• Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

    Klassieke gedichten over de liefde en een wereld die verdwijnt

    Klimaatverandering heeft ook de literatuur beïnvloed: nog nooit zijn er zo veel romans en dichtbundels geschreven die zich bezighouden met een wereld in de toekomst na de Apocalyps. De meeste van deze boeken vertellen over een dystopische samenleving, waarin de mens moet zien te overleven onder barre omstandigheden, met als grootste vijand zijn eigen medemensen. De achtste bundel van Mark Boog (1970), Liefde in tijden van brand, gaat weliswaar uit van hetzelfde vertrekpunt: een maatschappij die vijandig en vernietigend is, maar hij kiest voor een andere route. In plaats van de confrontatie met de buitenwereld aan te gaan, voert hij een liefdespaar op dat zich verschanst in een binnenwereld en zich staande probeert te houden  op een eilandje te midden van een wereldbrand die zich als een woeste vuurzee om hen heen uitbreidt.

    Een idyllisch begin

    De bundel bestaat uit vier afdelingen van elk veertien titelloze gedichten zonder witregels. Aan het begin van elke afdeling is het eerste gedicht in cursief gezet, als representant voor dat wat volgt. De meeste gedichten zijn kort en bevatten hooguit vijftien versregels achter elkaar, alleen het cursieve gedicht van de derde afdeling vormt hierop een uitzondering met eenentwintig strofen van drie regels. Alle gedichten scharen zich onder hetzelfde thema en zijn onderdeel van één verhaal.
    De eerste afdeling toont een idyllisch begin: ‘Schaterlachend dansen we het korenveld in’. Er zijn slechts twee personen, de ik en de jij die in alle gedichten de hoofdrol spelen. Andere mensen zijn niet aanwezig: ‘Elders is nooit leven aangetroffen, / er is naar gezocht. We vliegen hoog.’

    Dit zijn liefdesgedichten pur sang, handelend over twee geliefden en niets anders. De vuurzee van de buitenwereld wordt weerspiegeld in het liefdesspel in bed, dat met een dompelbad vergeleken wordt. Alle gedichten in deze afdeling zijn variaties op eenzelfde thema: jij en ik en de liefde.

    Bedreigende buitenwereld

    In de tweede afdeling loert het gevaar: ‘Er woei papier door de brievenbus naar / binnen’. De buitenwereld dient zich aan en probeert door te dringen in het dagelijkse leven van beide geliefden. Er komen scheuren in hun zelfgebouwde cocon. De derde afdeling met haar afwijkende inhoud en vorm fungeert als de spil van de gehele bundel, het middelpunt waaromheen de andere afdelingen draaien. In deze cursief gezette drieregelige strofen wordt teruggekeken op het verleden en de oorzaak van de vlucht van de geliefden uit de buitenwereld. Ze rijden in een auto door een woestijnlandschap op weg naar een toevluchtsoord. Er heeft zich blijkbaar een grote, niet nader aangeduide ramp voorgedaan. Het heeft er alles van dat er een gruwelijke oorlog over het land getrokken is: ‘Op het koude veld liggen lichamen, / inmiddels zwijgende lichamen. / Ze liggen op hun rug.’

    In de vierde afdeling is de buitenwereld onontkoombaar binnengedrongen in de binnenwereld van de geliefden, die hun ogen niet meer kunnen sluiten voor de wereldbrand. Wat buiten gebeurt, heeft ongemerkt invloed op hun samenzijn: hun geluk wordt stroever, laat Boog de hoofdpersoon zeggen, en zij blijven bij elkaar omdat er niemand anders is. De vijfde afdeling klinkt als een berusting in niet alleen het verval van de buitenwereld, maar ook dat van het eigen lichaam: in hun zelfverkozen toevluchtsoord waren de geliefden veilig voor de buitenwereld, maar worden bedreigd door de voortschrijdende tijd. Ze zijn langzaam oud geworden, ziekte en aftakeling slaan toe, en ook de eens zo hechte liefde begint barsten te vertonen: 

    ‘De zon brandt op de harde rotsen,
    die elk jaar roder, dichter, ouder
    woestijn zijn. Wie buitenkomt
    gezicht brandt. Wie binnengaat
    duisternis vindt. Elk jaar na
    de gruwelijke winter is er meer
    troost in het uitzicht, meer troost
    in het gekende gezelschap, meer
    verlies. We gaan nooit meer weg.’

    De afgelegde weg voert onherroepelijk naar een triest einde in het allerlaatste gedicht:

    ‘In ons smeulen vuren, ons oppervlak
    is zwart en stil, een kratermeer
    bij wolkeloze avond. Daar vliegen
    de vleermuizen, daar gaan de uilen.
    We gooien het koude hoofd in de nek
    en huilen, eindelijk huilen we.’

