• Een boek om te koesteren

    Een boek om te koesteren

    ‘Wat moet ik dan doen met die mooie topazen oorbellen? Een belachelijke eerste gedachte. Die ik toch heb, ’s nachts in bed, als ik mezelf toesta vlak voor het slapen gaan even te denken aan “als ik nu zou horen dat ik niet zo lang meer te leven zou hebben.’’’

    Het is voorjaar als dichter en schrijver Marjoleine de Vos een bultje ontdekt bij haar kaak, onder haar rechteroor. Ruim een half jaar later is het bultje uitgegroeid tot een speekselkliertumor en de oncoloog besluit tot een operatie. Het zal wel meevallen, zegt hij. Waarop De Vos noteert: ‘Precies wat ik dacht, behalve op de momenten dat ik het niet dacht.’ En deze momenten kwamen vaker voor dan ze zou willen. Ze doet er verslag van in het kleine, fraai uitgegeven boekje Zo hevig in leven, een overpeinzing over sterfelijkheid. De titel is een dichtregel uit een van haar gedichten, ‘Mevrouw Despina leest een psalm’ uit haar bundel Zeehond graag uit 2000. Het gedicht staat ook vooraan in dit boekje, als een motto, en het vat de inhoud ervan prachtig samen: angst en onzekerheid over het leven en het einde daarvan wisselen in haar gedachten van plaats met de betekenis en de vreugde van het hier en nu. De

    Houvast zoeken in de natuur 

    Vos zet haar gedachten om in prachtig proza, onnadrukkelijk, alsof ze in zichzelf praat. Ze vertelt over haar angsten, haar herinneringen, alles wat ze liefheeft en vreest te moeten achterlaten. Ze denkt na over haar eigen afwezigheid, de vergankelijkheid van de mens. Hoe moet je je voorstellen dat je er niet meer bent. Het feit dat de artsen geen definitieve diagnose hebben kunnen stellen, maakt het voor haar nog moeilijker: hoe moet ze zich verhouden ten opzichte van het leven. Houdt het op of gaat het verder. En als het verder gaat, hoe dan. Gedachten over wat er kan gebeuren met haar gezicht: ‘Niet het mijne! – en hou hierover op.’ Houvast vindt ze in relativeringen die ze zoekt in de natuur, haar liefde zonder voorbehoud voor dieren, waaronder haar vogeltjes – die keren steeds terug in de tekst – en voor de literatuur. Om troost en bevestiging en om te weten dat ze niet alleen staat, citeert ze Vestdijk, Vasalis, Szymborska, Proust en Nijhoff (‘die verlichten mijn dagen’), maar vooral Mary Oliver, die net als zijzelf inspiratie vond in de natuur en dichtte over de ‘overgave aan de natuurlijke wereld’: natuur, stilte, dieren. 

    Nadenken over het leven voert haar onvermijdelijk terug naar het verleden: ‘Een heerlijke tijd natuurlijk, oorlog lang voorbij, iedereen werd almaar rijker, we geloofden eindeloos lang in zoiets als vooruitgang’. Ze kan niet anders dan concluderen: ‘Ja, ik heb in allerlei opzichten geboft met mijn tijd van leven. Bof nog steeds.’

    Als ik er niet meer ben

    Van september tot en met februari schrijft De Vos niet alleen over haar gedachten maar vertelt ze ook over het hele medische circuit waarin ze beland is: onderzoeken, uitslagen, uitzichtloosheid en strijdend met hoop, verwijten maken dat de tumor veel te laat ontdekt is en dat het veel te lang heeft geduurd voordat er iets aan gedaan werd. ‘Als ze in september dat bobbeltje hadden weggehaald. Dan was er geen avond geweest waarop ik wanhopig had gedacht: Zelfs een jaar is genoeg, echt waar, laten de goden mij nog een jaar toestaan. Maar niet nu al.’

    Ze denkt na over haar begrafenis en welke muziek er dan gedraaid moet worden. Herkenbaar voor iedereen die hetzelfde meemaakt. Maar het ergste vindt ze het verdriet van anderen, als ze moet vertellen wat er met haar aan de hand is. En de angst dat je degenen van wie je houdt niet goed achterlaat. ‘Dus dan fantaseer is hoe ik hem veel geld kan nalaten, waarmee hij dan iets kan gaan doen. Welk geld. Wat doen. Ik wil hem gewoon vast blijven houden als ik er niet meer ben.’

    Tijdens de operatie, de dag na nieuwjaarsdag, zijn er geen uitzaaiingen gevonden. ‘Zucht van opluchting, alsof die arts zei: gij zult leven, zonder dat er ooit gezegd is dat dat niet het geval zou zijn […]’ Zekerheid wordt niet geboden, als er niets gevonden is betekent dat nog niet dat er ook niets is. Maar: ‘Ik heb geen klachten. Ik leef.’ 

