• Een vrouw aan wie niets werd gevraagd

    Een vrouw aan wie niets werd gevraagd

    Een gelaten leven is een familieroman die goed past in de traditie van Engelse literaire familiegeschiedenissen zoals De Jaren (1937) van Virginia Woolf of De Forsyte Sage (1922) van John Galsworthy. Maar ook romans van Louis Couperus als De boeken der kleine zielen (1901) of Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… (1906) spelen in op dit genre van melancholieke zelfbespiegeling.

    Een gelaten leven, in het Engels All passion spent, is de toepasselijke titel van de roman die Vita Sackville-West in 1931 schreef. De achtentachtigjarige Lady Slane is net weduwe geworden na een lang huwelijk met Henry Holland. De kist is nog niet onder de grond, maar haar zes kinderen, ook allemaal oud, bespreken het lot al van hun arme, wereldvreemde moeder. Hun vader was onderkoning van India in de 19e eeuw, diplomaat, prime minister en ambassadeur in vele landen. Lady Slane trouwde met hem omdat hij verliefd was op haar. Zij niet op hem, dacht ze. Ze had geen idee in welk leven ze zich begaf. Ze wilde liever kunstenares worden. Maar zij had hem te volgen, haar werd niets gevraagd en ze kreeg zes kinderen. Met de oudste vier had ze hoegenaamd niets. Die aardden eerder naar hun vader en werden sociale hypocrieten die met moeder in hun maag zitten nu vader dood is. De jongste twee, Kay en Edith, zijn milder, eigenzinniger, meer zoals hun moeder en accepteren haar zoals ze is. 

    Kinderen en kleinkinderen niet welkom

    ‘Een heel indrukwekkende familiebijeenkomst – een stel oude, zwarte raven, dacht Edith, de jongste, die altijd geïrriteerd was en altijd probeerde de dingen in de vorm van een frase te gieten, net alsof ze water in een kan schonk, maar altijd klotste er grote gutsen betekenis en bijgedachten over de rand, stroomden alle kanten op en gingen verloren.’

    Wanneer Lady Slane voor de tijd die haar nog rest geheel onverwacht haar recht in eigen hand neemt en alleen nog maar wenst te doen waar ze zelf zin in heeft, zijn haar kinderen geschokt. Ze huurt een huisje in Hampstead Heath, toen nog een dorpje aan de hei net buiten Londen, waar ze met Genoux, haar twee jaar jongere Franse kamenierster, gaat wonen. Genoux, die nog altijd Frans spreekt, kwam als jong meisje bij haar in dienst en verzorgt en bewaakt Milady, als een kind. 

    Lady Slane weigert haar kinderen en kleinkinderen te ontvangen, maar krijgt wel regelmatig bezoek van drie oude, zonderlinge heren: de eigenaar van het huis, Bucktrout, die alleen aan haar wilde verhuren; de klusjesman Gosheron, en de vrekkige maar steenrijke kunstverzamelaar Mr. FitzGeorge. Hij is ook bevriend met haar jongste zoon Kay en beweert Lady Slane vroeger in India ontmoet te hebben. Mr. FitzGeorge deelt herinneringen met haar die ze allang vergeten was. Herinneringen die als verbleekte foto’s terug op haar netvlies verschijnen en een beeld van zichzelf geven als jonge vrouw met verlangens en haar eigen gedachten.

    Inzichten

    Onder de perzik in haar tuintje mijmert Lady Slane over haar voorbij gegane leven en accepteert haar lot gelaten. Ze heeft geen spijtgevoelens over haar keuzes, die vooral door anderen voor haar werden gemaakt. Toch, als ze het zelf voor het zeggen had gehad, zou ze zich een ander leven hebben gewenst. Nu ze eindelijk de rust heeft om na te denken komt ze tot inzichten over haar kinderen, die meer in de rigide voetsporen van hun vader zijn getreden. Over haar beschermde en verwende leven, ze heeft nooit iets zelf hoeven te doen. En ze heeft een uitgebreide mening over het huwelijk waarin ze zelf verstrikt raakte. Ze hield van Henry, maar mist hem niet, evenmin mist ze het sociale leven van grandeur en buitenkant. 

    ‘O, wat een drukte, dacht ze, maken vrouwen toch over het huwelijk! Maar wie kan ze dat ook kwalijk nemen, was haar volgende gedachte, als je bedenkt dat het huwelijk – en de gevolgen ervan – het enige in hun leven is waarover vrouwen drukte kunnen maken? En ook als die opwinding een ander gold, was het een heerlijk verzetje. Zijn ze tenslotte niet enkel en alleen voor deze functie gevormd, gekleed, uitgedost, opgeleid – als je bij een dergelijke eenzijdige aangelegenheid ten minste van een opleiding mag spreken – beschermd, overal onkundig van gehouden, met toespelingen omgeven, apart gehouden, onderdrukt: alles met het doel dat zij op een gegeven ogenblik kunnen worden afgeleverd, of dat zij hun dochters afleveren, aan een Man die zij dan voortaan moeten Dienen?’

    De bezoekjes van de zonderlinge maar openhartige ‘oude mannetjes’ vermaken haar, zonder dat ze zich realiseert dat ze heimelijk verliefd op haar zijn. Voor het eerst heeft ze gesprekken en bespiegelingen met mensen die haar interesseren. Mensen die anders zijn, door gewoon zichzelf te zijn. Naast dat dit ontroerend is, is het ook luchtig en amusant. Ze realiseert zich dat ze nooit echt interesse heeft getoond in Genoux die haar zo trouw verzorgt en ze vindt zichzelf egoïstisch. Zo zijn er heel veel inzichten die Lady Slane aan het einde van haar leven heeft verworven en haar de gelaten wijsheid geven van een oude vrouw. Vita Sackville-West was zelf achter in de dertig toen ze dit boek schreef en heeft zich goed ingeleefd in iemand van vijftig jaar ouder.

    Werk als schrijver had voorrang

    Sackville-West is bekend van de bijzondere tuinen rondom Sissinghurst Castle in het Zuid-Engelse Kent, nu eigendom van The National Trust en nog altijd open voor publiek. Zij was getrouwd met de diplomaat Harold Nicholson en heeft samen met hem veel gereisd. Het boeiende huwelijk, waarin beide echtelieden (homoseksuele) relaties hadden, wordt heel goed beschreven door hun zoon, Nigel Nicholson in de biografie uit 1973, Portrait of a Marriage.

    In tegenstelling tot Lady Slane heeft Vita zich nooit onderworpen aan haar man en het huwelijk. ‘Door haar huwelijk wordt Lady Slane ‘een aanhangsel’ van haar man en schikt zich altijd naar zijn wensen, een manier van leven die Vita Sackville-West in haar eigen huwelijk afwees. In tegenstelling tot haar romanheldin hield Vita haar eigen achternaam, en hoewel ook zij getrouwd was met een diplomaat, Harold Nicholson, gaf ze haar werk als schrijver altijd voorrang.’ Aldus Joanna Lumley in het nawoord dat verder niet zoveel toevoegt.

    Een gelaten leven is bijna een eeuw geleden geschreven en verrassend actueel. Vita Sackville-West was haar tijd ver vooruit en naast de boeiende bespiegelingen is het verhaal ook ontroerend en amusant. 

     

     

  • De hoop die wegvloeide

    De hoop die wegvloeide

    Waar zijn de Belarussen gebleven nu hun buurland in oorlog is met Oekraïne? Het antwoord op deze vraag vind je in Dagen in Minsk, dagboek van een opstand van de Belarussische dichteres en vertaalster Julia Cimafiejeva. Niet letterlijk, want Oekraïne wordt nergens genoemd; er was ook nog geen sprake van oorlog toen in de zomer van 2020 in Wit-Rusland de verkiezingen plaatsvonden en Loekasjenka opnieuw werd verkozen. Hij was al sinds 1994 aan de macht en aanvankelijk eerlijk verkozen, maar het land veranderde in een dictatuur en Loekasjenka werd een marionet van Vladimir Poetin.

    De verkiezingen in Belarus begonnen hoopvol toen er sprake was van serieuze oppositie. Drie mannen, Sergey Tichanovsky, Viktar Babaryko en Valeri Tsepkala, spraken het volk rechtstreeks aan en wilden allemaal verandering. Weg met de dictatuur. Ze kwamen alleen nooit op het stembiljet, ze werden zelfs opgesloten. Alleen Tsepkala wist het land te ontvluchten. Zijn vrouw Veranika Tsepkala plus Svetlana Tichanovskaja en Maria Koleskinova – die de verkiezingscampagne van Barbaryko leidde – sloegen de handen dapper ineen en stelden zich vervolgens kandidaat. In de vrouwen zag men geen gevaar en ze werden toegelaten tot de verkiezingen. Ze hadden geen interesse in het presidentschap, maar pleitten voor eerlijke verkiezingen en voor de vrijlating van alle politieke gevangen.

    ‘Gezamenlijk gingen ze de strijd aan met de uitwassen van de dictatuur. Dat sloeg aan. Hun campagnebijeenkomsten werden door duizenden bezocht, waren drukker dan de meeste demonstraties in alle jaren ervoor.’ Aldus Franka Hummels, freelance journalist en Belarusexpert, die in het voorwoord van Dagen in Minsk de context beschrijft van het dagboek dat volgt. Ze meldt daarin ook haar keuze voor de schrijfwijze van de namen. 

