• Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Uit de ondertitel van de verhalenbundel Kwaidan – Japanse spookverhalen van de Grieks-Ierse schrijver Lafcadio Hearn (1850-1904) weten we dat het om spookverhalen gaat. Heel erg spookachtig zijn ze niet, eerder zijn het grimmige sprookjes. Japanse sprookjes en legendes die vaak al eeuwenoud zijn en mondeling overgeleverd werden. Het is dankzij Hearn, die ze in het Engels opschreef, dat ze een weg vonden buiten Japan. Na vele omzwervingen over de wereld kwam Hearn op zijn veertigste in Japan terecht, eerst als journalist, later werd hij leraar Engels. Hij voelde zich er thuis. Hij ontmoette zijn Japanse vrouw, een dochter van een vooraanstaande Japanse Samoerai-familie, en werd ineens een insider. Hearn raakte – inmiddels meer dan honderd jaar geleden – gefascineerd door de Japanse mythologie en folklore. Gemengd met zijn herinneringen aan zijn Griekse en Ierse jeugd schreef hij de verhalen in zijn eigen woorden op. Ze werden weer vertaald naar het Japans en worden nog steeds gezien als klassiekers.

    Zingen voor zielen

    Het openingsverhaal Mimi-nashi-Hôichi zet meteen de toon; zevenhonderd jaar geleden werd de laatste zeeslag geleverd tussen twee clans, de Heike en de Minamoto-clan. ‘De Heike kwamen daarbij jammerlijk om het leven, samen met hun vrouwen en kinderen en ook hun kindkeizer. (…) En al zevenhonderd jaar spookt het op die zee en aan die kust.’ Er zijn vreemde krabben te vinden, de zogenaamde Heike krabben, met een mensengezicht op hun rug, het zouden de geesten van de Heikekrijgers zijn. Er is ook een begraafplaats aangelegd op de kust met een gedenkteken van de verdronken keizer en zijn vazallen. Hôichi, een blinde bard, leefde een paar honderd jaar later. Hij was een begenadigd zanger en beroemd omdat hij de geschiedenis van de zeeslag zo voortreffelijk kon voordragen. Op leeftijd gekomen leefde hij in een klooster en werd beschermd door een priester. Op een dag werd hij opgehaald door een vreemdeling die hem meenam naar zijn hooggeplaatste meester. Die wilde Hôichi’s voordracht horen. Hôichi zong en speelde met zijn luit de sterren van de hemel. Om hem heen prevelden stemmen: ‘Wat een kunstenaar.’ ‘Nooit is er in onze provincie zulke geweldige muziek gehoord.’ En Hôichi speelde maar wist niet welke monsters hij voor zich had. Hij zat op de begraafplaats en speelde voor hun dolende geesten. Langzamerhand raakte hij uitgeput, de priester kwam hem redden, maar toen was het eigenlijk al te laat.

    Schuld en trouw

    Oshidori is ook zo’n prachtig betekenisvol verhaal. De jager Sonjô had honger en schoot het mannetje van een mandarijneendenpaartje dood. Volgens de noot, waar de verhalen rijkelijk van zijn voorzien, zijn mandarijneenden in het verre oosten van oudsher een symbool voor huwelijkse liefde. De vrouwtjeseend, verteerd door verdriet, bezocht Sonjô in zijn dromen en huilde zo smartelijk, dat hij het gevoel had dat zijn hart uit zijn lijf werd gerukt. De volgende dag zag hij de vrouwtjeseend weer en met haar doordringende blik op hem gericht deed ze zichzelf iets aan. Sonjô voelde zich zo schuldig dat hij monnik werd.

    Menselijke spookverschijningen

    De verhalen zijn kort en helder geschreven met veel poëtische vertalingen van Japanse gedichtjes en Haiku’s. Ze gaan over trouw en eer, religie en ronddwalende zielen als spookverschijningen, die zich voordoen als een mens, zoals de Heike krab met een mensengezicht op zijn pantser, of een ranke schoonheid die als ze zich omdraait een monster blijkt te zijn. Of een kersenboom die al honderden jaren bloeit op 16 januari. Hearn is gefascineerd door die verpersoonlijking van natuurverschijnselen.

    Zielen van overledenen zwerven graag rond in Hearns vertolkingen, zoals de overleden vrouw die iedere nacht iets kwam zoeken in haar oude huis en daarmee haar kinderen angst aanjoeg. Ook dromen, als uiting van het onderbewustzijn, spelen een rol. Een man beleefde drieëntwintig jaar een heerlijke droom, uiteindelijk bleek deze slechts een paar minuten te hebben geduurd, maar dan vindt hij een bewijs van iets dat in zijn droom plaatsvond. Al is het slechts het dode lichaam van een vrouwtjesmier.

    Een Samoerai met uitzonderlijke lichaamskracht wordt monnik – ‘een wolk en waterreiziger’. Om een gezin te behoeden voor het kwaad, hakt hij het hoofd af van een ‘rokuro-kubi’, een monster met een uitgerekte hals. Bij deze monsters kan het hoofd terugkeren naar het lichaam, zolang dat niet verplaatst wordt. Precies dat doet deze dappere monnik, het lichaam verplaatsen, maar dan bijt het hoofd met de angstaanjagende gelaatsuitdrukking zich aan hem vast en zit hij er voortaan mee opgescheept. Welgemoed neemt hij het hoofd mee op zijn reizen, tot hij er afstand van weet te doen. In die zin zijn de verhalen ook humoristisch.

    Insectenstudies

    De zeventien spookverhalen worden afgesloten met drie insectenstudies. De eerste gaat over vlinders. Veel symboliek over vlinders komt overigens uit China, zegt Hearn. ‘In de Japanse overlevering kan een vlinder echter zowel de ziel van een dood als van een levend iemand zijn. Zielen hebben zelfs de gewoonte een vlindervorm aan te nemen om aan te kondigen dat ze definitief het lichaam hebben verlaten; en daarom moet elke vlinder die een huis binnenkomt altijd vriendelijk tegemoet worden getreden.’
    Opgenomen zijn een prachtige Haiku en het gesprek met een vlinder, beide poëtisch door Hearn verwoord.

    In de tweede insectenstudie gaat Hearn in op ‘Muggen’, een hilarisch verhaal, want de muggen leggen hun eieren in zogenaamde ‘mizutanes’, langwerpige waterbakjes, en bloembakken waarvan er duizenden zijn te vinden op de boeddhistische begraafplaats achter Hearns huis. Met andere woorden, hij wordt geteisterd door de muggen en zint op een manier om van ze af te komen.

    Mieren is de derde studie en verreweg het interessantst. Het essay begint met een man die met een crème op zijn oren de gesprekken tussen mieren kan verstaan. Hearn bestudeert de Cambridge Natural History en beschrijft naar aanleiding daarvan de opmerkelijke verschijnselen in het leven van mieren. Mieren verstaan de kunst van het samenleven in maatschappijen in veel opzichten beter dan onze eigen soort en ‘zijn ons ver vooruit in de verwerving van bepaalde kundes en kunsten die sterk bevorderlijk zijn voor het maatschappelijk leven.’ Vervolgens schept hij de sociale maatschappij van een mierenvolk met: ‘Ontzagwekkend fatsoen, de vreselijke moraliteit van de mier. (…) Vergeleken bij de ethiek van de mier schieten onze aantrekkelijke gedragsidealen minstens miljoenen jaren tekort.’

    In het persoonlijke nawoord van kunstenares en schrijfster Jannie Regnerus, die in 2000 een jaar in een artist residence in Japan woonde, vertelt ze hoeveel ze heeft gehad aan Hearns gids, die haar met zijn heldere en poëtische beschrijvingen hielp de Japanse wereld betekenis en reliëf te geven. Dankzij de uitstekend lezende vertaling uit het Engels door Barbara de Lange zijn Hearns Japanse spookverhalen een luchtige leeservaring voor het slapengaan. Ze zijn ook interessant voor de beeldvorming van Japanse, en Chinese, oude cultuur.

     

  • Oogst week 51 -2024

    Oogst week 51 -2024

    Hafni zegt

    De Deense schrijfster Helle Helle heeft een heel eigen stem in de literatuur. Met haar laatste roman Hafni zegt heeft ze weer voor een bijzondere vorm gekozen. Hafni belt met een vriendin en zegt dat ze gaat scheiden. De vriendin, aan de andere kant van de lijn, is de verteller; ze luistert en geeft spaarzaam commentaar. Hafni viert haar scheiding met een ‘smørrebrødreis’, zoals ze het noemt, een reis die langs tal van Deense plaatsen gaat. De geplande reis zou een week zijn, maar beslaat al een maand. Hafni hangt rond op campings, ze praat over de ontbijtbuffetten, korte ontmoetingen en haar belevenissen, over haar huwelijk krijgen we echter nauwelijks informatie, maar tussen de regels wordt haar verdriet pijnlijk duidelijk.

    Helle Helle schrijft komisch en tragisch. De troosteloze situatie van Hafni wordt pijnlijk duidelijk in korte terloopse zinnetjes. Een roman over het bestaan: vervreemding, vrijheid, schuld en schaamte, en over de zware druk van verwachtingen.

