weet ze alles in honderd woorden te vatten wat ze daarvoor geschreven heeft:

    ‘[…] Als ik durfde, schreef ik je een gedicht, over water, een kind en een vader. Iets of iemand zou in het water schrijven, en dan kwam er een windvlaag, […] die het uitwiste, en vanuit een roeibootje in der hemel zagen we Nijhoff zwaaien, ‘Hoi WJO, hoi Gerda!’ en de wereld was nooit meer hetzelfde. Straks duw ik deze woorden af en worden ze door het feestcomité over de Sloterplas naar jouw bovenverdieping geroeid. Dan komen we ieder aan de andere kant van het spiegelglas te staan. Op hoop van zegen zal jij dan mijn lezer zijn en ik jouw gelezene.’

    Gerda Blees heeft een prachtige, oprechte brief geschreven als eerbetoon aan Willem Jan Otten. Zo doordacht, zo poëtisch, zo liefdevol; het kan niet anders of Otten moet hier heel blij mee geweest zijn.

     

     

  • Nederlands leren

    Nederlands leren

    Twintig jaar geleden begon ik met les geven van Nederlandse taal aan vrouwen van  drieënvijftig verschillende nationaliteiten en dertien verschillende religies. De overheid had bepaald dat de participatiemaatschappij ook voor hen was bedoeld. Iedereen die een bijstandsuitkering had, of de partner, moest het huis uit om op de een of andere manier een bijdrage te leveren aan de samenleving. De vrouwen kwamen hierdoor niet altijd vrijwillig naar les. De meesten waren op latere leeftijd in het kader van  gezinshereniging naar Nederand gehaald, zonder dat ze zich een voorstelling van het leven hier hadden kunnen maken. Ze hadden inmiddels hun eigen netwerk opgebouwd met kinderen en kleinkinderen, buren en landgenoten. Velen van hen waren analfabeet, ook in de eigen taal, maar  konden zich goed redden. De behoefte Nederlands te leren was nauwelijks aanwezig. Dat te veranderen was mijn taak als lerares.

    Terugkijkend heb ik vermoedelijk net zo veel van mijn cursisten geleerd als zij van mij. De vele, vaak persoonlijke verhalen die los kwamen naarmate we elkaar beter leerden kennen. De sprookjes die we uitwisselden, de liedjes, het bijgeloof, de zeden en gebruiken van onze verschillende landen, ik zoog ze al die jaren op als een spons  en bleef me verwonderen over de verschillen maar vooral over de overeenkomsten tussen mensen en culturen. 

    Al lukt het neerhalen van de muren van onbegrip die soms tussen ons in bleken te staan niet altijd. In de gevorderde groepen begon ik elke les met het voorlezen van een gedicht. Die keer had ik gekozen voor M. Nijhoff:

     Het derde land

    Zingend en zonder herinnering
    Ging ik uit het eerste land vandaan,
    Zingend en zonder herinnering 

     Ben ik het tweede land ingegaan,
    O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Toen ik dit land ben ingegaan.

     O God, ik wist niet waarheen ik ging
    Maar laat mij uit dit land vandaan,
    O laat mij zonder herinnering

     En zingend het derde land ingaan.

     Goede poëzie is meerduidig, iedereen leest een gedicht anders. Wat je eruit haalt, zit meestal in jezelf en als je eenmaal betekenis aan een gedicht hebt toegekend, verander je die niet meer zo gauw. Nooit had ik gedacht dat Nijhoffs spirituele gedicht zó letterlijk kon worden opgevat dat een Turkse cursist de handen voor haar ogen sloeg en in onstuitbare snikken uitbarstte. Het was voor de hele lesgroep een wat ongemakkelijke situatie. Maar het gedicht sloeg wel een bres in de muur waardoor we elkaar beter konden zien. 

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column.