    Het verval en de liefde

    De titel van de bundel brengt onvermijdelijk het beroemde werk van Gabriel García Márquez in gedachten, Liefde in tijden van cholera. Er zijn treffende overeenkomsten: Márquez vertelt ook over twee geliefden die pas, als ze al over de zeventig zijn, hun liefde kunnen vieren en beleven. Ook hier is veel aandacht voor het lichamelijk verval, ook deze geliefden vluchten voor de buitenwereld waar cholera heerst, en blijven op een boot – hun toevluchtsoord –  heen en weer varen over een rivier. 

    Mark Boog, die eerder de C.Buddingh’- prijs en VSB- poëzieprijs won, heeft met deze bundel een reeks klassieke liefdesgedichten geschreven, die traditioneel genoemd zouden kunnen worden, als het element van de wereld na het Armageddon niet zo nadrukkelijk aanwezig was geweest. De gedichten passen in deze tijd waarin de angst voor de toekomst prevaleert, maar Boog predikt niet, dringt niemand iets op en probeert niet te overtuigen van de naderende ondergang: de gedichten zijn rustig en laten in mooie beelden zien dat branden een onderdeel is van de liefde en het leven zelf. 

     

  • Rotonde als anticlimax

    Rotonde als anticlimax

    Mark Boog (1970) publiceerde vanaf 2000 een tiental gedichtenbundels en romans. Zijn nieuwste bundel De rotonde uit 2015 kreeg als ondertitel mee: ‘roman in verzen’, en is dus een combinatie van het verhalende en poëtische genre. Of er heel veel ‘romans in verzen’ zijn is de vraag … Een overbekend voorbeeld is Jevgeni Onegin van de Russische grootmeester A.S. Poesjkin uit 1833. Maar dat is veel omvangrijker dan De rotonde.

    De rotonde kent een strakke opbouw. Het bestaat uit drie afdelingen, die elk bestaan uit 33 gedichten. Elk gedicht telt vijftien regels, volgens het schema 4 : 4 : 4 : 3. De gedichten krijgen telkens hun beslag in twaalf regels. De drie slotregels vormen – met tal van kleine variaties – een telkens herhaald slotakkoord, een mantra die een ondertoon geeft aan het verhaal van dreigende onrust:

    Hij ziet de weg.
    Hij buigt het hoofd.
    Het onweert in de verte.

    Overtuigende poëzie

    De gedichten zijn gesteld in blanke verzen, ongerijmd dus, en met een krachtig en dwingend metrum en ritme. Daarmee overtuigt de dichter vanaf de eerste bladzijde. Was het niet A. Roland Holst die het een kenmerk van goede poëzie noemde als de lezer onwillekeurig de neiging voelt de gedichten in kwestie hardop voor te lezen? Mark Boog’s poëzie in De rotonde voldoet vaak aan dat criterium. De afzonderlijke gedichten, als ze al zo heten mogen, laten zich  op zich zelf lezen. Maar beter is toch ze tot je te nemen in de context van de hele bundel, als onderdeel van het verhaal, van de ‘roman’, omdat ze dan beter tot hun recht komen.

    Het verhaal gaat over meneer Van Dam. Hij heeft genoeg van zijn uitzichtloze bestaan dat kennelijk wordt bepaald door saai kantoorwerk, door de vergeefse maar niet aflatende zoektocht naar de liefde en door drankzucht. Hij heeft besloten zijn ziel aan de duivel te verkopen. Heel veel specifieke(re) contouren krijgt de figuur Van Dam niet, maar dat belemmert het meeleven of de geloofwaardigheid geen moment.

    Maar zelfs Van Dam herbergt een ziel. Hij loopt
    er jaren al mee rond, en is het dan
    een grauwe ziel, een ongevleugelde,
    het is er een. Zijn kostbaarste bezit.

    De advertentie die hij ooit de krant
    heeft aangeboden: “Ziel te koop. Niet duur.
    Als nieuw, haast ongebruikt. Gevraagde prijs:
    Talent, genie, genot, iets groots en vurigs.

    Ik wacht op vrijdagavond bij het kruispunt,
    na zonsondergang. U herkent mij
    aan de lege blik, de grijze jas
    het stof tussen de kaken.” Geen reacties.

    Overtuigend verbeeld

    En zo gaat Van Dam op pad, naar het kruispunt waar hij zijn ziel aan de duivel wil verkopen, net zoals volgens overlevering talrijke onwaarschijnlijk begenadigde kunstenaars en artiesten. Dit omineuze besluit valt min of meer samen met het concept van de zelfmoord. Zelfmoordenaars werden – eveneens volgens overlevering – begraven nabij een kruispunt, zodat hun zondige zielen de weg kwijt zouden raken. De rotonde verhaalt van Van Dams tocht naar zo’n kruispunt, en maakt de lezer deelgenoot van zijn overpeinzingen en inzichten. Poëtisch verwoord, sterk verbeeld, en overtuigend.

