Het is middernacht, het huis slaapt. Ik luister naar Nooit meer slapen, het prettige stemgeluid van Jan Brokken. Zijn woorden rollen rond en vol de ether in, een stem die lokt. Ik schuif van de keukentafel, waaraan ik de laatste pagina’s van Een vrij leven van Mariët Meester lees, dichter naar het toestel. Brokken zegt dat hij het dorp ontvluchtte waar hij opgroeide. ‘Ik was helemaal niets, en niemand.’ Ik denk aan Meesters voorlaatste boek over opgroeien in gevangenisdorp Veenhuizen dat eindigde met, ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets (..) ik moest eruit!’
Ze gaat naar kunstacademie Minerva in Groningen waar ze J. ontmoet, ze krijgen een relatie, wonen samen in een klein huisje. Tot J. haar verlaat, op reis gaat. Hoe Meester hem uiteindelijk achterna reist, in tweestrijd met zichzelf: de keuze tussen cultuur en natuur, tussen volgen of laten gaan. In een gesprek met een docent van de academie vertelt ze dat haar doel in het leven ‘vrij worden’ is. ‘Dingen laten. Niet willen hebben of toe-eigenen. Niet groter en meer, juist kleiner en minder.’ Een insteek die van een grote eigenheid getuigt.
Als ze weer in Groningen is schrijven J. en zij elkaar brieven. Op de academie krijgt ze de opdracht het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst te verbeelden. Ze levert een bundeling van zijn brieven in met een lint eromheen. In haar vijfde studiejaar trekken ze een jaar met paard en (zelfgebouwde) wagen door Frankrijk om het verschil tussen stad en platteland te onderzoeken. Een jaar waarin ze elkaar liefhebben en haten, hun plek bevechten. Het gaat er soms heftig aan toe. Er is de dagelijks zorg om eten te vinden, een goede slaapplek, gras voor het paard. Daartussendoor ontstaan er prachtige kunstwerken als de ‘Gouden geitenkeutels’. Waarvoor Meester grote hoeveelheden geitenkeutels verzamelde, droogde op de kachel, witkalkte, met goudverf beschilderde. Daar ontstaat de rode draad in hun leven, vanuit basaal leven kunst creëren.
Schrijven en beeldende kunst, stad en platteland strijden bij Meester om voorrang. ‘Mocht het me lukken me te ontplooien en meer boeken te gaan schrijven, betere boeken, dan zou deze tegenstelling, die in feite de tegenstelling tussen cultuur en natuur was, daar waarschijnlijk de rode draad in worden.’, schrijft ze als ze eind twintig is en ze er vele reizen met paard en wagen (snelheid 3 km per uur) hebben opzitten.
In Nederland maken ze van een grote salonwagen hun huis in het vrije veld. Op koude winternachten slapen ze op een matras voor de houtkachel zodat ze om de paar uur hout op het vuur konden gooien tegen bevriezing. En dat het dan ook eens klaar is. ‘Na vier jaar in de salonwagen daagde het besef dat we die dwang niet prettig meer vonden, dat streven naar vrijheid kon omslaan in een vorm van onvrijheid.’
Op de radio hoor ik Brokken een gedicht van António Machado declameren.
‘Reiziger, je sporen
zijn de weg die je aflegt,
en zij alleen.
Reiziger, er is geen weg,
de weg ontstaat in het gaan.
Gaandeweg ontstaat de weg,
en als je omkijkt zie je het spoor dat
je nooit meer betreden zult.’
In de stilte van de nacht gaan deze woorden met me op de loop. Ben onder de indruk, denk opeens het licht te zien. Dat het dat is wat Meester en haar J. hebben gedaan. Een weg gegaan die ‘gaandeweg’ ontstond, organisch. Het spoor dat ze achterlieten, werkelijk achterlieten. Nooit omkijken, enkel maar voortgaan. En dat uiteindelijk de liefde voor elkaar, voor de natuur, is wat overblijft. Dat dat genoeg moet zijn.
Brokken stond vaak op het punt te stoppen met reizen vanwege het klimaat. Wat hem daarvan weerhield, ‘was de mogelijkheid tot onverwachte ontmoetingen. Zo’n treffen dat je een andere wereld binnentrekt en dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.’ Dat daarin een balans moet worden gezocht. Dat ik me wil blijven verbazen, meebewegen op een stroom aan verhalen. Waarin Meester steeds nieuwe mogelijkheden ziet om de aarde zo min mogelijk te belasten, haar weg zoekt, een gedreven verteller is. Dat je in voetsporen wilt treden.
Inge Meijer kan het niet laten te schrijven over wat ze leest.
Koloniekind – Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen is het nieuwste boek van Mariët Meester. In dit non-fictieverhaal vertelt ze over haar jeugd in het dorp Veenhuizen, waar inwoners ‘samenwoonden’ met de gevangenen die in verschillende gebouwen in het dorp hun straf uitzaten. Eerder schreef Meester zowel fictie als non-fictie boeken waarbij haar verleden in Veenhuizen vaak een bron van inspiratie was.