    Overgave aan het leven

    En dat is wat blijft als je haar boek hebt gelezen, haar overgave aan het leven, haar verwachtingen, haar levenslust. Het heeft te maken met, zoals ze schrijft, ‘het loslaten van jezelf.’ Alsof  ‘jezelf’ er niet meer zo veel toe doet, zegt De Vos, ‘kijken naar wat er aan leven is buiten je, en niet denken: wat betekent dat voor mij, niet zoeken naar wat er in je omgaat.’ In de woorden van Elisabeth Eybers, die zij citeert, heet het: ‘Zelfafstotend groeien.’ De Vos voelt dat als zij haar geliefde vogels observeert, mussen, wulpen, sternen, groenlingen en koolmezen. Die spreken tot haar, net als de woorden van Eybers, ‘zomaar wat woorden om mee te nemen in het ijverige alledaagse dwalen, zoeken, leven.’

    Zo hevig in leven is een intiem boek dat de lezer rechtstreeks in het hoofd en hart van de dichter laat meekijken hoe zij deze moeilijke periode beleefd heeft. De Vos doet niet aan zelfbeklag. Ook maakt ze geen grote gebaren of verheft haar stem. Het is een open en eerlijk relaas dat niemand onverschillig zal laten. Wie in dezelfde situatie verkeert of verkeerde als zij, zou dit onsentimentele maar ontroerende boek moeten lezen. En zo troost te vinden in de woorden die zij heeft gegeven aan wat veel mensen moeten doorstaan. Dit is een boek om te koesteren.

     

     

  • Oogst week 51 – 2023

    Oogst week 51 – 2023

    Russisch familiealbum

    ‘Van mijn kennissen woont er niemand meer in het huis waar ze zijn opgegroeid of zelfs maar in de stad of het dorp waar ze hun kinderjaren hebben doorgebracht. De meesten van mijn vrienden leven gescheiden van hun ouders. Velen zijn in het ene land geboren en wonen nu in het andere. Anderen leven in ballingschap en geven hun gedachten gestalte in een tweede taal te midden van vreemden. Ik heb vrienden wier familieverleden uitgewist is in de concentratie-kampen. Zij zijn de weeskinderen van de geschiedenis.’

    Zo begint Russisch familiealbum van Michael Ignatieff. Het lijkt zo actueel, maar nieuw is dit boek zeker niet. Het is verschenen in 1987 en het is ook niet de eerste keer dat het in Nederland uitgebracht wordt. Het is een echte klassieker, en door de oorlog in Oekraïne zal het zeker weer op de belangstelling van veel lezers kunnen rekenen.
    In deze familiekroniek die o.a. de laatste jaren van het tsaristische Rusland beschrijft, gaat Ignatieff (zoon van een Russische graaf en een Canadese moeder) op zoek naar het verhaal van de familie van zijn vader. Zijn grootouders vluchtten tijdens de Russische Revolutie. Russisch familiealbum is op hun memoires gebaseerd. Ignatieff riep ook de hulp in van familieleden en maakte voor het boek in 1983 en 1986 twee studiereizen naar de Sovjet-Unie.

    Russisch familiealbum
    Auteur: Michael Ignatieff
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Puur geluk en andere verhalen

    De Engelse schrijfster Katherine Mansfield (1888 – 1923) wordt alom gewaardeerd om haar korte verhalen. Ze werd geboren in Nieuw-Zeeland. Voor haar studie vertrok ze naar Londen. Ze keerde daarna voor korte tijd terug naar haar geboorteland. Daar aarde ze niet meer en ze koos uiteindelijk definitief voor Europa, waar ze zich desondanks ook nooit helemaal thuis heeft gevoeld. Haar bekendste korte verhalen schreef ze met Nieuw-Zeeland als achtergrond. Een daarvan is Puur geluk.

    Mansfield was bevriend met o.a. de schrijvers Virginia Woolf en D.H. Lawrence en was een groot liefhebber van Tsjechov, door wie zij ook geïnspireerd werd. Zij schreef over mensen die vastzitten in situaties waarin ze permanent tegenover elkaar lijken te staan en pijnlijke schade veroorzaken door hun onvermogen om open en eerlijk te zijn. De veertien verhalen in Puur geluk gaan over dingen die meestal niet gebeuren en gevoelens die niet gedeeld kunnen worden.

    Barbara de Lange vertaalde Puur geluk. Zij vertaalde o.a. ook Virginia Woolf, D.H. Lawrence, Donna Tartt, Howard Jacobson en Margaret Atwood.
    In december 2023 ontving De Lange de Letterenfonds Vertaalprijs, een oeuvreprijs voor literair vertalers die zich onderscheiden door o.a. de hoge kwaliteit van hun vertaalwerk.
    In 2017 publiceerde Literair Nederland een interview met haar.