  • Twee meisjes en een oudere man

    Twee meisjes en een oudere man

    Om zijn scheiding achter zich te laten gaat een 28-jarige arts naar Cornwall in Zuid-Engeland. Een ontmoeting aldaar met twee veel jongere meisjes, haast nog kinderen, zal zijn verdere leven voor een groot deel bepalen. ‘Wij waren eenvoudig een bond van drie, twee meisjes en een oudere man, de toeschouwer die zichzelf verloren heeft in het voorwerp van zijn belangstelling,’ herinnert hij zicht later. Tussen de arts – hij wordt Bill genoemd – en de meisjes ontstaat een vriendschap, maar onder de oppervlakte spelen meer gevoelens een rol. Twee meisjes en ik van A.H. Nijhoff vertelt uitgebreid het verloop van deze gecompliceerde driehoeksrelatie.

    Twee meisjes en ik is een ‘herontdekte’ roman zoals er de laatste jaren meer boeken opnieuw als klassieker onder de aandacht zijn gebracht. Nadat deze roman in 1996 al eens door de feministische uitgeverij Vita is heruitgegeven, heeft nu Cossee een nieuwe uitgave verzorgd, voorzien van een uitgebreid nawoord over het ontstaan van de roman en het leven van de auteur. De roman verscheen voor het eerst in 1931. Gepubliceerd onder de naam A.H. Nijhoff, was het het debuut van Netty Nijhoff-Wind, de vrouw van dichter Martinus Nijhoff.

    De reacties op het boek destijds waren gemengd. Literatoren als J.J. Slauerhoff en Jan Campert onthaalden Nijhoff als nieuw literair talent. Andere critici namen echter aanstoot aan de ‘ontaarde’ personages en het vermoeden van een liefde tussen twee vrouwen. De roman was na publicatie ‘uitgeleverd aan bewondering en schandaal’, zo staat in het nawoord.

    Eerste ontmoeting
    In het eerste deel van Twee vrouwen en ik doet Bill via dagboeknotities verslag van zijn verblijf in Cornwall. Hij vertelt over de ontmoeting met de Nederlandse meisjes Juan en Ann. De eerste is een ziekelijk meisje dat met haar nurse aan de Zuid-Engelse kust verblijft om te herstellen. Ann is de dochter van een kolonel die Bill in Cornwall ontmoet. Ze is een levendig en fel roodharig meisje dat bij de eerste ontmoeting enthousiast wil spelen. Tijdens hun verblijf aan de kust ontstaat een vriendschap tussen de drie.

    Het tweede deel van de roman blikt twintig jaar later terug op het verloop van de vriendschap. Dit deel is niet meer in dagboekvorm geschreven maar is het resultaat van de romanambities van Bill waar hij in het eerste deel al gewag van maakte. In de tussenliggende jaren heeft Bill zich gevestigd in Mook, vlakbij een buitenhuis van de familie van Juan in Groesbeek, waar zij later ook regelmatig zal zijn. Ann en haar familie wonen in Den Haag.

    Bill en Juan zwermen om Ann heen als vrienden, maar koesteren meer dan vriendschap­pelijke gevoelens voor haar. Ann trouwt echter met een ander, Cyril, en vertrekt met hem naar Parijs. Gemakkelijk is hun leven daar echter niet. Ze hebben regelmatig geldzorgen en de ‘drogues’ die Cyril gebruikt zorgen regelmatig voor problemen. Ondanks het minder frequente contact blijft Bill klaarstaan om Ann te helpen.

    Fijn psychologisch portret
    Het zijn de beide meisjes Juan en Ann die, elk op hun eigen wijze, zelfstandig zijn en het leven kiezen dat ze wensen. Juan gaat veel naar het buitenland wanneer ze wil en zit lang niet altijd te wachten op Bill met zijn goede bedoelingen voor haar en haar gezondheid. Ook Ann kiest voor haar eigen, rommelige, leven met Cyril in Parijs. In Bills verhouding tot Ann herkent de lezer het dilemma van de verliefde die meer wil zijn dan ‘slechts vrienden’.

    Want ik heb toen, voor het eerst maar onherroepelijk, begrepen dat dit kortstondige geluk slechts een episode zou zijn in het grotere verband van onze vier levens, een episode die, vanzelfsprekend uit onze vriendschap voortgekomen, even vanzelfsprekend zicht weer in die vriendschap zou verliezen.