    Hafni zegt
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Querido

    Memoires van een kip – Een Palestijnse fabel

    De Memoires van een kip van de Palestijnse auteur Ishaq Musa al-Husseini is een Palestijnse fabel, die al verscheen in 1943. Een filosofisch ingestelde kip verwondert zich over haar nieuwe ren en observeert haar medekippen, ze denkt na over de zin van het leven, over de echtgenoot (die ze liefdevol deelt met haar ‘zusters’), over nieuwkomers, over leven en dood, rechtvaardigheid, liefde, solidariteit, kortom over een ideale maatschappij. Helaas is er ook dat andere: jaloezie, roddel, haat en nijd en geweld, dat soms dodelijk afloopt. De mooie theorie blijkt in de praktijk van het dagelijks leven in de ren heel anders te werken.

    Sommige critici associeerden de roman (toen al) met het hoogoplopende Palestijns-Joodse conflict en veroordeelden de afloop als te defaitistisch. Anderen interpreteerden het verhaal als een uiting van een algemene utopische toekomstvisie. Toch heeft deze opmerkelijke roman, ondanks het maatschappelijke thema, volgens de auteur niets met politiek te maken. ‘Mijn roman gaat niet over Palestijnen en Joden, maar over kippen.’

    In het nawoord van Richard van Leeuwen zegt deze: ‘Al met al blijft Memoires van een kip een wonderlijk en intrigerend boek, dat zowel in de tijd van verschijning als in de huidige tijd eenduidige interpretaties weerstaat … Het is aan de lezer om te beoordelen in hoeverre het boek een universele of een politieke boodschap bevat.’

    Ishaq Musa al-Husseini (Jeruzalem 1904 – 1973) is vooral bekend om zijn literair-wetenschappelijk werk en van een aantal politiek-analytische boeken. Hij was een geleerde, criticus, filoloog en vertaler. Hij werd in 1904 geboren in Jeruzalem, in een traditioneel, religieus nationalistisch gezin. Na zijn middelbare schoolopleiding studeerde en werkte hij in Caïro, Londen en Göttingen.

    Memoires van een kip - Een Palestijnse fabel
    Auteur: Ishaq Musa al-Husseini
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Mijn moeder

    De moeder van de tweeling Jana en Broer is dood en zal worden begraven in haar geboortedorp Kukkojärvi in Noord-Zweden. Haar kinderen erven het huis en ontdekken al snel dat het leven daar  heel anders is dan ze hadden verwacht. Hun huis wordt bewoond door huurders die er niet uit willen en leven volgens strikte, religieuze regels. Jana is vanaf het begin wantrouwend, maar Broer voelt zich aangetrokken tot de hechte dorpsgemeenschap, waar de nadruk ligt op gezinswaarden en mannelijke overheersing. Jana moet de strijd aangaan om niet alleen het huis maar ook haar broer terug te winnen, terwijl ze tegelijkertijd probeert haar destructieve relatie te beëindigen. Het tweede deel in de trilogie over Jana Kippo en haar leven in een Zweeds dorp met duistere geheimen.

    De Zweedse auteur Karin Smirnoff (1964) debuteerde in 2018 met de roman Mijn broer, het eerste deel in de succesvolle trilogie over Jana Kippo. In 2021 volgde Smirnoff David Lagercrantz op als nieuwe auteur van de bekende Millennium reeks van Stieg Larsson. Haar verhalen spelen zich af in het noorden van Zweden, de Västerbotten-regio waar ook Stieg Larsson vandaan komt en waar Karin Smirnoff woont en werkt en toevallig is haar meisjesnaam ook Larsson.

    Mijn moeder
    Auteur: Karin Smirnoff
    Uitgeverij: Querido
  • Pure nostalgie

    Pure nostalgie

    In De vlinderkus beschrijft regisseur, presentator en eindredacteur Cees van Ede zijn jeugdherinnering aan France Gall, het tienermeisje dat met Poupée de cire, poupée de son in 1965 het Eurovisie Songfestival won. Het verhaal begint met een bezoek aan de begraafplaats Cimetière de Montmartre in Parijs waar France Gall in 2018 begraven is. Ze heeft een nogal detonerende graftombe, vindt Cees, waarin ze met haar man Michel Berger en dochter Pauline ligt. Op drie glasplaten staan hun handtekeningen gegraveerd. ‘Nog één keer deel je je handtekening uit.’ De auteur spreekt Gall in je-vorm toe alsof het een brief aan zijn toenmalige vakantieliefde betreft.

    In de volgende hoofdstukken beschrijft de volwassen Van Ede het verhaal in de derde persoon, zijn jeugdversie noemt hij Kees, wat hem de vrijheid geeft om de herinnering ruimer te interpreteren. Het is uiteindelijk fictie. Van Ede’s stijl is wat zakelijk, maar afgewisseld met een persoonlijke, soms licht ironische toon leest het vlot, al blijft de lezer enigszins op afstand.

    Kees groeide op in Utrecht, Kanaleneiland in aanbouw, in een groot katholiek gezin waar ook opoe nog bij inwoonde. Zijn enige troost was een citer van een van zijn tantes, maar al gauw wilde hij meer. Hij had een witte gitaar gezien in een etalage op de Steenweg. De citer diende als ruilmiddel en Kees was de koning te rijk met zijn gitaar. Dat het een jazzgitaar was, wist hij toen nog niet.

    Heeroom Piet

    Heeroom Piet was Curé de Campagne in Bourgondië. Behalve dorpspastoor was deze oom ook aalmoezenier van een groot kinderkoor, Les Passereaux de Auxerre. Samen met dat koor zouden de veertienjarige Kees, zijn broer en een neef met heeroom Piet naar Bretagne reizen om daar drie weken aan zee te kamperen in Saint-Lunaire, niet ver van Saint-Malo. Hun taak was om te assisteren bij het in het gareel houden van de koorknapen. ‘Het duurde nog negen maanden voordat ze zouden vertrekken, maar Kees kon er nu al bijna niet meer van slapen.’

    In het derde hoofdstuk geeft Van Ede een korte biografie van France Gall. Ze had een relatie met Julien Clerc, en Serge Gainsbourg schreef haar winnende songfestivalliedje Poupée de cire, poupée de son. Van Ede geeft de door hem zelf vertaalde songteksten erbij, die in het Nederlands tamelijk simpel lijken, maar zoals Cees verzucht: ‘Waarom klinkt alles in het Frans zoveel mooier.’
    France Gall had haar zinnen op de succesvolle Michel Berger gezet. Berger schreef onder andere voor Veronique Sanson en had een relatie met haar. Toen Sanson naar Amerika Stephen Stills achterna ging, stapte France Gall in haar plaats. Berger werd haar tekstschrijver, ze trouwde met hem, ze kregen een dochter en hij wist haar zeer succesvol te maken.

    Heeroom Piet haalde zijn drie neven, die hij Kwik, Kwek en Kwak noemde, in Utrecht op en ze reden naar Frankrijk en vervolgens naar Bretagne. Kees zat graag op het strand van Saint-Lunaire met zijn gitaar en zong Lonely Boy van Paul Anka. Een groepje Franse jongeren kwam naderbij en aangetrokken door zijn gitaar, verzamelden ze zich om hem heen. Onder hen bevond zich Isabelle Geneviève Marie Anne Gall. ‘Zeg maar Isabelle.’ Ze was met haar twee broers, nichtje en neven, en ze vonden de muziek mooi en Kees voelde zich vereerd in hun middelpunt. Hij zong zijn liedjes en begeleidde zichzelf op de gitaar. Isabelle, diep onder de indruk, wilde dat Kees haar gitaar leerde spelen. Hij wilde niets liever. ‘Toen hij was uitgezongen boog Isabelle zich naar hem toe en drukte haar voorhoofd tegen zijn slaap. Hij voelde de warmte van haar huid en hoorde haar snelle ademhaling. Kort na elkaar sloot en opende ze haar ogen, waardoor haar lange wimpers zacht zijn wang beroerden. Ze herhaalde het een keer, en nog eens. Kees zag en hoorde niets meer, hij voelde alleen haar fluwelen wimpers op zijn wang. Kon hij de tijd maar stilzetten, dacht hij, zodat dit moment nooit voorbij ging. Toen boog ze weer achterover, keek hem ernstig aan en zei: ”C’est un baiser de papillon.” Een vlinderkus.’ Ze spraken samen af, wandelden hand in hand over het strand, droomden samen over de toekomst, zonder dat er al iets van haar zangcarrière duidelijk was.

    Ze zong over hem

    Na die vakantie bleven ze corresponderen, maar de pauzes tussen de brieven werden met het verstrijken der jaren groter. Ze zagen elkaar nog een enkele keer, de laatste keer in Bussum bij de opnames van de show van Johnny Kraaijkamp en Rijk de Gooijer, waar France Gall tussen de sketches optrad.
    In de epiloog is Cees weer op het kerkhof van Montmartre. Vol nostalgie blikt hij terug op dat wat eens was. In een interview leest hij dat ze wel degelijk een lied over hem gezongen heeft, haar favoriet, Christiansen. Cees had zichzelf er niet in herkend en constateert dat hij een liedje is geworden.
    Voor fans van France Gall is deze novelle echt een aanrader, maar ook zonder haar te kennen is het boek een hartverwarmend en herkenbaar relaas van een jeugd en een vakantieliefde.