    Slechte internetverbinding

    Dat dagboek begint op 5 augustus 2020 kort voor de verkiezingsdag, met een toon die eufoor is van hoop en belofte. Duizenden kiezers, getooid met witte lintjes aan hun armen en kleding, en met vlaggen, tonen zich solidair met het drievrouwschap. Ze willen allemaal verandering en zullen niet op Loekasjenka stemmen. Cimafiejeva beschrijft haar dagen en het leven met haar man, de Belarussische schrijver Alhierd Bacharevič, die ze steevast met je aanspreekt. Dat geeft haar teksten een wonderlijke lading, alsof hij er niet meer is. Ze schilt aardappels voor een soep. Ze checkt voortdurend haar telefoon op nieuwe berichtgeving over de demonstraties. Vooral Telegram en Facebook zijn de media waar ze vrienden virtueel ontmoet, ook in het buitenland. Maar de internetverbinding ligt er vaak uit en proxyservers zijn vaak traag en bemoeilijken het downloaden van filmpjes. 

    Cimafiejeva schreef drie dichtbundels: The Book of Mistakes (2014), Circus (2016) en ROT (2020), die vertaald zijn in onder meer het Engels, Oekraïens, Zweeds, Sloveens, Litouws en Tsjechisch. In het dagboek uit Minsk heeft ze het over de verschijning van haar derde verzameling met gedichten. ‘Samen haalden we mijn presentexemplaren op bij de uitgeverij. Je nam een foto van me tegen een achtergrond van blauwe sparren: blote schouders, mijn armen vol wit-rood-witte boeken, een lachend gezicht erboven. Ik weet niet wat ik moet voelen. Mag ik me trots voelen? Voldaan? Vast wel.’ Het is haar dierbaarste boek, maar de ontvangst sneeuwt onder in het belang van het nieuws. 

    Gewelddadige kosmonauten

    Dat de verkiezingen doorgestoken kaart waren, bleek de ochtend na de verkiezingen. Loekasjenka won met 80 procent van de stemmen en werd door Xi Jinping en Vladimir Poetin als eersten gefeliciteerd. Cimafiejeva beschrijft de samengebalde hoop die wegvloeit. ‘Wat we hadden gehoopt was niet uitgekomen, en wat we niet hadden durven toegeven dat waarschijnlijk zou gebeuren, was tóch gebeurd. De pijn spatte als een enorme zwarte bloem open in mijn maag. Ik voelde me misselijk.’

    Na deze corrupte verkiezingen gaan honderdduizenden mensen de straat op om te protesteren. Aanvankelijk houdt de politie, in zwarte uniformen met helmen, die Cimafiejeva ‘kosmonauten’ noemt, afstand. Maar het is onvermijdelijk dat ze steeds vaker gewelddadig optreden en de demonstraties worden bruut uit elkaar geslagen. Er vallen slachtoffers en honderden mensen worden opgepakt en gevangen gezet onder erbarmelijke omstandigheden.
    Julia Cimafiejeva en haar man lopen ook mee met de betogingen en ze beschrijft wat ze zien en meemaken, de angst en de wanhoop. Ondanks dat proberen ze hun leven voort te zetten. Ze gaan met vrienden naar een theatervoorstelling en literaire bijeenkomsten, maar ondertussen is er ook nog corona, wat door Loekasjenka wordt ontkend.  

    Zullen de brieven de lezers bereiken?

    Wanneer haar broer, een historicus en muzikant, is opgepakt, wordt het ook voor Cimafiejeva en haar man gevaarlijk. Ze gaan naar de  broer op zoek in een gevangenis buiten Minsk en horen schandelijke verhalen over marteling en terreur, geen eten en geen medicijnen.
    Uiteindelijk wordt het voor de kunstenaars van het woord ondoenlijk om te leven in een dictatuur. Cimafiejeva en Bacharevič verlaten in november 2020 hun land. Ze leven nu in ballingschap in Graz in Oostenrijk waar meer gevluchte Belarussen wonen. Cimafiejeva schrijft opbeurende brieven, gedichten en verjaarswensen aan de duizenden gevangenen in haar thuisland en vraagt zich af of die brieven de lezers ooit zullen bereiken of dat ze door de autoriteiten meteen versnipperd zullen worden. Toch blijft ze hoop houden en nadenken over een toekomst. En zo is het overduidelijk en begrijpelijk waarom het Wit-Russische volk niet in opstand komt tegen de oorlog in Oekraïne. De mensen zijn monddood gemaakt. 

    My European poem

    Cimafiejeva schreef haar gedichten in het Belarussisch. Dit dagboek echter – dat ze bijhield voor en tijdens de opstand na de verkiezingen – schreef ze in het Engels om wat meer afstand te creëren en wellicht ook uit veiligheid. Het is een indringend relaas, een ooggetuigenverslag van moed en angst, hoop en wanhoop, dat in 2020 als essay verscheen in The Financial Times.
    Een paar dagen voor de presidentsverkiezingen in Belarus plaatste Cimafiejeva haar indringende European poem op internet. 

    ‘Sorry, het is een lang gedicht/Omdat het een lang verhaal is/Ik heb meer dan twee derde van mijn leven doorgebracht/Onder de macht van de man/ op wie ik nooit gestemd heb.

    Dit gedicht moet in het Engels zijn geschreven.
    Dit gedicht moet in het Duits zijn geschreven.
    Dit gedicht moet in het Frans zijn geschreven,
    In het Zweeds, in het Spaans, in mijn mooie Noors,
    Misschien in het Fins, Deens en Nederlands.
    Baltische talen moeten zelf beslissen.
    Geen Wit-Russische versie van het gedicht,
    Geen Russische versie van het gedicht,
    Geen Oekraïense versie van het gedicht.
    De rest moet zelf maar kiezen.
    Dit gedicht moet worden geschreven in de taal
    van mensenrechtenorganisaties,
    van vaak geuite bezorgdheid van Europese politici.’

    Lees hier verder 

     

  • Verontrustende en geruststellende waarheid

    Verontrustende en geruststellende waarheid

    ‘De dingen waar we zelf niets van begrijpen zijn het moeilijkst te vertellen.’ Dit is de laatste zin van het eerste hoofdstuk van De verborgen dochter van Elena Ferrante. De 47-jarige Leda is na een korte strandvakantie weer thuis in Florence en ligt met een onverklaarbare wond in haar zij in het ziekenhuis. Vervolgens gaan we een paar weken terug in de tijd. Het is zomer en Leda gunt zichzelf een strandvakantie van haar werk aan de universiteit. Met veel innerlijke monoloog vertelt ze het verhaal dat zo moeilijk te vertellen is. Het is een biecht van een moeder met een groot innerlijk conflict: de kwelling van het moederschap en de drang om een onafhankelijke vrouw te zijn. 

    Leda, echtgenote van een professor, wilde toen ze jong was zelf graag studeren maar kreeg in plaats daarvan kort na elkaar twee dochters, Bianca en Martha. Ze voelde zich opgeslokt door de druk van de opvoeding en werd geleefd door haar kinderen. Toen ze het gezin verliet waren ze nog klein. Drie jaar later kwam ze terug omdat ze zich nutteloos voelde. ‘Ik heb me erbij neergelegd dat ik zelden voor mezelf leefde en meestal voor de twee kinderen… dat ging me op den duur steeds beter af.’ 

    Opgeluchte moeder

    Ondertussen is Leda gescheiden en docent aan een universiteit en wonen haar twee jong volwassen dochters bij hun vader in Canada. Ze bellen hun moeder regelmatig, wat bij Leda irritaties oproept. Ze heeft weinig op met hun gebabbel. ‘Toen mijn dochters naar Toronto verhuisden, waar hun vader al jarenlang woonde en werkte, ontdekte ik met gegeneerde verwondering dat ik helemaal geen verdriet had maar me opgelucht voelde, alsof ik ze toen pas definitief ter wereld had gebracht.’

    Tijdens haar strandvakantie leest, werkt en zont ze dagelijks op het strand dat bezocht wordt door verschillende Italiaanse gezinnen. Met niemand maakt ze echt contact, maar ze raakt geobsedeerd door een luidruchtige Napolitaanse familie. Vooral Nina, de jonge moeder die devoot met haar dochtertje speelt, heeft haar aandacht. Moeder en kind vertroetelen samen de pop van het kind alsof het een baby is. Dit schouwspel houdt Leda’s aandacht gevangen en voert haar terug naar haar jeugd in Napels en naar haar eigen moederschap. 

    De herinneringen worden door Ferrante naadloos door elkaar geweven met het heden op het strand. Steeds als er iets op het strand gebeurt, moet Leda aan haar eigen leven, huwelijk, moederschap en dochters denken. Als enkele leden van de luidruchtige Napolitaanse familie contact maken met Leda ontstaan er gesprekken waardoor ze elkaar iets beter leren kennen. Op Leda heeft dit contact een ongunstige invloed. Belast door spijt en wroeging wordt ze in een neergaande spiraal gezogen en doet ze iets wat grote gevolgen heeft voor de Napolitaanse Nina en haar kind en uiteindelijk voor Nina’s relatie met haar man en hele familie.

    Begrip voor onsympathiek romanpersonage

    De thematiek in De verborgen dochter is, net als in al Ferrante’s boeken, de levens van vrouwen met negatieve gevoelens over vriendschap, huwelijk en het meest vernietigende: moederschap. Leda is gefrustreerd als echtgenote. ‘Liefde vraagt energie, die had ik niet meer. Als hij begon met strelen en kussen werd ik nerveus, voelde ik me een misbruikt stimuleringsmiddel voor zijn solitaire genot.’ Haar daden op het strand refereren wellicht aan een lege-nestsyndroom. Het maakt haar een onsympathiek romanpersonage, maar toch begrijp je als lezer haar beweegredenen. 

    Ferrante weet te boeien met haar prettig toegankelijke stijl, veel oog voor details en natuurbeschrijvingen en een uiteindelijk intrigerende protagonist.  Ze durft woorden te geven aan onuitgesproken gevoelens die een waarheid blootleggen die voor veel moeders en vrouwen verontrustend en geruststellend herkenbaar is. 

