• Literair meesterwerk

    Literair meesterwerk

    De novelle Het graf van de wever van Seumas O’Kelly werd in 1919, een jaar na de dood van de Ierse veelschrijver en journalist, gepubliceerd. O’Kelly wordt wel vergeleken met Samuel Beckett en Flan O’Brien, auteurs die eveneens excentriciteit en ironie hanteerden. In dit geval gaat het om ‘liefde tussen de grafstenen’, woorden van James Joyce die dit vaker voorkomende thema in de Ierse literatuur ook fascinerend vond en na het lezen van The weavers grave een scène in Ulysses invoegde. Het is de basis van dit verhaal dat ‘zwaar is van de dood, van een zich-niet-bewust-zijn, van het oude, het verleden en de aarde, en eindigt met het leven, de liefde, met verwondering jeugd en toekomst.’ Aldus Anne Francis Cavanaugh in het nawoord. Het verhaal oogt simpel, maar is heel gelaagd, zoals haar verhelderende nawoord de lezer helpt om de diepgang nog beter te begrijpen.

    De oude wever Mortimer Hehir is dood en moet begraven worden. Zijn weduwe – de vierde echtgenote al – twee oude mannen, en twee jonge grafdelvers gaan op de dodenakker Cloon na Morav, waar alleen oude families en clans begraven mogen worden, op zoek naar het familiegraf van de wever. Vanuit een alwetend perspectief wordt per hoofdstukje subtiel ingezoomd op steeds een ander personage. Allereerst de begraafplaats, vervolgens de twee oude mannen, die beiden denken te weten waar het graf ligt, en uiteindelijk ook de weduwe.

    Bekvechten

    Spijkerslager Meehaul Lynskey (‘hield van de kleur van de strogeel glanzende punt van een staafje gloeiend ijzer; en wist er een perfecte spijker uit te slaan met een paar rake slagen van een platte hamer’.) beschikt samen met steenbikker Cahir Bowes (‘zijn hoofd tussen zijn schouders gedoken, zijn ogen oplettend en grijs, glinsterend als de bergen stenen die hij in zijn tijd had gebikt voor de wegenbouw’) over kennis van Cloon na Morav. De twee bekvechten erop los, terwijl de weduwe hun geruzie witjes en bedroefd aanhoort en de twee identieke grafdelvers (want een tweeling) ongeduldig afwachten tot ze aan het werk kunnen. De spijkerslager en de steenbikker laten twee verkeerde graven openen, wat de komische tragedie, maar ook de menselijkheid van de beide oude mannen weergeeft. ‘Cahir Bowes, die de verrichtingen nauwlettend gadesloeg, zei: “Ik zat er bijna naast.” Meehaul Lynskey snoof. Hij vroeg: “Waar zat je naast?” “Het graf van de Wever.” “Vergeet niet: de laatste Wever ligt zeven voet diep. En vergeet niet: Alick Finlay ligt minder diep dan Julia Rafferty.” Hij had het nog niet gezegd of er gebeurde iets verschrikkelijks. Plotseling werd het zachte spitten in de aarde onderbroken door het geluid van een spade die hard in aanraking kwam met metaal.”‘ Waarmee Meehaul Lynskey het bij het rechte eind had: ze groeven op de verkeerde plek en er werd een graf onterecht geopend. Natuurlijk vond Cahir Bowes het moeilijk om zijn ongelijk te erkennen. ‘Hij keek naar de grond, zijn blik ging zoekend rond en tergend langzaam hervatte hij het weven van zijn web.’ Hij probeerde weg te komen met zijn fout. En het snoeven en tarten gaat weer vrolijk verder.

    Droom wordt werkelijkheid

    Ten einde raad gaat de weduwe naar een derde oude man, de kuiper Malachi Roohan. Hij zal toch wel weten waar het familiegraf van de wever ligt?
    Mijmerend over haar overleden man loopt ze naar Roohans huis. De kuiper ligt in bed en lijkt op sterven na dood, hij trekt zich aan een koord omhoog. ‘De weduwe zag een merkwaardig gezicht, niet in het minst bleek of gerimpeld, maar blozend met een mahoniekleurig kaal hoofd, […] De weduwe knipperde met haar ogen. Ja, daar was de schim van een man die zich aan een koord omhoogtrok uit de dood. Een omkering van de gebruikelijke gang van zaken. Met dat stuk koord hing de kuiper aan het leven.’

    Net als de steenbikker en de spijkerslager is ook de kuiper verward en ziet hij de weduwe aan voor een eerdere vrouw van de wever. Toch brengt hij haar de juiste boodschap door te beweren dat het leven een droom is, want als je je ogen opendoet, ziet de wereld er anders, misschien wel mooier, uit. Terug op de begraafplaats ziet de weduwe de wereld inderdaad anders, ze merkt nu de natuur op en neemt een verschil tussen de identieke grafdelvers waar. De ene heeft een meer empathische blik in de ogen en onder die blik voelt ze zich jonger. De gevoelens zijn wederzijds, ook de jonge grafdelver ziet de weduwe meer dan bewust staan. Als de steenbikker zich plots de juiste plek van het graf van de wever herinnert, nemen de grafdelvers hun spades en gaan graven. ‘Op vijf voet keek de ene grafdelver in het graf en vervolgens naar de weduwe en zei: “Bent u tevreden?” Even was het stil en toen ze sprak, klonk de stem van de weduwe zacht, maar helder, als die van een jong meisje. Ze zei: “Ik ben tevreden.”’ Waarmee het verhaal is beëindigd en een nieuw begin van liefde is ingeluid tussen de weduwe en de jonge grafdelver.

    Ierse symboliek

    Het graf van de wever is gebaseerd op een feitelijk voorval en door O’Kelly omgewerkt tot een stilistisch samengebalde novelle. Poëtisch en met de subtiele ironie, beeldrijke taal en bijzondere details behoort het tot de beste Ierse verhalen met haar sterke symboliek, zoals Malachi Roohan met zijn koord, wat een zinnebeeld is voor zijn band met de wereld. Evenals de zoektocht naar een graf die een zoektocht naar het leven is; of de doodse trance van de weduwe die verandert naar ontluikende liefde. We gaan van dood naar leven, van droom naar werkelijkheid, bewegingen die sturing geven aan de complexe structuur en het verhaal die extra boeiende lading geven. Het is overigens nu pas, ruim honderd jaar later, dat dit verhaal in uitstekend Nederlands is vertaald door Robert Dorsman. En daarmee is het de zoveelste glanzende ‘motregendruppel’ in het fonds van Zirimiri Press.

     

     

  • Sms-taal relativeert zelfmedelijden

    Sms-taal relativeert zelfmedelijden

    Nederlandse literatuur wil wel eens wat zwaar op de hand zijn. Vaak ligt dat aan de ik-ben-zielig-toon die de auteur hanteert. In het debuut Uitzicht van dichtbij valt het ook op, ware het niet dat Megan van Kessel haar zelfmedelijden relativeert met een droge onderkoelde stijl. Het is een beetje als sms-taal, zegt ze tegen Annemieke Bosman in een radio-interview van Opium. De zinnen zijn kort en staccato.

    Een jong stel met een baby gaat in een verbouwde pistachegroene kerk onder de rook van de stad op het platteland wonen. Vanuit het ene raam hebben ze uitzicht op de witte pastorie met rozen en lavendel, waar de keurige buren wonen die ze de Lords noemen. Het andere raam biedt uitzicht op Mireille, een verzuurde alleenstaande dame met geel haar en grote borsten. Zij beheert het terrein met dictatoriale hand. Het buitenleven gaat het stel moeizaam af. Ze voelen vijandigheid en investeren niet echt in hun buren. Buurvrouw Mireille wordt afgeschilderd als een bitch. Ze plaatst overal verboden-toegangborden en spreekt het stel erop aan als ze de regels schenden. Ze komt enigszins ongeloofwaardig over omdat ze niet echt wordt uitgediept. Hetzelfde geldt voor de Lords, waar Maggie’s moeder een pakje boter leent. Ook zij komen niet echt tot leven.

    Fleur uit Almere

    Het terrein waarop ze wonen wordt als een Ü verbeeld. ‘De kerk en de pastorie zijn de puntjes, het midden van de U is het verboden terrein. Het kommetje is de camping met het meer. Boven de puntjes is de drukke weg. Aan de overkant van die weg wonen de perfecte buren. Zij zijn bevriend met de Lords. De perfecte buren hebben perfect gras.’

    Ik-persoon Maggie probeert een tuintje te maken op een plek waar eerst stoeptegels lagen en is teleurgesteld dat niets groeit en de planten bruin worden. Iedere sukkel weet dat je geen planten in straatzand zet en er dan de potgrond over uitstrooit. Het zal humoristisch bedoeld zijn, maar mist de pointe een beetje. Met vijandige buren, de mislukkende tuin, de lawaaierige pick-uptrucks die langsrijden en de vermoeidheid rond het pasgeboren zoontje, lukt het Maggie niet om gelukkig te zijn. ‘Ik voel me een Fleur uit Almere. Niks mis met Fleur, of Almere, maar ik moet er gewoon even aan wennen dat ik dat nu ben.’

    Het verhaal gaat over Maggie’s afwezige vader. Het vreet aan haar dat ze niets van hem hoort na de geboorte van haar zoontje. En dat brengt haar terug naar gebeurtenissen uit haar jeugd. ‘Waar is dat meisje dat niet bang was? […] Het meisje dat deed alsof ze niks voelde en zich in slaap huilde omdat ze zoveel voelde.’ Maggie was stoer, een durfal en een buitenbeentje en deed heel erg haar best om haar vader te bereiken. Ze verlangde naar zijn aandacht, terwijl hij een kinderlijke en hoogst egocentrische man was, die dacht dat hij overal mee weg kwam en ze nam aan dat voor haar hetzelfde gold. Maar zij verloor haar stoere zelfverzekerdheid door een verontrustende gebeurtenis die haar nog steeds achtervolgt.