    Voor wie de roman nu leest, is de ophef over Twee meisjes en ik bij verschijning enigszins verbazing­wek­kend. Niet alleen omdat we inmiddels niet meer opkijken van de gebeurtenissen in de roman, maar vooral omdat alles slechts in bedekte termen wordt beschreven. Voor de lezer van nu biedt A.H. Nijhoffs roman een fijn psychologisch portret van een oudere man wiens leven beheerst wordt door de vriendschap voor twee onafhankelijke vrouwen.

     

  • De vrouw de man

    Zullen ze het zo bedacht hebben bij het CPNB: ‘Laten we dit jaar maar weer twee mannen doen. Scheelt een hoop gezeur, (denkend aan vorig jaar toen de gekozen schrijfster gewogen en te licht bevonden werd). Doen we volgend jaar weer een vrouw, misschien wel twee, voor het essay en de novelle. Doen? Dan lopen we gelijk een beetje in op dat handjevol vrouwen die een boekenweekgeschenk hebben geschreven.’
    Ze weten dat er geturfd wordt op het aantal vrouwen, dat ze op hun tellen moeten passen. Niet dat je overal rekening mee kunt houden; het gaat per slot om de literaire kwaliteiten van een schrijver en een verheffend thema. Dat moet niet uit het oog verloren worden.

    Ik denk dat er sprake was van miscommunicatie, een geval van niet op dezelfde golflengte zitten. Komt in de beste organisaties voor. De keuze van welke schrijvers, liep, denk ik, niet synchroon met degenen die met het thema aan het stoeien waren. Er was geen onderling overleg, er werd niet breed gekeken en toen was daar opeens een thema van jewelste: ‘De moeder de vrouw’. Klinkt wel goed zeiden ze tegen elkaar. ‘Linken we het aan het gedicht van Nijhoff, dan hebben we een belangwekkend en ook  literair thema bij de hand. Prachtig toch?’ Daar stonden dan aan de ene kant die twee mannen en aan de andere kant die twee vrouwen, ‘De moeder’ en ‘ de vrouw’. Toen begon ik me opeens dingen af te vragen. Was ik niet teveel van de Amerikaanse mannenliteratuur. Met ‘mijn’ Philip Roth tot aan de Henry Miller van Anaïs Nin. Schuldbewust vroeg ik mij af of dit thema mij ergens heen wilde leiden waar ik geen idee van had. Had ik wel genoeg vrouwelijke auteurs gelezen om er een mening op na te mogen houden? Ik was me er heus van bewust dat er mannelijke en vrouwelijke schrijvers zijn, maar het verschil was me nog nooit zo opgedrongen als nu. Door het ‘moeder de vrouw’ thema.

    Van de weeromstuit begon ik alle vrouwelijke auteursnamen in mijn boekenkasten in een boekje te noteren. Beginnend bij Pearl Abraham, Maria Barnas, De Beauvoir, Blaman, Edna O’Brian langs Dulce Maria Cardoso, Colette, Rachel Cusk, Minke Douwesz, Anna Enquist, Keri Hulme langs Mensje van Keulen, Connie Palmen, Sylvia Plath, naar George Sand, Marijke Schermer, Rachel Seiffert, Marijn Sikken, Susan Sontag, Anne Tyler, Manon Uphoff, Frida Vogels, Christa Wolf, Virginia Woolf, Maartje Wortel, eindigend bij Miek Zwamborn. Teveel om hier allemaal te noemen. Meer dan honderd. Ik wist niet dat ik zoveel vrouwelijke schrijvers in huis had. Ik denk er eigenlijk nooit bij na als ik een boek koop. Ook als ik lees ben ik me vaak niet bewust of ik een vrouw of man lees. Als een auteur sterk in zijn taal is waarmee de dingen goed aaneen getrokken kunnen worden. Als ze meanderend en schuivend met woorden tot stellingen komen, ideeën ontvouwen, ruimte creëren; dan ontstaat er bewondering. Als het een vrouwelijke auteur betreft, dan denk ik, zie eens, hoe goed ze het kunnen. Dat toch wel.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • O, kom er eens kijken!

    O, kom er eens kijken!