    Puur geluk en andere verhalen
    Auteur: Niek Hendriks en Theo Hendriks
    Uitgeverij: Uitgeverij Athenaeum (2023)

    En steeds is alles er

    Marjoleine de Vos is schrijver en dichter. Ze is daarnaast columnist en redacteur kunst bij NRC Handelsblad. Voor haar dichtbundel Zeehond werd ze in 2002 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2023 kreeg ze de Groenman-taalprijs, die elke twee jaar wordt uitgereikt aan een schrijver die zich onderscheidt door goed en creatief gebruik van de Nederlandse taal.
    Dat ze zich goed kan uitdrukken is – zeker over een onderwerp als de dood – van grote waarde, en meteen te ervaren in de beginpagina’s van En steeds is alles er waarin de auteur haar eerste verwondering beschrijft als ze het levenloze lichaam ziet van de man van wie ze gehouden heeft.
    ‘De laatste blik op het gezicht, zó graag had je die willen werpen, maar die is onmogelijk, omdat het gezicht het gezicht niet is. De wisseltruc van de dood, die je liefste meeneemt en je achterlaat met iets van Madame Tussauds. Iets wat al na korte tijd best weg kan.’

    Om even later verder te gaan: ‘En dan ligt het daar, netjes aangekleed in het mooie overhemd, het gezicht in een plooi die je er nog nooit op hebt gezien. De aanraking van die wasachtigheid, de streling die je bedoelde en die afketst van de koude wang. Het lichaam heeft de dierbare losgelaten. De scheiding tussen lichaam en geest is duidelijk zichtbaar en de geest is weg. Laat dat lichaam dan ook maar – néé! Laat me het lichaam houden! De tegenstrijdigheden.’
    Rake uitspraken en emoties. Voorstelbaar, en zo herkenbaar.

    En steeds is alles er
    Auteur: Marjoleine de Vos
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot
  • Dichterbij dan waar je kijkt

    Dichterbij dan waar je kijkt

    Het leven lijkt zich altijd elders te bevinden dan waar ik mij ophoud. Ik tuur ernaar, soms kom ik het nader. Waarom ik me er dan toch weer van afkeer, afstand zoek, weet ik niet. Wil ik enkel reiken, turen naar daar waar ik niet ben? Ben ik verslaafd aan verlangen, ‘Sehnsucht’, hartepijn? Nog een vraag. Wat is het toch dat ik zo graag lees, verlang naar een boek? Dat vroeg ik me af toen ik in het prachtige boekje Je keek te ver van Marjoleine de Vos stuitte op de vraag, ‘Wat is het toch dat je zo kunt verlángen naar wandelen?’ 

    Het afgelopen weekend had ik in Den Haag bij Crossing Border zullen zijn. Bij het interview met Zadie Smith, wat een ‘heerlijk gesprek’ moet zijn geweest. Ik had erbij zullen zijn. Ook bij het gesprek met de Palestijnse schrijver Adania Shibli, bij Michel Faber die een boek over muziek had geschreven. Ik zou het gehoord hebben als de interviewster aan Zadie Smith vroeg hoe haar schrijfdag eruit zag. ‘Ik breng mijn kinderen naar school, ga schrijven en haal mijn kinderen weer van school.’ Van zo’n overzichtelijk leven wens ik subiet schrijver te zijn. Maar goed, mijn kinderen zijn geen kinderen meer die gebracht en gehaald moeten worden. En er was sprake van hartepijn.

    Vorige week donderdag liep ik naar de winkel, het stormde. Het hart joeg me voort, wind sloeg de panden van mijn jas alle kanten op, woelde mijn sjaal los. Gebogen stapte ik voort langs tuinen met op maat gecultiveerde bomen, struikige planten, grind en tegels. Mijn oog viel op een stuk stof tussen de struiken, bont leek het. Een knuffeldoek van een kind, verloren toen het achterop de fiets zittend voorbij kwam. De storm nam het mee, bracht het hier. Ik keek nog eens, zag hoe de stof iets levends werd. Een konijn, nee, een haas. De lange lepeloren gestrekt over zijn rug. Donker bolle ogen, wijdopen neusgaten. Het lag er doodstil.’ Toen, nog voor ik ‘Hee, haas’ kon zeggen, was het verdwenen. Ik keek het na, dacht, ik heb een haas gezien. Ik was er buiten adem van.

    Zaterdagochtend zat ik, enigszins bedeesd (angsthaas) omdat mijn galopperend hart mij tot thuisblijven dwong, aan tafel. Ik las hoe de Israelische schrijver Edgar Keret in een interview vertelde dat hij, op de ochtend van 7 oktober, toen al dat verschrikkelijks in de kibboetsen in het zuiden van Israël gebeurde, er vanuit Tel Aviv naartoe wilde rijden. Om te helpen, mensen te redden. Tot hij bedacht dat hij geen auto reed. ‘Ik kan niet rijden. Ik kan niet eens een verband aanleggen. Ik kan gewoon niet zoveel.’ Dit blootleggen van zijn onvermogen iets te kunnen doen, bracht mij dichter bij de vreselijkheid van dit alles dan welk nieuwsbericht ook. Het willen reiken naar al wat we weten, wat we zien, iets willen doen, helpen. Het is als je tanden stukbijten op een stuk hout, deze realiteit.