    De mens is een ontkenningsautomaat.
    Hij lacht zijn ziekte weg en pimpelt vrolijk
    de jenever binnen na crematie
    of begrafenis. Begint opnieuw.   

    Zo ook Van Dam – maar nu niet meer. Hij trekt
    zijn natte jas uit, vele kilo’s zwaar
    en laat hem achter op het wegdek. Dan
    slaat weer de twijfel toe. De nacht, het zwart,

    het niets! En onder het asfalt meters diep
    de zware klei, die zuigt, die aan hem trekt.
    Op hem leunt een zuil van storm en regen.
    drager van het al. […]

    Zelfbewust dichterschap

    De catch van Mark Boogs lange gedicht, helemaal aan het eind, is eigenlijk prozaïsch (no pun intended). Geheel in overeenstemming met de actuele praktijk in de wegenbouw is het kruispunt waarnaar Van Dam zo doelbewust en ‘definitief’ op weg was omgebouwd tot …? Juist ja: een rotonde. En daardoor is de betekenisvolle symboliek van het ‘kruispunt’ krachteloos geworden en ontlaadt de door de dichter opgebouwde spanning zich als een anticlimax. Van Dam rest geen andere keus dan doelloos rondjes te gaan draaien, achter een vage, grijze gestalte aan …

    De uitwerking van het verhaal doet denken aan een James Bond-film: Spannend, verrassend, onderhoudend, tot aan het einde, wanneer het verhaal steevast uit de bocht vliegt en het eigenlijk te gek wordt. Het lot van Van Dam in Boog’s De rotonde is niet zozeer ‘te gek’. De spanning, die zo knap, dreigend en beheerst werd opgebouwd, wordt aan het slot gewoon niet ingelost.
    Misschien is poëzie voor zo’n ‘verhaal’ dan toch een ongeschikt vehikel? Wel is het een uiting van Boogs sterke en zelfbewuste dichterschap. Dus: ‘verhalend’ is De rotonde niet helemaal geloofwaardig, poëtisch wel.

     

     

  • Zonder zang vaart niemand wel

    Zonder zang vaart niemand wel

    Met Maar zingend is de zesde bundel van Mark Boog (1970) in 13 jaar geworpen. En aangezien er tussendoor ook bijna evenzovele romans van zijn hand verschenen, en zijn dichtbundels niet tot de dunste behoren, mogen we hem gerust als een productief auteur beschouwen. En dat in weerwil van de levensfilosofie van de underdog die zijn werk lijkt uit te ademen. Een schoorvoetend optimisme, dat het halflege glas het voordeel van de twijfel gunt. En juist in zijn nieuwe bundel buigt Boog zich over de vraag ‘waar komt de levenslust vandaan?’ In het aangezicht van de dood wordt er nog zoveel ondernomen, maar waarom, waartoe?

    In het hart van de bundel, in de middelste van de zeven afdelingen waarin deze 71 gedichten tellende bundel is opgesplitst, klinkt in het gedicht Onooglijk maar zingend, dat inzet met ‘Zie de dag als een schedel opengaan’  het antwoord op de vraag waarom de onooglijke krekel zingt…‘vanwege de korte duur’. In een ander krekelvers echoot het: ‘Hoe onooglijk ook: zing! / Zing! Laat weten dat bestaat. […] Maar zing, zing! Verhef je / boven het harde gras, de kale steen. / Vanwege de korte duur.’ Bij wijze van huldebetoon mogen die onooglijke beestjes ook het omslag van deze bundel sieren. Vanwege al die goedbedoelde aansporingen kon Maar zingend wel eens de poëziebundel met de hoogste dichtheid aan uitroeptekens zijn! Toch zorgt de dichter met zijn ironie en understatement voor voldoende tegengas om aan de hem zo kenmerkende, poëtisch weifelende toon ook in deze bundel ruim baan te geven. ‘Vrolijk negerend! Zo gaan wij door het leven, / zo gaan wij voor elkaar / door het vrolijke leven.’ Humor, zelfspot geven genoeg lucht aan zijn werk. Mark Boog heeft zich laten kennen als een bedachtzaam dichter, die gaande het gedicht eerst merkt welke kant het op moet. Een dichter die met zijn aftastende gedachten zijn taalvermogen op scherp zet. De woorden zijn bij hem altijd helder. De zinnen kort. En een enkel neologisme als ‘dagdagelijks’ of ‘trouwogig’ voegt zich probleemloos in het zinsverband. Met een dichter als Hans Faverey heeft Mark Boog gemeen dat nogal wat van zijn gedichten variëren op een in gang gezette beweging waarvan het tot stilstand komen bezig is zich te voltrekken.

    Gered

    ‘In de prullenbak?
    Nee, naast de prullenbak.