    Vakantie aan zee

    Het verhaal meandert van het heden, het wonen op een dorp met baby en partner Alfons, naar haar jeugdherinneringen. Vooral een vakantie op een camping aan zee met haar vader en stiefmoeder, oudere zus en stiefzusje Karin beleeft ze opnieuw. De overgangen naar vroeger gaan vloeiend en hangen steeds aan de kapstok van de oorzaak waarom haar vader niets van zich laat horen. Haar ouders gingen uit elkaar toen ze vier was. Ook haar vader en stiefmoeder zijn uit elkaar en Maggie heeft het contact met haar verloren. Langzaam wordt het drama van haar jeugd duidelijk en is het begrijpelijk waarmee Maggie worstelt.

    Als er dan toch contact met de vader is, komt er een kentering in het verhaal. Zijn verhaal moet verteld worden en de dorpsbeslommeringen raken op de achtergrond. De onderkoelde toon verdwijnt ook enigszins. Maggie zoekt naar genoegdoening, haar vader heeft haar in de steek gelaten. Tegelijkertijd voelt ze zich schuldig, want haar vader verwijt haar en haar zus hetzelfde. Zij hebben hem in de steek gelaten. Haar bezorgdheid neemt de overhand over de gezondheid van haar vader, die hard achteruit gaat. Hij moet opgenomen worden in een verpleeginstelling.
    In het laatste hoofdstuk zijn we terug in het dorp. Na maanden wordt het pakje boter bij de Lords teruggebracht en heeft Maggie nog een onderonsje met Mireille, maar echt overtuigend is het einde niet van dit dunne, maar zeker niet magere debuut dat deels autobiografisch is.

    Megan van Kessel studeerde af aan de Gerrit Rietveld academie,  is moeder van twee zoontjes en schrijft onder andere voor Het Parool. Zelf ervaarde ze een afwezige vader en een verbroken relatie met haar stiefmoeder. Van Kessel stelt zich kwetsbaar op, met de nodige zelfspot waar het gaat om de aanleg van de tuin en soms is ze onhandig en gewoon lui. Dat haar relatie met Alfons warm is en ze samen liefdevolle ouders zijn vormt een mooie tegenstelling met Maggie’s kille jeugd.

     

  • Zoektocht naar waarheid

    Zoektocht naar waarheid

    In september 2022 overleed de Spaanse schrijver Javier Marías Franco op eenenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van Covid-19. Op mijn e-reader stond al een poosje zijn A heart so white. Ik was erin begonnen en weer gestopt na de heftige openingspassage en wilde het eigenlijk liever in het originele Spaans, Corazón tan blanco lezen, dat al in 1992 was gepubliceerd. Het boek werd in 1995 in het Nederlands vertaald door Aline Glastra van Loon met als titel Een hart zo blank. In 2013 gaf Meulenhoff het opnieuw uit.
    Het Spaanse nieuws besteedde veel aandacht aan Marías’ dood. Net als ze dat deden met de in 2020 overleden Carlos Ruiz Zafón, de auteur van het veel commerciëlere De schaduw van de wind. En Almudena Grandes die, ook veel te jong, in 2021 overleed. Drie grote hedendaagse auteurs in het Spaanse taalgebied allemaal kort na elkaar overleden, waarbij Javier Marías zelfs een kanshebber voor de Nobelprijs was.

    De titel Een hart zo blank is evenals eerdere boektitels van Marías ontleend aan Shakespeare. My hands are of your colour. But I shame to wear a heart so white,’ zegt Lady Macbeth. Met andere woorden, ze erkent haar schuld aan de moord op Duncan, maar ze voelt niet dezelfde schuld of angst als Macbeth en ze spreekt schande over zijn lafheid na de moord. Dit is het hoofdthema van Een hart zo blank. In hoeverre ben je medeplichtig aan iemands moord als je van de ‘daad’ op de hoogte bent. Kan je ooit écht je geliefde, ouders en andere familieleden, of vrienden doorgronden en begrijpen? Herinneringen en gesprekken worden zo vaak verschillend geïnterpreteerd, en is hetgeen niet uitgesproken wordt niet belangrijker dan wat wel gezegd wordt? Marías beschrijft de gedachtestroom van zijn protagonist in lange zinnen en neemt vaak een afslag bij een associatie die schijnbaar zijdelings met het onderwerp te maken heeft. Marías vond zichzelf een heel gewoon iemand en schreef graag over dingen die veel mensen bezighouden. ‘Wie heeft er geen geheimen? Wie heeft zich niet ooit door een geliefde verraden gevoeld of heeft iemand anders verraden.’

    Geheimen van gewone mensen

    De plot van Een hart zo blank is vrij eenvoudig. In de openingsalinea pleegt een jonge vrouw zelfmoord tijdens een etentje in het huis van haar vader. Ze is onlangs getrouwd met Ranz en ze zijn net terug van hun huwelijksreis. Het drama van haar zelfmoord wordt gedetailleerd beschreven door de ogen van Juan, die toentertijd nog niet eens geboren was. ‘Ik wilde het niet weten, maar ik ben te weten gekomen dat een van de meisjes, toen ze geen kind meer was en kort nadat ze was teruggekeerd van haar huwelijksreis, naar de badkamer ging, zich voor de spiegel posteerde, haar blouse losknoopte, haar beha afdeed en haar hart zocht met de loop van het pistool.’ Vervolgens trouwt Ranz na de dood van zijn vrouw met haar jongere zuster en met haar krijgt hij één zoon, Juan.

    In de volgende scène is Juan met zijn vrouw Luisa op huwelijksreis in Cuba. Ooit woonde zijn vader daar ook, toen hij nog getrouwd was met weer een andere vrouw dan zijn moeder en zijn tante. Iets wat Juan op dat moment allemaal nog niet weet. Vanaf het balkon van hun hotelkamer heeft hij een vaag contact met een vrouw beneden op straat, die hem voor iemand anders aanziet. Ze blijkt in de kamer naast hen een minnaar te hebben. Vervolgens luisteren Juan en Luisa, die ziek is, onafhankelijk van elkaar naar het gesprek in de kamer naast hen over het vermoorden van de vrouw van de man. Door het hele boek heen blijft dit verontrustende gesprek Juan bij en steeds grijpt hij terug naar herinneringen: het bh-bandje dat in Luisa’s huid sneed, andere mensen die op straat wachtten en naar zijn hotelkamer gluurden, de echtelieden die samen een hoofdkussen deelden. Of gesprekken afluisteren en het gehoorde op eigen manier interpreteren. Luisa heeft de gebeurtenis in de hotelkamer destijds heel anders onthouden, bovendien had ze toen koorts. Hoever reiken geheimen, hoeveel onthoud je en hoezeer gaan details een eigen leven leiden? Juan durft Luisa bijvoorbeeld niet over zijn jeugdliefde te vertellen. Dat geheim blijft van hem. Maar wat is de waarde er nog van, zoveel jaar later?

    Wat is waarheid, wat leugen

    Op zijn huwelijksdag neemt zijn vader Juan apart en zegt tegen hem: ‘Deel je geheimen nooit met je vrouw, of wees in ieder geval voorzichtig met wat je prijsgeeft.’ Het is een vreemd gesprek dat Juan, die juist zoekt naar zekerheid en een duidelijk gevoel over de juistheid van zijn huwelijk, uit het lood slaat. Hij begint te twijfelen aan zijn huwelijk en zijn vertrouwen in Luisa.

    Na de huwelijksreis in Cuba, komt Juans werk als tolk-vertaler aan bod bij de VN en de Europese Unie. Zo leerde hij Luisa kennen, die ook vertaler is. Ook dit is een verwijzing naar het thema. Juan voelt de macht om hetgeen hij hoort en moet vertalen te manipuleren. Het zijn interessante stukken als Marías dieper ingaat op de niet-alledaagse wereld van de tolk-vertaler. Of als hij ingaat op kunst.
    Ranz, Juans vader, was tijdens zijn werkzame leven conservator in Het Prado in Madrid. Hij kent kunstenaars, kunsthandelaren, kopiisten en heeft meer dan eens gesjoemeld met de waarheid. Wat is eerlijkheid, wat is waarheid? Wat voor de een waarheid is, is voor de ander een leugen, zoals de anekdote illustreert als Ranz een kopie van een schilderij van Ingres aan een rijke bankier in Buenos Aires wil verkopen. De bankier blijft volhouden dat dit het origineel is. Ranz verzekert hem ervan dat het om een kopie gaat, maar laat de man, als hij niet te overtuigen is, het volle pond betalen. Nog nooit is er zoveel geld voor een kopie neergeteld.

    Wanneer Juan bij een vriendin in New York logeert, omdat hij acht weken als tolk voor de VN moet werken, wordt hij medeplichtig gemaakt aan haar geheim. Zij is geobsedeerd door seksuele ontmoetingen met vreemde mannen, aanvankelijk sturen de ‘dates’ elkaar video’s en vertellen ze hun verhaal. In hoeverre is dat verhaal waar? Voor Juan is het een aanleiding om terug te grijpen naar zijn eigen herinneringen en zijn eigen waarheid te reconstrueren.