    Marjoleine de Vos denkt tijdens een wandeling over het Groningse platteland na over een lezing over duurzame spiritualiteit. Ze ontmoet een vijfentachtigjarige, bijna blinde boer, vraagt hem, ‘Kunt u me zeggen: wat maakt het leven de moeite waard?’ Waarmee ze duurzame spiritualiteit vertaalt naar waardevol leven. ‘een houding die je vooruit helpt in het leven, een kijk op de wereld die het de moeite waard maakt haar te zien zoals ze is. “Nou”, zei hij, ‘dat is wel een héél gemakkelijke vraag.” Hij zweeg even en ik vroeg me af of hij eigenlijk wel begrepen had wat ik vroeg. Maar hij zei kalm: “Het gaat erom voldoening te hebben in wat je doet en in harmonie te leven met je omgeving.”’
    Je keek te ver, ik kijk te ver. Zoveel begreep ik wel.

     

     

    Je keek te ver / Marjoleine de Vos / wandelreeks ‘Terloops’ / Van Oorschot.


    Inge Meijer – een pseudoniem – schrijft wekelijks een column.

     

     

     

  • Wij roeien ruggelings naar later

    Wij roeien ruggelings naar later

    Veel van wat Marjoleine de Vos schrijft in haar laatste bundel roept associaties op met de misschien wel meest bekende uitspraak van de Deense filosoof Kierkegaard: Het leven kan alleen achterwaarts worden begrepen, maar moet voorwaarts worden geleefd. Waarbij moet worden opgemerkt dat we ons bij dat ‘begrijpen’ niet al te veel moeten voorstellen. Want daar gaat het bij de gedichten in Hoe verschillig regelmatig mis. Er valt weinig te be-grijpen of te be-vatten. Was het maar zo simpel. Niet voor niets koos De Vos voor een motto van de hand van collega-dichter Hans Tentije.

    dat het verleden nooit voorbij is
    maar zich ergens anders bevindt –
    in de leemten, de wijkplaatsen van herinneringen en vergeten

    Na de vragen of dat verleden nu wel of niet voorbij is, en waar het zich dan zou bevinden, rijzen er meteen nieuwe vragen. Is dat verleden wel zo eenduidig als wij vaak – en graag – aannemen? Wat hebben we aan onze herinneringen als dat verleden zich zo moeilijk laat kennen en bewaren?

    Odysseus & Penelope

    Hoe iets of iemand door de tijd verandert, wekt nogal eens verbazing en verwondering, en niet zelden zelfs verwarring. Des te meer als we dat iets of die iemand al langer niet hebben gezien. We zijn dan immers geen getuige geweest van de veranderingen die in de tussentijd hebben plaatsgevonden. Daarbij speelt mee dat de dingen in het echt toch altijd anders gaan dan in de voorstelling die wij er in onze verbeelding van maken.

    Je bent het denk ik wel, ik ken je wenkbrauwboog
    de welving van je voet, ik houd zo pijnlijk veel

    van wie je was in mij, van mijn geweven beeld
    dat niet is jij, die man hier, slapend, aan mijn zij.

    Valt er nog wel iets te herkennen als de periode van afwezigheid te lang heeft geduurd. Is de band, opgebouwd uit de unieke, intieme details en honderden herkenbaarheden van allerlei aard, is die band, dat bij-elkaar-horen op zeker moment niet over z’n kantelpunt heen? Wat valt er nog bij te praten als je zo lang geen getuige meer bent geweest van elkaars leven; als je allang niet meer diegene bent die je toen was? Wat heeft het dan nog voor zin?

    Een weemoedig besef, dat niet alleen wordt benoemd in het eerste deel, Odysseus keert niet terug, maar ook in de andere drie delen van de bundel: ‘God doet de rest’; ‘Gedichten zeiden dat alles voorbij moest gaan; ‘Het mooie overhemd weer aan’.

    Dat gezicht van je

    De motieven uit de Griekse mythologie waar De Vos vrijelijk mee speelt, zijn ook zonder voorkennis op dat gebied goed te verstaan, omdat het telkens weer gaat om thema’s die ten diepste menselijk zijn. In alle grote literatuur – van bijbel tot Shakespeare – komen we ze tegen: verlangen en gemis, het gereis en gezoek naar waar en bij wie men thuis is, liefde, dood, verraad, of menen te worden verraden. En de ultieme desillusie: dat wie denkt met de tijd te kunnen spelen altijd aan het kortste eind trekt.

    Voorbije uren, dagen, jaren keren nooit meer terug, en de geliefden van wie we ooit afscheid namen meestal ook niet. En mocht die geliefde toch wel terugkeren, dan is het hoe dan ook niet meer de man, de vrouw van wie we eertijds de laatste aanblik in ons geheugen hebben vastgezet.