     

  • Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    Waarom ze schreef had ze zich nooit afgevraagd

    De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard moet je een keer zijn aangeraden door een bewonderaar. Iemand die begeesterd spreekt over haar prachtige taal, metaforen en rijke fantasie. Ze is vooral bekend van haar verhalend proza in zowel fictie als non-fictie. Haar roman The Maytrees (2008) is misschien wel de ultieme liefdesgeschiedenis, waarin zelfbewustzijn versus de onzekerheden van het leven het grote thema is. Pilgrim at Tinker Creek (1974) wordt gezien als een voorbeeld van Amerikaanse natuurbeschrijving geïnspireerd door Henry Thoreau’s Walden en werd in 1975 beloond met de Pulitzer Prize voor non-fictie. Gedurende een jaar verbleef Dillard in het Amerikaanse Virginia, in een vallei waar de Tinker Creek doorheen stroomt. Ze beschreef haar slenteren langs de oevers van Tinker Creek als een soort reisjournaal. 

    De essays in Schrijversleven verschenen oorspronkelijk in 1989 onder de titel The writers life en zijn nu uitgegeven door Atlas Contact in de vertaling van Henny Corver. Aan de hand van talloze voorbeelden geeft Dillard in Schrijversleven een beeld van de eenzaamheid, de werkdrift, de onzekerheid en het niet aflatende doorzettingsvermogen van een schrijver. Tussen de regels door valt te lezen dat als je dat niet in huis hebt, je geen echte schrijver bent en er ook zeker niet een moet proberen te worden.

    Spring toch gewoon

    Ze vergelijkt het schrijfproces met een spanrups die langs een grasspriet omhoog kruipt. ‘Het onfortuinlijke dier bungelt aan een grashalm en gooit wild zijn kopje heen en weer alsof hij jammert: Wat?! Niets meer?’ Hij verdwaalt, raakt in paniek en begint aan een volgende grashalm. ‘Ik heb het vaak gezien. Het blinde, paniekerige sukkeltje weet van de ene halm over te stappen op een andere […]’ Maar opnieuw zonder resultaat, wat Dillard doet uitroepen: ‘Spring toch gewoon, verlos jezelf uit je lijden!’ Met andere woorden: Durf gewoon te schrijven.

    Dillard beschrijft haar werkplek, die groot genoeg moet zijn voor één persoon. ‘Prettige werkplekken zijn iets om te mijden. Wat je nodig hebt is een ruimte zonder uitzicht, zodat verbeelding en herinnering elkaar in het donker kunnen tegenkomen!’ Over haar methodes schrijft ze: ‘De laatste tijd houd ik me bezig met schema’s. […] Een schema beschermt tegen chaos en grillen. Het is een net om dagen te vangen. Het is een steiger waar een bouwvakker op kan staan zodat hij een tijdje met beide handen kan werken!’

    Zoeloekrijger of Azteekse maagd

    Ook de stoffelijkheid van het schrijven komt aan bod, de verschillende versies van een manuscript. Over de eerste versie zegt Dillard dat die een merkwaardige innerlijke toestand teweegbrengt. Zoals een Zoeloekrijger die zich prepareert op oorlog of een Azteekse maagd die al weken weet dat ze in een hete vulkaan wordt gegooid. ‘Hoe brengt een schrijver zichzelf aan het spinnen?’

    Veelzeggend is het gesprek met de veerman die ze beter heeft leren kennen. Hij vroeg een keer naar haar schrijven. ‘Ik, sukkel zag niet aankomen dat ik mijn eigen wereld kletterend om me heen liet instorten en zei dat ik schrijven haatte. Hij zei stomverbaasd: “Dat is net alsof je in een fabriek werkt en het werk haat.” […] Zo was het precies. Waarom deed ik het? Dat had ik me nou nooit afgevraagd.’

    De schrijver krijgt vaak niet de waardering die hij zou willen. Haar essay The death of a moth werd afgedaan als te obscuur, te symbolisch, te intellectueel. Tot een jongen van een jaar of acht tijdens een bezoekje aan haar een tekening van de mot zag en zei: ‘Gaaf verhaal was dat. Heb je het geschreven of getypt?’ 

    Leren over schoonheid

    In het laatste essay van Schrijversleven heeft Dillard het over de stuntvlieger David Rahm, die in een vliegshow voor koning Hoessein tragisch aan zijn einde kwam. Bij haar in de buurt was ze getuige van een vliegshow waarin Rahm stuntte. ‘Ik dacht dat ik wel wat afwist van schoonheid. Ik wist dat ik er een flink deel van mijn leven aan had gewijd door gedichten van buiten te leren en mijn aandacht met name te richten op ritmische complexiteit, kracht, beweging, herhaling en verrassing in proza zowel als poëzie. Nu had ik in een paardenbloemenveld tussen een start- en een landingsbaan in Bellingham gestaan en eindelijk iets geleerd over schoonheid. Zelfs het Boston Museum of Fine Arts had me nooit zo kunnen inspireren als dit vliegveldje in het noordwesten op die verloren zondagmiddag in juni. Niets op aarde stemt zo blij als de wetenschap dat we de mouwen moeten opstropen en de grenzen van het menselijk mogelijke opnieuw moeten verschuiven.’ Ze vloog een keer met hem mee en de beschrijvingen van haar angst en bewondering zijn even ijselijk als sterk. Je zit gewoon naast haar in de kist en beleeft wat zij beleeft. 

    Je kunt Schrijversleven steeds weer oppakken en openslaan om ergens willekeurig een anekdote of een mooie metafoor als een feest der herkenning te begroeten. Dillards toon is toegankelijk en licht, soms streng en vaak niet gespeend van humor en zelfspot. De auteur verwoordt haar plezier en haat jegens het schrijverschap bijzonder treffend en toont tussen de regels door hoe je zou moeten schrijven. En zegt: ‘Oké, doe dat dan ook.’

     

  • Weemoedige verhalen verbonden door de ik

    Weemoedige verhalen verbonden door de ik

    De vijf korte verhalen in de verhalenbundel En dit zal zo voorbij zijn van Isabelle Rossaert hebben een licht weemoedige ondertoon, wat ook de titel van de bundel doet vermoeden. Rossaert beschrijft alledaagse gebeurtenissen, gesprekjes en ontmoetingen, als uit het leven gegrepen en daarmee weet ze de lezer hevig te raken.

    ‘Cruise’, het eerste verhaal, gaat over een moeder en een dochter die samen een cruise maken over de Middellandse Zee en hier en daar steden aandoen. Het schip met veel te veel mensen aan boord is enorm. De dochter maakt zich zorgen over haar moeder, want zonder dat het ergens genoemd wordt blijkt zij aan geheugenverlies of beginnende dementie te lijden. ‘Mijn moeder kijkt verrukt rond. Ik wacht tot zij zit voor ik zelf ga zitten. Het is een automatisme, mijn bewustzijn vormt een grote kring om haar heen, neemt haar mee, loopt voor haar uit en achter haar aan, wacht op haar, mijn bewustzijn werkt nu voor twee.’ Moeder en dochter leren een Vlaams stel kennen en er ontstaat een subtiele verstandhouding van de dochter met de man van het echtpaar. Hij begrijpt woordeloos waarin zij zich bevindt en toont begrip voor haar situatie. Hij is zelfs op de achtergrond een steun als op een gegeven moment de moeder verdwenen is. Wat een schrikbeeld is voor de dochter gebeurt ook. Het kon ook makkelijk op zo’n enorm schip met heel veel dezelfde gangen op verschillende dekken. Rossaert beschrijft de opkomende paniek van de dochter en de scenario’s van wat er gebeuren kan levensecht en beeldend. Een pijnlijk, sterk verhaal.

    Herinneringen

    In het volgende verhaal ‘Valentijn’ ligt de hoofdpersoon deels verlamd aan bed gekluisterd na een operatie aan een hersentumor. Hij wordt verzorgd door lieftallige verpleegsters en heeft daarnaast zijn herinneringen. Hij wil graag een Valentijnsbrief schrijven aan zijn geliefde vrouw, zij blijkt de moeder uit het vorige verhaal te zijn. In beide verhalen komt de herinnering voor van de echtelieden over hoe ze elkaar leerden kennen. ‘”Meneer, kunt u mij vertellen of het hier diep is?” Ze was vlakbij en hij ging kopje-onder. Dat was het verhaal dat ze later altijd met zoveel plezier zou vertellen: dat hij kopje-onder ging, dat hij zich liet zakken tot zijn voeten de bodem van de zee raakte.’ Mooi, want deze herinnering vertelde de moeder in het vorige verhaal aan het Vlaamse stel net even anders. Het geeft een completer beeld van de ouders van de dochter.

    In het derde verhaal, ‘In het bos’,  betrekt de schrijfster met haar gezin een huis aan de rand van het bos van een landgoed. Het is een bijzonder huis in een bijzondere omgeving. Totdat de landeigenaar op een dag langskomt en een ongemakkelijk gesprek voert met de schrijfster, die toch al het gevoel had niet echt welkom te zijn. ‘Wanneer ik over het Groot Veld terugkeerde van een lange wandeling en via de holle weg weer naar huis keerde, door de bocht rondom het bosje, leken mijn spieren en botten me erop te wijzen dat ik door een landschap liep waarop ik geen rechten kon claimen. De bomen hadden een onverschilligheid die haast vijandig leek, zo anders dan in de glooiende landschappen van mijn reizen en dromen. Er was iets in het landschap net als de geur in ons huis, wat maakte dat ik me er nog steeds een vreemde voelde.’
    In het bos leeft een zonderlinge man alleen, wat vooroordelen oplevert bij de dorpelingen en angst voor wie hij mogelijk is. De politie wordt ingeschakeld maar doet verder niet veel. Er is ook niets aan de hand behalve dat de hele gebeurtenis bij de schrijfster het nodige losmaakt.