    Oprapen dan maar,
    en toch maar niet weggooien.

    Als toeval bestaat – bijna smekend, de spreker smeekt –
    bestaat alles.

    Alles! En meer: ook wat niet bestaat.
    Dat bestaat ook.’

    Meer is het niet, maar het is vaak genoeg. De Duitse Bauhaus kunstenaar Oskar Schlemmer heeft eens opgemerkt dat een kunstenaar slechts aan een enkele beweging genoeg had. Daaruit viel genoeg inspiratie te halen voor een heel oeuvre. Te vermoeden valt dat Boog zich ook aan dit type kunstenaar verwant zou kunnen voelen. De reikwijdte van zijn gedichten is tamelijk beperkt. De toon na zoveel bundels vertrouwd. Een mooi en typisch Booggedicht is:

    Het lijkt te gaan regenen

    ‘Het lijkt te gaan regenen.
    In stille afwachting de grijze ochtend,
    die het ook niet kan helpen droog te zijn.

    Ergens wacht de opluchting van verwachtingen
    die uitkomen, hoe somber ook. Niet regenen
    is onaanvaardbaar.

    De ander, volmaakt, en de tekortkomingen
    ze vullen elkaar aan. Illustraties,
    niet meer dan illustraties.

    Op het bed, in de kamer die kleurloos lijkt, leeggebloed,
    een kleurloze gestalte. Wit, mager en toekomstig
    het aangezicht en de lakens.

    Wat doet het bed in de woonkamer?
    Het bed woont in de woonkamer.
    Het gaat regenen, het is droog.’

    De dichter speelt hierin een fijn spel van benoemen en verbeelden. Met de elkaar aanvullende tekortkomingen en verwachtingen houdt het gedicht z’n adem in. De verwachting werpt haar schaduwen vooruit, maar een soort verlicht stoïcisme maakt dat een sombere verwachting die uitkomt beter voelt dan een verwachting die niet uitkomt. Maar behalve de grijze, regenzwangere lucht buiten bevindt zich binnen het minstens zo onheilspellende wit van een ziekbed. Dient de ene tekortkoming ter afleiding van de andere? In een ander gedicht heet het: ‘Zonder vrees vaart niemand wel.’ In ieder geval geeft het gedicht genoeg te vermoeden om de opgebouwde spanning niet prijs te geven aan een eenduidig antwoord.

    Boog wisselt in zijn poëzie de eerste persoon enkelvoud geregeld af met de eerste persoon meervoudsvorm. Dat houdt hem uit de gevarenzone van de navelstaarderij. De aanwezigheid van de ander schuurt het zelfonderzoek en de verruimt de blik ervan.

    Vraag, Antwoord

    ‘Wat elkaar aan te doen,
    en hoeveel.
    Waarom, ook.

    Het huis kan vormen aannemen,
    sommige bedrieglijk echt,
    maar het is geen huis.

    De tuin dan?
    Die is tuin.
    We weten niet wat een tuin is.

    Er is altijd werk aan het verminderen
    van het onbekende.
    Geen werk is ooit gedaan.

    De vraag is: was het beter
    niet gedaan te hebben.
    Daarop een sluitend antwoord.’

    De laatste strofe legt echter een minpuntje van deze bundel bloot. Boog mag dan vanuit zijn denken tot poëzie komen, meestal lukt het hem om de gedachten weg te moffelen achter de eenmaal opgeroepen beelden. Maar in deze bundel willen de gedachten nog wel eens al te zichtbaar door het vers heen schemeren. Liever zien we uit de gedachten een aforisme tevoorschijn treden als: ‘Naarmate de wereld groter wordt / wordt de wereld kleiner.’ Ach, wat citeerbare zinnen betreft: die zijn ook in deze bundel niet zuinig gezaaid.

    Soms komt wat de dichter wat melig voor de dag: ‘Het kan natuurlijk zijn dat er bestaat, / maar het moet niet te gek worden: poneren is voor later/ Voorlopig is dit een gedicht, verder is alles onzeker./ (Dat is goed.)’ Maar de dit vers afsluitende regels ‘Ach, verrassen. / Wie kan het nog. / Wie wil het nog.’ weten de lezer toch weer in te pakken. Het probleem voor de recensent is dat op het citeren van een minder geslaagde, want wat al te gemakzuchtige regel: ‘Opdracht: doe vandaag iets. / Anders morgen. Het gaat erom /  dat het ergens om gaat.’ deze dan prompt gevolgd wordt door een aanzienlijk sterkere: ‘Het vreemde dat de dag is / vent zijn eigenschappen schaamteloos uit.’