    We praten maar. We wisten niet
    dat dit, dit tasten zoeken wijken
    dat dit is wat er rest. Dit ben jij nog
    een pen die krast over papier.
    Ach dat gezicht van je.
    Ik krijg het niet meer hier.

    Waarmee zich de volgende valkuil aandient. Hoe betrouwbaar is ons geheugen eigenlijk? Niet zo erg betrouwbaar, en dat betreft niet alleen de vertekening die optreedt naarmate de tijd verstrijkt. Meteen al bij het inprenten gaat het mis. We slaan die beelden van onze geliefden tenslotte niet voor niets op. Als het ons niets kon schelen, zouden we immers ook geen moeite doen om iets van hen vast te houden. Maar het kan ons wel degelijk iets schelen. Of nu ons kind voor het eerst alleen op de fiets naar school gaat, ons vriendje een tussenjaar neemt en gaat backpacken aan het andere eind van de wereld, een partner op missie gaat in oorlogsgebied, we slaan dat beeld op omdat we rekening houden met de angstige mogelijkheid dat hij of zij misschien wel niet meer terugkeert.

    Wat de aanleiding ook is, het opslaan van zo’n innerlijk beeld is allerminst een neutrale handeling, maar van meet af aan beladen met emotie van welke soort dan ook. Daarmee zijn ook onze opgeslagen herinneringen per definitie gekleurd. Persoonlijk, uniek, niet uitwisselbaar, en valt dus ook niet te controleren of en in hoeverre dat beeld wel klopt met het gegeven dat eraan ten grondslag ligt.

    Onnozel wie zichzelf vertrouwt

    Dergelijke op voorhand gekleurde, beladen en belaste beelden beschrijft De Vos. En wel op zo’n cryptische wijze dat je je als lezer meermaals afvraagt: hoezo herinnering? Is er eigenlijk wel iets gebeurd, of is zelfs dát een illusie? Een onvast gevoel dat nog wordt versterkt door de rafelige, onafgemaakte zinnen. Alsof zelfs de taal aarzelt of deze gebeurtenissen wel echt hebben plaatsgevonden en echt genoeg zijn om te kunnen worden vastgelegd.

    En jij, hoe leef je nu je onbereikbaar bent.
    Denkt nog aan mij, voert kleine riten uit
    rond wat er rest: een schoen, bikini
    die ik ooit, een handgeschreven zoen
    sieren de leegte die ik achterliet.
    Ben ik het uitgespaarde gat in je bestaan.
    Een door jou zelf geschapen vrouw.

    Op enkele verzen na die niet zozeer qua stijl als wel qua diepgang uit de toon vallen – te lollig, te gezocht, te voor de hand liggend – is het merendeel van deze bundel van een toon en inhoud die beklijft. Ook als het boek allang dicht is, blijft men in het eigen hoofd bezig met wat zich daar in de loop der jaren allemaal aan herinneringen heeft opgestapeld, en bevraagt men de betrouwbaarheid daarvan. Was hij wel echt zo knap? Was die vakantie eigenlijk wel zo heerlijk? Heb ik het me niet gewoon verbeeld?

     

     

  • Oogst week 10 – 2021

    Ernest Hemingway is gecanceld

    Ernest Hemmingway is gecanceld van Henk van Straten (1980) is een stevige roman over censuur cultuur, met vragen als waarom het (witte) man-zijn een probleem is, en wat is eigenlijk masculiniteit? De hoofdpersoon in het boek heeft twee linker handen, vindt zichzelf een zwakkeling die zich laat imponeren door twee dakdekkers die zijn dak komen repareren. Mannelijke mannen dus, wat leidt tot enige verrechtsing in denkbeelden en dan moeten er keuzes gemaakt worden. Naast dat politiek een rol speelt, gaat deze roman gaat ook over een vriendschap. Het boek is opgedragen aan Selim Lemouchi (1980 – 2014), frontman van de occulte band ‘The Devil’s Blood’. Op een van de laatste bladzijden is dit liefdevolle citaat te lezen:

    Moet je zien Semmie. Moet je nou toch zien. Hoe kan dit tegennatuurlijk zijn? Ik bleef het prevelen tegen mijn oude, dode vriend, voor wie mens-zijn een straf was en de mensheid een misdaad, gepleegd door de Demiurg die ons had vormgegeven, terwijl hijzelf, Semmie, zo mooi was, en ik nog steeds zo dankbaar voor zijn bestaan.’

     

    Ernest Hemingway is gecanceld
    Auteur: Henk van Straten
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Naar Lillehammer

    Er is een nieuwe roman van Vonne van der Meer (1952) verschenen, een schrijfster met een geheel eigen stem. Haar werk wordt gewaardeerd om haar lucide stijl en haar scherpe psychologische inzicht. Haar oeuvre telt dertien romans, verschillende verhalenbundels, novellen en theaterstukken. Haar personages raken vanuit herkenbare levens altijd verwikkeld in bizarre situaties. Stel je voor dat iemand je in een speeltuin vraagt even op haar peuter te passen, en dan niet meer op komt dagen? Dat is wat er in Naar Lillehammer gebeurt. De kinderloze Cécile neemt de zorg voor het kind op zich als de moeder verdwenen is. Maar algauw krijgt ze ook de zorg van de moeder erbij, de Nigeriaanse Gladys.