    Verlangen naar wat er niet was

    Ook ‘Littekens’ heeft een ongemakkelijke ondertoon. De ik is met haar man en zoon op vakantie. In een Frans dorpje komen ze een ander stel tegen en worden bij hen thuis uitgenodigd. Tussen de gastheer en zijn vrouw hangt een oncomfortabele spanning die de ik ook ineens met haar eigen man voelt. ‘Wat is het, dacht ik – terwijl we terugstapten naar waar de wagen geparkeerd stond – dat twee mensen samen houdt. Licht, duisternis, licht, duisternis – opnieuw liepen we van de ene lichtplas naar de andere. Dit is wat we doen, van de ene plek van licht op weg zijn naar de andere.’

    In het vijfde verhaal, ‘De kapitein’, zijn we terug op het cruiseschip. Dit keer is de schrijfster er in functie om dagelijks het boordjournaal te schrijven. Ze heeft een status aparte en krijgt speciale aandacht van de kapitein. Er ontstaat een subtiele verstandhouding tussen schrijfster en kapitein, waarin een nauwelijks waarneembare erotiek voelbaar is. Een verlangen naar iets wat er helemaal niet blijkt te zijn geweest. Het verhaal is geschreven in de tweede persoon enkelvoud, het je-perspectief, waardoor het een iets afstandelijke maar treffende toon krijgt. ‘En jullie keken naar de camera en lachten en dat was wat je later zou onthouden: Cádiz is een onbeduidend straatje en de kapitein lachte vol achter zijn grijze baard.’

    Rossaert heeft een poëtische stijl en schrijft ritmisch, verfijnd. Haar verhalen ademen een sterke sfeer en wekken de indruk een hoog autobiografisch gehalte te hebben. Ze komen levensecht over en dat is een compliment voor Isabelle Rossaert.  

     

  • Brieven uit de wateren

    Brieven uit de wateren

    Zeebrieven van de Deense Siri Ranva Hjelm Jacobsen is een kleinood van grote waarde. Met een paar pennenstreken wordt een origineel verhaal met een belangrijke boodschap verteld, waarbij de prachtige zwart-witillustraties het verhaal ondersteunen en je onder water laten verdwijnen.

    A, de Atlantische Oceaan, is honderdtachtig miljoen jaar oud en M, de Middellandse zee slechts vijf miljoen jaar, een jongeling in A’s ogen. Ze schrijven elkaar brieven over het ontstaan van de wereld. ‘Toen jij de wezentjes bevrijdde van de vorm waarin ze waren geboren – hun de wil gaf om dingen te bezitten […].’ Ze schrijven over hun vergankelijkheid. ‘Ooit was ik weelderig en gracieus als zijde.’ En onderwerpen als vervuiling komen aan bod: ‘Ik ben mezelf niet meer. Ze vullen me iedere dag met wezenloze, onbekende materie, ze proppen het in me.’
    M schrijft aan A over boten vol migranten: ‘Voorheen was het niet zo erg, maar nu klimmen de wezentjes continu over mij heen in hun hulzen, met veel te veel in zo’n huls.’ En het gaat ook over klimaatverandering. ‘Ik zweet, voel me opgeblazen.’

    Een groter plan

    A is duidelijk de oude wijze, die zich niet meer zo druk maakt over alle ellende om zich heen. Dat M dat nog wel doet, zorgt voor een mooi contrast en het is tegelijkertijd een goede manier om informatie te geven. Over het verleden, over Icarus en zijn vader Daedalus; de problematiek van nu komt aan bod en in bedekte bewoordingen schrijven zee en oceaan ook over de toekomst. Want in de brieven staan vage verwijzingen naar een groter plan dat de wereldzeeën aan het smeden zijn. Het is aan de lezer om te bedenken wat dat plan kan zijn. Dat maakt Zeebrieven verontrustend, beklemmend en ondanks de poëtische en sprookjesachtige taal zeer geloofwaardig.

    Je leest het boek in een uur uit, om er meteen opnieuw in te beginnen. Herlezing betekent een diepere duik in beide zeeën en een beter begrip van wat er tussen de regels staat.

     

  • Ontreddering in de sneeuw

    Ontreddering in de sneeuw

    De flaptekst van deze novelle verraadt een bijzonder verhaal waarin bijna alles lijkt te worden weggegeven. Niets is minder waar. Klein en fijn roept de Italiaanse auteur Claudio Morandini in Sneeuw, hond, voet een poëtische droomwereld op versus realistische wreedheid. Hij laat zien hoe je met weinig ingrediënten een rijk verhaal kunt vertellen. De ingrediënten bestaan uit Adelmo Farandola, een verwarde oude man; een pratende hond die een vleug humor aanbrengt; de sneeuw in de Italiaanse Alpen als setting. En dan is er als vierde element nog de jachtopziener, die we leren kennen door de ogen van de oude man. In het hele verhaal zitten we sterk in het hoofd van Adelmo Farandola. Hij ziet de jachtopziener als een hem bespiedende vijand die bestreden moet worden en dat levert verwarrende dialogen op.

    Adelmo Farandola leeft als een kluizenaar in een berghut. Hij heeft zich al jaren niet gewassen of verkleed en gaat schuil onder een korst van vuil en stank. Zoals zo mooi wordt getoond zonder het te benoemen in: ‘Laat de deur maar open, alsjeblieft.’ Dat zegt de vrouw in de winkel in het dorpje waar Farandola een paar keer per jaar komt om zijn voorraden aan te vullen. In het eerste hoofdstuk is hij op weg naar het dorp, wat een moeizame tocht is langs een stijl pad naar beneden. In het dorp reageert hij schichtig, hij is geen mensen gewend. Dan wordt ook duidelijk hoe verward hij is, want de vrouw in de winkel zegt dat hij er vorige week ook al was. Daar heeft Farandola geen enkele herinnering aan. Pas als hij met een gevulde rugzak weer omhoog sjouwt, komen vage beelden terug van zijn nog maar onlangs gemaakte barre tocht.

    Man en hond worden één

    Terug in zijn berghut is er ineens een uitgehongerde hond die waarschijnlijk zijn schaapskudde is kwijtgeraakt. Farandola is niet van gezelschap gediend en schopt hem weg. Maar de hond is volhardend, bedelt om eten en blijft. Vervolgens wil de oude man de hond van zijn teken ontdoen, wat hij met een verontrustend leedvermaak probeert. Uiteindelijk ontstaat er een voorzichtig verbond tussen man en hond. Het doet er niet toe wie smeriger is, of dat ze allebei onder de teken zitten.

    Na enkele voor Farandola verwarrende gesprekjes met de jachtopziener treedt de winter in. ‘Binnen is de berghut het benauwende schemerduister van de winter ingegleden.’
    Tijdens de maandenlange opsluiting in de ingesneeuwde hut worden man en hond één. Samen gaan ze dubbelhard door de voedselvoorraad heen en aan het eind van de lange winter zijn ze op sterven na dood. Ondertussen voeren ze hilarische gesprekken met onderkoelde humor van de hond. De stem van de hond is de stem die de man in zijn hoofd hoort, wat van Adelmo Farendola een rijker personage maakt en het verhaal een mooie extra laag geeft.
    ”Maar al snel kruipt Adelmo Farandola met zijn neus over de grond, zoekend naar kruimels. ‘Hm, ben je iets kwijt,’ vraagt de hond. ‘Kruimels.’ ‘O, die. Ik ben bang dat ik ze al naar binnen heb gewerkt,’ zegt de hond. ‘Als ik het had geweten had ik er wat voor je laten liggen.”

    Dooi en dier

    Uiteindelijk treedt de dooi in. De alles bedekkende sneeuw begint te smelten en legt bloot wat meegesleurd is door een lawine. Puin en modder en kadavers, bijvoorbeeld van gemzen en herten. In ieder geval is er weer genoeg te eten. ‘Het komt voor dat een dier op zoek naar voedsel dat uit het ijs tevoorschijn komt plotseling wordt geconfronteerd met de resten van een soortgenoot. Dan snuffelt hij er op een andere manier aan, alsof hij er een vriend of familielid in herkent, en hij geeft hem tikjes met zijn snuit, alsof hij hem wil wekken uit een te diepe winterslaap. Hij proeft er niet van, als de honger hem tenminste niet al te zeer heeft versuft of onverschillig heeft gemaakt voor de simpele maar hardnekkige taboes der natuur. Soms lijken die aanrakingen van snuit en neus net gesprekken tussen oude vrienden die elkaar al een hele tijd niet hadden gezien.’

    De voet

    Dan ontdekken man en hond een voet. Die schrikt hen behoorlijk af, vooral als de kraaien erop aanvallen. Dagelijks draaien Farandola en de hond om de voet heen tot de weggesmolten sneeuw de identiteit van het lijk blootgeeft. Wie dat is, was voor de lezer al meteen duidelijk, ware het niet dat:
    ‘Naarmate hij dieper in zijn geheugen graaft, in dat armzalige geheugen dat hem is toebedeeld en dat alles door elkaar haalt, weet hij flarden herinneringen op te diepen. Hij weet niet of het echte herinneringen zijn of juist overblijfselen van denkbeeldige herinneringen die we creëren wanneer we opeens in een situatie terechtkomen die we al eerder hebben meegemaakt, en dan kijken we verschrikt om ons heen en begrijpen niet waar en wanneer dat wat we ons herinneren heeft plaatsgevonden, maar die onzekerheid is zo levensecht dat het ons bijna de adem beneemt.’