    Essentie

    Uiteindelijk wil Luisa aan Ranz, haar schoonvader, het geheim ontfutselen over de oorzaak van de zelfmoord van zijn vrouw. Juan zit er niet echt op te wachten, het is immers zijn vaders geheim. Hij  mag dat bij zich houden en het is lang geleden, wellicht is de waarheid vervluchtigd. Het boek eindigt met Ranz’ verhaal en dat maakt het verhaal af en rond en geeft het boek haast een detectiveachtige allure. Toch is het Marías daar niet om te doen. De essentie van een roman zit voor hem in scènes waarbij de lezer kan denken: daar heb ik nooit over nagedacht, waarbij hij een zin ziet die hij wil onderstrepen omdat er iets staat wat hij wist en tegelijk níet wist, of niet onder woorden kon brengen. Iets wat hij herkent als een waarheid.
    Soms leeft de neiging een paar bladzijdes over te slaan. De herhaling van zinnen en gebeurtenissen in Marías’ werk wordt wel vergeleken met een muziekstuk. Het op veel manieren hetzelfde zeggen, maar steeds net weer een beetje anders intrigeert en irriteert. Toch achtervolgen de beelden, de details en rijkheid van zinnen. Ze blijven nazinderen en vragen om meer Javier Marías.

     

     

  • Openhartig egodocument

    Openhartig egodocument

    Met Mijn Nazi opa schreef documentairemaakster Sunny Bergman een egodocument waarin ze universele thema’s zoals intergenerationele traumaoverdracht, parentificatie, epigenetica en familiesystemen onderzoekt. Het begint allemaal met de mantelzorg rond haar invalide vader, Richard. Hij is deels verlamd en misschien ook wat depressief. Sunny besluit, nu het nog kan, samen met hem zijn roots te onderzoeken. Richard is een originele man zonder schaamte, en een Marxist. Hij lijkt zelfs op Marx, vindt Sunny. Hij is ook een oude hippie, die graag vergetelheid zoekt in het roken van een joint.

    Sunny Bergman is bekend van haar documentaires over racisme, complotdenken en seksualiteit. Ze is activiste en schrijfster, Mijn Nazi opa is na Sletvrees en Wit is ook een kleur haar derde boek. In Mijn Nazi opa gaat Bergman op zoek naar de herkomst van haar vaders jeugdtrauma. Ze vraagt zich af of zijn trauma’s ook doorwerken in haar. Waar komt haar eeuwige schuldgevoel ten aanzien van haar vader en het welbevinden van anderen vandaan? Ze praat met experts over intergenerationele traumaoverdracht. Maurits de Bruijn vertelt over zijn Joodse moeder, die tijdens razzia’s in een kast werd opgesloten. Vervolgens is ook hij zijn leven lang bang voor insluipers. De term parentificatie wordt genoemd, waarbij kinderen voor hun getraumatiseerde ouders zorgen. Bergman herkent het allemaal bij zichzelf en ze vraagt een gesprek aan met hoogleraar Bart Rutten, die haar een stoomcursus epigenetica geeft, wat volgens zijn zeggen een nog jonge wetenschap is die steeds meer terrein wint. ‘De overtuiging dat ons genetisch materiaal een in steen gebeiteld gegeven is, dat we onveranderd doorgeven aan ons nageslacht is dus een achterhaald idee.’ Met andere woorden, trauma’s van ouders hebben wel degelijk invloed op het DNA van hun kinderen. Zoals na onderzoek bij de kinderen van Holocaustoverlevenden bleek.

    Foute opa

    Sunny’s familie bestaat uit een kleurrijke lappendeken van personages, die ze met humor en empathie ten tonele voert. De Engelse achtergrond van haar moeder, het hippieverleden van haar ouders die op een woonboot woonden, de nieuwe partners van haar ouders, haar eigen partner en twee zoons, maar ook veel vrienden krijgen kort en bondig aandacht. Ze constateert dat ze een outcast is en outcast vrienden kiest. De hoofdverhaallijn in Mijn nazi opa is de zoektocht naar Heinrich Stender, de Duitse Nazi-vader van haar vader Richard. Hij was burgemeester en een veel oudere weduwnaar, die Richards moeder verkrachtte toen zij tijdens de oorlog zijn dienstmeisje was. Zij raakte zwanger en liet Richard na de oorlog achter bij haar ouders in Twente, om met een andere man nog een stel kinderen te krijgen. Richard kreeg zijn leerschool en liefde voor Marx mee van zijn CPN aanhangende opa van moederskant. Richard leed aan verlatingsangst en voelde zich afgewezen door zijn ouders. David, de partner van Sunny en vader van haar twee zoons, is in zijn jeugd ook door zijn moeder verlaten. Sunny’s moeder had een zeer verstoorde relatie met haar vader. Voilà, dat zijn herkenbare patronen, waarmee Mijn Nazi opa vooral een zoektocht naar Sunny zelf wordt, haar eigen ongemak en schuldgevoelens. Waarom loopt haar relatie met David stuk? Waarom leeft ze in chaos, met schuldgevoelens en zorg om anderen? En waarom zoekt ook zij telkens weer vergetelheid in die eeuwige joint.

    Verfrissend zelfhulpboek

    Ze gaat naast haar zoektocht naar de achtergrond van haar foute opa vooral op zoek naar een therapievorm die bij haar past, zowel in het wetenschappelijke als meer spirituele veld. Ze onderzoekt winti, een Surinaamse spirituele levensvisie en verdiept zich in het voorouderlijk helingsritueel. Ze doet mee aan een reality-tv-programma en komt tot weer nieuwe inzichten over superieur gedrag en kwetsbaarheid. Ze schrijft zich in voor een ceremonie met san pedro, geen drug, maar een plantmedicijn dat hallucinaties opwekt. Haar kracht is dat ze zichzelf en de therapievorm blijft bevragen. ‘Een week later bevind ik mezelf op de eerste verdieping van een industriegebouw, in een ruimte vol groene kussens, kaarsen, pauwenveren en nepplanten. Aan de muur hangen bordjes met ingelijste spirituele spreuken. Het geheel zou ik als kitscherig kunnen omschrijven, ware het niet dat ik mijn ironie en mijn oordelende brein achterwege wil laten tijdens deze ceremonie. Is ironie niet een verhulde vorm van superioriteit?’ Na de ceremonie voelt ze zich een stuk vrijer, omdat, dankzij de san pedro, haar gevoel sterk is aangesproken en ze onbedaarlijke huilbuien krijgt.

    Wijzer geworden na al haar therapeutische ervaringen weet Sunny beter wat eraan schort, waar haar eigen verdriet en trauma’s vandaan komen. (Overigens wordt het begrip ‘trauma’ tegenwoordig wel misbruikt, lezen we. Een ‘tekort hebben gehad’, zou in veel gevallen een betere duiding zijn.) Ze durft los te laten, zoals ze illustreert in een ontroerende laatste scène met een van papier gevouwen bootje dat ze met een waxinelichtje het water opstuurt. Ze is er vol ingegaan, heeft zich kwetsbaar en eerlijk opgesteld zonder zichzelf te sparen. Gelukkig is ze ook haar objectiviteit en zelfspot niet verloren, waarmee Mijn Nazi opa een verfrissend zelfhulpboek is, waarin het nodige te herkennen valt en waar veel mensen wel eens wat aan zouden kunnen hebben.

     

     

  • Een verhaal dat bijblijft

    Een verhaal dat bijblijft

    De zoon van de berentemmer van de Franse schrijver Xavier-Laurent Petit is deels gebaseerd op een waargebeurde geschiedenis, een boek waarin een stuk hedendaagse problematiek subtiel verwerkt is. Als dat ook nog eens heel goed gebeurt, dwingt dat respect af. Thema’s als discriminatie, vooroordelen, uitbuiting, vluchtelingen, mensenhandel, maar ook altruïsme en begrip voor de underdog maken deze roman voor 10+ een spannend, liefdevol en leerzaam verhaal. Soms is het ook grimmig en misschien wat heftig.

    […]

    De zoon van de berentemmer is bijzonder door het onderwerp met de hedendaagse thematiek. Het boek is speels en goed vertaald door Leny van Grootel en mag eigenlijk niet op het favorietenlijstje ontbreken van jonge tieners die houden van een spannend en leerzaam boek.

    Lees hier de hele recensie op Jong Literair Nederland

    Lees ook op Jong Literair Nederland de recensie over Koning Arthur, Koning voor altijd van Kevin Crossley-Holland.
    Hierover schrijft Diana Brouwer:
    ‘De heldere structuur van het verhaal en het gebrek aan tierelantijnen passen ook nog eens uitstekend bij zowel de middeleeuwse ridderverhalen zonder opsmuk als bij onze tijd van ‘niet lullen, maar poetsen’.

  • Goebbels in Japan

    Goebbels in Japan

    Schrijver, filosoof en essayist Désanne van Brederode voegt met Zielland een nieuwe roman aan haar brede oeuvre toe met een gewaagd thema. Wat als…  nazipropagandaminister Joseph Goebbels in 1938 werkelijk met zijn minnares, de Tsjechische actrice Lída Baarová, naar Japan zou zijn gevlucht? 

    Van Brederode heeft zich met deze roman vastgebeten in een fantasie om de ziel van Goebbels, de spindoctor van Adolf Hitler, bloot te leggen en dat lukt goed, dankzij haar behendige pen. Het fictieve dagboek is een lange monoloog waarin van Brederode zich in de man inleeft. 
    Aanvankelijk ontstaat er tijdens het lezen twijfel over wat fictie is en wat waar gebeurd. Goebbels’ vlucht naar Tokio om samen te zijn met Lída en stropdassen – ‘krawatten’ – te gaan verkopen is een vrijbrief voor Van Brederode om haar eigen mening toe te voegen. ‘Het verkopen van stropdassen vind ik helemaal geen Spaß. Het is ironie. Geloof ik.’  