    De reeks Naast iedere wieg heeft vooral ‘het kind’ in al zijn facetten, maar vooral de problematische, tot onderwerp. De moeizame pogingen van de ik-persoon om zich met het leven en zijn geliefde te verstaan, worden nu ingeruild voor de niet minder moeizame stappen van een kind op zijn levenspad. ‘Op de groei niet voorbereid is hij niet genoeg / om zijn lichaam te vullen. Te weinig inhoud / voor zijn rubberen benen, te weinig mens.’ Het sterkst is Boog als hij het menselijk tekort duidt in de reeks Als je je nu uitkleedt die een aantal liefdesgedichten of pogingen daartoe (Zevende mislukte poging om een liefdesgedicht te schrijven) bevat. Hierin toont de dichter zich als vanouds meester van de menselijke maat, het kwetsbare op de vierkante centimeter. ‘Niet het ene te zijn, noch het verre andere, / bestemming noch vertrekpunt: / de weg zelf, de afstand, je zo / steeds aan te raken.’ In deze poëzie is het vaak maar een regel, een enkel woord dat de waterscheiding vormt tussen geluk, tevredenheid of het verlies daarvan. Zijn gedichten geven de ik-figuur de illusie zich ternauwernood in de batige helft van het halflege glas te bevinden. ‘Elke volgende lente is een kleiner deel / van het mooie leven’.

    Een kwaliteit die deze bundel wel degelijk bezit is dat die bij herlezing andere gedichten als beste naar voren lijkt te schuiven. Want de woorden mogen dan helder zijn, de zinnen kunnen net op een afwijkende manier afbreken of vervolgen, en wat geruststellend leek in te zetten, kan zomaar in een weerhaakje uitdraaien. Kortom: op dit soort gedichten raakt men niet gauw uitgekeken. Aan dichten over het dichten bezondigt de dichter zich intussen royaal. Boog last er echter genoeg zelfspot in om met het overtreden van het gebod ‘gij zult niet dichten over het dichten’ weg te komen. In het allerlaatste gedicht schrijft hij ironisch dat het dichterschap een aan het ‘autisme verwante stoornis’ is, ‘die goed te behandelen is, bijvoorbeeld / door de dichter het dichten te verbieden.’ In de slotregels wordt dit maal niet tot zingen aangespoord, maar luidt het: ‘Sluit de ogen. Sluit toch de ogen.’ Een passende finale. De dichter is tot zwijgen gebracht. En voor Mark Boog, die keurig om en om poëzie en proza aflevert, zal de dichter misschien nog wel even mogen zwijgen tot zijn zesde roman geschreven is en de stand tussen beide weer gelijkgetrokken.

    Hoewel deze bundel misschien niet direct als eerste aan te bevelen valt ter introductie tot Boogs poëzie, zouden degenen die reeds voor zijn werk gevallen zijn zich aangespoord moeten voelen: laat ook deze bundel niet ongelezen!

     

    Maar zingend

    Auteur: Mark Boog
    Verschenen bij: Uitgeverij Cossee
    Aantal pagina’s: 92
    Prijs: € 18,90

  • ‘Wie één keer verliest heeft altijd verloren’

    ‘Wie één keer verliest heeft altijd verloren’

     

    De vuistslag is een heruitgave van de debuutroman van dichter Mark Boog (1970). Boog debuteerde in 2000 met de dichtbundel Alsof er iets gebeurt, waarvoor hij de C. Buddingh’ prijs ontving. Kort daarna, in 2001, verscheen zijn eerste roman De vuistslag, die onlangs opnieuw verscheen bij Uitgeverij Cossee.

    De ingrediënten zijn simpel, sober zelfs: een man, een vuistslag en een ziekenhuiskamer. Deze korte roman bestaat uit een lange monoloog van een naamloze man in een ziekenhuisbed. Verward door een vuistslag en koorts filosofeert hij er op los, af en toe in zijn mijmeringen gestoord door verpleegsters of bezoekende familieleden. Al meteen is duidelijk dat deze man niet deugt. Hij is geveld door een vuistslag, maar ook is er op hem geschoten. Het blijft onduidelijk wat er precies gebeurd is: is hij aangevallen of deed hij zichzelf iets aan na het aftuigen van zijn zwangere vriendin? Al moet de lezer natuurlijk wel begrijpen dat hij dat enkel uit louter goedheid deed. Iemand moest toch optreden? En hij was zo goed zich op te offeren. Eigenlijk is hij te goed voor deze wereld.

    Al is de hoofdpersoon op alle fronten even onsympathiek en onredelijk, verbaal is hij sterk, op het poëtische af. Hij vindt zichzelf een goed mens en zeer beschaafd.
    ‘Ik stond, en sta, op goede omgangsvormen. Ik groet beleefd en verdien beleefd gegroet te worden. Wie me bedriegt kan maatregelen verwachten, maar dat lijkt me niet meer dan billijk.
    “Dan ben je heel wat bedrogen kennelijk,” zei mijn broer snerend.’

