• Momenten van inzicht

    Momenten van inzicht

    De vijfentwintigjarige Lisette kruipt door het oog van een naald, wanneer ze in haar auto op de snelweg tussen Brussel en Breda in een slip raakt, op de vluchtstrook belandt maar niet wordt aangereden. De gebeurtenis in Muilperen van Maria Stahlie maakt ‘een coherent plan’ in haar wakker, dat achteraf helemaal niet zo coherent blijkt te zijn. Ze wil weer gaan studeren en samen met haar bijna tweejarige zoontje Wout verhuizen. ‘Het was tijd om volwassen te worden.’

    In het eerste deel van deze roman verhuist ze naar Amsterdam, naar een straat met een flauwe bocht, zoals haar leven tot nu toe bochtig was verlopen. Het is haar geboortehuis en nog steeds het werkhuis van haar vader Alex. Maar nu was hij voor twee jaar writer in residence in Rome en mochten zij en Wout er hun intrek in nemen.
    Het is de omgekeerde gang die Lisette gaat. In veel recente literatuur, zoals in Juli Zehs Ons soort mensen, zwenkt de aandacht weg van de grote stad naar het platteland. Stahlie richt haar aandacht echter op Amsterdam Nieuw Zuid, een samenvoeging van Oud-Zuid en Zuideramstel. Een buurt van yuppen en penoze zoals buurman Rinus de Ruijter, ‘maar we hebben niets van hem te vrezen […] als we hem met rust laten’, had Alex haar verzekerd.

    Een leeg en tegelijk vol hoofd

    In het tweede deel van het boek wordt ingezoomd op Lisettes tijd als vrijwilliger bij The St. Thomas Free Medical Clinic in Miami, waar ze niets wisten van haar allergie voor de geur van zieke mensen, over haar twijfel of ze haar studie geneeskunde wel zou voortzetten. Ze logeert bij gynaecologe Sarah Mae en haar man Adam Parker. In flashbacks denkt Lisette terug aan haar leven, dat ze vertelt aan hond Morris van haar gastheer en -vrouw, waarmee ze gaat joggen.
    Op een dag raakt de hond los en rent de tuin in van Leonard Karakantas (Lenny), met wie ze ‘ervaringen uitwisselde over hun uit het lood geslagen gemoedsbewegingen’ – een rake omschrijving die kenmerkend is voor de weg die Lisette gaat. Lenny en Lisette, Brussel en Breda; alliteraties die je vaker in de boeken van Maria Stahlie tegenkomt.

    Een andere vriend van Lisette, die ze al langer kent, is Bram – net als zij wat angstig uitgevallen. Hij gaat naar Brazilië (Bram – Brazilië) om baby’s die lijden aan microcefalie (een te kleine schedel) ten gevolge van het zika-virus te helpen. Lisette denkt aan hem op het moment dat ze Sarah Mae helpt bij het uitvoeren van een zuigcurettage die zo plastisch wordt beschreven dat je bijna tegen abortus zou worden. Lisette realiseert zich opeens dat haar geurallergie van binnenuit komt. ‘Het was haar eigen lafheid die ze rook.’ Weer een moment van inzicht. Van binnenuit kwam ook een ervaring tijdens de priesterwijding van Bram: ‘Haar hoofd werd leeg en tegelijkertijd heel erg vol. […] En voor het eerst in tien jaar snapte ze weer, […] dat er niets was wat mooier was dan dat alles en iedereen was. En samen was.’ Een typische Stahlie-conclusie. Even later heeft ze gemeenschap met Lenny, wat ‘een kras op de zorgeloosheid van hun vriendschap’ aanbracht. Ze wist zeker dat het eenmalig was, maar niet dat hij kort daarna met zijn auto zou verongelukken. Hij kruipt niet door het oog van een naald, maar overlijdt. Nog voor hij de kans kreeg om naar zijn broer Zach in Griekenland te gaan om samen met hem een reis te maken.

    Elementair inzicht

    In het derde en laatste deel van het boek keren we weer terug naar het werkhuis van Alex (Amsterdam – Alex), nu de nieuwe woning van Lisette en Wout. We komen wederom Rinus de Ruijter tegen, door wie Lisette zich tegen alle adviezen in laat benaderen. Wat volgt zijn bedreigingen en ongewenste toenaderingen. Of is hij toch niet zoals Lisette denkt dat hij is?