Als inwoner van Veenhuizen in de jaren ’60 en ’70 weet Mariët Meester zich nog veel details over het dorp en de gewoontes in het dorp te herinneren. Zo was het bijvoorbeeld heel normaal dat dorpelingen samen met gevangenen in de kerk zaten of dat gedetineerden in en rondom de gezinshuizen bezig waren met allerlei taken en klusjes als het wassen van de ramen of het bijhouden van de tuin. Op deze manier werkten de gevangenen nauw samen met de inwoners van Veenhuizen. Dit betekende echter ook dat een gezin alleen in het dorp mocht wonen als de man des huizes er een functie had. De meest logische rol was natuurlijk gevangenisbewaarder, maar omdat er hele families in Veenhuizen woonden, moesten er ook basisbehoeftes worden vervuld in de vorm van een supermarkt en educatie. Dit laatste was de reden dat het gezin Meester in Veenhuizen verbleef. De vader van Mariët was schoolhoofd van de basisschool en stond onder de leerlingen en dorpelingen bekend als meester Meester.
Portret van de jaren ’60 en ‘70
Door de ogen van het kind Mariët krijgen we een nauwkeurig beeld van de jaren ’60 en ’70 in Veenhuizen. Ze beschrijft tot in de kleinste details wat de gewoontes destijds waren, welke spelletjes de kinderen speelden, welke normen en waarden er golden en in hoeverre haar ouders daar van afweken. Zo was het gezin Meester een van de weinigen in het dorp die een auto hadden en daar eens per jaar mee op vakantie naar het buitenland gingen. In deze gedetailleerde beschrijvingen zit echter ook meteen de valkuil van Koloniekind. Alle details zouden moeten bijdragen aan het beeld dat de lezer krijgt van Meesters jeugd en van Veenhuizen, maar de auteur herinnert zich zo veel, dat het lijkt alsof ze geen keuze heeft kunnen maken tussen informatie die bijdraagt aan het verhaal en alle feitjes die voor haar zo gewoon zijn maar die voor de lezer zorgen voor een vertroebeling van haar verhaal.
Overwoekerd relaas
Koloniekind vertelt namelijk niet alleen hoe het er in Veenhuizen aan toe ging in de jaren ’60 en ’70, het is een samenvatting van Meesters jeugd waarin ze zelf lijkt te genieten van alle herinneringen die ze aan deze periode en aan het dorp heeft. Daardoor raakt het relaas soms overwoekerd door allerlei onnodige details, zoals een uitgebreide beschrijving van de straatnamen en de plattegrond van Veenhuizen, die zo ver gaat dat zelfs de beschrijving van tuinschuurtjes aan bod komt zonder dat dit iets bijdraagt aan het verhaal. Een lezer die nog nooit een voet in Veenhuizen gezet heeft, zal weinig boodschap hebben aan deze details.
Maar niet alleen de straatnamen krijgen een te grote rol in Koloniekind. Vaak voert Meester details op die van groot belang lijken. Een voorbeeld hiervan is haar gebroken arm in het begin van het boek. Wanneer de jonge Mariët huilend met een gebroken arm thuiskomt, hebben de ouders visite en reageren ze amper op hun dochter. Later in het boek vertelt Meester dat de visite erop aandrong dat Mariët naar het ziekenhuis werd gebracht. De manier waarop deze herinnering wordt gebracht insinueert dat er meer achter zit, dat de auteur er later nog eens op terugkomt of dat er nog een reflectie van de volwassene van nu op volgt. Die blijft echter uit. Zo zijn veel van de scènes die Meester beschrijft niet meer dan een anekdote die iemand je vertelt zonder dat er een meerwaarde uit te halen is. Het was misschien verstandiger geweest om het perspectief van de volwassen Mariët te gebruiken in plaats van het kindperspectief. Dan had ze met de kennis van nu kunnen reflecteren op haar jeugd en de gebeurtenissen in het dorp.
Een ander voorbeeld van een te gedetailleerd beschreven scène is later in het boek, als Mariët naar de radio luistert: ‘Ik legde het briefje op de tafel terug en rekte me uit om de volumeknop van de radio te bereiken. Mijn nachtpon, een korte tot halverwege mijn bovenbenen, schoof omhoog. Nadat ik tevreden was over de geluidssterkte deed ik de grote lamp uit, zodat alleen het schemerlampje nog brandde waarvan de kap een jurk van mijn moeder was geweest, en nestelde me tegen een extra kussen.’ Dit ‘telling’ in plaats van ‘showing’ komt op meerdere plekken in het boek voor zonder dat het iets bijdraagt aan de beschreven scène.
De epiloog
In de epiloog krijgen we te maken met de volwassen Mariët. Hierin werpt ze een blik op wat het wonen in Veenhuizen voor haar betekend heeft. Zo is ze zich ervan bewust wat voor een ander ritme er, ook nu nog, in het dorp heerst. Ze keert regelmatig terug en heeft aangevraagd er begraven te mogen worden. Ondanks dat ze in haar jeugd juist nieuwsgierig was naar de buitenwereld, komt ze als volwassene weer terug. Daarnaast heeft Veenhuizen als grote inspiratiebron gevormd voor meerdere van haar boeken, zoals Bokkezang en De eerste zonde. In de epiloog gaat ze in op wat er met haar dorpsgenoten in het latere leven gebeurd is. Dat is eigenlijk onnodig. De personen die Meester beschrijft vervullen namelijk alleen een functie als onderdeel van haar herinneringen. Het zijn geen mensen waar je als lezer een band mee opbouwt. De mededelingen over hun latere carrières en het aantal kinderen zijn oninteressant.