    Deze wil uit de prostitutie maar haar pooier laat haar niet met rust waardoor ze zich in de stad niet veilig voelt. Ze vlucht naar een afgelegen vakantiehuis in de bossen bij Lunteren, maar ook daar ontkomt ze niet aan de macht van haar pooier.
    Er komt een rechercheur in voor, een mortuarium en een verhoor. Evenals in haar andere boeken wordt er ook in Naar Lillehammer de vraag gesteld over goed en kwaad.

    Naar Lillehammer
    Auteur: Vonne van der Meer
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Hoe verschillig

    Marjoleine de Vos (1957) schrijft over kunst, literatuur en koken, en heeft een tweewekelijkse column in het NRC. Een selectie uit deze columns werd in 2000 gebundeld in Nu en altijd: bespiegelingen. In dat jaar verscheen ook haar eerste poëziebundel Zeehond graag, in 2003 gevolgd door Kat van sneeuw. In 2008 verscheen haar laatste en goed besproken bundel Het Waait.
    Haar nieuwe bundel Hoe verschillig bestaat uit veertig gedichten waarin ze de onmogelijkheid van de terugkeer onderzoekt. Hieronder een voorpublicatie uit de bundel:

    Melancholie van het heden

    Het maakt niet uit haast waar je bent,
    een plein of stad, het weidse land,
    elk uitzicht spreekt je van voorbij.
    Of nooit geweest, maar toch gemist.
    Niet jij maar iets in je, wat voelt of
    meetrilt met muziek, zoekt
    in de lucht, de sloten, geur van hooi
    het landschap dat je kent in jou,
    dat óók zo blauw en zomers was.
    Het komt betoverend tevoorschijn:
    gelach van ouders, zingen op de fiets,
    de sprong het juichend water in. Niets
    sprak tot je zoals nu en zei –
    oh onterecht – dat alles wat je leeft
    slechts echo is, een naklank. Bijna echt.

     

    Hoe verschillig
    Auteur: Marjoleine de Vos
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Wandelen bevrijdt de mens van zichzelf

    Uitgeverij Van Oorschot brengt een nieuwe reeks uit, getiteld Terloops, die bestaat uit kleine wandelboekjes waarin schrijvers hun favoriete wandeling optekenen. De eerste twee zijn Bergje van Bregje Hofstede en Je keek te ver van Marjoleine de Vos. De serienaam Terloops is wellicht ontleend aan het eerste van de drie wandeldagboeken van J.J. Voskuil, eveneens auteur bij Van Oorschot. Hofstede en De Vos gebruiken beiden het woord terloops ergens in hun tekst. Dat kan geen toeval zijn. Zij verbinden de buitenruimte met particuliere ervaringen en gebeurtenissen uit verleden, heden en de toekomst die beide auteurs voor de natuur donker inzien.

    De wandelingen vormen de basis voor een vertelling over persoonlijke belevenissen en gevoelens, al zijn de bespiegelingen van De Vos filosofischer van aard. Hofstede’s titel Bergje spruit voort uit de fantasie in haar kindertijd, toen ze met haar ouders en zus jaarlijks in de Dolomieten ging skiën en ze geobsedeerd raakte door de berg Sass Songher. Ze verbond haar voornaam met het woord berg. Bergje begint met haar treinreis in juli naar de vroegere vakantieplek, waar ze zes weken eerder met haar relatie, consequent aangeduid als ‘de jongen’ ook een week doorbracht. Ze wil ‘per se dat hij de plek waar mijn kindertijd woont in zijn hart zal sluiten.’

    Symboliek

    Van de vermelde jeugdvakanties maakt Hofstede gebruik om de geschiedenis van onder meer Zuid-Tirol en de Ladijnen uit de doeken te doen en de bergen in de omgeving te benoemen. Als de volwassene van nu ziet ze de monumentale berg elke dag ‘uit net een andere hoek […] Maar altijd heeft hij dezelfde kenmerkende, afgeplatte kop, daaronder de schuin aflopende kraag en de wijd uiteenvallende mantel, die onderaan is afgezet met een bies van witte steengruis.’

    De wandelvakantie met de jongen lijkt een test. De ik suggereert subtiel dat de relatie niet blijvend is, dat de jongen zich misschien van haar zal afkeren. Ze vreest dat zij niet tot hem kan doordringen. ‘Alles wat ik zeg moet zich een weg door zijn gehoorgang vechten, tegengewerkt door inwendig rumoer.’ schrijft ze poëtisch. De wandelingen lijken symbool te staan voor de relatie. Samen lukte het niet de top van de Sass Songher te bereiken, in juli slaagt de ik er in haar eentje wel in. De woorden depressie en somberte zijn dan al gevallen. Over hoe dat allemaal zit en hoe het afloopt met de jongen doet Hofstede er het zwijgen toe.