    Lisette denkt terug aan de tijd dat ze zelf in het ziekenhuis lag en een vlieg zag zitten; de vlieg die we, net als Lisette en Alex, al eerder tegenkwamen in de roman Boogschutters. En voornoemde conclusie, die in Boogschutters als volgt wordt omschreven: ‘Dat ze samen met alle mensen en met alle dieren en zelfs met alle dingen WAS’. De vlieg brengt haar tot zelfbesef, een volgend moment van inzicht. Zo’n moment noemt ze ‘een luwte, een moment waarop ze niet aan iets anders kan denken’. Momenten die werden ‘doorkliefd door bliksemschichten van onrust’. Of zoals haar vriend Bram even verderop over een vergelijkbare ervaring spreekt als was hij ‘zwanger van een rudimentaire bewustwording, van een elementair inzicht’.

    Eigen genadeloosheid

    Op een dag krijgt Rinus op de stoep voor zijn huis een hartstilstand. Lisette reanimeert hem, ondanks zijn reanimeerpenning. Haar reukallergie speelt al doende weer op. ‘De stank […] was niet afkomstig van Rinus de Ruijter, maar kwam van binnenuit. Het was een zinsbegoocheling. Het was haar eigen genadeloosheid die ze rook en haar onvermogen om zich tegen haar vergeldingsdrang te verzetten.’ Om muilperen uit te delen, en te incasseren tijdens het volwassen worden.

    Zo komen telkens elementen in dit boek terug, als motiefherhalingen. En niet alleen in dit boek, maar door alle boeken van Maria Stahlie heen. Ze geven een eenheid aan haar boek én aan het inmiddels omvangrijke oeuvre van de gelauwerde schrijfster. Ergens tegen het eind zakt de spanningsboog van het verhaal een beetje in – of liever, van de vele verhalen die Stahlie vertelt en door middel van die motieven samenbindt – om deze tegen het eind weer op een verrassende manier te hernemen. Muilperen is een boek om de aandacht bij te houden en niet in de bochten die de auteur neemt af te zwenken.

     

  • Zomerlezen – Beste dikke boekenlijstje

    Geheime kamers

    Jeroen Brouwers’ Geheime kamers verscheen in 2000 en is in mijn ogen een meesterwerk, een van zijn beste boeken. De compositie van het verhaal, de taal waarin Brouwers het verhaal vertelt, zijn imponerende stijl, de metaforen en verwijzingen die hij gebruikt, de spanning die hij weet op te roepen, maken het lezen van dit boek tot een genotvolle tijdpassering. Het mooie is dat hij van een tamelijk simpel en een in de literatuur veel behandeld thema – de relatie tussen een man en een vrouw, in dit geval twee echtparen – een rijk boek weet te maken.

    In veel boeken van Brouwers komen zijn hoofdpersonen in situaties terecht waarin ze eigenlijk niet willen zijn: een lift die vastzit, een huwelijk dat eigenlijk voorbij is, een vader wiens kind eerder doodgaat dan hijzelf, een grijsaard die tegen zijn zin een cruise maakt over de Middellandse Zee. Ook in dit boek is de hoofdpersoon een deerniswekkend figuur die niets dan ellende ontmoet in zijn leven. Hij vindt zichzelf een non-valeur maar van alle figuren in het boek is hij eigenlijk de enige die deugt. Al doet hij steeds de verkeerde dingen op de verkeerde momenten maar weet toch te overleven.

    Brouwers weet dit verhaal zoveel breedte en diepte te geven, dat het uiteindelijk gaat om de fundamentele existentie van de mens, zijn moraliteit en zijn lust tot al dan niet te willen leven.

     

     

    Geheime kamers
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Olympus

    De lijfarts

    Maria Stahlies De lijfarts verscheen in 2002; het is nog steeds een boek dat het lezen meer dan waard is.

    Het knappe van Maria Stahlie vind ik haar veelzijdigheid als romancier. Ze schrijft prachtig, componeert consciëntieus, met veel oog voor detail (schept er een genoegen in om met getallen te spelen en er een symbolische betekenis aan te geven) en tekent in heldere stijl scherpe psychologische portretten van haar personages, die tot op zekere hoogte worstelen met het leven.

    De lijfarts is een van haar mooiere boeken, vooral omdat het verhaal je in alle opzichten zo weet te boeien dat het je niet meer loslaat. Wanneer je De lijfarts hebt uitgelezen, vind je Egidius vast ook heel mooi.