Door alle overbodige bijzonderheden voelt Koloniekind als een boek met veel informatie zonder inhoud. Een bredere reflectie van een volwassen Meester op het dorp en op haar jeugd had voor meerwaarde kunnen zorgen. Maar de details over het bijzondere leven in Veenhuizen kunnen voor betrokkenen een bron van waardevolle informatie zijn.
Een van Italiës jonge talenten luistert naar de naam Giulia Caminito. De vierendertigjarige Romeinse studeerde politieke filosofie in haar geboorteplaats en schrijft voor het tijdschrift l’Espresso. Bovendien publiceerde ze al drie gelauwerde romans. In 2016 vormde La Grande A haar literaire debuut dat kolonialisme behandelde én haar meteen drie prijzen opleverde: de Premio Bagutta, Premio Berto en de Brancati Giovani. Met Un giorno verrà won Caminito de Premio Fiesole Under 40 in 2019. Vorig jaar verscheen haar nieuwste boek: L’acqua del lago non è mai dolce, in het Nederlands vertaald door Hilda Schraa tot Antonia’s dochter. Hiermee won Caminito in 2021 de Premio Campiello, de meest prestigieuze prijs van Italië.
In Antonia’s dochter volgen we Gaia, een meisje dat aan de arme kant van de Tevere (Tiber) geboren is. Daarom moet zij voor haar familie naar een goede school om een baanzekere studie in Rome af te dwingen. Haar afkomst speelt haar parten. Helaas werkt haar uiterlijk niet mee: ze wordt op school gepest om haar flaporen, rode haar en armetierige kleding. Ondanks haar afkomst is zij geen onmachtig naturalistisch vrouwspersoon. Gaia neemt met haar lef het heft in handen. Pesters én players pakt ze keihard terug. Eigengereid als ze is, kiest Gaia voor de studie Filosofie. En ze helpt een goede vriendin op geheel eigen wijze van een pier af springen.
Auteur: Giulia Caminito
Uitgeverij: Cossee
Koloniekind – Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen
Groot-Brittannië ging vroeger apart om met zijn gevangenen. Het rijk stuurde massa’s gedetineerden naar een immense strafkolonie onder de Evenaar: Australië, tot 1931 een kolonie van The British Empire. Hoe zit dat met Nederland? Het Drentse Veenhuizen fungeerde als gevangenisdorp, waar de lokale bevolking samenleefde met criminelen. Tot 1981 konden onbevoegden er absoluut niet komen. In Koloniekind – Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen beschrijft Mariët Meester haar jeugd in het dorp. Als dochter van ‘meester Meester’ (what’s in a name?) herinnert ze zich allerlei details die haar leven beïnvloeden. In een interview voor het Dagblad van het Noorden zegt ze: ‘Ik zal nooit vallen op een keurig nette man.’
Mariët Meester heeft zowel stapels fictionele als non-fictionele werken geschreven en publiceert essays voor het NRC. Koloniekind vertroebelt de tegenstelling fictie/non-fictie. Geheugen kan immers vers zijn, maar is tegelijk onbetrouwbaar, waardoor het de realiteit niet zozeer exact weergeeft, als wel navertelt. Dat is veelschrijver Meester wel toevertrouwd. Niet ten onrechte noemde Ingrid van der Graaf haar onlangs in een interview ‘Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt’. Het justitiedorp heeft een menselijk karakter, getuige bijvoorbeeld het gegeven dat de inwoners naast de veroordeelden in de kerkbanken zitten. Onbekend maakt onbemind, luidt het gezegde. Gelukkig kent Meester vele soorten mensen.
Auteur: Mariët Meester
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Amstel 278 – Een noodlottige vriendschap in oorlogstijd
Tom Rooduijn is voornamelijk bekend als journalist en programmamaker. Voor VPRO Radio maakte hij de documentaire Het schimmenspel over Géza Weisz (niet de acteur, maar een Berlijnse komiek). In mei 1940 duikt deze joodse man met zijn familie onder bij de Zwitserse arts Fritz Rimathé, die aan de Amstel 278 woont. Hij blijkt nog veel meer egodocumenten te hebben nagelaten. Onder meer van Rimathés memoires, aantekeningen en andere schriftelijke overblijfsels maakt Rooduijn een kroniek van vijf jaar: Amstel 278 – Een noodlottige vriendschap in oorlogstijd. En noodlottig is zij zeker; zoals in zo veel oorlogsverhalen vormt verraad een belangrijk motief.
Hoewel Fritz Rimathé niet alleen zijn huis openstelde voor Weisz’ gezin, maar ook voor anderen, kreeg hij nooit een Yad-Vashemonderscheiding. Zijn familie verklaart namelijk dat hij slechts deed wat hij moest doen. De integriteit van Weisz en Rimathé greep Rooduijn aan. Hierover zegt hij voor Athenaeum Boekhandel: ”Ze zagen hoe een verdraagzame stad voor de Joodse minderheid langzamerhand veranderde in een dodelijke hinderlaag, terwijl een meerderheid onverschillig, angstig of verontwaardigd toekeek.” Volgende week is het 4 mei. Het credo ‘Opdat wij nooit vergeten’ is haalbaar door verrichtingen als deze, van Tom Rooduijn.
Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen, een gevangeniskolonie in Drenthe. Ze heeft samen met haar man, beeldend kunstenaar Jaap de Ruig veel gereisd. De sporen daarvan zijn in haar romans en non-fictie boeken terug te vinden. Sinds haar debuutroman Sevillana (1990) bouwde ze aan een divers oeuvre, schreef columns en reisverslagen voor de Volkskrant en publiceert regelmatig essays en opiniestukken in de NRC. Twee van haar boeken, de roman Bokkezang (1994), en het non-fictieboek Tribune van de armen (2017), werden respectievelijk in het Russisch – en Spaans vertaald. Ze reisde twintig jaar lang jaarlijks naar Roemenië, leefde waar de Roma’s leefden en schreef daar twee reisboeken over, De stilte voor het vuur (1992) en Sla een spijker in mijn hart (2006).
Eerst dit: Midden jaren tachtig ontmoette ik in Deventer een jong stel dat met paard en wagen door Europa reisde. Ze stopten op de kade langs de IJssel op het moment dat ik met mijn kinderen wilde oversteken. De kinderen waren verrukt van de wagen, van het paard. Zij vertelde dat ze onderweg stukjes schreef voor een blad. Zij trokken verder, wij staken de weg over. Later vermoedde ik bij elk boek dat van Mariët Meester verscheen, dat zij het was geweest die we daar ontmoet hadden. In de mailwisseling voor een interviewafspraak werd mijn vermoeden bevestigd.
Voor Literair Nederland spreek ik haar op een middag in december. Ze ontvangt me op hun driehoog gelegen etage in de Rivierenbuurt in Amsterdam. De ruimtes zijn rustig en minimalistisch ingericht. Boven de schouw in de achterkamer herken ik de foto van de schrijfster met een (dode) zwaan die ze met beide handen bij de hals vasthoudt ter hoogte van haar borstbeen. Het zwanelijf sierlijk naar beneden hangend, haar hoofd met opgebonden haren afgewend. Het beeld stond ooit op de cover van haar roman De overstroming uit 2003. We nemen plaats in de woonkamer, er is thee, brokken chocola op een schoteltje.
Waarom reisden jullie toen met paard en wagen, waar kwam het idee vandaan?
‘Ik zat begin jaren tachtig op de Academie voor Beeldende Kunsten Minerva en het vijfde jaar was een stagejaar, dat mocht je naar eigen idee invullen. We bedachten toen om zelf een woonwagen te bouwen en op reis te gaan. Onderweg zou ik dan werk voor de academie maken.’ Ze laat foto’s zien van de wagen waar ze met haar vriend (nu man) op de bok zit. Ik herken het beeld, de wagen. Ik laat weten dat ik het toen een idyllisch geheel vond. ‘Maar het was ook afzien’, zegt ze. ‘Er was geen verwarming en ruzies waren onvermijdelijk. We leefden heel dicht op elkaar, dat was best heftig. Op een binnenwand van de wagen hebben we op een gegeven moment onze relatie geschilderd, veel boze, woeste koppen.’
Schreef je toen ook al?
‘Tijdens die reis waren op een gegeven moment mijn boeken op en ben ik zelf gaan schrijven. Een van die verhalen stuurde ik naar een tijdschrift en dat werd meteen geplaatst. Ik kreeg er honderd gulden voor, dat stimuleerde me wel om door te schrijven.’
Schrijven is dus uit nood ontstaan?
‘Oh nee, vanaf het moment dat ik op de lagere school leerde schrijven, wilde ik dat al. Maar als kind was ik verlegen, durfde niet te zeggen dat ik schrijver wilde worden. Wist ook niet wat je daarvoor zou moeten studeren. Toen ben ben naar de kunstacademie gegaan, dat heeft me wel geholpen. Daar leerde ik een bepaalde manier van kijken.’
Uit de aantekeningen die ze tijdens haar reis halverwege de jaren tachtig maakte, ontstond een boek, Een spoor van paardenmest. De onlangs overleden Maarten van Dullemen wilde het publiceren. ‘Hij was de broer van Inez van Dullemen dus ik dacht, dat zit wel goed. Het waren dagboeknotities, maar hij deed geen redactie, publiceerde het zoals ik het had ingeleverd. Daardoor is het wel heel authentiek, maar ik vind het niet goed genoeg.’
Je derde boek was de androgyne roman Bokkezang.
‘Het was heel intens dit boek te schrijven, het kwam uit het diepst van mijn ziel. Het gaat over het non-binaire, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, en de manier van samenleven met dieren. Een roman waarin vrijheid, behoud van waardigheid, wellust en androgynie een rol speelden. Ik heb het ingeleverd bij Tilly Hermans die toen bij Meulenhoff redacteur was. Nadat ze het gelezen had zei ze, “Dit is beter dan het meeste dat ik binnen krijg.” Later hoorde ik dat ze met het manuscript juichend door de uitgeverij had gelopen, “Dit gaan we groot maken.” Maar de pers begreep er niets van, ze vonden het een raar boek. Het was er de tijd niet voor, terwijl ik toen dacht, “Dit is het beste dat ik in me heb.” De recensies die er kwamen, waren wel positief. Later is het bij De Slegte beland en zelfs daar (lachend) liep het niet.’
‘Maar’ zegt ze, ‘het is goed gekomen. Tien jaar later werd het ontdekt door een Russische hoogleraar die het vertaalde en werd het in Rusland uitgegeven. Er kwam een presentatie in St. Petersburg en het boek liep daar heel goed.’
Daarna verscheen De eerste zonde, een ‘coming of age’ roman over een pubermeisje dat opgroeit in de gevangeniskolonie Veenhuizen. Ze helpt een gevangene die ontsnapt is zich te verbergen, brengt hem eten en kleren, wordt verliefd op hem.