    Adelmo Farandola weet maar al te goed hoe het komt dat hij zo verward is en dat maakt hem steeds menselijker en wanhopiger. Hij geeft de schuld aan de hoogspanningskabels die over het dorp van zijn jeugd liepen. Het zoemen en trillen van die kabels dreef iedereen tot waanzin, tot de mensen elkaar uiteindelijk aanvielen. En daarmee krijgt het verhaal ook maatschappelijk betekenis.
    Sneeuw, hond, voet is het zesde boek van Morandini. Het werd in Italië in 2015 gepubliceerd, stond in de bestseller top vijf en is in vele talen vertaald. In dit juweeltje van menselijke eenvoud en dierlijke rijkdom staat geen woord te veel.

     

     

  • Horror ten tijde van de Argentijnse dictatuur

    Horror ten tijde van de Argentijnse dictatuur

    Mariana Enríquez is een Argentijnse schrijfster die zich een plekje heeft verworven tussen beroemde Latijns-Amerikaanse auteurs als de Chileen Roberto Bolaño, de Colombiaan Gabriel García Marquéz en de Chileense Isabelle Allende, om er een paar te noemen. Ons deel van de nacht is een in zes delen ingedeelde dikke pil, je moet er maar zin in hebben, maar het verhaal zuigt je vanaf de eerste pagina naar binnen en leest hypnotiserend. Voor je het weet zit je diep in de binnenlanden van Argentinië. 

    Ons deel van de nacht speelt zich af ten tijde van de Argentijnse militaire dictatuur na de dood van president Juan Péron. Het wordt nergens heel concreet benoemd, maar de sfeer zindert van de Vuile Oorlog met de illegale arrestaties, de verdwenen kinderen en dwaze moeders. De rijke bovenlaag heeft de macht, bepaalt de regels en zou verantwoordelijk zijn voor de verdwijningen. 

    Misbruikt medium

    Het verhaal begint tijdens het hoogtepunt van de dictatuur in 1981 met een nachtmerrieachtige roadtrip van Buenos Aires naar de watervallen van Iguazu, vlakbij de grens met Brazilië. Juan en zijn zoon Gaspar, van een jaar of zeven, zijn op weg naar zijn schoonouders, puissant rijke plantage-eigenaren en grootgrondbezitters. Hun dochter Rosario, Gaspar’s moeder, is recent bij een auto-ongeluk om het leven gekomen. Onder verdachte omstandigheden, dat weet Juan zeker. Hij is een medium en kan contact maken met de doden, wat voor zijn schoonfamilie heel belangrijk is, maar contact met Rosario lukt niet. Vader en zoon zijn, zacht uitgedrukt, ontredderd. Juan is daarbij ook nog eens doodziek. Sinds zijn jeugd is hij zwaar hartpatiënt en onderweg is het angstig en gevaarlijk. Ze kunnen opgepakt worden door de Junta en Juan is bang dat hij zal sterven en zijn zoon onbeschermd moet achterlaten.

    Rosario’s familie staat aan het hoofd van een geheime sekte, De Orde, waarbij de leden streven naar onsterfelijkheid. Om dat te bereiken moeten ze in contact komen met ‘de Duisternis’ of ‘de andere kant’, waarbij wreed geweld niet wordt geschuwd. Dankzij hun medium, Juan, die de gruwelijke rituelen en bloedoffers aan de goden leidt, krijgt het verhaal een horrorelement. Deze rituelen putten Juan uit en leiden onvermijdelijk tot zijn dood. ‘[…] alchemie was nooit bedoeld om rijkdom te vergroten. Het was een esoterische oefening. De zoektocht naar goud was een poging om de essentie van onsterfelijkheid te vinden. Juan wees de weg naar die essentie. Ze zouden hem nooit met rust laten, ze zouden nooit zeggen: nu is het genoeg, zijn lichaam is op.’ 

    Juan weet dat Gaspar ook behept is met zijn gave, maar hij wil koste wat het kost zijn zoon beschermen tegen de verschrikkingen die zijn schoonfamilie met haar rituelen aanricht. Hij probeert er alles aan te doen om zijn zoon, nadat hij zelf is overleden, onvindbaar voor hen te maken door een geheim zegel, een litteken in de vorm van een hand, in zijn arm te etsen. Gaspar weet niet dat Juan een medium is en begrijpt niet waarom hij hem moedwillig verwondt. Hij verzet zich en dat levert gewelddadige scènes op tussen vader en zoon. 

    De Orde

    Waar je in het begin in de tekst gezogen werd, wordt het lezen na verloop van tijd moeizamer. Na een kort en onnodig intermezzo met veel herhaling van het voorgaande, alleen nu vanuit het perspectief van Juans arts – die meer uitlegt over Juans gave en verplichte toetreding tot De Orde – gaat deel drie verder met de jeugd van Gaspar en zijn drie vrienden Vicky, Pablo en Adela. De kinderen raken in de ban van een onbewoonbaar verklaard huis waar het zou spoken. Als ze uiteindelijk, dankzij Gaspars gave, een deur weten te openen (naar de onderwereld) en naar binnen gaan, hebben ze inderdaad een gruwelijke en traumatische ervaring die hen de rest van hun leven zal achtervolgen.

    Deel vier is door (de dode) Rosario verteld in het ik-perspectief. Levendig en uitgebreid beschrijft ze haar jeugd en haar aandeel in De Orde en dat  van haar ouders en familie. Ze vertelt over de ontdekking van het eerste medium in Afrika. Over haar studie in Londen en vriendschap met David Bowie wiens magische androgyne persoonlijkheid een dubbele energie zou hebben en grote aantrekkingskracht op De Orde. Sowieso gaan de ‘ingewijden’ homoseksuele verbintenissen niet uit de weg, omdat het dualisme zou duiden op onsterfelijkheid. Rosario’s studietijd in Londen gaat gepaard met veel seks, drugs en rock & roll ten tijde van de dood van Brian Jones, oprichter van The Rolling Stones. Details die het verhaal een hoog geloofwaardigheidsgehalte geven, maar er niet echt toe doen. 

    Terug naar de grootouders

    Deel vijf is het verslag van journaliste Olga Gallardo. Zij bezoekt het massagraf Zañartú dat in 1993 wordt geopend in de buurt van Misiones. Hier ontmoet ze de moeder van een van de verdwenen kinderen, die verwant aan De Orde blijkt te zijn, maar zich van de familie heeft gedistantieerd. Gallardo wil haar verontrustende ontdekkingen publiceren, maar wordt daarin tegengewerkt en ze pleegt uiteindelijk zelfmoord.

    In het laatste deel zijn we weer bij het perspectief van Gaspar en zijn vrienden. Hij is inmiddels een jonge adolescent en wees. Hij woont bij zijn oom Luis, de broer van zijn vader, in een buitenwijk van Buenos Aires. Het land verkeert in een economische crisis. Er zijn weinig financiële middelen. Gaspar echter krijgt een toelage van zijn moeders ouders. Iedereen vindt hem sympathiek maar hij is ook duister en worstelt met het grote trauma dat hij in het spookhuis opliep en met de mystieke gave die hij van zijn vader heeft ontvangen, waarvan hij niet weet wat die precies betekent. Dankzij een aantal toevalligheden ontdekt Gaspar dat alles is terug te leiden naar zijn grootouders. Hij was een kind toen hij daar voor het laatst was, maar nu wil hij hun verhaal en de waarheid horen en hij gaat op zoek naar de familie. 

    Te veel herhaling en uitleg

    Ons deel van de nacht is een huiveringwekkend en indringend boek. Enríquez schrijft toegankelijk maar ook uitgebreid. Herhalingen en uitleg zorgen voor ruis, en zaken die er niet echt toe doen krijgen veel aandacht. Vooral deel drie met de jonge kinderen is niet bijster interessant. Bij Rosario’s deel wordt het allemaal weer boeiend en groei je meer in het verhaal, ook omdat steeds meer stukjes van de puzzel gelegd worden. Gaandeweg raakt de lezer volledig op de hoogte van wat er aan de hand is. Dat Gaspar, met hulp van zijn vrienden Pablo en Vicky, zelf moet ontdekken wat De Orde inhoudt, verhoogt de spanning, maar uiteindelijk eindigt het verhaal tamelijk voorspelbaar. 

    Deze vertelling is één grote metafoor voor een gruwelijk stuk geschiedenis van Argentinië. Knap bedacht, maar er zijn wel wat haken en ogen. Het verhaal is veel te lang en sommige details zijn niet wezenlijk. Niets wordt aan de verbeelding van de lezer overgelaten, vrijwel alles wordt uitgelegd. De taal is toegankelijk, maar er zijn nauwelijks mooie zinnen en de personages blijven wat karikaturaal. De geweld- en horrorscènes zouden beter geschreven zijn door bijvoorbeeld Stephen King. 

    Enríquez heeft met dit boek, al had ze veel van de inhoud al eerder verwerkt in haar korte verhalen, een poging gedaan om de geschiedenis op een verrassende en nieuwe manier te brengen. Wie van mystiek, horror en fantasy genres houdt, zal zeker niet teleurgesteld worden.  

     

     

  • Jonge vrouw vindt haar kracht

    Jonge vrouw vindt haar kracht

    Jennifer Nansubuga Makumbi is een Oegandese schrijfster die in 2014 doorbrak met de bruisende roman Kintu, een verhaal over macht en beperkingen tussen vaders en zonen. Haar tweede grote roman, De eerste vrouw, is een familiegeschiedenis die zich focust op de macht en kracht van vrouwen. Het boek speelt zich af tussen 1975 en 1983 in Oeganda, grotendeels tegen de achtergrond van het schrikbewind van Idi Amin.