    Dagboek 

    Gedurende twee maanden, oktober en november 1938, beschrijft Joseph Goebbels zijn door Van Brederode bedachte zielenroerselen in een dagboek. Hij heeft zijn vrouw Magda en hun dan nog vijf kinderen – al hun namen beginnen als eerbetoon aan Hitler met een H – verlaten om met Lída een nieuw leven in Japan te beginnen. Hij verlangt naar zijn kinderen, hij bejubelt zijn liefde voor Lída en zijn keuze om Duitsland te verlaten en er ontstaat haast een menselijke man met normale, zij het wat sentimentele, emoties. Hij probeert zijn haatgevoelens te analyseren, bijvoorbeeld tegen de Joden.  

    Zijn zelfhaat zou afkomstig zijn van de gedachte dat hij als kind een Joods vondelingetje zou zijn. Zijn moeder noemde hem immers Jupchen. Hij was een ziekelijk en larmoyant kind dat mank liep en nergens bij hoorde. Hij beschrijft zijn bewondering voor Hitler en hoe Hitler hem bewondert en dol is op zijn kinderen, en Magda. Hij wijdt uit over cultuur en politiek; de Joden zijn de schuld van de ondergang van het Duitse Rijk en hij stelt het jodendom gelijk aan het westers kapitalisme en het communisme. ‘De Jood streeft naar macht, maar komt daar niet voor uit, zal nooit over zichzelf zeggen dat hij een leiderstalent in zichzelf vermoedt, of graag in het middelpunt schittert, hij opereert in de meeste gevallen niet eens met opzet achter de schermen… Hij is geen stoker pur sang, men leest zijn hang naar ontwrichting niet van zijn gezicht af: hij zaait zijn weinig ideële ideetjes kwistig in het rond door zich werkelijk overal op te houden.’ 

    Vooruitziende blik 

    In zijn dagboek uit Goebbels ook zijn visie op de toekomst, waarbij de lezer zich mag afvragen of het er nu anders aan toe zou gaan als Hitler de oorlog wel gewonnen had. ‘Ik voorzie een medium, draagbaar, met de snelheid van het licht, dat als een spiegel op de wereld en als zakspiegel kan dienen […]’ Hij maakt gewag van onder meer het ontstaan van klimaatverandering, van de opkomst van een moderne vorm van populisme, uitholling van de maatschappij, van vrouwenemancipatie. ‘Al zal ik het zelf niet meer meemaken, ooit zal er sprake zijn van een wereldwijd ‘wij’ dat wordt gekenmerkt door mensen die per se NIET willen leven als iedereen, en juist daarin lijken op iedereen.’ 

    Het is begin november 1938, er gloort nog geen oorlog. Lída leert Japans en Joseph verkoopt zijn krawatten aan Japanners en als relatiegeschenk aan Duitse bedrijven. Vooralsnog geen vuiltje aan de lucht. Zij maken vrienden in Tokio en worden uitgenodigd op feestjes bij de Duitse ambassade waar Eugen Ott ambassadeur is. ‘Wat Ott niet lukte met zijn saaie recepties, is mij bijna per toeval gelukt met mijn Krawatten. Mond-tot-mondreclame. Ha! De kraaltjes en spiegeltjes waarmee ontdekkingsreizigers Indianen en andere inboorlingen wisten te paaien, hebben nog niets aan kracht ingeboet – zijn hooguit met hun tijd meegegaan. […] Alleen al hierom blijft de herenmode een prachtige business. Ze bespeelt mannen via het esthetisch oordeel van hun vrouwen, en dit oordeel is vrouwen aan te praten zonder dat er enig argument bij nodig is…’ Wat Ott niet lukt en Goebbels wel wordt verder niet duidelijk. Op de feestjes is ook Richard Sorge, een van de weinige aanwezigen die sympathie voor Goebbels voelt, en voor Lída. Dat hij een dubbelspion voor Rusland en Duitsland is, vermoedt zij op een gegeven moment wel, Goebbels kan dat niet geloven. 

    Ideeënroman 

    Goebbels is van plan zijn verjaardag in eenzaamheid te vieren, want Lída is door Sorge uitgenodigd een performance te leiden voor Duitse expatvrouwen. Maar de dag verloopt anders. Goebbels wordt mee uit genomen door Eugen Ott. Ze hebben een bijzondere ontmoeting, die het verhaal de verlossende wending geeft. Een verklaring waarom Goebbels Duitsland verlaat en Van Brederode hem juist naar Japan laat vluchten, zou kunnen zijn omdat beide landen aan expansiepolitiek doen. Dat Goebbels nooit een Japanse machthebber ontmoet of diplomatieke uitwisselingen heeft, wat wel in de lijn der verwachting zou liggen, is vreemd en ongeloofwaardig. 

    Wat de geschiedenis betreft staat er weinig nieuws in het boek. Het ging Van Brederode om haar eigen filosofieën die ze slim door Goebbels’ fictieve ontboezemingen heen heeft geweven. In die zin is Zielland een ideeënroman, zonder dat de ideeën echt worden uitgewerkt. Ze zijn mooi beschreven, maar de zogenaamde toekomstvisioenen van Goebbels voegen weinig toe. We zitten er immers middenin, de lezer kan die alleen maar bevestigen. Het zou wellicht spannender zijn geweest als Van Brederode Goebbels een alternatieve toekomst had laten visualiseren. Een toekomst waarin een wereld onder het Nationaal Socialisme was ontstaan en er heel andere beslissingen en afslagen waren genomen.  

    Joseph Goebbels’ rol – uiteindelijk is hij het brein achter de pogrom in de Kristallnacht – als de lont in het kruitvat, maakt deel uit van de verrassende twist op tweederde van het verhaal. In die zin heeft de roman wel een spanningsboog en de wijze waarop Van Brederode zich durft te verplaatsen in het hoofd van deze rasnarcist en sluwe manipulator is bewonderenswaardig. 

     

     

  • Flarden van herinneringen

    Flarden van herinneringen

    ‘Ik ben zestien en leg mijn armen gekruist op de hoge tafel, ik laat mijn wang op mijn ene arm rusten en kijk in de camera. Op de foto, die niet meer bestaat en die waarschijnlijk niemand behalve ik zelf zich nog herinnert, zie je een stukje van mijn blote schouders. Ik denk dat de foto is bedoeld om naaktheid te suggereren, dat een jonge vrouw alleen maar een paar lange oorbellen nodig heeft om de wijde wereld in te gaan.’

    Met deze paragraaf opent Linn Ullmann, Noorse schrijfster, columniste en literatuurcriticus, haar nieuwe roman. Zij is de dochter van de actrice Liv Ullmann en filmmaker Ingmar Bergman. Niet de eerste de beste dus. Haar roman De rustelozen, die in 2015 verscheen, is ook autobiografisch. Ze schrijft hierin over een kind dat niet kan wachten om volwassen te worden en over ouders die het liefst kind zouden zijn. Het gaat om herinneringen en vergeetachtigheid en de vele verhalen waar een leven uit bestaat. In Meisje, 1983, onderzoekt de schrijfster wederom zichzelf, vooral haar jeugd en haar relatie met haar moeder en haar eigen dochter. Ze roept tal van vragen op en nieuwsgierigheid naar de antwoorden doet doorlezen.

    Caleidoscoop van gebeurtenissen

    Het is 1983. Een zestienjarig meisje zwerft in een winternacht door de straten van Parijs. Ze is die dag aangekomen vanuit New York voor een fotoshoot met de dertig jaar oudere fotograaf A. Ze kan haar hotel niet meer vinden, maar in haar jaszak zit een briefje met het adres van de fotograaf. Midden in de nacht belt ze bij hem aan, en ze belandt bij hem in bed. Bijna veertig  jaar later verkeert de volwassen vrouw in een depressie. Ze heeft het steeds uitgesteld om in haar herinnering te duiken om het meisje dat ze toen was te zoeken, en te begrijpen waarom ze deed wat ze deed. Ze wil erover schrijven om erachter te komen wat er destijds precies gebeurd is in Parijs.

    Het verhaal speelt zich af in Oslo, New York en Parijs in verschillende tijdsegmenten. Het is een caleidoscoop van gebeurtenissen vroeger en nu, aan het begin van de pandemie, en Ullmann verkeert in een depressie. De wandelingen met de zwarte hond geven enige verlichting. ‘De hond likte aan mijn hand. Dank je, zei ik, en ik schrok toen ik mijn eigen stem hoorde. Dank je wel voor je grote natte snuit, dank je wel voor je poten, dank je wel omdat je echt bent, en toen zei ik, zacht, zodat alleen hij het kon horen, ik denk dat we hier even moeten blijven wachten tot het weer overgaat.’

    Het geheim

    De relatie met haar moeder (Liv Ullmann) speelt een rol, evenals de relatie met haar eigen dochter, die net zo oud is als zij was in 1983 en nu klimaatactiviste is, waarmee de schrijfster een web van lijnen trekt door drie generaties heen. De herinneringen aan haar pubertijd echter bepalen het verhaal. Ze herinnert zich een gesprek met een man in het vliegtuig naar Parijs, haar moeder die haar niet wilde laten gaan, de autorit van het vliegveld naar het hotel. Haar eerste vriendje vlak voordat ze naar Parijs ging en het spijbelen van school. Ze manoeuvreert in gedachten door de lagen van haar herinnering en ontdekt dat ze ook veel vergeten is. Linn Ullmann onderzoekt de kracht van haar geheugen, en zoekt naar het geheim dat moet worden verteld.