    Cees van Ede schreef na een dichtbundel, een in memoriam voor Lodewijk de Boer en met De vlinderkus zijn eerste novelle. Verschenen bij uitgeverij Sunny Home, vernoemd naar het Leidse huis van Maarten en Eva Biesheuvel.

     

     

  • Ongemakkelijk boek

    Ongemakkelijk boek

    Marie NDiaye, bij wie de underdog vaak de hoofdrol vervult, schreef meer dan twintig romans en won diverse prestigieuze prijzen, zoals de Prix Goncourt en de Prix Femina. In De wraak is aan mij hanteert de Franse schrijfster Marie NDiaye verschillende stijlen. Met stream-of-consciousness, innerlijke monoloog, dialogen die niet gevoerd zijn of toch wel, een onbetrouwbare verteller en paranoïde en mystieke elementen weet ze de lezer met zich mee te nemen.

    Mr. Susane is een advocate die net voor zichzelf is begonnen en nog weinig cliënten heeft. Wanneer Gilles Principaux haar kantoor binnenwandelt, meent ze zich hem te herinneren van dertig jaar geleden toen haar moeder inviel als werkster in het huis van de bemiddelde familie. Ze nam haar tienerdochter mee en zij belandde in de kamer van de zoon des huizes. Deze Gilles maakte diepe indruk op haar. Ze herinnerde zich hoe ze met hem sprak, debatteerde, haar standpunten verklaarde en vond dat ze zo overtuigend klonk, dat ze op dat moment besloot om advocaat te worden. Gilles herkent haar niet, hij is vooral met zichzelf bezig. Zijn vrouw Marlyne heeft hun drie kinderen in de badkuip verdronken en Principaux vraagt aan mr. Susane om haar te verdedigen.

    Verwarring door een herinnering

    Mr. Susane raakt zo geobsedeerd door haar herinnering aan de jonge Principaux dat ze haar ouders opzoekt om te verifiëren wat er toen gebeurd is. Haar moeder herinnert het zich niet en komt met hele andere namen, wat de verwarring bij de dochter alleen maar vergroot. Haar vader vermoedt dat zijn dochter toen misbruikt is, wat hun relatie onder druk zet.

    Mr. Susane woont in Bordeaux en hoewel ze graag tot de middenklasse wil behoren, doet ze dat niet. Haar ouders zijn eenvoudig. Ze is enig kind en stond onder zware prestatiedrang. Daarom ook parkeert ze haar oude Renault Twingo in een zijstraat, zodat haar ouders niet zeuren waarom ze nog geen betere auto heeft, wat hoort bij haar beroep als advocaat. Mr. Susane doet zich dan ook mooier voor dan ze is.

    Het verhaal, dat helemaal speelt in het hoofd van mr. Susane – haar voornaam wordt nooit genoemd – staat bol van de insinuaties en aannames. Het wordt steeds duidelijker dat ze flink in de war is. Helemaal wanneer ze valt op een beijzelde weg en haar knie ernstig bezeert en een flinke hoofdwond heeft. Soms zijn er parallellen met de boeken van Simone de Beauvoir te ontwaren met de vele bespiegelingen van gevoelens en de middenklasse milieus.

    De huishoudster

    Haar relatie met Sharon, haar huishoudster uit Mauritius, die met man en twee kinderen illegaal in Frankrijk woont, is heel ongemakkelijk. Ze vertrouwen elkaar voor geen cent, maar mr. Susane doet er alles aan om haar legaal te krijgen en gaat zelfs zover dat ze naar Mauritius reist om Sharons huwelijksakte op te halen.

    ’”Ik kan me niet herinneren dat jij het daar echt over hebt gehad,” zei ze huichelachtig. “Jawel, bent u het vergeten?” Sharon, verbaasd, glimlachend, probeerde met een zijdelingse subtiele blik Rudy aan haar kant te krijgen, maar die stond op zijn telefoon te kijken en luisterde tot grote opluchting van mr. Susane niet mee. “Jawel, jawel,” vervolgde Sharon zonder naar mr. Susane te kijken, “ik heb toen gezegd dat mijn huwelijksakte wordt achtergehouden op Mauritius.” “Hoe bedoel je achtergehouden?” fluisterde mr. Susane op behoedzame toon. “Nou, achtergehouden. Dat heb ik u vorige keer uitgelegd.” “Maar wanneer dan, Sharon?”’ Het zijn dit soort dialogen die bijdragen aan de sterk werkende paranoïde gedachten van mr. Susane.

    Ondertussen zoekt mr. Susane in de gevangenis Marlyne Principaux op, de moeder die haar drie kinderen heeft vermoord. Haar verweer komt in een lange stream-of-consciousness, ook weer zoals de advocate het ervaart. De zinnen worden aan elkaar geregen met het woordje ‘maar’.

    ‘”Maar hij voelt zich goed, daar in zijn eentje in ons huis, maar ik zie het helemaal voor me… maar hij beantwoordt mailtjes waarin mensen hem beklagen, maar hij hangt de held uit die zijn tranen verbergt maar hij heeft nooit ook maar één traantje weggepinkt. Maar meneer Principaux houdt zich goed, maar hij is een heilige. Maar ik zal niets ten nadele van hem zeggen, maar dat kan ik niet doen.”’

    Een in het nauw gedreven moeder

    Pijnlijk duidelijk wordt hoe de relatie van de Principaux’ in elkaar steekt, vooral als Principaux een heel andere mening laat horen, ook in een ononderbroken woordenstroom. Marlyne is duidelijk het slachtoffer van mentaal misbruik van haar man. ‘”We waren losjes met elkaar verbonden. En nu zijn we tragisch met elkaar verbonden. Ik hou van die angstaanjagende Marlyne, ik begrijp haar niet zo goed, maar ik kan haar niet haten ik hou gewoon van mijn vrouw, wie ze ook moge zijn. Ik neem mezelf zoveel kwalijk! Ik hou meer van haar dan vroeger, ja. Ze was een doodgewone vrouw. Ze is nu een duistere heldin. Ik ben verbaasd. Ik had haar nooit zo gezien. Ik ben verbaasd. Ze is vreemd.”’ Aldus Principaux die zijn kant van het verhaal vertelt. Dat hij haar verstikte had hij niet in de gaten en wil hij ook niet geloven, ook al omdat zij de schone schijn ophield. Dat is een schrijnend deel in het boek en is meteen ook de verklaring van de titel. Marlyne was zo gekweld door haar huwelijk dat ze wraak nam door haar man zijn kinderen te ontnemen.

    Waar gaat De wraak is aan mij nou eigenlijk over. Eenzaamheid, misbruik, onvermogen om oprecht te zijn en de waarheid verdoezelen, of omgaan met een maatschappij waarin de lat heel hoog ligt? Niemand is wezenlijk betrokken bij de ander. Mr. Susane’s ouders, haar ex Rudy en zijn dochtertje Lila, Sharon, zijn vooral met zichzelf bezig en zien de ander niet echt. Dat wil zeggen, zo ervaart mr. Susane het, maar omdat we in haar hoofd zitten kan het ook allemaal heel anders zijn.
    NDiaye heeft het verhaal knap gecomponeerd, al kan het einde wat onaf voelen. Ze verstrikt de lezer in haar netten en laat die achter in verwondering.

     

     

  • Oogst week 40 – 2024

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo

    Groots en onbekommerd, Leven en werk van Belcampo door Nico Keuning is de onlangs bij Querido verschenen biografie van de originele en absurdistische Nederlandse schrijver Belcampo, pseudoniem van Herman Schönfeld Wichers (1902-1990). Halverwege de vorige eeuw was Belcampo een van Nederlands populairste auteurs en stonden de Salamander-pockets met titels als Bevroren vuurwerk en Verborgenheden in menig boekenkast. In 2015 verfilmde Mike van Diem, heel succesvol, Belcampo’s korte verhaal De surprise.

    Belcampo groeide op als notariszoon in het gelovige Rijssen. Op zijn zestiende kreeg  Herman tuberculose en tijdens het revalideren in sanatoria las hij veel, schreef brieven en had alle tijd om te fantaseren. Hij studeerde in Amsterdam, en reisde zijn hele leven veel. Uiteindelijk werd hij schrijver en arts in Bathmen en Groningen. Uit zijn vele brieven komt Belcampo naar voren als een ras-optimist, vrijheidsaanbidder en levensgenieter. Uit zijn vertelkunst rijst het beeld van een visionair die moeiteloos aan de haal gaat met filosofie, wetenschap en religie.

    Keuning is een ervaren biograaf, hij schreef ook over Jan Arends, Bob den Uyl en Willem Brakman. Groots en onbekommerd beschrijft Belcampo’s jeugd en adolescentie boeiend en geeft een compleet beeld van het rijke, avontuurlijke leven van een schrijver, tekenaar, echtgenoot, vader en arts, die altijd in de breedste zin van het woord is blijven zwerven.