    De dertienjarige Kirabo is een open en nieuwsgierig meisje, een verhalenvertelster die alle aandacht krijgt en liefdevol wordt opgevoed door haar grootouders en familie in het plattelandsdorp Nattetta. Kirabo verlangt echter hevig naar haar afwezige moeder, over wie niemand haar informatie wil verschaffen. De puberende Kirabo merkt dat ze haar lichaam kan verlaten: ‘De ik die rare dingen deed, vloog haar lichaam uit.’ Daarmee legt ze het verband dat haar moeder haar niet wilde.

    Zelfs slim zijn werd onaantrekkelijk

    Op zoek naar haar identiteit gaat ze te rade bij de zogenoemde dorpsheks Nsuuta. Omdat de oude vrouw blind is maar toch van alles lijkt te zien, gelooft Kirabo dat ze ook echt een heks is. Ze bezoekt haar in het geheim omdat Nsuuta in een vete verwikkeld is met Alikisa, Kirabo’s oma. Nsuuta is wijs en geëmancipeerd en praat met Kirabo over het belang van de rol die vrouwen spelen in het familieleven. Dat Kirabo uit haar lichaam kan treden heeft volgens Nsuuta te maken met haar afstamming van de eerste vrouw, een wezen dat gemaakt is om mannen te behagen of te breken.

    ‘Wie zou er groot, luidruchtig of dapper willen zijn, of een van de andere eigenschappen willen hebben die volgens mannen mannelijk zijn? We doken ineen, sloegen onze ogen neer, gingen zachtjes praten en ons zwak en hulpeloos gedragen. Zelfs slim zijn werd onaantrekkelijk. En al snel werd het vrouwelijk om klein te zijn. Daarna werd het mooi en gingen vrouwen ernaar streven. Dat was het moment waarop we onze oerstaat uit onszelf begonnen te verdrijven. Toen we eenmaal klein waren geworden, moesten de mannen voor ons zorgen, en al snel werden we hun bezit. Vaders verkochten hun dochters, mannen kochten een echtgenote. En toen we eenmaal handelswaar waren, konden mannen alles met ons doen wat ze wilden. Zelfs nu nog is ons lichaam niet van onszelf. Daarom grijpen ze het als ze er behoefte aan hebben.’

    Dorpskind

    Kirabo’s vader, Tom, is een snelle jongen die in Kampala woont en voor een koffiehandelaar werkt. Over zijn rol in haar leven denkt Kirabo nauwelijks na, tot hij haar op een dag komt halen. Hij wil dat ze bij hem komt wonen en in Kampala naar school gaat. Daar wacht haar de eerste grote schok in haar jonge leven. Tom, redelijk bemiddeld, woont in een modern huis, is getrouwd, heeft twee kinderen en een bediende. Dat was Kirabo allemaal niet verteld. Ineens is het dorpskind getuige van een heel ander leven, waarin een klassiek jaloerse stiefmoeder haar pest. Gelukkig mag de diepongelukkige Kirabo bij haar tante Abi gaan wonen. Abi is bewust ongehuwd, vrijgevochten en liefdevol. Zij bereidt Kirabo voor op het volwassen leven van een vrouw, de menstruatie, en hoe ze moet omgaan met haar haar seksualiteit en haar ‘bloem’ (geslacht).

    Vervolgens gaat Kirabo naar een katholieke kostschool, waar ze wordt geconfronteerd met meisjes uit andere clans, steden en dorpen en de bijbehorende milieus, rituelen en discriminatie. Het einde van het Amin-tijdperk is aangebroken en de nonnen trachten de meisjes te beschermen tegen het grimmige oorlogsgeweld en de soldaten die op het terrein van de school bivakkeren. Ze hebben voor veel meisjes met actieve hormonen een grote aantrekkingskracht. Overigens komt het Amin-regiem in het boek niet erg dichtbij, behalve wanneer de vader van Kirabo’s jeugdvriend Sio, een arts die zich te westers gedraagt, wordt opgepakt en nooit meer terugkomt.

    Hartsvriendinnen

    Het vierde deel, ‘Toen de dorpen nog jong waren’, gaat terug naar de jaren dertig van de vorige eeuw en is deels een briefwisseling tussen Nsuuta en Alikisa. Dat is een verfrissende variatie in de tekst en een efficiënte manier om het verhaal te vertellen. De jeugd van Nsuuta en Alikisa speelde zich af in de koloniale tijd van de Engelsen, de komst van missionarissen en invloed van het westen. Nsuuta en Alikisa waren hartsvriendinnen die als tienjarigen een verbond van eeuwige trouw sloten door elkaar te beloven met dezelfde man te trouwen. Alikisa trouwde inderdaad met de grote liefde van Nsuuta, maar Nsuuta besloot inmiddels tot een onafhankelijk leven en werd verpleegster. Toch deelden ze later dezelfde man, Miiroo, de opa van Kirabo, wat tegelijkertijd de bron van de latere vete tussen de twee vrouwen werd.

    Heft in eigen handen

    In het laatste deel wacht Kirabo de rampspoed waardoor ze op slag volwassen wordt. En ze ontmoet Sio weer. Hij praat over ‘mwenkanonkano’, het Lugandese woord voor feminisme en laat merken dat hij vrouwen als zijn gelijke ziet, totdat hij haar verraadt met haar jeugdvriendin. Hij heeft hun toekomst samen al uitgestippeld zonder Kirabo’s mening te vragen. Kirabo snapt ineens hoe het werkt bij mannen. Ze staat op en neemt het heft in eigen hand door met een ferm staaltje feminisme op te komen voor zichzelf en haar vriendin, slachtoffer van Sio’s lust. Ze weigert de man te volgen op zijn voorwaarden. Dat is tevens de kern van dit verhaal vol sterke vrouwen met de boodschap: vrouwen mogen hun eigen weg gaan en moeten mannen blijven opvoeden.

    Mooiste zin: ‘Ze was op de lichtheid van een kippenveer de schaamte voorbij gezweefd.’ De zin hoort bij een prachtige scène tussen Sio en Kirabo. Sio wil haar ‘bloem’ zien. Kirabo stemt daarmee in, maar is nog niet toe aan seks. Ze schaamt zich voor ‘alles daaronder’, wat hij respecteert. Tot hij met een kippenveer haar geslacht beroert…

    De tijd vooruit

    De eerste vrouw is een fijne familiegeschiedenis vanuit het vrouwelijk perspectief. Kirabo is een bijzonder meisje dat onder je huid kruipt. Trouwens, alle vrouwen in het verhaal zijn warm, liefdevol en sympathiek, behalve de stiefmoeder en Kirabo’s eigen moeder, die op het einde opduikt.
    De roman is uit het Engels vertaald door Josephine Ruitenberg. Soms is het jammer als de Afrikaanse woorden niet worden verklaard, en de gewoonte om op de tanden te zuigen bij ergernis, verlegenheid of woede komt in ieder hoofdstuk wel een keer voor. Dat had wat minder gekund. Maar het verhaal is een integere coming-of-age, intelligent en speels gecomponeerd. Achtergrondinformatie over politiek, het leven op het platteland versus de stad, de diepgewortelde rites en mythes en de rol van vrouwen binnen hun clans wordt subtiel gedoseerd en geeft een beeld van de macht en kracht van vrouwen in Oeganda ruim veertig jaar geleden. De Oegandese vrouwen waren hun tijd ver vooruit.

     

  • Ode aan Ethiopische vrouwelijke krijgers

    Ode aan Ethiopische vrouwelijke krijgers

    Dat de Ethiopisch-Amerikaanse schrijfster Maaza Mengiste met haar tweede boek ‘The Shadow King’ de shortlist van de Booker Prize 2020 behaalde is een terechte prestatie. Ze heeft tien jaar aan dit boek gewerkt en jarenlang in Italië foto’s verzameld over Ethiopië, een van de weinige niet gekoloniseerde landen in Afrika. ‘De schaduwkoning’ is fictie schrijft Mengiste in het nawoord maar is gebaseerd op ware gebeurtenissen. Het verhaal gaat over de belangrijke geschiedenis van Ethiopië toen de troepen van Mussolini in 1935 het land binnenvielen. Ze geeft de Ethiopische vrouwelijke strijders en soldaten die vochten en stierven voor hun land, een naam en stem om de herinnering aan hen levend te houden. 

    We staan aan de vooravond van de invasie van het Italiaanse leger. Het weesmeisje Hirut is bediende van legerofficier Kidane en zijn intrigerende vrouw Aster. Haar vader liet haar een geweer na, een Wujigra, die Kidane haar afpakt want zijn leger heeft wapens nodig. Dit vergeeft Hirut hem nooit, het zet haar relatie met haar baas en jeugdvriend van haar moeder op scherp. Aster en Hirut gaan in tegen zijn wil dat ze thuisblijven, ze besluiten mee te vechten tegen de Italianen. Hirut en Aster worden de twee dapperste vrouwen in het leger, tot ze gevangengenomen worden door de mannen van Fucelli, de Italiaanse commandant tegen wiens leger ze vechten in hun vallei.    

    Rijke poëtische taal

    De Schaduwkoning is een verhaal waarin je als lezer moet groeien om één te worden met de personages en de rijke poëtische taal. Taal die goed past bij de Afrikaanse achtergrond maar in het Nederlands wel als mooischrijverij wordt afgedaan. Het vertelperspectief is alwetend en dat maakt de stijl tamelijk afstandelijk. Mengiste schrijft vaak in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd wat ook afstand schept, maar ook een sterke manier is om informatie door te geven: ‘Misschien zal er vandaag ook een nieuwe gevangene worden gebracht van de plek waar hij gevonden is, en moet hij stilstaan voor foto’s. Hij zal zoals gewoonlijk weigeren te salueren en te poseren. Hij zal geen woord Italiaans spreken. Hij zal niets anders doen dan staan op een manier die Fucelli tegelijkertijd ergert en amuseert.’