    Dat geheim is haar reactie op wat er met haar gebeurde, zonder dat ze iets concreet benoemt. Het geheim zou de macht kunnen zijn die de fotograaf en zijn team over haar hadden. Daar gaat een lichte dreiging vanuit en doet aan #MeToo denken, al wordt dat nergens benoemd. Het meisje staat machteloos, ze wordt begeerd en verlangt zelf ook naar de aanraking en de spanning. Toch herinnert ze zich als oudere vrouw vooral dat ze voortdurend misselijk was en moest overgeven van de angst en het ongemak waarin ze verkeerde.

    Schaduwzuster

    Het is een verontrustend verhaal, er wordt geen oordeel geveld en er wordt niets benoemd. Ullmann stelt vragen, maar zijzelf en de lezer krijgen nauwelijks antwoorden. Is er wel gebeurd wat ze zich herinnert? Het schimmige meisje verschijnt aan de volwassen vrouw als een schaduwzuster en speelt een belangrijke rol in het verhaal. Soms spreekt de volwassen vrouw tegen haar, vaak is ze er gewoon, en zit ze zwijgend in de vensterbank. Als lezer vraag je je af of de volwassen vrouw misschien een andere persoonlijkheid heeft ontwikkeld om de gebeurtenissen van toen te verdringen.

    Het boek is ingedeeld in drie hoofdstukken met de titels Blauw, Rood en Wit. Blauw verwijst naar de blauwe jas die het meisje droeg in Parijs. Rood is haar muts. Wit zijn de lakens en de handdoeken van A. waarin het meisje zich wikkelt en op de badkamervloer ligt om tot bezinning te komen. Gedachten heeft het meisje niet. Er zijn slechts flarden herinneringen van de volwassen vrouw, en misschien is dat ook wel het enige wat telt, schrijft Ullmann.
    Er staat nogal wat herhaling in het verhaal, weliswaar doelbewust ingezet en noodzakelijk om de verschillende tijdslijnen te verbinden – wat overigens heel transparant gedaan is – en de auteur geeft ook veel mooie observaties over ouderschap, jeugd, herinneringen en vergetelheid. Toch stoort het dat er vragen onbeantwoord blijven. Meisje, 1983 is rauw en brutaal, het raakt soms, maar lang niet altijd, wat het eigenlijk tot een prettig zeurboek maakt.

     

  • Het belang van de glimlach

    Het belang van de glimlach

    Het zal je maar gebeuren, je bevalt van een tweeling en de volgende dag zie je in de spiegel dat de linkerkant van je gezicht is verlamd. Het overkwam Sarah Ruhl, de in Amerika bekende New Yorkse theaterregisseur en toneelschrijver. Ze kreeg de diagnose aangezichtsverlamming van Bell, een aandoening die vaker na een bevalling optreedt en meestal weer wegtrekt. Echter niet bij Sarah Ruhl. Ze deed er tien jaar over om te accepteren dat ze verder zonder spontane glimlach door het leven moest.

    In dit egodocument beschrijft ze met veel humor, maar ook met woede en frustratie over het belang van de glimlach, een lichaamstaal die essentieel is om je emoties te tonen en om contact te maken. ‘Soms is vreugde de bron van de glimlach, maar soms is de glimlach de bron van vreugde.’ Aldus Thich Nhat Hanh, die ze samen met veel andere filosofen citeert.

    Nooit meer op de foto

    Tegen de achtergrond van haar moederschap, ze heeft een dochtertje en de tweeling, gaat ze verbeten op zoek naar genezing, een lange weg langs het medische circuit. Het allopathische, waar ze goede en slechte neurologen en artsen met grensoverschrijdend gedrag ontmoet. De alternatieve geneeswijze is meer haar ding, ze gaat naar acupuncturisten, chiropractors en fysiotherapeuten. Ze wíl weer kunnen glimlachen naar haar kinderen, want de glimlach van een moeder naar haar kinderen is hun eerste spiegel. 

    Haar hele leven komt voorbij. Ze schrijft over haar eigen rol als kind, dochter van een vader die te vroeg overleed en een moeder die actrice was. Ze heeft een oudere zus en put uit soms hilarische herinneringen. Ze haalt gesprekken met vrienden en haar sociale leven aan, wat van deze memoires levendig en boeiend leesvoer maakt. Ze heeft het over haar werk in het theater. Een van haar toneelstukken speelt net op Broadway en ze is genomineerd voor een Tony award. Ze moet met een glimlach op de foto, wat een drama is, en ze besluit nooit meer op de foto te gaan.

    Rode draad

    Ruhl schrijft met vaart en zelfspot en haalt tal van citaten uit de literatuur aan die op haar situatie slaan en achterin het boek worden verantwoord. De rode draad is altijd haar gezichtsverlamming. Haar onzekerheid, frustratie en teleurstelling zijn voelbaar aanwezig, wat het verhaal soms vertraagt, maar ze is bijzonder eerlijk en openhartig en gaandeweg, tien jaar verder, is ze geheeld en bewust geworden van wie ze eigenlijk is en in staat om haar situatie te accepteren. 

    In Glimlach leert Sarah Ruhl ook omgaan met een chronische ziekte. Tijdens haar vele doktersbezoeken wordt ontdekt dat ze coeliakie heeft, met alle nare gevolgen vandien. ‘Als kind was ik veel ziek. Ik miste waarschijnlijk elk jaar wel twee maanden school door ziekte. De diagnose van coeliaki verklaarde dat, en het verklaart ook waarom ik altijd zo ver achterlag op de groeicurve.[…] Nu wist ik dat ik te weinig voedingsstoffen binnenkreeg, het eten ging eigenlijk gewoon door me heen, …’ Coeliakie is een glutenallergie, die de groei remt door vitaminegebrek, het is een erfelijk overdraagbare auto-immuunziekte. Na testen blijkt haar oudste dochtertje het ook te hebben en waarschijnlijk had haar vader, die stierf aan kanker, het ook. 

    Mijn gezicht als gezicht

    Glimlach is zowel grappig als aandoenlijk, maar vooral is het een belangrijk boek voor vrouwen die worstelen met zwangerschapscholestase, coeliaki, postnatale depressie, of een niet-herstellende aangezichtsverlamming van Bell. Ruhls verhaal opent de ogen van de lezer  over het belang van de zeggingskracht van de glimlach. ‘Als het gezicht een masker is, verstopt de ziel zich of hij verblijft elders. Ik probeer mijn ziel weer te verwelkomen in mijn gezicht. Hoeveel procent herstel heb ik nodig om mijn gezicht weer als gezicht te accepteren? Vreugde is een diep gewortelde emotie. Het is drijven op een stromende rivier. Het is kijken naar een acrobaat die door de lucht vliegt, en lachen als een reactie. Het is niet in de spiegel kijken.’

    Ze stelt dat de glimlach voor een vrouw onontbeerlijk is om geaccepteerd te worden door haar kinderen, collegae, in de trein, overal. Een man is veel minder afhankelijk van zijn glimlach om iets voor elkaar te krijgen. ‘Een mooie glimlach is niets anders dan een flits, een openbaring, van symmetrie. De lippen zijn gordijnen die een kort moment opengaan en tanden onthullen. Zonder symmetrie is een glimlach een grijns, een spiertrekking, een grimas.’

    Tussen alle boeken over leven met een chronische ziekte of lichamelijk ongemak is dit een bijzonder boek. Ruhl klaagt niet, maar zoekt actief naar een oplossing om met haar ongemak om te gaan. Ze stelt belangrijke vragen over allopathische versus alternatieve geneeskunde, scheiding tussen geest en lichaam, moederschap en vrouwzijn en het belang van plezier in wat je doet. En uiteindelijk gaat het om de aanhoudster die wint. 

     

     

  • ‘Ga niet naar binnen, ik zei het toch…’

    ‘Ga niet naar binnen, ik zei het toch…’

    Het Besiendershuis is een monumentaal pand dat al ruim vijfhonderd jaar aan de Waalkade in Nijmegen staat. Een huis met een rijke geschiedenis. ‘Er zouden mensen in zijn verdwenen. Er zouden geesten rondspoken. En er staan drie witte vrouwen achter de ramen.’
    Marloes Morshuis is onder andere bekend van Koken voor de Keizer en Borealis. De geest van het Besiendershuis is haar zesde jeugdboek dat uitkwam bij Lemniscaat. Het is een originele insteek om via de geschiedenis van een huis terug in de tijd te gaan, waardoor het verhaal een mengelmoes is van fictie en een leerzaam stukje geschiedenis van Nijmegen.

    Op zoek naar spoken

    Het vriendengroepje van Kleine Saar, Mette, Dex, Sami, Caya en Mats, is geïntrigeerd door het Besiendershuis, ze willen weten wat er waar is van de spokerij in het huis. Stiekem dringen de kinderen het huis binnen, ze gaan de trap op en… ‘De luiken van de ramen in de buitenmuren beginnen wild te klapperen. Pats, pats, pats… een voor een knallen ze dicht. Het is aardedonker in de kamer. “Filmen,” roept Mette, maar de telefoons schieten uit hun handen en spatten tegen de muren uit elkaar in duizend stukken. Ze gillen als er van drie kanten slierten nevel de kamer insijpelen. […] Het donker duurt een minuut, een uur, een eeuw. Dan vormt zich een plas licht op de vloer. Daarin staat het meisje. […] “Jullie hebben de geest gekwetst. Nu moeten jullie boeten.’’’
    Het meisje en het licht verdwijnen en de kinderen worden terug in de tijd gekatapulteerd, elk in een andere tijd. Ze krijgen slechts één kans om terug te keren naar het heden.