    Zijn familie gelooft dus niet in zijn goedheid en vooral zijn zus, de enige die nog enigszins zijn respect geniet, probeert hem dit duidelijk te maken. Maar overtuigen kan ze hem niet. Hij blijft volhouden dat hij zich feitelijk inspant voor de goede zaak. ‘De beschaving en de beleefdheid waren zo hard op de terugweg dat het storend werd. Ter restauratie moest bij tijd en wijle hard worden ingegrepen.’
    En dat ingrijpen bestaat in het geval van de hoofdpersoon uit een vuistslag.

    Uitschakelen met één klap is zijn favoriete methode. Een techniek die hij door veel oefening heeft geperfectioneerd. ‘Het mooiste is als de neus breekt. Een machtig gevoel, een wonderschoon geluid.’ Zijn vader was jaren geleden zijn eerste slachtoffer en daarmee veranderden de verhoudingen binnen het gezin voorgoed. ‘De vuistslag van een winnaar, van de geboren leider, die af en toe laat zien wie de grootste is…’ Dat hij alleen slachtoffers kiest die hij aankan, maakt hem niet laf. Dat is ‘gewoon een kwestie van gezond verstand.’ Want ‘Wie één keer verliest, heeft altijd verloren. Winnaar is slechts hij die nooit verloor.’

    Hij mag dan geweld gebruiken, ontspoord is hij niet. Vindt hij, tenmiste.
    ‘“Ik heb altijd naar een gelijkmatig, beschaafd leven gestreefd,” ging ik verder. “Men stond me in de weg soms, dan moet je harder optreden.”’

    Beter kort en hevig uit de band springen, dan langzaam en langdurig, want ‘dat zou ontsporen zijn, dan kom je misschien nooit meer op het rechte pad.’

    De hoofdpersoon beweert zijn leven gebeterd te hebben. Hij tuiniert nu, een overduidelijke verwijzing naar Voltaires Candide. Maar of dat ook werkelijk zo is? In dit boek, met zijn onbetrouwbare verteller is niets wat het lijkt en blijft de waarheid goed verborgen.

    Er gebeurt niet veel in De vuistslag, je zou het verhaal misschien zelfs saai kunnen noemen, maar het poëtische karakter en de tekstuele juweeltjes maken van het boek een verrassing en een prettige leeservaring. Zelf geeft de auteur achter in het boek ‘Discussiepunten voor de leesclub’, maar De vuistslag lijkt ook geschikt voor lezen in het voortgezet onderwijs. Een dun boek wordt door leerlingen altijd met enthousiasme ontvangen, maar daarnaast kan het aanleiding geven tot interessante discussies over het nog altijd actuele thema zinloos geweld. Want wat zou de hoofdpersoon zeggen over zinloos en zinvol geweld?

     

     

  • Het lot valt altijd op Jona – Mark Boog

    Het lot valt altijd op Jona – Mark Boog

    Vanaf 2000 publiceert Mark Boog (1970) met een niet aflatende regelmaat (zes) dichtbundels en romans. Met Het lot valt altijd op Jona schreef hij zijn vijfde roman. Boog won o.a. de C. Buddingh’-prijs (2001) voor zijn poëziedebuut, in 2008 schreef hij de gedichtendag- bundel De encyclopedie van de grote woorden.
    Het lot valt altijd op Jona is een aangrijpend verhaal over de kwetsbaarheid van een kind, en hoe een goede relatie door een ernstig ziek kind onder grote druk komt te staan.

    Op een dag in april arriveren Sandra en Daan met hun zoon Jonas in het ziekenhuis. De dag ervoor keek de zevenjarige jongen nog uit naar de voetbalwedstrijd met zijn club, nu voelt hij zich niet lekker, valt voortdurend in slaap, spreekt wartaal en heeft last van zware, raadselachtige aanvallen. Geen van de specialisten begrijpt wat Jonas mankeert.

    Er volgen roerige weken, waarin het kind op het randje van de dood balanceert. Zijn moeder, Sandra blijft dag en nacht aan zijn zijde en begint het ziekenhuis meer en meer te zien als een levend wezen, een monsterlijke walvis die haar en haar zoon heeft opgeslokt.

    De raadselachtige aanvallen die Jonas te verduren krijgt en de grote gevolgen daarvan, de artsen en verpleegstersmet hun goedbedoelde clichétaal, rare patiënten, het labyrintische interieur van het ziekenhuis: dit alles zorgt ervoor dat Sandra ongemerkt vervreemdt van de buitenwereld en onvermijdelijk ook van haar man Daan.