     

    Groots en onbekommerd – Leven en werk van Belcampo
    Auteur: Nico Keuning
    Uitgeverij: Querido

    Zelfportret

    De Franse schrijver, fotograaf en kunstenaar Édouard Levé (1965 – 2007) wordt wel een  literaire kubist genoemd. Zelfportret (oorspronkelijke titel Autoportrait, 2005)  bestaat uit losse, niet-geparagrafeerde zinnen met beweringen en zelfbeschrijvingen van de auteur. Het is een briljant en ontnuchterend zelfportret, neergeschreven in een verzameling fragmenten. Levé verbergt niets voor zijn lezers en schetst zijn leven in min of meer willekeurige, ritmische zinnen. Zelfportret is in psychologisch, politiek en filosofisch opzicht een juweeltje en naast ‘oprechtheid’ streeft Levé naar radicale objectiviteit.

    Levés boek lijkt in eerste instantie een autobiografie zonder sentiment, alsof het door een machine is geschreven, totdat we door de opeenstapeling van details en droge, spottende toon merken dat we ontwapend worden, geboeid en verrukt raken door niets minder dan perfecte fictie… die geheel uit feiten is opgebouwd.

    Édouard Levé (1965-2007) was een veelzijdige kunstenaar in de traditie van het conceptualisme. Hij debuteerde met Oeuvres (2002), dat minutieuze beschrijvingen bevat van 533 niet-verwezenlijkte installatie- en performanceprojecten. Levé’s laatste boek Zelfmoord  verscheen in 2021, eveneens bij Koppernik.

     

    Zelfportret
    Auteur: Édouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De tweelingentrilogie

    De tweelingentrilogie van de Hongaarse schrijfster Ágota Kristóf (1935- 2011) is opnieuw gepubliceerd, en terecht zo vinden haar fans.

    Deze veelgeprezen trilogie, bestaat uit Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen. Kristóf gebruikte haar eigen ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de communistische dictatuur. Toch is het geen autobiografisch of historisch relaas, maar een wreed, urgent drieluik over wat oorlog en ballingschap met mensen doet.

    Een meedogenloos en beklemmend verhaal, verteld met de rauwe eenvoud van een sprookje, dat de duisterste kanten van de mens blootlegt. Een Kafkaëske onwerkelijkheid, waarin iedereen anoniem is, waarin al het herkenbare (geografisch en historisch) verdoezeld is en alles ongrijpbaar wordt, wat de absurditeit van oorlog en dictatuur versterkt en voelbaar maakt. Geschreven in eenvoudige, uitgebeende taal wordt de gruwelijke realiteit nog aangrijpender.

     

    De tweelingentrilogie
    Auteur: Ágota Kristóf
    Uitgeverij: Das Mag Uitgeverij B.V.
  • Verhalen als waardevol document

    Verhalen als waardevol document

    De tien korte verhalen in Milde Klachten van Sanneke van Hassel hebben één ding gemeen: corona. Tegen de achtergrond van de coronapandemie beschrijft Van Hassel het isolement van haar personages. Met oog voor detail en een heldere stijl komen de verhalen vanzelfsprekend en ongedwongen uit de verf. Voor iedereen zo herkenbaar en tegelijkertijd is het nog moeilijk voor te stellen dat de hele wereld ‘in de ban van’ was. De glimlach achter het mondkapje, de perspexschermen op de toonbank, het niet handen geven, buiten afspreken of wachten tot je een winkel binnen mag. Maar ook eenzaamheid, angst, bedreigingen en bezorgdheid voor verlies van dierbaren zijn emoties die in de verhalen worden opgeroepen.

    In niemand die het ziet wonen het ik-personage en Toby samen in een studentenhuis. Het meisje, de ik, houdt in een fluorescerend roze dagboek haar dagen bij. ‘In dit schrift wil ik vooral schrijven over de bijzondere tijd waarin ik ben beland. Van het ene op het andere moment zitten we met zijn allen thuis door een of ander virus.’ Het dagboek is geschreven in de typerende associatieve stijl van een twintigjarige, die haar dagen slijt met afwachten. Haar baantje in de plaatselijke kroeg is gestopt. Ze gaat hardlopen en geeft het typische straatbeeld weer van een Rotterdamse stadswijk (veel van de verhalen spelen in dezelfde wijk in Rotterdam) tijdens corona. Maar eigenlijk gaat het verhaal over haar schuldgevoel, omdat ze niet heeft gezien hoe haar huisgenoot Toby eraan toe is. Hij gaat veel uit en lijkt nogal onbereikbaar, ze slapen een keer samen en daarna ontwijkt hij haar. Totdat hij geheel onverwacht door zijn ouders wordt opgehaald.

    Personages komen terug

    In het tweede verhaal, 1 April, lezen we over het gezin Vuursteen tijdens de lockdown: vader, moeder, twee dochters en de cavia’s die iedere ochtend door de meisjes worden begroet. Vader Arjen houdt zich vooral bezig met het nauwgezet volgen van het coronanieuws, de doden en de regels. Moeder Colet verveelt zich en ergert zich ziek nu de souvenirwinkel waar ze werkt gesloten is. Om de jeu erin te houden bedenkt zij dat iedereen een 1 aprilgrap moet verzinnen. ‘Het is stil in huis. Zonnestralen vallen de diepe gang in waaraan de slaapkamers liggen. De deuren van de meisjeskamers staan een stukje open. Meneer Vuursteen heeft er een beker water opgezet. Zodra zijn dochters hun deuren verder opentrekken, zullen ze een flinke plens over zich heen krijgen. Haha, 1 april!’ Mevrouw Vuursteen heeft een nog veel ziekere grap bedacht.

    In sommige verhalen komen dezelfde personen langs, wat de bundel een mooie eenheid geeft. Zo komt de studente terug in Zwevend balkon. Ze wil haar opa verrassen die in een verpleeghuis zit en dat was geen pretje tijdens de pandemie. Kleindochter mag hem niet bezoeken, dus huurt ze een hoogwerker met een bakje dat tot de derde verdieping reikt. Opa verschijnt op zijn balkon en zo kunnen ze even praten. Wat volgt is een ontroerende, maar ook nietszeggende dialoog en daarom veelzeggend. ‘”Mooi uitzicht heb je, opa,” zei ik. Tegenover het verpleeghuis stond een kerk, op de hoek van een laan met grote huizen en veel bomen. ”Laatst liep er een teckel, die wilde niet naar huis,” zei opa. “Die man had duidelijk haast en sleepte het beest over de grond mee. Kostelijk.”’

    Ingeslopen gelatenheid

    In het verhaal Geduld gaan drie oudere mensen, Marja, Hans en Renske, naar de Matthäus Passion in theater De Doelen in Rotterdam. Het mag weer, de regels zijn versoepeld. Uit de dialoog blijkt dat Marja en Hans de grootouders zijn van Toby uit In niemand die het ziet. Renske heeft haar man kort geleden verloren. Bijzonder aan dit verhaal is de perspectiefwissel, die steeds begint met een zin vanuit een (niet aanwezige) ik-verteller, om dan over te gaan in een van de drie anderen. ‘Er was veel jong publiek, wat ons verheugde. De afgelopen twee jaar hadden we onze kinderen en kleinkinderen minder gezien en het contact met de jeugd gemist. Toen Karin moest thuiswerken wilde Marja voor de jongens zorgen, maar haar dochter durfde het niet aan, hoewel ze bijna overspannen was geraakt.’ Zelfs buurvrouw Vuursteen uit het verhaal met de cavia’s loopt langs, uit het commentaar van de anderen blijkt dat ze niet dol op haar zijn.

    In Haarden gaat een jonge vrouw vrijwilligerswerk doen in het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos waar ze hele heftige dingen meemaakt. Na terugkeer logeert ze bij haar broer, maar het contact verloopt ongemakkelijk. Hij heeft weinig aandacht voor haar ervaringen en reageert pragmatisch en gevoelsarm. Illuminati gaat over twee jonge vrouwen die worden uiteengedreven door verschillende meningen over het coronabeleid. De Italiaanse Elissa in Berensporen wordt verteerd door heimwee naar Italië. Haar familieleden en vrienden sterven bij bosjes en zij is alleen. Ze werkt thuis, haar man is op reis en ze heeft de zorg voor haar zoontje. Ondertussen verlangt ze hevig naar lichamelijk contact. Het laatste verhaal, Panic Room, is het schrijnende voorbeeld van een huisarts in Oostenrijk die wordt bedreigd vanwege haar uitspraken in de media over vaccinatie.

    Covid-19 is de verbindende protagonist op de achtergrond, maar in Milde klachten gaat het om de personages die in een onzinnige tijd hun leven zo goed mogelijk trachten voort te zetten. Er hangt een sfeer van gelatenheid over de mensen, wat de titel misschien verklaart. Dat maakt de verhalen niet hoogdravend, maar wel heel herkenbaar. Duidelijk wordt dat de impact van de pandemie bij iedereen sporen heeft achtergelaten. Wellicht zullen kinderen die in deze tijd geboren zijn, de verhalen over 25 jaar met interesse lezen. In die zin is deze bundel een waardevol document.

     

  • Aangename psychologische thriller

    Aangename psychologische thriller

    Harman Nielsen schrijft met Vrouw met litteken een zelfstandig te lezen vervolg op Impasto dat in 2008 verscheen. Daniel, voorheen diplomaat en nu fulltime kunstschilder en de ik-verteller, wordt tijdens zijn werk gestoord door Suzanne. Ze kennen elkaar van vijftien jaar geleden toen ze een korte affaire hadden in Sarajevo (Impasto), waar zij als juriste betrokken was bij een dodelijk ongeluk van een vrouw die Daniel heeft geschilderd.