    Wereldproblemen als hinderlijke last

    Marjoleine de Vos is dromeriger, geeft zich over aan beschouwingen over de wereld en de plaats van de worstelende mens daarin. Ze woont in Noord-Groningen en wandelt vanuit Zeerijp langs Eenum, Wirdum, Loppersum. De Vos beseft dat de mens historisch wil leven, het verleden wil kennen en vasthouden, het heden vastleggen. Maar ‘… de sfeer van het moment, die wil je behouden, alles van het buitenzijn op een mooie morgen, in je eentje lopen, even niet verlangen naar iets van vroeger of van straks, hier in de stilte, het licht, de weidsheid.’ Wandelen in de natuur maakt een mens los van zichzelf en van de wereldproblemen, ervaart ze. En inderdaad, als De Vos die wereldproblemen in een paar zinnen bij name noemt ervaart ook de lezer een hinderlijke last en wil hij direct terug naar de stille leegte van het platteland, weg van alles.

    Zinloosheid

    Vaak is er ‘het bange hoofd’ en de drukke gedachten daarin die de wandelaar afleiden van de omgeving. ‘Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier,’ constateert De Vos. Ze peinst over de betekenis van het leven op aarde, het tijdbesef. Ze haalt Proust aan, Coetzee, Oidipous, het Gilgamesj-epos, een operette en nog veel meer, wat soms een beetje te veel is maar wat er ook niet toe doet omdat al die menselijke opschudding toch ondergeschikt is aan het wandelen. Maandenlang is De Vos ‘naar’ geweest van de film Melancholia van Lars von Trier, waarin de aarde ‘opgeslokt wordt door een veel grotere planeet […] niet uit angst voor de verwerkelijking van zo’n gebeurtenis, maar uit angst, paniek bijna, voor de zinloosheid van alles.’ Ondertussen loopt ze. ‘En toch dat verlangen om te gaan wandelen.’

    Geluk groeit aan de bomen

    Beide auteurs zijn pleitbezorger van de natuur, vrezen voor haar toekomst, Hofstede via de overweldigende bergen, De Vos via de tere schoonheid van grassprieten, een omgeploegd veld en vergezichten. Wandelen is in het nu zijn. ‘Kijken moet je leren’, meldt De Vos als kennissen uit Amsterdam de omgeving prijzen en dan snel terug willen naar de stedelijke dynamiek. Nederland als één grote stad is haar een gruwel, mensen die ‘rekenen’ zien de waarde van de ruimte niet, zeggen de natuurliefhebbers, ‘die denken zeker dat het geld aan de bomen groeit. Nee.’ schrijft De Vos ‘Maar het geluk wel. […] witte bloesems tegen een knalblauwe lucht, narcissen onder fruitbomen […] ver kunnen kijken.’

     Wandelen is mens-zijn

    Voskuil in Terloops is neutraler. Dagelijks noteert hij droog wat hij waarneemt. ‘Er zijn veel vogels. Dichtbij slaat een kwartel. Er komt een grijze slang langs. Het rommelt. Drukkend weer.’ Uiteraard afgewisseld met langere zinnen laat hij de lezer meewandelen op de ‘voettochten’ die hij en zijn vrouw van dorp tot dorp maken in het Frankrijk van de jaren 1957-1973 waar toeristen nog niet en masse het land overstromen. Nauwgezet beschrijft hij de contreien, het weer, de route, de tegenslagen en strubbelingen, de dorpshotels waar ze verblijven. De weinige mensen die ze zien, veelal in de hotels, kunnen eveneens rekenen op Voskuils scherpe blik.

    Eén ding leren deze drie wandelboeken ons: wandelen is mens-zijn, in het nu zijn, de menselijke nietigheid beseffen, de natuur inademen, erkennen en waarderen. ‘Omdat wandelen je, uiteindelijk, bevrijdt van jezelf,’ stelt De Vos. Wat een rijkdom.

     

     

  • ‘Het echte feest is altijd nu’

    ‘Het echte feest is altijd nu’


    De nieuwe bundel van Marjoleine de Vos begint in het heldere lege landschap van Groningen en eindigt in het oude Griekenland. Het gaat over leven – willen leven – in het hier en nu. Maar ook over verlangen naar meer, verder en hoger, en melancholie en wanhoop om het voorbijgaan en het uitblijven. Maar de regels klinken helder en de toon blijft kordaat.
    De Vos schrijft toegankelijke en herkenbare poëzie, die soms doet denken aan Chris J. van Geel, soms verwijst naar Martinus Nijhoff, maar vooral doet denken aan Rutger Kopland – tot in de titel aan toe. De Vos is lichtvoetiger, minder mijmerig, en verrassender. In ´Lente in Groningen´, poot ze de Noordelijke kleivlakte pardoes op vrijersvoeten:

    Onhandig en verliefd spruit oude grond

    ineens het teerste groen, wil zoenen,

    zoenen, ja!’