    Het verhaal begint met een proloog in 1974 en eindigt met een epiloog die daar naadloos op aansluit. Daartussen vormen de scènes tussen 1935  tot 1941 een caleidoscoop van korte hoofdstukken vaak vanuit verschillende perspectieven verteld. Het zijn als het ware akten in een opera met tussenspel, koor en foto’s. Het verhaal wordt dan even op een andere manier onder de loep genomen. De foto’s zijn letterlijke beschrijvingen van het beeld dat gefotografeerd is. Dit leidt soms tot herhalingen, wat overigens niet storend is. ‘Met herhaling worden herinneringen herschept,’ zegt Kidane.

    Er komen veel namen voorbij, maar lang niet iedereen krijgt een gezicht. Zo is daar Kidane, de Ethiopische legerleider, zijn soldaten: Aklilu, Seifu en zijn zoon Tariku, Minim. Aan Italiaanse kant worden de personages van Carlo Fucelli, de wrede kampcommandant en zijn fotograaf Ettore Navarra meer uitgediept. Vooral Navarra krijgt een gezicht als belangrijke tegenspeler van Hirut. Even lijkt er sprake te zijn van een liefdesaffaire, en misschien had dat gekund als Hiruts haat voor de vijand niet sterker was. Navarra bewaart de herinnering aan de doden door foto’s te maken. Hirut bewaart veertig jaar lang Ettores herinnering aan zijn ouders, in de vorm van brieven en foto’s, in zijn ijzeren legerkistje.

    Noem je naam

    Het boek is een ode aan de vrouwelijke krijgers in de zeer ongelijke strijd tegen de Italianen met hun moderne leger, wapens en gebruik van mosterdgas. De rol van de vrouwen is niet te veronachtzamen, maar alleen Hirut, Aster en Fifi, de maîtresse van Fucelli en de kokkin, die naamloos blijft, krijgen een gezicht. Wellicht staat het personage van de kokkin voor de vele niet genoemde vrouwen. De kokkin is eerst de bediende van Aster, later wordt ze vertrouwelinge van Fifi, en speelt ze een dappere rol in het verhaal. Wanneer de krijgsgevangenen in de nieuwgebouwde gevangenis van Fucelli hun afschuwelijke dood tegemoet zien, is het de kokkin die hen als laatste toespreekt: ‘Vertel me wie jullie zijn, zegt ze. Vertel het langzaam en herhaal het drie keer, dan zal ik zorgen dat jullie bekend zijn. Ik zal een nagedachtenis van jullie maken die deze val waardig is. Zeg nu je naam. Zeg je naam wanneer je gefotografeerd wordt. Zeg hem als je in de lucht springt en leert vliegen. Laat hen niet vergeten wie ze vermoord hebben.’

    Namen zijn belangrijk zegt Mengiste in een interview, en dan vooral de namen die men bij de geboorte kreeg. Als we ze blijven herhalen wordt hun geschiedenis niet vergeten.

    Aster, de vrouw van Kidane, is een interessant personage, helaas blijven haar achtergrond en beweegredenen onderbelicht. Zij is de grote leidster die de vrouwen aanspoort nooit op te geven. ‘Aster verzamelt de vrouwen om zich heen. Aan de voet van de heuvel maken de mannen zich klaar voor de verrassingsaanval. (…) Zorg dat geen man zich terugtrekt, ren achter hem aan en keer hem met spot en liedjes. Help hem overeind als hij valt, sleep zijn lichaam weg als hij sterft. Gebruik je stem, gebruik je armen en benen, maak van je lichaam een wapen dat de Italianen nooit zullen vergeten. Het zal niet hetzelfde zijn als vechten, herhaalt ze steeds opnieuw, maar het zal je voorbereiden op de frontlinies bij het volgende gevecht.’

    Verdi als metafoor voor keizer Selassi

    En dan is daar Haile Selassi. Geliefde en verguisde Ethiopische keizer die onafgebroken naar een 78-toerenplaat van de opera Aida van Verdi luistert en zich vereenzelvigt met de Ethiopische troepen die Egypte gaan aanvallen. Zo maakt Selassi zich op voor wraak, maar voordat hij kan overgaan tot een aanval vlucht hij naar Engeland en laat zijn volk in de steek. Zonder keizer is de motivatie en strijdlust van de Ethiopische soldaten ver te zoeken. Het is Hirut die op het idee komt om Minim, de man die niets betekent zoals zijn naam zegt, maar die een sterke gelijkenis met Haile Selassie vertoont, te verkleden als de keizer. Als tijdelijke aanvoerder met de twee vrouwelijke wachters Hirut en Aster wordt hij de schaduwkoning die het volk weer moed geeft en tot een overwinning brengt.   

    Het verhaal staat bol van symboliek en stijlfiguren, zo zijn licht en schaduw veel terugkomende beelden. Of de aanwezige dreiging van de zwarte vogels als de legers zich opmaken om aan te vallen. En het geweer van Hirut, de Wujigra, die door het hele verhaal de rol speelt van verbinding met Hiruts verloren jeugd. De Opera van Verdi is een metafoor voor het leven van Haile Selassie. En de spiegeling van Hirut en Ettore is een stijlmiddel. Beide zijn gevangen in hun tijd, Hirut als vrouw en soldate. Ettore, als zoon van een Joodse vader, wiens ware gezicht hij nooit gezien heeft. 

    Mengiste schuwt gewelddadige scènes niet. Indringende beschrijvingen van moord en doodslag, verkrachting en wrede oorlogsvoering worden afgewisseld met prachtige natuurbeschrijvingen en intieme momenten tussen de personages. Toch raakt de taal lang niet altijd en blijf de lezer op afstand. Het zal voor de vertalers Karina van Santen en Martine Vosmaer geen gemakkelijke taak zijn geweest deze roman te vertalen, wat zij overigens uitstekend gedaan hebben. Al zullen Abbessijnse krijgers anno 1935 geen T-shirts gedragen hebben, de vertaling van hemd of hes was misschien beter geweest.

     

     

  • Een duivelskind dat een spoor van destructie achterlaat

    Een duivelskind dat een spoor van destructie achterlaat

    Nim is een vodje. Ze werkt in een snackbar en stinkt naar mayo en frituurvet, tot ze wordt opgepikt door Alfred Schöne, bankier, die het vrije, vunzige niet schuwt, evenals zijn zoon, Alfa. Ze wordt als een hond uit het asiel gehaald en komt in aanraking met boeken en muziek, opera, dans, een andere cultuur en dompelt zich erin onder. Nim wordt danseres en gaat later met Alfa werken, die een beroemde choreograaf wordt. Ze leert andere mannen kennen, vooral oudere mannen met wie ze seks heeft. 

    Het verhaal begint in 1988 in Amsterdam. Alfred Schöne bezoekt kunstschilder De Zwart in zijn atelier waar hij werkt aan een portret van zijn vrouw. Als de dan 18-jarige Nim binnenkomt met in haar kielzog de veel oudere man, arts, die De Gnoom wordt genoemd, raakt de sfeer tussen de drie mannen gespannen. Alleen Nim reageert ongedwongen en lijkt te genieten van alle aandacht. Ze dartelt rond in een geel balletpakje en zit model voor De Zwart. Ze ontdekt de housemuziek door De Zwart en raakt in de ban van die muziek.  

    Berlijn en New York

    Vier jaar later, in 1992 gaat het verhaal verder in Berlijn waar Nim woont met De Zwart die topfotograaf is geworden. Nim wil dansen en niets anders dan dat tot ‘she loses the plot’. Seks, drugs en house, techno-rock is wat haar beheerst en gaande houdt. 
    In september 2001 gaat ze in New York wonen. De dreiging van 9/11 is voelbaar maar wordt nergens benoemd, behalve in de titel nonplaats / nul en opmerkingen als ‘het vliegtuig is het ultieme vervoermiddel, de belangrijkste technologische ontwikkeling sinds tijden.’ Of zoals in een brief van Dune, een activiste met een baret die later Nims geliefde wordt. ‘Details op straat vervaagden, ik zag alleen de geometrische patronen van de skyline boven me. De verschillende hoogtes van de gebouwen die naar de hemel reikten. Voor- en achtergrond, texturen, materialen leken te trillen in hun materialiteit, de stenen schoven over elkaar heen en perforeerden elkaar en het glas flikkerde in de reflectie van de zon.’ Het is een ijkpunt in de tijd. 

    Nim ontmoet een jong meisje en realiseert zich haar eenzaamheid, vindt een one-night-stand en daalt af in haar herinneringen. ‘Waar te beginnen met het zoeken van betekenis? Ze wil niet dat alles betekenis heeft, ze wil dat er dingen zijn die zinloos zijn, die gebeuren zonder dat zij daar beter van wordt.’

    Ze denkt terug aan de ‘Lulu’ avonden. ‘Lulu’ was een discotheek in een kelder in Brooklyn waar ze per ongeluk langsloopt en naar binnengaat. ‘[…] we bewogen zonder haperen tussen de witte normies in hoodie en spijkerbroek en Ibizagladjakkers met zonnebril in het haar. Hier dronken ze manhattans en skinny bitches, tot op de tong bezweet, hier dansten ze op de soepele sexy housemuziek die toen vooruitstrevend voelde maar nu goedkoop en oppervlakkig lijkt, alsof ze tussen de simpele drums uit de computer naar vrije ruimte zochten in een leven dat hard en veel en vol was.’