    Daniel laat geen emotie zien wanneer hij Suzanne binnenlaat, of het moet het obsessieve schoonwrijven van de olieverf van zijn handen zijn. ‘”Je hoeft dit niet te doen,” zegt ze, op twee passen van mijn drempel en met haar rug bijna tegen de balustrade van de galerij, alsof ze erop rekent dat ze dadelijk weer zal moeten vertrekken. Ik sta in de gang, achter de deurmat, terwijl ik nog verf van mijn handen wrijf met de doek die ik ongeduldig van de ezel heb gepakt toen de bel ging.Een mooi voorbeeld van show, don’t tell. De ex-geliefden zijn duidelijk aan elkaar gewaagd, zonder veel woorden hernieuwen ze de vriendschap, die eigenlijk verdergaat waar hij destijds werd afgebroken: in bed.

    Onderzoek

    Suzanne komt met een missie. Ze heeft zijn hulp nodig. In Vrouw met litteken is er, net als in Impasto, ook een vrouw die na een ongeluk overlijdt. De vrouw van nu, Antonia van Staveren, beheerde in Den Haag een safe-house voor de AIVD, waar diplomaten of ambtenaren even konden onderduiken. Maar ze dreef er ook een bordeel en gaf bloemschikcursussen, als dekmantel. Wanneer Antonia van Staveren dood onderaan de trap van haar huis gevonden wordt, is er een verband met de zelfmoord van de schijnbaar onbeduidende ambtenaar Leonard Heemskerk, werkzaam voor de AIVD. Hij zou Huize Constance meermalen bezocht hebben.

    Daniel en Suzanne luisteren bij Gijs, eveneens oud-diplomaat en jurist en vriend van Suzanne, naar de bandopname waarin twee ambtenaren van de AIVD en BZ de zaak rond de ‘toevallige’ dood van de twee mensen uitleggen. De financiën en begrafenis van Antonia van Staveren worden afgehandeld door een majoor met onberispelijke staat van dienst. Suzanne krijgt de opdracht om het juridische deel voor haar rekening te nemen. ‘”Vragen jullie dus van me om een onderzoek te starten? Naar wat jullie hebben gedaan?” “Niet echt. Niet een onderzoek in eigenlijke zin en niet zo zeer naar wat wij hebben gedaan, Suzanne.” Joost Hofman. Hij schraapt zijn keel. “Volgens ons is onze positie namelijk juridisch over het geheel genomen in wezen gezond en bovendien vinden we dat de hele kwestie uit het oogpunt van veiligheid verder beter kan worden vergeten. Maar dat ene punt, Felix zei het al, blijft.”’ Dat ‘ene punt’ is de aanleiding voor dit verhaal, dat als thriller wordt aangekondigd, maar eerder een psychologische roman is. Hoewel Suzanne net haar ontslag heeft ingediend, raakt ze zo gefascineerd door het verhaal van Antonia van Staveren dat ze deze schijnbaar gewone vrouw beter wil leren kennen, de opdracht aanneemt en Daniel erbij betrekt. Waar haar fascinatie precies vandaan komt, blijft onduidelijk, zoals ook elders in het verhaal de lezer bepaalde aannames moet accepteren.

    Na het bezoek aan Gijs rijden Daniel en Suzanne met de sleutel van Antonia’s huis in Suzannes eend (Deux Cheveaux) naar Huize Constance. Die eend is wel een apart detail, welke juriste van middelbare leeftijd rijdt er nog in een eend, en zou de jongere lezer sowieso een beeld hebben bij deze auto? Het doet niet ter zake in het verhaal, maar het zorgt beslist voor sfeer en wellicht zegt het iets over Suzanne.

    Waarom zij Daniel betrekt bij haar onderzoek is omdat hij als kunstschilder beter zou kunnen kijken. En dat doet hij inderdaad, op een heel andere manier dan Suzanne. Bladzijden lang lopen de twee door het verzorgde huis en de goed onderhouden tuin met bloemenborders van Antonia van Staveren. Daniel doet minutieus verslag, terwijl ze de haar fataal geworden monumentale trap zo lang mogelijk vermijden. Antonia van Staveren hield van bloemen, overal staan grote boeketten. Het huis is duidelijk ingericht voor bloemschikcursussen, maar dat blijkt voor tweeërlei uitleg vatbaar. De ruimtes zijn ook ingericht om je intiem in te kunnen terugtrekken. En zijn de laag geplaatste kranen in de grote badkamer bedoeld om emmers met bloemen bij te vullen, of dienen ze als gemak voor de meisjes om zich van onderen te wassen? Daniel ontdekt andere zaken dan Suzanne, zoals een doos ‘voor de helft gevuld met in glanzend wit plastic verpakte condooms.’ Waarover hij de snedige opmerking maakt: ‘Alles voor het bloemschikken is voorhanden, dus ook een voorraad van de onmisbare rubber omhulsels waarmee wordt voorkomen dat tere bloemstengels hun kostbare sappen verliezen, waarna ze slap zouden hangen.’

    Beelden van Antonia

    De roman beslaat slechts twee dagen. Daniel en Suzanne gaan er vol in, maar hun aannames over hetgeen gebeurd zou kunnen zijn komen hier en daar wat uit de lucht vallen. Zoals de code voor de brandkast, en het grote geheim: het litteken dat Antonia van Staveren met zich meedroeg. Door haar fotoalbum bladerend trekt juriste Suzanne vlotweg de juiste conclusies.

    Ze bezoeken de achterbuurvrouw, een bloemenwinkel, de weduwe van de suïcidale ambtenaar van Buitenlandse Zaken die een bezoeker van Huize Constance was, en de huisarts. ‘”Ik wilde die huisarts maar bellen voor een afspraak. Tenzij jij vindt dat we voldoende weten. Kun je haar zien, Daniel?” Ik blijf staan en kijk naar de immense kalkwitte achtergevel, maar terwijl ik zopas alleen aan de keukentafel zat, werd me al duidelijk dat ik me Antonia nu wel in Huize Constance kan voorstellen: lang en bleek, met donker haar en grote donkere ogen omgeven door tinten groen, rood en grijs, terwijl ze traag dwaalt van haar kas naar haar piano en zich herinnert dat ze als meisje inschikkelijk met zich liet sollen waarna ze er geld voor vroeg…’ Bij de huisarts, die een bijzonder verhaal vertelt over lotsbestemming, vallen de beelden in Daniels hoofd samen. Hij ziet het schilderij dat hij van Antonia van Staveren zal maken al voor ogen.

    Later die dag doen ze aan Gijs uitgebreid verslag van hun wederwaardigheden. Het is Gijs die hier de uiteindelijke, juiste conclusies trekt en de dader bij hem thuis uitnodigt. Opnieuw via een bandopname, worden Daniel en Suzanne – en de lezer – tot in de details op de hoogte gesteld van het wel en wee van de dader, die ook slachtoffer is. De onthulling komt eigenlijk niet als een verrassing. Het is zijn motief dat het verhaal een diepere psychologische laag geeft, met als belangrijke thema’s liefde, eenzaamheid, verlies en verlangen.

    Doordat Vrouw met litteken vanuit Daniels perspectief wordt verteld, tonen sommige personages vlakke emoties. Het plot is wat vergezocht, omwille van de vaart worden enkele vlotte aannames gedaan. Desondanks is het een aangenaam verhaal dat een paar mooie beelden op het netvlies achterlaat en een uitnodiging om ook Impasto te lezen.

     

  • Detective die geen detective is

    Detective die geen detective is

    Vleugels van Doeke Sijens is de derde van de novellen die de Groningse uitgever kleine Uil onder de noemer Regenboognovellen uitgeeft. Coen Peppelenbos en Eric de Rooy schreven met respectievelijk Onfatsoenlijk en luxueus en Nul meter afstand, de andere twee, ter ere van Roze Zaterdag. Alle drie bevatten spannende hedendaagse queer thematiek, zoals online dating en museumcultuur en in Vleugels speelt een verdwijning. Kleine Uil richt zich met deze novellen, de Regenboogreeks en Regenboogessays op queer literatuur. Een opmerkelijk initiatief dat aandacht verdient om vooroordelen jegens homo- en meer variaties van seksualiteit weg te nemen. Of Sijens daar met Vleugels in slaagt blijft de vraag.

    Paul is notaris en heeft een affaire met de jongere Eric-Jan. Op het moment dat de relatie serieus lijkt te worden, verdwijnt Eric-Jan spoorloos. De politie stelt een onderzoek in. Paul, de verteller van het verhaal, is als laatste ge-appt door Eric-Jan met de mededeling dat ‘hij wat later komt’. Eric-Jan heeft alles achtergelaten, ook zijn telefoon, en zodoende wordt Paul aan de tand gevoeld door twee politieagenten. ‘”We willen graag meer over hem te weten komen, daar gaat het ons om. Meer niet.” Waarschijnlijk zei hij dat om mij gerust te stellen. Ze verdachten mij er dus niet van dat ik hem vermoord had. “Was hij hier nooit eerder geweest?” “Nee, dit zou de eerste keer zijn geweest.” Dat was niet helemaal waar, maar ik hoefde toch ook niet meteen alles te vertellen.’ Met dergelijk commentaar van de verteller op de dialoog, wat hij zegt en waarom hij zo handelt, wordt de suggestie gewekt dat Paul meer zou weten over Eric-Jans verdwijning.