‘Dat was toch wel een reactie op hoe Bokkezang ontvangen werd. Dat het niet begrepen werd, daar was ik wel van geschrokken. Daardoor ging ik een lichter boek schrijven. Maar het past ook wel bij me, dat ik steeds iets anders schrijf. Mijn toenmalige uitgever Maarten Asscher zei eens tegen me, “Jij doet bij elk boek iets anders, je zoekt steeds weer nieuwe dingen uit. Dat kan voor de lezer wel eens lastig zijn.” Maar dit is mijn manier van schrijven, ik kan niet anders. Ik ben een kunstenaar, het interesseert me niet om steeds hetzelfde de toen.’
Wat schrijf je het liefst, fictie of non-fictie?
‘Fictie schrijven is wel moeilijker, maar ik doe het liever. Het is voor mij echt kunst. Maar als ik alleen fictie zou schrijven, dan zou ik teveel opgesloten zitten. Voor non-fictie ga ik op onderzoek uit, naar Amerika bijvoorbeeld, zoals ik voor het boek De Mythische oom heb gedaan, of naar Spanje, voor De tribune van de armen.’
In een documentaire over de gevangeniskolonie zei je dat je daar heel gelukkig was. Dat had te maken met de ‘lammeren en de leeuwen’ die daar bij elkaar woonden. Wat bedoelde je daarmee?
‘Er waren daar geen contrasten, je zag die gevangenen elke dag, het hoorde erbij. Je zag dat het gewone mensen waren, je leefde in een soort symbiose met elkaar. Die eenheid vind ik heel bijzonder. In het echte leven heb ik daar wel moeite mee, dat er geen eenheid is. Daar vormde je met elkaar een gemeenschap. Ik ben altijd nog teleurgesteld hoe mensen polariseren, ook nu in deze corona tijd. Dat vind ik verschrikkelijk, dan denk ik, “leef je eens een beetje in de ander in.”’
Begin 2020 verscheen haar achtste roman,Pingping, waarin de protagonist van de een op de andere dag breekt met haar oude leven en op zoek gaat naar een eenvoudiger leven. Een mooie gebonden uitgave met leeslint, op de titelpagina een met de hand ingekleurd vogeltje, gedrukt in een eenmalige oplage van duizend stuks. Samen met haar man, richtte ze voor deze uitgave uitgeverij Caprae op. Voor een schrijver die doorgaans haar boeken publiceert bij bekende uitgevershuizen als Meulenhoff, Balans en De Arbeiderspers, een opmerkelijke zet.
Waarom wilde je dit boek zelf uitgeven?
‘Dat was puur vanwege het onderwerp. Het boek gaat over iemand die wil uitzoeken of je minder geld kunt uitgeven en toch ‘rijker’ kunt leven. Zij maakt zich zorgen over ons leefklimaat en wil echt stappen nemen om het klimaat zo min mogelijk te belasten. Ik wilde kijken of ik dat ook in de manier van publiceren kon doorvoeren door de oplage beperkt te houden. Zoiets kon alleen rendabel zijn met een eigen uitgeverij. Het was misschien wel wat naïef, want iemand van Boekblad riep, “Hoe kun je dat nou doen, je zit bij De Arbeiderspers?!” Daar had ik niet aan gedacht, dat mensen zouden denken dat De Arbeiderspers me niet meer wilde. Maar het was een bewuste keuze. Gelukkig werd het een succes. En het was heerlijk alles eens zelf te kunnen bepalen, het omslag, lettertype. Jaap en ik hebben die kennis in huis, voor ons was het een kunstproject.’
Wat is een van de belangrijkste dingen geweest in je schrijversleven?
‘Ah, dat was toch wel mijn deelname aan een zesweekse reis door Europa, de Literatuurexpres. Dat was in 2000, een literaire reis van Lissabon, via Scandinavië naar Rusland en terug via Berlijn.Dichter Serge van Duinhoven en ik waren uitgenodigd namens Nederland. Het was een project van voormalige Oost-Duitsers, Literatur Werkstatt. Ze hadden meer dan honderd schrijvers uit heel Europa bij elkaar gebracht en een speciale trein gereserveerd.
Per land werd er een fragment uit de roman die je vooraf had ingestuurd, voor je vertaald. Ik had Bokkezang gekozen. We traden eerst op in Lissabon. Arie Pos, Portugees vertaler, had vooraf een fragment daaruit vertaald. We gingen onder andere naar Madrid, de Baltische staten en St. Petersburg. Het was razend interessant maar zes weken was ook wel lang. Voor het cultuurkatern van de Volkskrant heb ik tijdens die reis een zestal columns geschreven. Ik kreeg een mobieltje van de krant, een van de eerste mobieltjes. Dan stuurde ik via mijn laptop en die mobiel, mijn stukjes door. Ik heb aan die reis goede herinneringen en vele schrijversvrienden uit allerlei landen overgehouden.’
Binnenkort verschijnt er een autobiografisch boek van je. Wat was de aanleiding om die te schrijven?