     

    En twee gedichten verderop wenst de ik ineens een valappel te zijn:

    Mijzelf maakt het niet uit

    of ik als taart dan wel verrot in ’t gras.

    Alleen dat ik dat was, die gave jonge blos

    zo kogelrond, vol sap – en dan het steeltje los.’

     

    Zo gaat het wel vaker: een natuurbeeld duidt ´iets´ aan en wordt dan omgebogen naar een zelfbeeld. In ‘Spreeuw’ klapt de vogel aanvankelijk enthousiast in zijn vleugels vanwege de komst van de lente, maar dan volgt een drastische wending: ‘Nu ik. Een spreeuw / die uit het nieuwe nest naar buiten kijkt en zucht. / Om liefde. Om lucht.’

    Het onbevangen omhelzen van het hier en nu botst onherroepelijk met het verstrijken van de tijd en het onvermogen om terug te keren waar je wilde blijven. Pogingen om de spanning op te heffen leiden tot zelfvermaan. ‘De tijd is onze vijand niet’, luidt bij voorbeeld de conclusie van een gedicht uit de reeks ‘Heimwee naar de toekomst’. En dichten (en gedichten lezen) kan helpen het hier en nu te omhelzen:

    ’t echte feest is altijd nu, als je kersverse

    woorden vindt die steeds voor ’t eerst

    je openen voor dit moment waarin

    de tijd zich toont, bewoond door alles

    Wat niet blijven kan.

     

    God onder de grond
    De gedichten van De Vos zijn arcadisch: de natuur en het platteland zijn bronnen van vitaliteit, wedergeboorte, verwondering en inspiratie. Doorstroomd van welbehagen, zoals ze ergens zegt. Grootstedelijkheid en motorgeronk krijgen niet de kans om die pastorale dimensie te verstoren. Die wordt van binnenuit bedreigd. Zo is daar ‘op zolder / achter beschot, rukkend met scherpe tanden / het onzichtbaar knaagdier’ dat werd aangelokt door lokvoer voor de vogels. In ´Aan het licht´ schiet een geheim ineens  te voorschijn en ‘maakt gehakt van redelijk en juist.´ In ‘Aanzie de vogels’ zit een meesje lekker op een vetbol, maar verzuimt de mens te aanbidden die hem zijn pinda’s schenkt. Het krijgt te horen dat het ‘op de pof’ leeft, en nog spijt zal krijgen van dat ´grondeloos opgaan in het heden.´ Nog ongemakkelijker wordt het in ´We zijn vrij´ met de openingsregel ´Onder de grond woont onze god´. God is weggestopt, en we denken dat we vrij zijn, maar hij leeft nog, steelt onze gedachten en bestiert ons leven. Zelfs dood, ´als een prop in de afvoer´ zit hij er nog en blokkeert wat vrij wil stromen. Zo bezien wordt ´leven in het nu´ een opgave die de mens zich stelt, omdat er geen god meer is die uitzicht biedt op een vorm van eeuwigheid. Dat ‘Uitzicht genoeg’  is minder triomfantelijk dan het lijkt. ´Nu eeuwig niet bestaat, is uitzicht al genoeg´ klinkt het in ´Spreeuw´.

    Sumerische uitsmijter
    De laatste afdeling ´Ik laat ons wegvaren´ roept onder meer de oude zwerftochten van Odysseus en Aeneas op, en geeft een stem aan de vrouwen die naar hen verlangden: Penelope en Dido. Gedichten over terugkeer naar een huis dat nooit meer hetzelfde is, of afscheid en vertrek om een nieuw vaderland te vinden. Het laatste gedicht van de bundel daalt nog dieper af in de cultuurgeschiedenis. Het is een fragment in de stijl van het vierduizend jaar oude Sumerische Gilgamesj-epos, in de vorm van een tweespraak over de vraag of je een nieuwe levensgezel mag nemen als je grote liefde is gestorven. Ja dus. Als iemand echt van je houdt zal hij of zij je dat gunnen, en het zelfs van je verlangen. Leven in het nu wordt begrenst door de onvermijdelijke dood. Of – andere mogelijkheid – liefde ‘nu’ vereist dat je eigen en andermans sterfelijkheid onder ogen ziet. Hoe houd je zo´n thema heden ten dage vrij van kitsch en geronk? Bij voorbeeld door een stokoude vorm en toon te kiezen en daar ironieloos aan toe te geven:

    De dood wachtte op hen,

    op ieder van hen wachtte de dood, maar zij waren één.

    De liefde van Indroe en Gilgamesj was groter dan de dood.

     

    Gedichten over hoe te leven, waar vind je ze nog? Hier en nu, bij Marjoleine de Vos. Helder, toegankelijk, beeldend en raak. Lezen dus!

     

    Uitzicht genoeg

    Auteur:  Marjoleine de Vos
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot, 2013,
    Aantal pagina’s: 58
    Prijs: € 14,50