    Twee verdachten

    Marcel is een ex en collega van Eric-Jan. Samen met Paul wordt hij in het politiebureau ondervraagd. Door de laconieke houding die Marcel toont over de verdwijning maakt ook hij zich verdacht. ‘”Heel gezellig is het hier,” zei Marcel. ‘Hebben jullie ook felle lampen om op onze gezichten te kunnen zetten?” Hij was duidelijk niet onder de indruk van de situatie en leek zich ook geen zorgen te maken.’
    Met twee mogelijke verdachten wordt een subtiele spanning opgeroepen omdat zij de spoorloos verdwenen Eric-Jan gemeen hebben. Nog dezelfde dag belanden ze samen in bed en vervolgens gaan ze ook samen verder, al willen ze geen van beiden een vaste relatie. Wanneer John, de ene politieman, ‘bevriend’ raakt met Paul – om voor de hand liggende redenen – vloeit ineens alle opgebouwde spanning weg. De focus ligt niet meer op de verdwijning van Eric-Jan, maar gaat over de huiselijke sores van John, die te pas en te onpas in Pauls leven opduikt. ‘Het fietspak was erg afleidend. Het gaf hem iets seksueels, dat ik nog nooit eerder bij hem had gevoeld. Als ze op de fiets zitten merk je dat zo niet maar gewoon tussen de mensen heeft iemand in zo’n fietspak iets exotisch, in elk geval iets vreemds waar je je ogen niet vanaf kan houden. Ik moest opeens denken aan die rare aalscholvers die ik laatst had gezien.’

    Vleugels lijkt haast te bevestigen dat homomannen gaan voor seks. ‘Ik begin altijd eerst met seks en dan zie ik wel welke kant het opgaat,’ zegt Marcel tegen Paul. Eric-Jan is dan al geen gesprekstof meer. Jaloezie en andere primaire gevoelens gaan een rol spelen.

    Het einde is een verrassing

    Wat Sijens nou eigenlijk wil zeggen met deze novelle, blijft vaag. Is het een luchtige Groningse whodunnit over queer mannen? Misschien. Een kluchtige whodunnit is het ook niet echt. Met zelfspot was het nog aardig geweest, maar Vleugels ontbeert iedere humor. Sowieso zijn de dialogen nogal vlak en vult de vertellende Paul alles zover in dat de lezer geen moment hoeft na te denken.

    Maatschappelijke thema’s die oppervlakkig worden aangeraakt zijn zelfacceptatie, ouders die hun homoseksuele zoon wel of juist niet accepteren, christelijke vooroordelen, jaloezie en uiteindelijk de getrouwde man die homo blijkt, waarbij zijn vrouw zich verraden voelt. Dat er homoseksuele politieagenten in het politiecorps zijn is vast geen verrassing. Echter, zoals ze in Vleugels worden afgeschilderd komt wat ongeloofwaardig over.

    De twist op het einde is de enige verrassing in dit verhaal, en dan wordt de premisse ook duidelijk: eens een homo, altijd een homo. Vleugels is een vlotlezend niemendalletje en daardoor eigenlijk een gemiste kans om de homowereld met wat meer diepgang dan dit stereotype beeld neer te zetten.

    Doeke Sijens schrijft in het Fries en in het Nederlands; naast fictie biografieën en monografieën over schrijvers en kunstenaars.

     

  • Oogst week 29 – 2024

    All Fours

    Dit is de laatste Oogst van de week voor de zomervakantie, in de eerste week van september verschijnt de volgende ‘oogst’.

    ‘Wervelend en geestig,’ noemt de Volkskrant de onlangs bij De Bezige Bij verschenen vertaling van de roman All Fours, in het Nederlands verschenen onder dezelfde titel. De veelzijdige Amerikaanse Miranda July is regisseur, screenwriter, acteur en schrijver, All Fours is haar tweede roman.

    Een 45-jarige kunstenares neemt in Los Angeles afscheid van man en kinderen om per auto naar New York te rijden. Nog geen twintig minuten later neemt ze een afslag en boekt ze een kamer in een eenvoudig motel. Voor één nacht, maar dat worden er al snel meer. Ze begint zelfs een affaire met een jongere, getrouwde man. Wanneer ze beseft dat ze vlucht van haar realiteit als moeder, echtgenote en het ouder worden, neemt ze opnieuw een afslag in haar leven. Dat blijkt het begin te zijn van een heel andere reis.

    Miranda July bewijst opnieuw haar unieke benadering van fictie. Wrang, komisch en met een ongegeneerde nieuwsgierigheid naar menselijke intimiteit en tastbaar plezier in het verleggen van grenzen. July kaapt het bekende om dat te veranderen in iets nieuws en opwindends.

     

    All Fours
    Auteur: Miranda July
    Uitgeverij: De Bezige Bij 2024

    Boreling – Echo’s van een gebroken jeugd

    Bij uitgeverij Lucht verscheen Boreling – Echo’s van een gebroken jeugd, het debuut van Martin Koot (1968). Werkzaam bij onderzoeksbureau MoneyView, daarnaast is Koot muziekproducent, organisator van culturele evenementen en schrijver.

    In Boreling schrijft Martin Koot een kwetsbaar en persoonlijke verhaal, over hoe zijn eenzame kindertijd hem heeft gevormd voor de rest van zijn leven. Toen Koot als tiener steun en kameraadschap zocht bij een leraar van zijn lagere school werd hij misbruikt. Wanneer jaren later Martins huwelijk op de klippen loopt en de grond onder hem en zijn kinderen lijkt te verdwijnen, vindt hij de moed om op te staan en het juk van zijn jeugd en de pijnlijke gebeurtenissen te verwerken. Naast die narigheid heeft de auteur ook veel oog voor schoonheid en die schoonheid raakt. Een openhartig en toegankelijk geschreven boek.

     

    Boreling – Echo’s van een gebroken jeugd
    Auteur: Martin Koot
    Uitgeverij: Lucht 2024

    Kairos.

    Kairos. van de (Oost-)Duitse auteur Jenny Erpenbeck (1967) was dit jaar de winnaar van The International Booker Prize van de in 2023 verschenen vertaalde literatuur. Erpenbeck wordt gezien als een krachtige stem in de hedendaagse Duitse literatuur.

    Veel DDR-romans gaan over het repressieve regime en de periode voor de val van de Muur. In Kairos. schetst Erpenbeck het gewone leven van gewone mensen die liefhebben, uitgaan, gelukkig en ongelukkig zijn door hun zorgen in de privésfeer. Maar op de achtergrond speelt de ingrijpende maatschappelijke en politieke omwenteling van de jaren ’80.

    Katharina is een studente van 19, Hans is 34, schrijver, radiomaker en getrouwd. Ze ontmoeten elkaar in de bus en voelen meteen een sterke aantrekkingskracht. Een wervelende affaire is het gevolg, maar gaandeweg verschuift er iets tussen hen. Katharina wordt volwassen en gaat meer haar eigen weg, wat bij Hans jaloezie en agressie oproept, zelfs met sadistische en paranoïde trekken. Een superieure roman over dimensies en lagen in de liefde, macht, verraad en de waarheid.

     

    Kairos.
    Auteur: Jenny Erpenbeck
    Uitgeverij: De Geus 2024
  • Liefde, cultuur en macht

    Liefde, cultuur en macht

    Met de openingszin van Het monster van Sint-Helena vat de Catalaanse Albert Sánchez Piñol zijn hele boek samen. ‘Wat zou er gebeuren als we de Liefde, de Cultuur en de Macht in één kamer bijeenbrachten? Ik geloof, Lief Dagboek, dat alles begon met deze overigens frivole en banale vraag, die ik mezelf op een dag stelde.’ Piñol vroeg zich af wat er zou gebeuren als deze drie denkbeelden samen zouden komen. Voor de Liefde koos hij de markiezin van Custine als personificatie; de schrijver en denker De Chateaubriand was Cultuur en Napoleon Bonaparte kan worden geïdentificeerd als de Macht. Plaats van delict: Sint-Helena. Hoewel hij historische figuren gebruikt tegen de achtergrond van het eiland met de villa Longwood, waarin Napoleon gevangenzat en bewaakt werd door een garnizoen van duizenden soldaten, is Het monster van Sint-Helena geen historische roman, maar fictie.

    Het verhaal speelt rond 1819. Delphine Sabran, markiezin van Custine, leeft voor en van de liefde. Ze is de minnares van de grote Franse schrijver en denker Francois René de Chateaubriand. Ze houdt veel van hem en vraagt zich af of hij ook wel zoveel van haar houdt want hij spreekt de woorden nooit uit. Om hem uit te dagen en misschien ook uit pure verveling, verzint ze een plan. Samen met hem maakt ze de reis naar Sint-Helena om aldaar Napoleon Bonaparte te verleiden, zodat Chateaubriand, als hij echt verliefd is op Delphine, wel jaloers moet worden.