‘Het was in 1994 dat ik al besefte dat ik wel wat bijzonders heb beleefd tijdens mijn jeugd in die gevangeniskolonie, en dat ik dat maar eens moest opschrijven. Ik ben toen gaan zitten en heb alles genoteerd wat in me opkwam uit die tijd. Veel later sprak ik er met Marcel Möring over, hij zei, “Je niet kunt doodgaan zonder het verhaal, zoals het was, een keer verteld te hebben.” Alles wat ik in 1994 heb genoteerd, heb ik nu als basis voor dit boek, Koloniekind kunnen gebruiken. Herinneringen vervormen door de jaren heen, en ik was blij dat ik dit materiaal van zesentwintig jaar geleden had.’
Hoe was het om daarover te schrijven?
‘Het mooie is dat door dit boek alles bij elkaar komt. Je oeuvre wordt als het ware helemaal rond. Elk boek van mij is anders, al zit er wel een bepaalde lijn in. Met dit boek ga ik terug naar de basis. In het eerste hoofdstuk beschrijf ik bijvoorbeeld hoe ik als vijfjarige over een lange rechte laan fiets. In de epiloog merk ik op dat er in al mijn boeken wordt gefietst, dat ook dit boek begint en eindigt met fietsen.’
‘Het was een besloten gemeenschap, het hele dorp was afgesloten met driehonderdvijftig bordjes ‘Verboden toegang’. De meeste mannen daar liepen in een zwart uniform. Er waren bewakers met een karabijn schuin op de rug. Als wij visite kregen werd dat van tevoren aangevraagd. Je kon niet zomaar bezoek ontvangen.
Het waren allemaal brave ambtenaren die daar werkten. Voor mij waren die gevangenen razend interessant. Al schrijvend aan Koloniekind, heb ik ontdekt dat zij mijn rolmodellen waren. Ik begin nu te zien, door dit laatste boek, waar mijn thematiek vandaan komt.’
Je vader woont nog in Veenhuizen, hij is drieënnegentig. Heb je met hem over dit boek gesproken?
‘Nou, (lachend) hij wil hier niet zoveel over weten. Ik heb hem wel veel gevraagd over hoe het vroeger was, zonder te vertellen dat het voor een boek was. Later heb ik hem verteld dat er een boek komt over die tijd. Dat hij er ook in voorkomt en op het omslag staat. Hij vond het goed. “Ik zie het wel,” was zijn reactie. Hij weet dat ik respectvol te werk ga. Mijn redacteur noemde het een liefdevol boek, dat was wel een opluchting.’
Koloniekind, Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen vanMariët Meester verschijnt in april bij uitgeverij De Arbeiderspers.
Ik droomde dat er negen broden in de oven stonden. Door een tekort aan fabrieksbroodbakkers was ik tot buurtbakker uitgeroepen. Ik had nog nooit zoveel broden tegelijk gebakken. Het benauwde me, die broden moesten er nu wel een keer uit, maar ik was de oven kwijt. Ik dacht aan de geur van brood, hoe versgebakken brood ruikt. Ik dacht, dan weet ik waar de oven staat. Toen werd ik wakker, rook de geur van mest vanaf het land, ik moest eruit. Ik leef al dagen tussen koeienstal en woonwagen. Dat komt door het boek Pingping, van Mariët Meester. Over een jonge vrouw, Lily, die uit Amsterdam vertrekt en in een woonwagen bij een boerderij gaat wonen. Ze wil leven met minimale middelen. Ik fiets met haar mee over landweggetjes, gluur met haar door het raampje van de woonwagen naar buiten, sluit deuren tegen de kou, hoor de koeien in het weiland achter de woonwagen, steek de kachel aan. Leven zonder het snelle gemak van internet, zonder eigen toilet.
Er ontwikkelt zich een bizar leven. De alleenstaande boerin, waarvan Lily het stukje grond voor haar woonwagen huurt, krijgt een relatie met een man die zomaar komt aanrijden. Hij heet Cor, Corrie voor vrienden, nou dan weet je het wel. Het loopt dan ook niet helemaal goed af, hoewel. Meester schrijft met oog voor het naïeve, het onbenullige in de mens, dat ergernis kan opwekken, tot het vertedert, komisch wordt. Het is een verhaal als een film, een slapstick. Zoals ze met een atletische jongeman in een rolstoel, op pad gaat. Hij had concertpianist kunnen worden vindt Lily (die zelf in Amsterdam telefoonhoesjes verkocht via internet), zo mooi bespeelt hij de vleugel. Deze invalide jongeman is zijn eigen hulpverlener, die moet je niet vragen of je hem even de stoep af zal helpen. Hij doet alles zelf, wat niet meevalt met een verlamd onderlijf. Zoals de mens zijn leven leeft, zo beschrijf Mariët Meester het in haar boek. De realiteitszin is sterk. Ik begon de geuren te ruiken die ze beschreef, koeiendrek, rook van houtvuur in je kleren.
Lily zit graag met een boek, buiten of in bed. ‘Na middernacht was ze nog steeds bezig in De wand van Marlen Haushoffer, de laatste tijd las en herlas ze het liefst boeken waarin mensen in moeilijke omstandigheden hun waardigheid behielden en die omstandigheden zelfs in hun voordeel ombogen.’ Daar is over na te denken in deze tijd van stilstaande levens.
Er zijn maar duizend exemplaren van deze roman gedrukt, een gebonden editie met leeslint, oranje kapitaalbandje. Een boek om je vingers bij af te likken. Binnenin, op het derde schutblad staat een vogel, een vinkje afgedrukt, met de hand ingekleurd. In een interview met het NRC zei de schrijver dat ze voor dit boek geïnspireerd was door Material Matters vanThomas Rau en Sabine Oberhuber. Over een wereld waarin niemand ergens eigenaar van is, enkel gebruiker, en doorgeeft wat je niet nodig hebt. Een boek niet als bezit, maar doorgeven aan een ander. Gemeenschapszin bevorderend, duurzame samenleving. Ik ben egoïstisch, want ik zal dit boek niet doorgeven. Het is een klein, mooi kunstobject.