    Terug in de tijd

    In het eerste hoofdstuk gaat Sami terug naar het jaar ’70 ten tijde van Julius Civilus die de opstand leidde van de Bataven tegen de Romeinen. Op de plaats waar later het Besiendershuis zal staan, staat het meisje weer, ze zegt: ‘De geest van het Besiendershuis geeft iedereen een kans. Eén kans. Eer je het verleden, dan leef je weer in het heden.’ Sami heeft geen idee wat hij moet doen, maar maakt er het beste van, hij maakt een vriend en doet uiteindelijk het enige juiste en keert terug.

    Kleine Saar komt in het tweede hoofdstuk in 1545 terecht. Ook zij ontmoet het meisje bij het Besiendershuis dat haar zegt dat ze slechts één kans krijgt om het verleden te eren. Ze raakt in de ban van Moenen, de duivel uit het mirakelverhaal van Mariken van Nimwegen, die haar probeert te verleiden met zijn innemende gedaantes. Saartje beseft dat ze Moenen moet weerstaan, dat lukt haar als ze hem herkent. Omdat ze zich ‘niet meer heeft laten verleiden tot kwade zaken,’ mag ze het Besiendershuis weer binnengaan en ook zij keert terug.

    Ten tijde van de tachtigjarige oorlog, rond 1636, heerst de pest in Nijmegen. Mette is getuige van het leed achter iedere voordeur. Ze wordt het hulpje van de ‘raafman’, een man in een zwarte cape met een snavelmasker. Hij is de pestmeester, Meester van Diemenbroeck en heeft het erg druk. Mette mag hem helpen met de bereiding van genezende kruidenmengsels. Ze weet het lijden van Metgen, een meisje dat veel op haar lijkt te verlichten, Mette mag ook terugkeren, maar of ze dezelfde Mette is, blijft een beetje mysterieus.

    Dex krijgt in 1880 één kans om een meisje te redden uit de wrede handen van de slager Knuvelder. Caya gaat terug naar de oorlog in 1944 ten tijde van Operatie Marketgarden. Zij kan iemand uit de handen van de politie redden en Mats is aanwezig tijdens de Pierson acties in 1991, een heftige periode in Nijmegen toen krakers demonstreerden tegen de komst van een parkeergarage, waar woonhuizen voor moesten wijken. Ze werden verslagen door ME en traangas.

    Spannend en leerzaam

    De hoofdstukjes lezen vlot, toegankelijk en zijn spannend geschreven. Ze staan in dienst van de geschiedenis, maar ze zijn wat kort en missen daardoor de echte ontwikkeling van ieder kind. De verhalen blijven vrij klein en alle zes kinderen keren terug naar het heden, na iets goeds gedaan te hebben. Na het derde verhaal wordt dat wat voorspelbaar en braaf.
    Dat de doelgroep vanaf tien jaar (toch) zal genieten van dit boek is zeker. De fraaie boekverzorging met illustraties van Marc Suvaal, dwarrelende rook over de bladzijden, is heel bijzonder. Aan het eind worden de verhalen aangevuld met een verhelderende samenvatting van de ware gebeurtenissen in de geschiedenis. Met een QR-code is er toegang tot de website met nog meer achtergrondinformatie en een 3d-animatie van het Besiendershuis.

    De geest van het Besiendershuis is een ode aan Nijmegen en een geweldige manier om kinderen en hun ouders in aanraking te laten komen met de geschiedenis van deze stad.


    Literair Nederland is bezig met het opzetten van Jong Literair Nederland. Om alvast in de stemming te komen, zullen er zo nu en dan recensies over kinder- en jeugdboeken op Literair Nederland verschijnen. Wij zijn nog op zoek naar recensenten. Ben je bekend in de kinderboekenwereld? Lees je kinderboeken en lijkt het je leuk ze te recenseren, laat het ons weten of stuur alvast een proefrecensie op!  mohana@literairnederland.nl of carolien@literairnederland.nl

  • Mengsel van horror en maatschappijkritiek

    Mengsel van horror en maatschappijkritiek

    De titel, De menseneter, en het beeld op de omslag lichten meteen een tipje op van de sluier die over het verhaal ligt. Dat geldt ook voor de eerste zin. ‘Pascal Bonare legt zijn bebloede hand op het bureau.’ Vervolgens blijkt het bloed niet van hem te zijn, maar van de vage kennis met wie hij in een café zat en die ter plekke door zijn oog geschoten wordt. De man staat op, en met een servet tegen zijn oog gedrukt, wankelt hij weg. De toon is gezet, het lijkt een scène uit Tarantino’s Pulp Fiction. Na dit inleidende hoofdstuk keert Bonare pas in het laatste hoofdstuk weer terug. Hij heeft verder weinig met het verhaal te maken, of het moet zijn dat hij de wrede dans van Reiner en Lombard ontspringt.

    Het verhaal speelt zich af op de Veluwe, een tamelijk brave setting voor een gruwelijke ontknoping. Het farmaceutische bedrijf Aletta, dat capsules voor poeders maakt, wordt verkocht aan een Zwitsers bedrijf, en om de koop te bestendigen wordt de afvloeiing van een hele afdeling geëist. Protagonist Lute is verantwoordelijk voor het vertellen aan tweeëndertig mensen dat ze weg moeten, liefst zo dat ze zelf opstappen en ze hun contract verbreken. Lute is in zak en as, begrijpelijk, sommige mensen kent hij al jaren en iedereen levert goed werk.

    Hulp bij ontslagen

    In een kroeg ontmoet hij Reiner, een overjarige cowboy die zegt dat hij junior recruiter is bij het bedrijf Mediscouter. Hij wil Lute graag helpen bij het ontslag van de tweeëndertig mensen, Lute hapt gretig toe. Reiner en zijn baas Lombard zijn de volgende dag al van de partij en zullen verder alles regelen. Lute vertrouwt hen blindelings en geeft zich zonder kritische vragen te stellen aan hen over. Hij heeft ook wel wat anders aan zijn hoofd, zijn ex-vrouw rommelt met de afspraken om zijn tweejarige zoontje te zien.

    Mea, een van de werknemers, zoekt een baantje voor haar vriendin Essel. Ze gaat bij Lute te rade, maar die moet juist van mensen af. Toch houdt hij haar slapjes aan het lijntje. Lombard, die het gesprek volgt, neemt Essel meteen aan, hij kan wel iemand gebruiken bij de afvloeiingsgesprekken.

    Lichaam en middagdutje in laadbak

    Lombard en Reiner zijn twee oudere, zonderlinge mannen. Ze lijken moeiteloos door de tijd te reizen en hebben voor alles een oplossing. Lombard heeft wit donzig haar, draagt een geweer en een poedel wijkt niet van zijn zijde. Hij houdt lange verhandelingen over muziek en over Gesualdo, een met gruwelijke daden op zijn geweten Italiaanse componist. Hij zou een oom van Lute gekend hebben, waarop een evenzeer walgelijk verhaal uit de oorlog volgt.

    Reiner heeft een 4×4 met in de laadbak een dikke laag aarde. ‘Daar, achterin de pick-uptruck, begraven onder zwarte aarde, vindt Lute een lichaam. Netjes in een overhemd gestoken. De haren plakkerig van de vochtige aarde. De mond smakt. De ogen dichtgeknepen.’ Lombard doet er een middagdutje. Het is de eerste barst in Lute’s vertrouwen in zijn recruiters, maar hij onderneemt er niets tegen. Vooral die besluiteloosheid van Lute zorgt voor een ongemakkelijk gevoel bij de lezer.

    Klimaat op werkvloer

    Met tegenwerking wordt korte metten gemaakt en zelfs onder Lute’s ogen halen Lombard en Reiner voor hem de kastanjes uit het vuur, niet zonder gewelddadigheid. De lezer krijgt de handelingen droog en gedetailleerd voorgeschoteld. Mea komt tegen haar ontslag in verzet, ze voelt zich verraden, maar wordt niet gehoord. Binnen de kortste keren is ze afgevoerd door een luik in de vloer. Vervolgens gaan alle werknemers diezelfde weg.

    Lute doet niets tegen de twee wolven in schaapskleren, integendeel, hij praat met ze mee. Klara, de directeur van het bedrijf, laat het ook allemaal gebeuren. Zij verheugt zich op een flinke bijschrijving op haar bankrekening zodat ze haar Renault Clio kan inruilen voor iets chiquers. De vergelijking met het huidige kille klimaat op de werkvloer, de graai- en angstcultuur, en het gedoogbeleid ligt er duimendik op. Het zou subtieler kunnen allemaal, maar dat is niet wat Hofland beoogt.

    De Veluwe, de plaats delict, wordt regelmatig genoemd, maar komt niet echt tot leven met enkel dennenbomen, een heideveldje en scharrelende wilde zwijnen aan de bosrand. Niet één personage is sympathiek genoeg om enige verbondenheid mee te voelen. Protagonist Lute is een regelrechte loser zonder veel relatie met zijn personeel. Directeur Klara is een grote opportunist. Mea is een wat meer uitgediept personage, met een obsessie voor een vage vrouw in Edinburgh. In een bladzijdenlange monoloog, die niets toevoegt aan het verhaal, vertelt ze aan haar huidige geliefde, Essel, over de afkicktherapie in een boerderij in Drenthe.