    Lockdown en #Metoo

    In het vierde hoofdstuk gaat het verhaal verder in 2008 in Londen. Er wordt vanuit een heel ander perspectief, door een portier in een discotheek, een andere kant van Nim beschreven. De vrouw (of man?) is geboeid door de verschijning van Nim, die zich Pandora laat noemen, een koosnaampje van Alfa. Ineens zien we Nim door de ogen van haar omgeving. Het is een sterke wending in het verhaal, de lezer krijgt een completer beeld van haar. Het verhaal eindigt in 2020 met verwijzingen naar de pandemie.

    Tijdens lockdown wonen Nim en Dune in een appartement, ze hebben een hond genomen om naar buiten te mogen. Nim schrijft een lange email aan Alfa. Haar eerste en langste lover, zoals ze tegen hem praat en haar herinneringen met hem deelt, drijft de gedachte boven dat Alfa een verpersoonlijking is van #Metoo. Wat hij met zijn danseressen uitspookte was niet mals. Maar het raakt Nim niet, niet echt: ‘Je krijste dat ik je leven heb verwoest. Ik vind het toch nodig om te benadrukken dat je dat van mij niet hebt verwoest. Hooguit moeilijk gemaakt, maar ik kan me niet voorstellen dat één persoon of gebeurtenis die pakweg tachtig jaar voorgoed kan bepalen. Ik krabbel weer op, vind mezelf opnieuw uit – Ik heb mezelf honderd keer opnieuw uitgevonden – en daar zijn dan weer andere moeilijkheden op de weg.’

    Uiteindelijk ontstaat er door deze vorm binnen de vijf hoofdstukken met verschillende perspectieven een compleet beeld van de vrouw die Nim was en is geworden. Zij is een rond personage, wat niet zozeer valt te zeggen van de bijfiguren, haar lovers, Alfa, zijn vader Schöne, De Gnoom, zelfs De Zwart blijven nogal platte karakters.

    Metafoor van verloren tijd

    Wat is de premisse van deze roman, is het een ode aan de techno en house, muziek? Dance, escapisme van een jeugd. Een toekomst die er niet meer is. Zoals te lezen is in het citaat vooraf van de Mexicaanse schrijfster Valeria Lluiselli uit het Archief van verloren kinderen, […] ‘Misschien ervaren we gewoon een afwezigheid van toekomst, omdat het heden te overweldigend is geworden, en de toekomst daarmee onvoorstelbaar.’ Is Nims leven een metafoor van de verloren tijd? Ze wordt een duivelskind genoemd, ze laat een spoor van destructie achter, alle mannen gaan dood in haar leven, behalve Alfa. Ze is vijftig en kijkt in tijden van Corona terug op haar leven waarin geen toekomst is te vinden.

    De repeterende stijl die op de achterflap wordt gesuggereerd las ik er niet in, maar Bekkering kan schrijven. Met korte zinnen raast ze langs ideeën en gedachten die niet altijd van de grond komen.  Er mist soms specie tussen de bouwstenen, zijn er veel losse flodders, net zoals Nim in het leven een losse flodder bleef. 

     

     

  • Vrij leven in de natuur en de tegenslag die daarbij hoort

    Vrij leven in de natuur en de tegenslag die daarbij hoort

    Tamsin Calidas en haar partner Rab besluiten Londen te verlaten om op een eiland in de Schotse Hebriden te gaan wonen. In Ik ben een eiland beschrijft ze een woelige periode uit haar leven met mooie natuurbeschrijvingen. ‘Ik houd ervan om naar het zingen van de zeehonden te luisteren, die zich baden in de bevroren warmte van de rotsen terwijl de zon de stroperige, bevroren vloed in zinkt.’ En ze geeft veel beelden en metaforen die meestal terugslaan op de natuur. 

    Omstreeks 2004 woonde Tamsin Calidas in een mooi appartement in Notting Hill in Londen. Ze had veel vrienden, topcarrière als fotograaf bij de BBC, leuke vriend met wie ze ook trouwde. Toch vervulde dat leven haar onvoldoende, ze zocht naar iets anders. Na een opeenstapeling van rampen: een zwaar ongeluk met een Londense taxi, geweld op straat, een insluiper, het lawaai en stress van de stad werd dat verlangen steeds sterker. 

    Zonder water en licht

    Tijdens een vakantie in Schotland trok een advertentie in de krant haar en haar man Rab aan. Op een eiland in de Hebriden (de naam van het eiland zelf wordt niet genoemd om privacy van auteur en de gemeenschap daar te beschermen) stond een vervallen croft (boerderij met wat land) te koop. Ze gingen kijken en het was liefde op het eerste gezicht. Wat ze kochten was een halve ruïne op een stuk land zonder water en licht en verruilden het luxe Londen voor het leven van een keuterboer. Aanvankelijk hielden ze schapen en koeien, hadden honden en een paard. Het was hard werken in isolatie omgeven door natuur en de furie van de elementen. 

    Wat dan volgt is een treurzang van tegenslagen – De eilandbewoners zijn vijandig en ze is slachtoffer van seksisme. Het weer is meedogenloos, de relatie komt onder druk te staan, de kinderwens niet vervuld, ze breekt haar beide handen, geldgebrek. En nog veel meer diepe ellende vermengd met de meedogenloosheid van het ruige klimaat.  

    Hoeveel leed kan een mens aan? Veel, als je Tamsin Calidas’ verhaal mag geloven. Is het leuk om te lezen? Na een honderd bladzijden niet meer zo. Al zijn de natuurbeschrijvingen mooi, met verrassende beelden en zinnen, maar soms is het te veel van het goede.

    Eenzijdige vertelling

    Dat ze haar man Rab buiten beeld houdt is jammer. Naar het hoe en waarom van de beëindiging van de relatie mogen we gissen.  ‘Ik wil de sleutel vinden naar die geheime gang die ons uit de brand kan helpen. Ik wil zo graag die blinkende sleutel in zijn slot steken. Elke dag probeer ik dat ondoordringbare mechaniek te doorgronden. Maar hoe harder ik het probeer hoe harder die verfijnde radertjes doordraaien, even snel en grillig als de zilte windvlagen die van zee aanwaaien. Op sommige dagen put hij je uit, die bijtende wind speelt hij met je alsof je drijfhout bent. Het doet pijn hem je onafgebroken te voelen ranselen. Ik hoop dat hij op een dag uit een andere hoek zou waaien.’ Een metafoor die slaat op haar man. Veel meer concreets komt er niet. 

    Over de eilandbewoners komen we nog minder te weten, enkel dat ze allemaal onsympathiek zijn. Niemand heeft bijvoorbeeld een naam, behalve Crystal, een oudere vrouw waar ze later mee bevriend raakt. Omdat de ik-persoon nauwelijks buiten zichzelf treedt blijft het hele verhaal nogal eenzijdig. Er is weinig dialoog weergegeven, we lezen vooral haar belevingen en gedachten, waarmee dit boek een egodocument is met een zware energie. De zwaarte van een eiland tussen Schotland en Noorwegen waar afzien door weer, wind en kou de regels bepalen. 

    Rab vertrekt en zij blijft alleen achter met de schapen, werk voor twee, zonder geld, fysiek en mentaal zwaargewond. Maar vastbesloten om te krijgen wat ze hebben wil, geeft ze niet op. In die zin is het ook een verhaal over moed en veerkracht. Calidas vindt loutering door haar vijanden aan te gaan en ontdekt schoonheid in angst.  Ze zoekt de grenzen op van menselijk kunnen, leeft op wilde planten en bessen en raakt echt in contact met de natuur en dierenwereld, zozeer dat ze zich een dier gaat voelen.

    Naar binnen gekeerd zoekt ze haar eigen loutering en komt erachter dat ze meer heeft met dieren dan met mensen. Een indringer op het eiland die verstoten wordt door de roedel. ‘Wanneer je jezelf onttrekt aan het lawaai van de moderne wereld, ontdek je niet alleen maar innerlijke wereld, maar ook een diep bewustzijn van de instincten die we zijn kwijtgeraakt. […] Onze eigen lichaamstaal aanpassen vereist oefening, maar het kan worden geleerd door zorgvuldige waarneming waarmee we een zeker begrip van dierengedrag rijker worden, en met vallen en opstaan zodat we de kans krijgen dichter bij een heleboel soorten te komen.’

    Geroepen door de zee

    Uiteindelijk wordt ze geroepen door de zee die haar genezing zal brengen, ze zwemt dagelijks, zomer en winter bij zeer lage temperaturen. ‘Toen ik mijn eigen angst voor de ruige wilde elementen kwijtraakte, begonnen vertrouwen en liefde uit andere bronnen tot mij te komen. Ik heb vele malen op de rand van deze rotsen gestaan en mijn handen hebben het uitgeschreeuwd naar de zee. Vandaag geeft ze antwoord en begint ze mij zacht te roepen.’ Dapper zoekt ze haar vijanden, de buren, op en vraagt om begrip en er komt een kentering. Ze blijft op het eiland wonen, vooralsnog alleen en heeft haar weg binnen de gemeenschap gevonden. 

    ‘In een oude mythe van wedergeboorte werd het dode land zo gelouterd van alles wat het uitdroogde, uitzoog. Ik smeed mijn eigen toekomst, wis jaren ontbering in het croften op deze brandstapel.’
    In Engeland is dit boek, net als ‘Het zoutpad’ van Raynor Winn, een bestseller waarin de auteur ‘blikverruimend blijft openstaan voor nieuwe manieren om intuïtief, lichamelijk en geestelijk in verbinding te staan met alles wat wild is om ons heen en binnenin ons.’ Veel mensen zouden het roer wel eens  willen omgooien en kiezen voor een vrij leven in de natuur zonder verplichtingen aan een baas, voor de meesten blijft het bij dromen, daarom vinden verhalen als die van Tamsin Calidas altijd wel hun weg naar een publiek.