Pingping is de achtste roman van Mariët Meester – schrijver van fictie en non-fictie. Het is een bijzondere uitgave omdat het een eenmalige druk betreft van duizend genummerde en gesigneerde exemplaren. Een experiment van de schrijver, die de oplage laag wil houden om zo een bijdrage te leveren aan een andere manier van omgaan met spullen. Er zal dan ook geen herdruk verschijnen. Meester heeft veel gereisd, en daarover veel geschreven. Haar eerste roman, Sevillanaverscheen in 1990.Twee van haar non-fictieboeken gaan over haar ervaringen met de Roemeense Roma, waar ze een periode mee samenleefde. Haar boeken kunnen gerust onderzoeksliteratuur genoemd worden, ook in haar romans speelt het onderzoekende een rol. Niet zelden is de hoofdpersoon iemand die terugstapt uit het normale leven en op onderzoek gaat naar nieuwe manieren van leven. Zo ook in Pingping, waarin de jonge vrouw Lily nogal abrupt van de stad naar de polder verhuist. Ze wil niets meer met geld verdienen te maken hebben, Dat valt nog niet mee in een wereld waarin iedereen juist het tegenovergestelde wil. Meesters zet fijne personages neer en beschrijft hen met enige introspectie en een gezonde dosis zelfspot. ‘”Ach aansteller,” zei ze hardop tegen zichzelf, haar stem klonk dun. “Wijvengezeik.” Ze overdreef , dat deed ze ’s nachts altijd.’
Auteur: Mariët Meester
Uitgeverij: Uitgeverij Caprae (2020)
De breedsprakige dame
Maeve Brennan (1917-1993) was journalist en schrijver van korte verhalen en behoorde vanaf 1949 tot de staf van The New Yorker. Tussen 1953 en 1968 schreef ze columns die ze baseerde op haar wandelingen door New York voor diezelfde krant. Restaurant bezoek, mensen die haar opvielen, haar eigen handelen en gedachten daarover zijn het onderwerp van haar columns. Ze schreef ze onder het pseudoniem ‘The Long-Winded Lady’. Ze beschrijft haar belevenissen en observaties in het New York van de jaren zestig en zeventig op ongekende wijze. Brennan geeft elke ontmoeting, observatie van mens, dier of gebouw tot in detail weer. Zo schrijft ze in een van haar columns uitvoerig over hoe een jongen naar zijn vader rent, een puber die haar als reusachtig overkomt, ‘hij rende heel onhandig, alsof hij zeven armen en zeven benen had die hij allemaal onder controle moest houden’. Ook lezen we over de afbraak van de laagbouw in New York, iets wat ze zeer betreurde. Achterin het boek is een brief uit 1969 opgenomen die ze aan haar collega, schrijver en redacteur William Maxwell schreef. En begint met, ‘Ik dacht dat ik je een brief zou schrijven als ik de drie woorden ‘koud en zonnig’ in een eerste zin zou krijgen. En zoals je ziet: het is me gelukt.’
Haar hele leven is ze op een paar korte relaties na, altijd alleen geweest. In 1993 stierf ze vrij ongelukkig in een verzorgingstehuis.
Auteur: Maeve Brennan
Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep (2020)
De reizigers
Toneelschrijver Regina Porter debuteerde in 2019 met De reizigers, een portret van twee families en een confronterende analyse van het moderne Amerikaanse leven. De roman wordt geïntroduceerd als een toneelstuk, eerst worden de personages voorgesteld onder ‘Dramatis persona’. Er wordt een ‘Tijd van handeling’, vanaf de burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig tot het eerste jaar van het presidentschap van Obama, gegeven, de belangrijkste plaatsen van handeling en enige achtergrond informatie. Het voelt als goed voorbereid een verhaal in gaan. Het gaat over de zwarte Agnes Miller die zich in 1966 met haar vriendje op een verlaten weg in Georgia bevindt en door de politie wordt aangehouden. En James Vincent, geboren in een wit arbeidersmilieu, ontsnapt aan zijn milieu door advocaat te worden. Beide levens kruisen elkaar, de keuzes die ze maken worden van generatie op generatie overgedragen. Een geschiedenis van het moderne Amerika. Hier in daar zijn er in de roman klein formaat afbeeldingen opgenomen die het verhaal goed begeleiden.
De mythische oom is alweer het veertiende werk van Mariët Meester (1958). In haar werk maakt ze vaak gebruik van haar eigen ervaringen, maar dit werk is volledig autobiografisch. Zo draagt ze het boek op aan ‘opa Daniël Meester’ en vinden we op pagina 11 een stamboom van de familie Meester. De mythische oom vertelt het verhaal van de reis van Mariët naar haar oom Peter. Op jonge leeftijd is hij naar Amerika geëmigreerd en heeft daar zijn leven opgebouwd. Peter krijgt te kampen met leukemie, maar geneest uiteindelijk door middel van een stamceltransplantatie. Zijn broer Jan, de vader van Mariët, is donor. Mariët gaat naar hem op zoek, om hem en haar Amerikaanse tak van de familie, en hun manier van leven (dat gedomineerd wordt door hun orthodoxe) geloof te leren kennen, en om met hem te spreken over zijn bijzondere genezing.