    Vliesjes van popcorn

    Lombard en Reiner sturen het verhaal in een absurde richting, waardoor De menseneter een hoog magisch realisme gehalte krijgt. Het is filmisch geschreven met oog voor beeldrijke details: ‘Lombard slaat zijn handen tegen elkaar, een klap die galmt door het betonnen kantoor. Dan gaat hij tegenover Lute staan. Dichtbij. Zo dichtbij dat Lute zijn adem tegen zijn gezicht voelt. Zijn adem ruikt naar etensresten. Stukjes spek van de zuurkool van gisteren. Vliesjes van Popcorn. Het vruchtvlees van een sinaasappel. Hij zet een subtiel stapje naar achteren, maar Lombard stapt met hem mee.’

    Er gaat een ‘hauntende’ kracht van dit verhaal uit, waarbij het soms beslist ongemakkelijk voelt, maar de tragikomische sfeer, de verwijzingen naar horrorfilms en gothic novels, zijn eerder hilarisch. Dat het volgens de achterflap ook ‘een sprankelend eerbetoon aan de liefde, in al haar facetten’ is, valt niet te ontdekken. Liefde in al haar facetten? Is dat Mea’s obsessie voor een vrouw, de haast ziekelijke vaderliefde van Lute? Lombards liefde voor muziek? Of zijn rauw [mensen] vlees etende poedel? Reiners ‘liefde’ om mensen te mishandelen? Het boek is een knappe poging tot horror gemengd met maatschappijkritiek. Helaas blijft het wat oppervlakkig en mist het soms focus door uitweidingen die het verhaal niet ondersteunen of verdiepen maar juist afleiden van de kern, zoals Mea’s afkick-monoloog of het nazi-verhaal van Lombard. In ieder geval is De Menseneter een buiten de gebaande paden geschreven verhaal.

     

     

  • Reis zonder bestemming

    Reis zonder bestemming

    Mercier en Camier zijn twee vrienden die, om niet genoemde redenen, de stad uit willen en doelloos wat rondwandelen met een fiets, een paraplu en een rugzak om uiteindelijk weer terug te keren naar waar ze vandaan kwamen. 

    De Ierse schrijver Samuel Beckett (1906 – 1989) won in 1969 de Nobelprijs voor literatuur. Daarna wilde zijn uitgever natuurlijk snel nieuw werk van hem publiceren. Hij had alleen niets liggen, behalve een jeugdwerk uit 1946, dat hij in het Frans had geschreven, maar waarin geen uitgever geïnteresseerd was geweest. Hij bewerkte dit jeugdwerk, Mercier et Camier, en versimpelde en schrapte enorm. In 1970 verscheen de Franse versie. Becket had Frans, Italiaans en Engels gestudeerd en was leraar in Parijs. Hij schreef vooral in het Frans, omdat hij dan “stijllozer” kon schrijven, daarna vertaalde hij zijn werk naar het Engels. 

    Eerder aftrekken dan optellen

    Tijdens de oorlogsjaren woonde hij op het Franse platteland en voor de natuurbeschrijvingen liet hij zich graag inspireren door zijn omgeving. De novelle Mercier en Camier was zijn eerste poging tot uitgebreider proza. In 1974 kwam pas zijn Engelse versie uit, waarin hij nog veel meer had  weggelaten en versimpeld, zoals citaten en dialogen.

    ‘Ze gingen naar buiten. Het waaide.
    Regent het nog steeds? zei Mercier.
    Op het moment niet, lijkt me, zei Camier.
    En toch zit er vocht in de lucht, zei Mercier.
    Als we niets te zeggen hebben, zei Camier, laten we dan niets zeggen.
    We hebben dingen te zeggen, zei Mercier.
    Waarom zeggen we ze dan niet, zei Camier.
    Dat kunnen we niet, zei Mercier.
    Laten we dan zwijgen, zei Camier.’

    Beckett was een groot bewonderaar van tijd- en landgenoot James Joyce. Toch probeerde hij naarstig zijn eigen stijl te vinden. Waar Joyce bezig was met ‘meer weten, je materiaal beheersen en toevoegen’ realiseerde Beckett zich dat zijn eigen weg in de verarming lag, ‘in het ontbreken van kennis en in het weghalen, eerder in aftrekken dan in optellen’ zo schrijft hij aan zijn biograaf James Knowlson.

    Herenleed

    In Becketts latere werk zijn de personages zielige wezens met weinig bezittingen, hij reduceert ze tot stemmen met innerlijke kwellingen uit hun vorige leven, zodat ze zich in hun huidige bestaan ​​staande kunnen houden. Ze herhalen zichzelf totdat uiteindelijk ook hun stem, hun laatste overblijfsel van menselijkheid, verstomd is. Er is nauwelijks een waarneembare setting, geen verband met een echt bestaan, en schijnbaar geen plot. In Mercier en Camier is dat nauwelijks anders. De vrienden reizen en zijn op zoek naar iets wat ze niet weten te duiden. De sfeer is bizar, maar ook somber en soms sarcastisch. En uiteindelijk komisch met een hoog “Herenleed” gehalte. Het zou me niet verbazen als Armando en Cherry Duyns beïnvloed waren door Beckett. 

    Interessant is dat er een derde persoon met de heren lijkt mee te reizen. Een zeer onbetrouwbare verteller, die het verhaal opent met: ‘De reis van Mercier en Camier is er een waarover ik vertellen kan, als ik wil, want ik was de hele tijd bij ze.’ Deze ik komt niet meer terug, maar sluimert wel op de achtergrond en zou heel goed Becket zelf kunnen zijn. Of misschien is het Watt, het hoofdpersonage uit Becketts gelijknamige roman, of een ander personage uit zijn boeken. Na die eerste zin trekt de ik zich terug en gaat het verhaal verder in de derde persoon. Steeds na twee hoofdstukken geeft de verteller met steekwoorden een samenvatting van de gebeurtenissen, wat bijdraagt aan de stijlloosheid en de versimpeling van het verhaal, waarbij ook de kracht van de herhaling speelt.

    Het geluid dat overblijft in het duister

    Eerst is er de tamelijk hilarische poging van Mercier en Camier om elkaar te ontmoeten. Ze lopen elkaar steeds net een paar minuten mis. Als ze elkaar eindelijk hebben gevonden – ‘Ze bevonden zich nog in elkaars armen toen de eerste regendruppels met een oriëntaalse abruptheid neerkwamen’ – schuilen ze onder een pagode in een stadsparkje, naast copulerende honden, wat een verwijzing is naar Dante’s Goddelijke Komedie. De volgende dag wordt de reis dan echt aangevangen. Ze nemen een fiets, een paraplu en een rugzak met eten mee. Ze converseren, ruziën, wandelen hand in hand, ergeren en verbazen zich. Prostituee Helen, met de sprekende papegaai, is een thuishaven, maar is nauwelijks een personage te noemen. Ze heeft geen stem, zoals vrouwen nooit een sprekende rol hebben in de romans van Beckett. De fiets blijft achter bij de eerste pub die ze onderweg tegenkomen. Als ze er na hun reis weer terugkomen is alleen de fietspomp nog over. De rugzak verdwijnt en de paraplu speelt nog een aanzienlijke rol vooraleer hij onbruikbaar wordt weggesmeten.

    Om dit boek op waarde te kunnen schatten, verdient het aanbeveling om met het nawoord van vertaalster Jona Hoek te beginnen. Beckett zou voor dit verhaal geïnspireerd zijn geweest door De Goddelijke Komedie van Dante. Heel losjes en willekeurig beschrijft hij Mercier en Camiers reis tussen hemel, hel en vagevuur, met dit verschil dat waar Dante en Vergilius bewust op zoek waren, Mercier en Camier geen idee hebben van hun doel en bestemming.  

    Waar Dante in De Goddelijke Komedie een lofzang uit op het eeuwige licht, beschrijft Beckett juist het geluid dat overblijft in het duister, zoals de laatste zin zegt: ‘En in het donker kon hij ook beter horen, hij kon de geluiden horen die de lange dag voor hem verborgen had gehouden, het gemurmel van mensen bijvoorbeeld, en de regen op het water.’ 

    Beckett was een zonderlinge eenling, wat ook sterk terugkomt in zijn boeken. Hij hield niet van publiciteit en creëerde een mysterie rond zijn persoon. Hij is vooral bekend van Wachten op Godot en Watt. Mercier en Camier is wellicht niet zijn beste werk maar wel zijn meest toegankelijke. Waarmee deze onlangs vertaalde novelle een uitstekende kennismaking is met de eigenzinnige en tijdloze schrijver.  

     

  • Ode aan een verguisde dochter

     


    Met haar breed georiënteerde oeuvre bezet Rosita Steenbeek een eigen plaats in het Nederlandse literaire landschap. Haar rode draad is vergankelijkheid versus vitaliteit en bewust zijn van je oorsprong. Haar debuut De laatste vrouw, Schimmenrijk en haar non-fictieboeken over Rome spelen in Italië. Ze schreef in 2020 en 2021 columns in Trouw en ze schrijft over vluchtelingen. Ander licht speelt in Amersfoort en in Italië, het is het verhaal van Alida Withoos, de dochter van de beroemde schilder Matthias Withoos. Intensive Care is een heel persoonlijk verhaal en in Rose, haar voorlaatste roman, die in Duitsland en Nederland speelt, beschreef ze het leven van haar Joodse grootmoeder, mede dankzij het geweldige geheugen van haar moeder. Na er met vele onderbrekingen aan gewerkt te hebben heeft ze nu Julia aan haar oeuvre toegevoegd.  