    Allegorie

    Tamelijk humoristisch en naïef is dit het begin van de allegorie Het monster van Sint-Helena. Een allegorie die staat voor de verheerlijking van de macht (momenteel actueler dan ooit); de onontkoombare liefde, en de teloorgang van de cultuur of beschaving. Delphine is intelligent, goed van de tongriem gesneden en heeft bovendien zelfspot. Ze vertrouwt haar zielenroerselen toe aan haar ‘Lief Dagboek’, dat ze te pas en te onpas als zodanig aanspreekt, wat aanvankelijk irriteert, tot het grappig wordt. In feite is ook het dagboek een personage in het verhaal.

    Chateaubriand en Delphine zijn beiden verwend en arrogant en denken de wijsheid in pacht te hebben. Na maanden op het zeilschip naar Sint-Helena, met veel citroenen tegen scheurbuik en vitaminegebrek en diepe verveling, komen ze eindelijk op het desolate grijze, lelijke Sint-Helena aan. Een eiland dat vergeven is van ratten. ‘Lief Dagboek, die geluiden, dat alomtegenwoordige krikrak in de herberg, in het huis van de gouverneur, in het huis van Umbé, zijn geen houtwormen maar ratten. Achter elke wand, over elk plafond, onder de houten vloeren, en hier is alles van hout. Ratten. Het hele eiland is ervan vergeven. Ratten.’

    Monsters

    De grote Napoleon krijgen ze vooralsnog niet te zien. Ze verkassen van de herberg naar het huis van Umbé, die als slavin en voormalige minnares van Bonaparte een slachtoffer is van de macht. Ze is doof en blind, maar overleeft met een groentetuin en haar kippen. Eén kip is bijzonder, mismaakt maar reuze slim. Delphine heeft een zwak voor deze kip, die Trophy wordt genoemd en de beste eieren legt. Umbé en iedereen op het eiland waarschuwt Delphine voor ‘Boney’. Hij is een monster, toch ziet Delphine uit naar de ontmoeting, er nog steeds van overtuigd dat alles zal veranderen als hij haar ziet. De teleurstelling is groot.

    Behalve Napoleon is er volgens sommige bewoners en Umbé nog een monster in aantocht. Er wordt veelvuldig gesproken over de Bigcripi en langzaamaan krijgt het verhaal sterke fantasy-elementen. De Bigcripi is een watermonster van ongekende afmetingen dat aan land komt en alles om zich heen verwoest.

    In een interview met Publico zegt Piñol dat hij begon met een kort verhaal, maar zoveel plezier in het schrijven kreeg dat het steeds langer werd. Bovendien zat hij net als iedereen in de covidpandemie gevangen. Het is makkelijk om de Bigcripi, het watermonster, als een metafoor van het coronavirus te zien. ‘Ik had een slechte tijd, de maatregelen volgden elkaar op. Een optelsom van Bigcripi’s, de een bijt in de staart van de ander.’

    Wanneer de macht, de liefde en de cultuur in een kamer zijn, lijkt er een soort balans te ontstaan van hypocrisie. Tot de macht de liefde verkracht en de cultuur ten onder gaat en zodra de Bigcripi’s op het eiland verschijnen worden dankzij hun ingrijpende destructie alle pionnen verzet; de karakters van de hoofdpersonages veranderen. Macht wordt verzwolgen, Cultuur komt tot inkeer en Liefde herpakt zichzelf. ‘Het is nu niet langer een poëtisch steekspel tussen Bonaparte en Chateaubriand, tussen de literatuur en de politiek, maar een strijd om te overleven, en ik zal er alles aan doen om ons hier levend uit te laten komen. Soms is de verhevenste uiting van liefde het waarborgen van de veiligheid van de geliefde.’

    Vrouwelijke veerkracht

    Dat Delphine als vrouw het dagboek schrijft en haar visie op de gebeurtenissen geeft is een sterk gegeven. De rol van de vrouw krijgt een duidelijke plaats in het hele machtsverhaal. Net als Umbé en het watermonster, dat uiteindelijk ook vrouwelijk blijkt te zijn, tonen zij veerkracht. ‘Voor een ogenblik stonden wij drie vrouwen, de drie ongelijksoortigste wijfjes van het heelal, met elkaar in verbinding, zoals de drie punten van een driehoek onvermijdelijk verenigd zijn.’

    Een boek dat als een tamelijk naïef liefdesverhaal begint eindigt met een gewelddadige veldslag, waarin de gekte van mannen die oorlog voeren overheerst. Piñol is een geëngageerd schrijver met een ongebreidelde fantasie die zorgt voor een paar uur leesgenot, maar uiteindelijk is Het monster van Sint-Helena een klucht die niet echt zal beklijven.

     

  • Krachtig essay-debuut

    Krachtig essay-debuut

    De wereld een lichaam is het opmerkelijke essay-debuut van Melani Reumers, waarin zij zichzelf onderwerpt aan een intrigerend en diepgaand onderzoek. Aan de hand van haar eigen lichaam, dat van vroeger en nu, legt ze verbanden met de literatuur, filosofie en de kunstwereld. Reumers is gefascineerd door haar eigen lichaam, zonder dat het klef of ijdel wordt, integendeel ze bekijkt zichzelf objectief en schuwt de zelfspot niet. Ze verdeelt haar zoektocht over vijf hoofdstukken: Lichaamsdelen, Verlengstukken, Sporen en projecties, die worden afgewisseld met Waterwezen I en II.

    In Lichaamsdelen bouwt ze uit een bouwpakket met tien kartonnen platen het menselijk geraamte. Ze krijgt er een instructieboek met tekeningen, een plastic zakje met honderden splitpennetjes en een paar haken bij en kan beginnen met de wervelkolom. Al knutselend, wat soms moeizaam gaat, dwaalt ze af naar haar eigen lichaam. ‘Ik houd van botten. In mijn eigen lijf vind ik het fijn om ze te zien en te voelen: wervelkolom, borstbeen, ribben, sleutelbeenderen. In mijn beeldhouwtijd deden mijn meest geslaagde beelden denken aan botten.’ Reumers ontleedt het bot en benoemt de verschillende vormen – zoals hamer, aambeeld, stijgbeugel – en komt verder associërend uit bij muziektheatergroep Bot. Ze eindigt in een abattoir waar ze een paardenkaak haalt, dit ontdoet van vleesresten en schoon schuurt om er een quijada van te maken, een percussie-instrument, wat haar een brug naar een bizar verhaal van de Argentijnse schrijfster Mariana Enriquez geeft.

    Langzaam vordert het kartonnen skelet, dat ze nu Kas (van karkas) noemt, aan zijn haak in haar woonkamer. Ondertussen maakt ze uitstapjes naar gerelateerde onderwerpen. Het anatomisch museum Vrolik in het AMC bijvoorbeeld. Waar de lege oogkassen haar aanstaren en de skeletontwikkeling van foetus tot bejaarde te volgen is. Als Kas voltooid aan zijn haak hangt wordt Reumers geconfronteerd met herinneringen aan haar vader aan het eind van zijn leven, toen hij nog maar dertig kilo woog.

    Oogbollen, huid en haar, tanden

    De film Chien Andalou (1929) van de Spaanse cineast Buñuel, waarin hij samen met Salvador Dali vorm geeft aan hun droombeelden, geeft Reumers aanleiding om de beroemde scène van het scheermes dat in een oog snijdt te beschrijven. Voorts neemt ze de lezer mee op reis naar India, haar eigen nachtmerries en haar fascinatie voor de schilder Odilon Redon. Kijken, gezien worden, luisteren, Reumers trekt haar beelden heel breed. ‘Het oog en identiteit: “eyedentity” geeft maar liefst 518.000 treffers op Google. De conclusie is van een verpletterende eenvoud: mijn oog, dat ben ik!’

    Reumers had als kind een zware haardracht en vaak hoofdpijn. Na een asymmetrisch kapsel in haar tienertijd gaat ze nu met een geschoren schedel door het leven, wat veel stof tot bespiegeling oplevert. Ze schrijft over de confrontatie met vooroordelen, verwijst naar haardracht in andere culturen en slaat historische, mythologische en culturele zijwegen in. ‘Al wordt kaal vaak geassocieerd met kracht, ik zie er ook veel kwetsbaarheid in. De omhulling van een haardos is weg, het gezicht moet het helemaal zelf doen.’
    De auteur gaat ook uitgebreid in op haar gebit, ze heeft een diasteem en oligodontie: een spleet en te weinig tanden. Reden voor haar om er dieper op in te gaan, onder andere met het voorbeeld van de Argentijnse schrijver Eduardo Berti die met het idee speelt dat iemands herinneringen liggen opgeslagen in zijn gebit.
    Het is knap zoals Reumers zichzelf in de wereld om zich heen plaatst aan de hand van haar lichaamsdelen. Samen met herinneringen aan gebeurtenissen uit haar jeugd, haar ouders en haar kennis van de wereldliteratuur (veel Spaanstalig werk), gedichten, muziek en beeldende kunst weeft ze haar essays fraai ineen.