    Hieronder een klein fragment uit het boek:

    ‘Sandra zuchtte voor ze de draaideur instapte. Het kinderziekenhuis scheen haar op een of andere manier te leven. Een dreigende, immense gestalte die haar net wat te gretig verwelkomde – opslokte, eigenlijk. Ze gebruikte beide handen om haar zevenjarige zoon Jonas, die slap tegen haar aanhing, te ondersteunen. Hij was zwaar. Zijn hoofd dreigde voortdurend van haar rechterschouder te glijden. Met een korte, schokkende beweging, alsof ze een rok of een broek optrok die net niet paste, corrigeerde ze de houding van de jongen.
    Voor haar – hij was met een sprintje van twee passen net één gelegenheid eerder de draaideur binnengegaan – liep haar man Daan. Hij hield zijn schouders hoog, verkrampt, en zijn handen waren, waarschijnlijk zonder dat hij het zelf wist, tot vuisten gebald. Hij stapte zo snel de draaideur uit dat het ding automatisch blokkeerde, waardoor Sandra bijna tegen het glas botste. Daan draaide zich om, zijn mond tot een dunne streep geperst, en wachtte. De deur kwam weer op gang, en Sandra betrad op haar beurt de grote hal van het ziekenhuis.
    “Moet ik hem dragen?”
    Sandra schudde haar hoofd. Ze knikte in de richting van de ronde glazen lift die ze enkele tientallen meters voor zich zag.
    “We moesten ons melden op de eerste verdieping.”
    Daan liep naar de lift. Sandra volgde voorzichtig.
    “Rustig maar,” fluisterde ze tegen Jonas, die allesbehalve onrustig was. Haar lippen raakten zijn nek. Hij voelde warm aan.’

    De bezorgdheid en de pijnlijke onmacht van de ouders wordt even indrukwekkend verwoord als de vechtlust en onverwoestbaarheid van het zieke kind. In deze roman laat Mark Boog zien hoe mensen in staat zijn, zelfs in de moeilijkste omstandigheden, nieuwe (levens)krachten op te roepen en te gebruiken.

    De roman is deels gebaseerd op de gedetailleerde ziekenhuisverslagen naar aanleiding van de opname van het zoontje van Mark Boog. Hij heeft voor dit onderwerp een toon en een taal gevonden die betoverend werkt en enthousiast maakt.

    In HP/De Tijd staat deze week een groot interview met Mark Boog, afgenomen door Raymond de Haan.

     

  • Een meester in zelfcorrectie

    Een meester in zelfcorrectie

    Tien jaar na zijn debuut als dichter is er nu de vijfde of zesde bundel van Mark Boog, naar gelang men de dunne gedichtendagbundel van 2008, Alle dagen zijn van Liefde, erbij rekent. Intussen schreef hij ook een viertal romans. Een eigen toon had hij bij zijn debuut al gevonden en intensiveerde die in wat daarop volgde. Een toon waarmee hij de Grote Dingen des Levens, zoals: eenzaamheid, liefde, dood en verdere onvolkomenheden van het leven, op behoedzame en subtiele wijze aftast. Een eerlijke en heldere toon ook, waarvoor je makkelijk, misschien ook vanwege de aanwezigheid van ironie en het ontbreken van cynisme, sympathie voelt. Dit oordeel geldt ook zijn romans, want in zijn gedichten herkent men de romancier en in zijn romans herkent men de dichter. Toch laat Boog zich allereerst op zijn gedichten voorstaan. Naar eigen zeggen doet hij het proza er gewoon bij.

    Dat Boog vaak leegte, daadloosheid, onvolkomenheid als uitgangspunt voor zijn werk kiest, zie ik dan ook niet als een onverschillig staan tegenover de genietingen des levens. Eerder vermoed ik dat de dichter zich er nu eenmaal prima door kan laten inspireren. De thermiek van de stilstand houdt Boog al tien jaar in de lucht. Hierin staat Boog niet alleen. Hoeveel dichters hebben de stilte niet als hoogste goed bezongen?

    Hoe verhoudt een en ander zich tot zijn nieuwste bundel, Er moet sprake zijn van een misverstand? Welnu, wat over zijn vorige bundels is gezegd, kan onverminderd op deze nieuweling van toepassing worden geacht. De bundel is gescheiden in twee ongelijke delen (53 versus 26 gedichten), waar we blijkens een verklaring van de dichter zelf niet al te veel achter hoeven zoeken, behalve dat het tweede deel jongere aanwas betreft. En van hogere kwaliteit is, voeg ik eraan toe. In het eerste deel kom ik zeker zinnen, strofen of hele gedichten tegen die mij zeer bevallen. Bijvoorbeeld:

     Het Gemis

    ‘Het gemis, voor het gevoeld wordt,
    bestaat al. Het heeft de moord
    al op het gewetendie ongepleegd blijft ? de daad
    als de vermindering van het woord,
    ontijdig, ongelukkig, ongeveer.

    Laat ons dus tot elkaar weerkeren.
    Er stond ons niets in de weg,
    en zelfs nu nog slaan de deuren open,
    krijsen de vogels, stokt het vergeten.’