    In deze historische roman brengt Rosita Steenbeek een belangrijk stuk Romeinse geschiedenis tot leven. Julia was de dochter van keizer Augustus en leefde tijdens de glorieperiode van het Romeinse rijk tweeduizend jaar geleden. Ik sprak met haar over Julia, haar boeken en over schrijven in het algemeen.


    Julia was het enige kind van keizer Augustus en leefde van 39 voor Chr. tot 14 na Chr. Haar moeder Scribonia werd meteen na haar geboorte weggestuurd. Augustus huwde daarna Livia, een koele, mooie vrouw, die politiek gezien effectiever voor Augustus’ macht zou zijn, zij was echter de klassieke onaardige stiefmoeder. Julia snakte naar aandacht van haar vader, maar behoorde te gehoorzamen en moest trouwen met de mannen die hij voor haar koos, mannen die hij als zijn opvolger wenste. Het werden er uiteindelijk drie. De eerste, Marcello, stierf al snel, met de middelste, de 25 jaar oudere Agrippa, kreeg ze vijf kinderen. Oorspronkelijk was hij een jeugdvriend van Augustus, later werd hij zijn rechterhand. Agrippa staat te boek als groot generaal en vechtersbaas.

    Julia verzette zich hevig tegen haar vaders dictatuur, maar ze had uiteindelijk geen keuze en schikte zich in haar lot, waarbij ze binnen de grenzen van haar mogelijkheden haar vrijheid zocht. Ze was ontwikkeld en nieuwsgierig, erudiet, ze las de Ilias van Homerus en had culturele vrienden, zoals Vergilius, Horatius, Ovidius en kunstbeschermer Maecenas.


    ‘Tijdens mijn onderzoek besefte ik dat Julia zoveel mensen die wij uit boeken kennen persoonlijk heeft ontmoet en meegemaakt. Ze groeide op met de kinderen van Cleopatra en logeerde aan het hof van koning Herodes in Jeruzalem en was bevriend met grote schrijvers.’


    Zaten daar ook haar geliefden bij?

    ‘Vast, maar haar grote liefde was toch Iullus, hij was de zoon van Marcus Antonius, die door haar vader werd verslagen waarna hij zelfmoord pleegde. Iullus was een bekende dichter en politicus destijds.’


    Julia deelde weinig met haar drie echtgenoten, maar met Agrippa, de vader van haar kinderen, maakte ze een indrukwekkende reis naar Griekenland, Anatolië, Syrië en Egypte. Het was een van de hoogtepunten in haar leven. Wat vond je voor aanwijzingen in je research materiaal over deze reis?

    ‘De historieschrijver Nicolaas van Damascus vertelt dat Julia in haar eentje naar Troje gaat, ongetwijfeld omdat ze de Ilias van Homerus had gelezen. Hij schrijft ook dat ze bij een nachtelijke oversteek bijna verdronk in de door Homerus genoemde rivier de Scamander.’


    Hoewel er nauwelijks iets over haar karaktertrekken bekend is, wordt Julia als onbevreesd afgeschilderd, met hang naar avontuur. Heb je haar ook karaktertrekken van jezelf meegegeven?

    ‘Er wordt wel gesproken over Julia’s gevatheid, en die nachtelijke oversteek naar Troje wijst op avontuurlijkheid, maar er zit ook wel wat van mezelf in haar. Het avontuurlijke en onafhankelijke erfde ik van mijn vader, met hem voelde ik me erg verbonden. Ik bewonderde hem. Hij kon kleurrijk vertellen en schrijven. Hij doceerde renaissanceletterkunde aan de universiteit van Utrecht. We waren zielsverwanten, met onze liefde voor literatuur en het besef van vergankelijkheid. Ik heb ook veel met hem gevochten maar na de botsingen kwam het meteen weer goed. Misschien heb ik die aanvaringen gebruikt voor Julia in relatie tot haar vader.      De band met Scribonia, haar moeder, moet heel goed zijn geweest. Daarvoor heb ik me wel laten inspireren door de innige en harmonieuze verstandhouding met mijn eigen moeder.’


    En de andere personages hoe heb je die gereconstrueerd?  

    ‘Julia’s beeltenissen zijn allemaal vernietigd, de munten met haar afbeelding omgesmolten. Er is nog een beschadigd kopje van haar over. Maar van de meeste andere personages zijn wel beelden bewaard gebleven, die staan in Rome. Ik ken ze allemaal en hoefde alleen maar het beeld te beschrijven voor hun uiterlijke kenmerken.’

    Je hebt het verhaal heel breed getrokken, Julia in relatie tot haar ouders, haar echtgenoten, haar kinderen, haar geliefden en vrienden. Tegelijkertijd krijgen we ook een duidelijk beeld van het Romeinse hof, met de omgangsvormen, huwelijk, rouw, hypocrisie en wetten. Is die achtergrond ook deels fictie?

     ‘Die achtergrond berust op historische feiten.’ 


    Waarom is Julia zo verguisd tot op de dag van vandaag?

    ‘Ze zou overspelig zijn geweest. Dat dat de reden van haar verbanning was, kon ik moeilijk geloven. Haar vader had veel affaires al bestond er natuurlijk een dubbele moraal. Bij mijn onderzoek stuitte ik op andere aanwijzingen. Ze zou hebben meegewerkt aan, of in ieder geval op de hoogte zijn geweest van plannen voor een staatsgreep, een aanslag op haar vader. Dat is een plausibeler reden voor haar verbanning naar Pandataria, het huidige Ventotene, een eilandje westelijk van Napels.’


    Ik kan me voorstellen dat die staatsgreep in de doofpot was gestopt, kon je er wel iets over vinden? Het verraad, is dat ook letterlijk zo opgetekend destijds?          

    ‘Bij antieke schrijvers zijn er een paar korte verwijzingen naar betrokkenheid van Iullus en Julia bij plannen voor een staatsgreep.’ 


    Het enige lichtpuntje in haar leven was dat ze samen met haar moeder in ballingschap op het eiland zat. De onvoorwaardelijke liefde van Scribonia voor haar dochter beschrijf je heel mooi. Dat is fictie, of zijn er nog dagboeken of brieven van Julia bewaard gebleven?          

    ‘Scribonia was al eerder in haar leven teruggekomen en hun zielsverwantschap wilde ik voelbaar laten zijn in het boek. Er staat geschreven dat Scribonia meeging met haar dochter naar het eiland.  Dat zegt iets over hun band. Scribonia hield net als haar dochter veel van literatuur en bewoog ze zich in dezelfde literaire kringen. Ze beschermden elkaar, en dat Julia zich ook schuldig voelde dat haar moeder zich een volwaardig leven had ontzegd wegens haar, heb ik moeten invullen met hulp van mijn verbeelding.’ 

    Wat bracht je op het idee om over Julia te schrijven?

    ‘Tijdens een bezoekje aan Ventotene tien jaar geleden zag ik concreet de ballingsplek van Julia, het huis, de zee waarin ze zwom, toen kreeg ik een beeld van haar en ging ik meer over haar lezen.’


    Hoe kwam je tot deze vorm in het boek, jij bezoekt de plaatsen waar Julia is geweest en glijdt dan steeds terug in haar tijd.     

    ‘Door in het heden over de plaatsen te schrijven waar Julia is geboren, waar ze woonde en liep, kon ik me nog beter in haar inleven. Het trof me dat er zoveel plekken uit haar leven tweeduizend jaar later nog te bezoeken zijn. Die locaties hielpen bij het reconstrueren van haar leven.’


    Heb je alle plaatsen bezocht waar zij is geweest?

    ‘De plaatsen in Rome en Italië die verbonden zijn met haar leven heb ik allemaal bezocht. Toen ik haar geboortehuis bezocht, raakte ik ontroerd. Buiten Italië wilde ik haar niet voor de voeten lopen. Daar is het  Julia die geraakt wordt door de historische locaties (in haar tijd), zoals Troje of de Acropolis in Athene. Daar wilde ik niet tussenkomen.’ 


    Je hebt veel boeken geschreven die in Italië spelen. Voel je je Italiaanse of toch vooral Nederlandse?

    ‘Ik ben en blijf natuurlijk Nederlandse, maar voel me heel thuis in Italië en ben ook wel veritalianiseerd. Ik hou ervan vreemdeling te zijn. Dat houdt de blik scherp.’


    Verzamel je eerst materiaal voor je aan een boek begint, of ga je meteen schrijven?

    ‘Onderzoek, lezen en schrijven gaan bij mij altijd samen op. Ik maak wel een concept maar daar wijk ik al schrijvend vanaf. Dat maakt het schrijfproces avontuurlijker. Het is als het maken van een reis. Ook daarbij wil ik van tevoren niet precies weten wat de tussenstops zijn, wat ik precies ga zien. Ik heb heel veel boeken gekocht en gelezen, digitaal is er het nodige te vinden en aan de hand van oude teksten en gedichten heb ik me een beeld gevormd. Soms kwam ik snippers over Julia tegen en zo kwam haar verhaal tot leven.’ 


    Julia is een historische roman en een familiegeschiedenis, maar ook een verhaal van alle tijden. Er zijn veel parallellen met het heden te trekken.  

    ‘Ja. Augustus veranderde de republiek in een dictatuur waarbij hij zich onder meer bediende van ‘fake news’ en propaganda. Daarnaast was Julia (wat mij betreft) een feministe avant la lettre. Ik wilde recht doen aan de verguisde dochter van de machtigste keizer van de geschiedenis rond het begin van onze jaartelling, die genoemd wordt in de Bijbel en zijn naam gaf aan een van onze maanden.’

     

     

    Foto: Vincent Mentzel