Het boek, verhalend non-fictie, bevat 284 pagina’s en is verdeeld in een proloog, negentien hoofdstukken en een epiloog. De oneven hoofdstukken vertellen het verhaal van de ontwikkeling van Peter, van jonge Groningse jongen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog tot arts in de Verenigde Staten; de even hoofdstukken gaan over de reis van Mariët in de Verenigde Staten. De hoofdstukken over Peter zijn vooral verhalend, de andere hoofdstukken zijn vooral beschrijvend van aard, waarbij Meester het informeren van de lezer verkiest boven het hem vermaken. Enerzijds zorgt deze opbouw voor veel afwisseling, anderzijds is het ook verwarrend om steeds te moeten schakelen. De hoofdstukken over Peter zijn prettig geschreven, en zijn ontwikkeling is boeiend. Als kwajongen wordt hij van school verwijderd en zijn ouders hebben hun handen vol aan hem. Maar als hij verliefd wordt op Marie, moet hij zijn leven beteren om de goedkeuring van haar zeer christelijke ouders te krijgen om met haar te trouwen. Hij gaat vervroegd in dienst, hij weet zich daar op te werken, maar door een ernstig ongeluk kan hij niet blijven. Hij besluit dan achter Marie en haar ouders aan te gaan om zijn leven in Amerika op te bouwen. Hij is vastberaden om zich te laten leiden door de christelijke leer: ‘Hier in Amerika, waar veel gezondigd werd, was het nog belangrijker dan in Nederland om de Here te dienen en Zijn naam groot te maken’. De familie wil zich aansluiten bij de Christian Reformed Church, maar door een verschil van mening over de vraag of de bevrijding wel of niet door God geleid is, zijn ze niet welkom. De dominee die Peter en Marie trouwt, moet daarom helemaal uit Canada overkomen.
In Amerika vindt Peter, net als Marie, Mary vanaf dan, een baantje in een fabriek en later als benzinepompbeheerder, maar door het magere salaris besluit hij om medicijnen te gaan studeren. Hij krijgt de kans zich te bewijzen en slaagt er uiteindelijk in om een mooie carrière op te bouwen. Meester beschrijft deze gebeurtenissen op een hele vlotte manier, die prettig leest, maar een minpunt is dat ze wel erg veel kiest voor (te) grote woorden. Zo kijkt Peter als jongen naar ‘plassen opgedroogd bloed’, omzeilen ze een ‘berg puin’ met een ‘wolk stof’ erboven. Ook zoekt Meester graag naar meer literaire alternatieven voor alledaagse gebeurtenissen, waardoor de jongens bijvoorbeeld niet lopen maar ‘verder stuiven’ en Mariët en haar man van de oprit ‘zoeven’.
Voor het hele boek geldt dat Meester veel oog voor detail heeft, waardoor ze de lezer een realistisch beeld presenteert: ‘Nog iets verder in de straat […] is op een blinde muur langs een parkeerplaats een compleet oud-Hollands straatje nageschilderd; […] er lopen tweedimensionale kaasdragers voor, een oud vrouwtje met kniekousen en een stok, andere vrouwtjes met kanten puntmutsen.’ Het sterkst zijn haar beschrijvingen van personages, waarbij ze met treffende woorden zowel het innerlijk als het uiterlijk beschrijft: ‘Immanuel lacht veel, met een kenmerkend geluid dat je hinniken zou kunnen noemen als hij niet zo sympathiek was. Hij heeft een apart, rond gezicht met bruin haar. Doordat de haargrens over de hele breedte terugwijkt, wordt zijn hoge voorhoofd benadrukt.’
Af en toe slaat ze een beetje door in haar beschrijvingen, waardoor ze wel erg weinig aan de lezer overlaat, zoals bijvoorbeeld het geval is bij ‘We rijden Lynden binnen. Je spreekt het uit als “Linden”.’
Voor dit werk heeft Meester veel voorstudie gedaan en is ze drie maanden in de Verenigde Staten geweest. Dat is te merken: Meester weet waar ze over spreekt en ze heeft achterin het boek een literatuurlijst opgenomen van de door haar geraadpleegde werken. Zo legt ze bijvoorbeeld de geschiedenis en de opkomst van diverse kerken zeer gedetailleerd en duidelijk uit, en weet ze de verschillen goed te beschrijven. Daardoor is dit boek niet alleen een verslag van haar ervaringen, maar ook een informatief boek over een klein deel van Amerika wat voor veel Nederlanders van bijzondere waarde zal zijn, aangezien de bevolking van Lynden voor vijftig procent uit mensen met een Nederlandse achtergrond bestaat. En hoewel de kerkgeschiedenis voor deze regio heel belangrijk is, beschrijft Meester ook de immigratie van Nederlanders naar Amerika en de ontwikkelingen van jonge Nederlanders in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw.
In De mythische oom uit Meesters kennis zich onder andere in lange beschrijvingen van de totstandkoming van verschillende christelijke kerken, waardoor dit boek niet voor iedereen even toegankelijk is. Voor een lezer die geïnteresseerd is in deze ontwikkelingen en het leven dààr is dit boek uitermate geschikt, voor anderen is het door de lange, gedetailleerde beschrijvingen en het uitblijven van spanning, een taaie kluif.