    Ik droomde dat ik nog in Sinterklaas geloofde en m’n schoen mocht zetten. Oh to be young again… Ik wist meteen wat er op m’n verlanglijstje moest: al die boeken die te lang op zich hebben laten wachten.

    1. Martinus Nijhoff, geboorten van literatuur. De langverbeide biografie. Vanzelfsprekend bovenaan mijn lijst, want ik word oud dus de tijd dringt. De auteurs, Dorleijn en Van den Akker, hebben eerder al een nieuwe editie van de Verzamelde Gedichten verzorgd en enkele studies gepubliceerd. Nu dan de kroon op hun werk.

    2. Het nieuwe boek van Carl Friedman. Eindelijk! Wordt het een roman? Verhalen? De uitgever houdt ons nog in spanning. Na de successen van Tralievader, Twee koffers vol en De grauwe minnaar – de eerste twee werden verfilmd – is het te lang stil gebleven. Autobiografische verwikkelingen zouden daar debet aan zijn. De liefhebbers van haar werk hadden haar wel willen toeroepen wat Toergenjev ooit schreef aan Tolstoi: ‘Mijn vriend, keer terug tot Uw literaire arbeid! Die gave hebt u immers van waar ook al het andere komt. Ach, wat zou ik gelukkig zijn als ik kon denken dat mijn verzoek die uitwerking op U zou hebben!’ Dezelfde brief besloot hij overigens met ‘Ik kan niet meer, ik ben moe’ en vijf weken later stierf hij.

    3. De verzamelde correspondentie van W.F. Hermans en Gust Gils. Opnieuw een brievenboek van Hermans, en dit keer niet zo’n dunnetje als de briefwisseling met Bordewijk. Uit dat enorme Hermans-archief moet natuurlijk veel meer te halen zijn. Zal ik het nog beleven?

    4. De ‘Amerikaanse’ romans van de in 2012 overleden Gore Vidal. Zijn historische romans over de ontwikkelingsgang van de Verenigde Staten zijn onovertroffen. Ook zijn talloze vijanden erkenden de kwaliteit van Burr, 1876, Lincoln, Empire, The Golden Age en Washington D.C. Wie deze meeslepende boeken leest, krijgt een uitstekende geschiedenisles en kijkt voortaan met andere ogen naar wat zich in de VS afspeelt. Eindelijk is de reeks nu compleet in het Nederlands verkrijgbaar, en in welk een mooie uitgave! Compleet met noten, kaarten en inleidingen van prominente amerikanisten. Zes delen in cassette, heerlijk. Mijn kennis van het Engels taant en mijn ogen gaan steeds verder achteruit; nu kunnen die armoedige pocketjes bij het oud papier.

    5. Simon Carmiggelt: Verzameld Werk. Commentaar overbodig, behalve misschien: hèhè, waarom hebben we hier zo lang op moeten wachten?

    6. Wat is hiervan de bedoeling? Deze pil bevat een selectie uit het epistolaire vuurwerk van Nicolien Mizee en Ger Beukenkamp, de schrijver wiens roem kort geleden nog werd bezongen door Mark Rutte. In ‘Zomergasten’ vertelde onze premier hoe hij in zijn lessen maatschappijleer gebruik maakt van scènes uit Den Uyl en de Lockheed-affaire (een van Beukenkamps prijswinnende televisie-series): ‘Wat een meesterlijke scenarioschrijver!’ Beukenkamp is de onverstoorbare goeroe, Mizee is de gedreven leerling die en passant de kroniek van haar leven schrijft.

    7. De Grote Jos Ruting Omnibus. Rutings werk werd een halve eeuw geleden al verramsjt en de boekjes die ik toen als tiener kocht, vallen uit elkaar. Maar nu is er deze kloeke verzameling proza, inclusief In de mierenrijken, plus een selectie uit de tekeningen en het grafische werk. Veel vogels, bloemen en vissen. Ruting, die nog heeft samengewerkt met Vroman en met Van Geel, was niet voor niets bioloog.

    Ik werd wakker en noteerde de droom. Wat zou mijn psychiater ervan vinden? Ik wreef me de slaap uit de ogen en dacht: anders maar een boekenbon.