     

    Maar ik had ook het gedicht Som kunnen kiezen:

    ‘Men omgeeft zich met de ruimte die nodig is
    om ongelukkig te zijn. Niet dan stuurs
    begaat men zijn handeling.
    Achter zijn eindes aan beklemt men,

    Haalt het slechtste uit zichzelf, vermenigvuldigt het,

    een som zo schoon, zo mooi,
    dat alles klopt.’

    Mooie gedichten die hier en daar een beetje aan Faverey en Kouwenaar doen denken. Een mindere dichter bezwijkt aan zijn voorbeeld, maar de betere sterkt zich eraan. Toch staan in dit eerste deel enkele gedichten die wat vlak blijven. Zo verwoorden in het gedicht ‘Verslag’ de zinnen braaf de ontvouwde gedachte zonder dat ook maar één zin zich daartegen schrap zet. En zeker in het tweede deel kom ik op genoeg aangestreepte gedichten uit om van een geslaagde bundel te mogen spreken. Overigens ben ik allerminst van mening dat een bundel alleen maar the best of zou moeten bevatten. Van deze bundel kan geen gedicht gemist worden.

    Een mooi en typisch ‘Booggedicht’ uit dit tweede deel vind ik Veel:

    ‘Welaan, weer buiten. Er is veel buiten.
    Ziekbedgeuren hangen aan, vervliegen
    maar langzaam. Ik ben door en door verrot.

     De lucht is geluk, en er is veel van. Veel
    is ook verdwenen, ongemerkt en ?herroepelijk.
    Ik zeg het anders: er is weg. Er is terug.

    Het drukt op de ogen, het zware licht,
    de wind doet rillen, het is een voorrecht,
    een voorrecht zeg ik, om te leven. Wees

    dankbaar, zeggen ze. De verjaardag,
    de verre tante, het cadeau. Wees dankbaar.
    Het kan stuk gaan maar het is nu nog nieuw,

    je hebt het al maar het is nieuw. Mompel van
    schoonheid en van vreugde, zeg: ‘het is te veel.’’

    Aandoenlijk is de onbeholpenheid waarmee de net van een ziekbed verrezen ik zichzelf op de been houdt en de peptalk van derden herkauwt, om dan bijkans te bezwijken onder de attenties van een verre tante. Typerend voor zijn stijl is de afwisseling van over de versregel heenlopende zinnen met korte zinnetjes. Ook het spel van de herhaling van de woorden, die stelling gaan nemen in het gedicht. Een ogenschijnlijk strompelend gedicht, maar erg subtiel opgebouwd. Ook dat zien we veel bij hem.

    De eeuwige strijd die de kunstenaar met de werkelijkheid heeft uit te vechten. Steeds ontglipt er iets, en onderwijl sluipt er ongemerkt iets onvolmaakts naar binnen. Zelfs bij zoiets als ‘een hond aan een ketting op een foto’ kan het nog verkeerd gaan.   Het volgende gedicht handelt over soortgelijk leed:

    Betreffende begin

    ‘Elk begin is een vernietiging.
    Elk perspectief op verre bergen, dalen,
    doodt ze, legt ze vast in weliswaar bevallige
    maar toch onhandige posities.

    Nergens, dat is mooi, nergens dringt zich op
    het onvermijdelijke alternatief.

    Slechts is, maar snel vergeten,
    weg de envelop nog ongeopend, het pakpapier nog intact,
    het kind voordat het leert wat voor hem klaarligt,

    de blik, de trieste blik, het onuitspreekbare
    geluk dat afspat van begin
    als vlokken marmer van een beeld
    meesterwerk of niet.‘

    Een stevig aforisme als inzet. Niets haalt het bij het begin dat nog niet begonnen is, het onbedorven kind dat nog niet door leren is aangedaan.

    Een erg aardig gedicht, tot slot, heet enkel O:

    O, het licht en de ochtend, hand in hand,
    o de vroegte. Iets is weg, iets in mij,
    en ik zie de voorlopigheid van de velden,
    de voorlopigheid en de precisie.

    Onzwaarte neemt bezit, en vliegen
    nee blijven is wat ik doe. De huizen als struiken
    staan verspreid over het land. Alles is natuur.
    Een vroege morgen zoals alle, zoals deze’

    Vanwege de aanhef ‘O’, valt het moeilijk dit niet ironisch te duiden (Boog hanteert hierin ook nog eens prachtig de stijlfiguur van de zelfcorrectie; hij is er een meester in), maar toch is de onderliggende lyriek er niet door verstikt. Het gedicht wint bij die dubbelheid. Een bijzonder geslaagd gedicht. Misschien wel het mooiste. Maar hij kan bij herlezing zomaar zijn koppositie moeten afstaan aan een ander gedicht. Veel is mogelijk in deze bundel. Dank daarvoor.