    Waterwezen

    In haar jeugd wilde Reumers het liefst onzichtbaar zijn, zonder lichaam. Wanneer ze lang genoeg haar adem inhield, lukte dat bijna. ‘De drang naar onzichtbaarheid werd een overlevingsmechanisme…’ Ze zag zichzelf meer als een tussenmens. Haar dagelijks zwemmen in natuurwater brengt haar de essentiële vrijheid. ‘Het water is mijn habitat geworden, de plek waar ik me altijd goed voel […] Zwemmen is me overgeven, me durven laten dragen […] Strijden tegen de elementen, maar altijd samen met het water. Alles loslaten.’

    Reumers gaat daarin heel ver. Ze zwemt naakt van eind maart tot begin december, soms in water onder de tien graden. Afgezien van het zwemgenot, loopt ze ook tegen zichzelf aan en wordt teruggefloten door haar lichaam met duizelingen, een TIA, een maandenlang slapende voet. Toch is het moeilijk om maat te houden, de vrijheid van het zwemmen is een verslaving. Ze voelt zich verwant aan een sirene en haalt opnieuw Odilon Redon aan, met zijn schilderij ‘De sirenen boven de zee.’ Ze zwemt zomer en winter, ’s nachts, bij mist of windkracht negen. Het opzoeken van de grens en er meestal net overheen gaan, is haar hoogste doel, genot, obsessie. We zien een vrouw met een sterke persoonlijkheid maar het zijn verontrustende stukken want Reumers schroomt niet om de dood te tarten.

    In Verlengstukken gaat Reumers terug naar haar jeugd, herinneringen aan haar vader, ‘de man met de pijp’, die te jong sterft aan longkanker. Via de dementie van haar moeder die de wijzers van de klok manipuleert, associeert ze naar de Duitse Emma Hauck, die begin vorige eeuw met schizofrenie in een inrichting verbleef en brieven schreef. Ze schreef deze brieven met een potlood. Ze zijn nauwelijks te ontcijferen, maar ze leverden wel een kunstwerk op in de vorm van een animatiefilm van de The Quay Brothers. Reumers schrijft zelf ook graag met potlood, wat mooie mijmeringen oplevert in dit subhoofdstuk met de veelzeggende titel ‘Plooirokjes van cederhout’.

    Hoe echt is onze schaduw

    In het laatste deel Sporen en Projecties belicht Reumers nog twee boeiende aspecten van het lichaam: het litteken en de tatoeage. Ze gaat in op haar eigen pijn na een herniaoperatie. ‘Littekens herinneren ons eraan hoe kwetsbaar we zijn. Maar ook hoe veerkrachtig we zijn.’

    In de literaire observaties van De wereld een lichaam ontbreekt de dood niet, evenmin als – verrassend genoeg – de schaduw. ‘Mijn schaduw en ik zijn tot elkaar veroordeeld. Zonder mij kan zij niet bestaan, zonder haar is het alsof er iets aan mij ontbreekt.’ Ook bewegingen horen tot de beeldtaal van het lichaam en de auteur haalt het project Mortus Mori aan, een voorstelling met dansers die de klein menselijke motoriek ontrafelen in herhalende patronen. Reumers is gefascineerd en doneert haar eigen bewegingen, die door een danser intensief worden bestudeerd en verbeeld.

    Het boek sluit af met een indrukwekkende bibliografie van de aangehaalde literatuur, van Paul Auster tot Stefan Zweig.
    Melani Reumers is afgestudeerd geofysicus. Ze vertaalde literaire teksten uit het Spaans, ze ontdekte het schrijven en volgde de Schrijversvakschool. Enkele van de in dit boek opgenomen essays verschenen eerder in De Gids, Liter, en Dietsche Warande & Belfort. Fragmenten van door haar uit het Spaans vertaalde gedichten verschenen eerder in Terras, Tirade, Tortuca en Pluk. Reumers’ essays zijn persoonlijk en openhartig, in een frisse, heldere stijl geschreven en dankzij haar brede intellectuele bagage, uitermate boeiend om te lezen.

     

  • Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

    Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

    In Meisje ontmoet jongen laat de Schotse auteur Ali Smith urgente zaken aan bod komen. Zoals de macht van multinationals, gender fluïditeit, familiebanden, seksisme en grensoverschrijdend gedrag. Met veel humor verweeft Smith de verschillende onderwerpen door elkaar, met als basis het mythologische verhaal van Iphis en Ianthe.

    Anthea en Imogen zijn twee jongvolwassen zusjes die er samen alleen voor staan. Hun ouders zijn uit elkaar en hun grootouders zijn op een zeilboot de oceaan opgevaren en waarschijnlijk verdronken. De zusjes wonen in het ouderlijk huis en zijn beiden creatief en intelligent. Imogen werkt bij het zeer succesvolle Pure, een bedrijf dat water bottelt, maar daarnaast een dubieuze dubbele agenda heeft. Anthea zoekt nog naar haar eigen identiteit, maar Imogen zorgt ervoor dat ze ook bij Pure kan werken. Niet geheel volgens de wens van Anthea, die kritisch is op een cultuur van prestatiedwang en grensoverschrijdend gedrag. 

    Eerste levensbehoefte in een fles

    De kracht van de verhaallijn van het bedrijf Pure dat Smith erin verweven heeft, is dat we allemaal wel eens water in een fles kopen. Dat vinden we heel normaal. Maar bij de gedachte dat water een eerste levensbehoefte is, zou niemand daar eigenlijk zoveel aan mogen verdienen. Keith, de CEO van Pure, zoekt naar een verkoopslogan en vraagt in een brainstormsessie aan zijn mensen: ‘Hoe bottelen we de verbeelding?’ Met andere woorden, hoe perken we iemands verbeelding in. Het is Anthea die dat doorziet en gefrustreerd naar buiten rent. Op dat moment ziet ze een jongen met krullen en een kilt aan op een ladder met een spuitbus de gevel van het gebouw van Pure bekladden. ‘’t Was de mooiste jongen die ik ooit had gezien. Maar hij zag er uit als een meisje. Zij was de mooiste jongen die ik ooit gezien had.’

    Dat is Robin, ze zat vroeger bij Anthea in de klas en op het moment dat Robin zich soepel langs de ladder naar beneden laat glijden, weet Anthea dat ze voor elkaar bestemd zijn. En ze worden geliefden. Robin vertelt Anthea ‘De mythe van Iphis’ geschreven door Ovidius. Nog voor Iphis geboren is, zegt haar vader tegen haar moeder, dat als het een meisje wordt, ze dat niet zal overleven. Hij wil een zoon. Het wordt een meisje, maar de moeder houdt dat geheim en voedt haar kind op als een jongen. Tot Iphis met Ianthe wil trouwen, dat is een probleem, maar de moeder verzint met behulp van godin Isis een list, zodat Iphis verder als man door het leven kan. Het is de metafoor voor hun eigen leven, al is het in deze tijd wel anders. In deze tijd moet je alert blijven en vechten voor je eigenheid. 

    Statements als kunst

    Robin en Anthea vereenzelvigen zich met Iphis en Ianthe en Robin gebruikt voor haar activistische werk Iphis07 als pseudoniem. Door de hele stad kalken ze tamelijk schokkende feministische statements op de gevels van gebouwen. Zoals: ‘Wereldwijd worden 2 miljoen meisjes bij hun geboorte gedood, omdat ze geen jongen waren. Dat is officieel. Tel daarbij op de officieuze schatting dat nog  eens 58 miljoen meisjes gedood werden omdat ze geen jongen waren, dat maakt 60 miljoen meisjes.’ En leuzen die ingaan op andere ongelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Zoals ongelijk loon en dat slechts 2 procent van de vrouwen wereldwijd topfuncties bekleden. Statements die de gemoederen aanwakkeren en uiteindelijk als kunst gezien worden.

    Het boek, eerder een novelle, is verdeeld in vier hoofdstukken. Het eerste deel, ‘Ik’ wordt vanuit Anthea’s perspectief verteld; in ‘Jij’ volgen we Imogen, haar gedachten staan tussen haakjes, wat bijzonder effectief werkt. Ze heeft er moeite mee dat haar zus lesbisch zou zijn. ‘(O god, mijn zus is EEN POT.)’ Ze geeft alles en iedereen de schuld daarvan: de Spicegirls, het songfestival of haar gescheiden ouders. ‘(Maar als dat zo is, ben ik misschien ook een pot.)’ Imogen is graatmager, laat zich koeioneren door seksistische collega’s en haar baas. Ze wil behagen, cijfert zichzelf weg en heeft er grote moeite mee dat ze misschien haar zus kwijtraakt. Totdat ze, op een zeer onaangename manier, op het hoofdkantoor van Pure een topfunctie aangeboden krijgt. Dan valt ook bij haar het kwartje, (wat een tikkeltje snel gaat). Ineens komt ze voor zichzelf op en durft de man van haar dromen, (die ietwat uit de lucht komt vallen) te confronteren met haar gevoelens.           

    Ali Smith schreef dit boek als onderdeel van de serie ‘Canongate Myth Series’, een serie novellen uitgegeven door de Schotse uitgever Canongate Books, waarin oude mythen uit verschillende culturen opnieuw worden bedacht en herschreven. Een project dat in 1999 ontstond. Smith koos voor Ovidius’ Metamorfosen, en specifiek voor de mythe van Iphis en Ianthe. Meisje ontmoet jongen is een verhaal in een verhaal en een ode aan de jeugd. Aan hun verlangens, hun verbeelding en hang naar vrijheid om zichzelf te mogen zijn.