     

     

    De lijfarts
    Auteur: Maria Stahlie
    Uitgeverij: Prometheus

    Het achtste leven (voor Brilka)

    Nino Haratischwili’s, Het achtste leven (voor Brilka), verscheen in 2014; een familie epos over acht levens uit zes generaties van de familie Jasji, in één ruk uit te lezen, althans als je even de tijd hebt. Het verhaal over deze familie uit Georgië speelt zich af in Rusland en beslaat de hele twintigste eeuw. Het knappe is dat de persoonlijke lotgevallen van deze familie ingebed worden in de politieke en sociale ontwikkelingen in Rusland, met name de jaren waarin Stalin aan het bewind was. Daarmee stijgt het ver uit boven het afzonderlijke leven van de diverse familieleden maar laat het ook zien welke invloeden die ontwikkelingen hebben op hun levens. Mooi geconstrueerd en prachtig beschreven door Brilka, de jongste telg uit het geslacht Jasji. Van haar wordt verwacht dat zij haar leven pas inricht nadat zij kennis heeft genomen van de levens van de voorgaande generaties. Haar tante Nitsa vertelt haar daarover en wij mogen meelezen.

    Een heerlijk boek om je in te verliezen.

     

     

    Het achtste leven (voor Brilka)
    Auteur: Nino Haratischwili
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Goudzand

    Wanneer je deze drie boeken uit hebt, wacht nog een mooi boek: Konstantin Paustovski, Goudzand bevat korte verhalen, dagboeken en brieven van de schrijver die nog niet eerder zijn gepubliceerd. Zijn zesdelige autobiografie De geschiedenis van een leven is één van de mooiste boeken uit de twintigste eeuw. Dan vraag je je af of daaraan nog iets kan worden toegevoegd: ja, dat kan dus! In Goudzand vertelt Paustovski de geschiedenis van Rusland vanaf de Eerste Wereldoorlog tot in de jaren 60. Deze geschiedschrijving lardeert hij met ontroerende brieven aan zijn vrouw, vrienden en collega-schrijvers. Hij moet ook oppassen met zijn publicaties omdat het Russische regime na de Tweede Wereldoorlog de kritiek van schrijvers op de Russische politiek en maatschappij niet duldde. Paustovski schreef kritische brieven aan Brezjnev en de partijtop wanneer er weer een collega werd gedwarsboomd in zijn werk of gevangen genomen werd.
    Een schitterend boek, prachtig geschreven, intrigerend om te lezen.

     

    Goudzand
    Auteur: Konstantin Paustovski
    Uitgeverij: Uitgeverij G.A. Van Oorschot
  • Verhalen die verder gaan

    Verhalen die verder gaan

    Hij heeft niet eens een bijrol in de Harry Potter-reeks. Hij is ‘slechts’ de schrijver van Fantastic Beasts and Where to Find Them, verplichte kost voor leerlingen van Hogwarts School of Witchcraft and Wizardry.
    Zeven delen is Newton Artemis Fido (roepnaam Newt) Scamander onzichtbaar, hoewel zijn naam in de verfilming van Harry Potter and the Prisoner of Azkaban te zien is op Marauder’s Map (hij is dus in de buurt). Dat hij de leading man zou worden in een film met dezelfde titel als zijn boek kwam voor velen als een verrassing en was dan ook groot nieuws. Dat er vanwege verwacht succes nog vier films volgen niet minder.

    Toen vorig jaar De middelste dag van het jaar van Maria Stahlie verscheen, was er geen krant die kopte dat Sylvia Ciecierzky eindelijk de kans kreeg om haar kant van het verhaal te vertellen, nadat het in Honderd deuren (1996) vooral om haar dochters draaide. Sterker nog: de verwantschap tussen beide romans kwam in de media nauwelijks ter sprake. Zelfs de meeste recensenten deden alsof De middelste dag van het jaar volledig op zichzelf stond.
    Joke Hermsen gaat verder: zij vervolgt in haar romans de levens van haar personages. Drie romans lang – in Het dameoffer (1998), De profielschets (2004) en Blindgangers (2012) – gunde zij Det van Vliet de kans iets van haar leven te maken. Inmiddels is ook Ella Theisseling in Rivieren keren nooit terug toe aan haar derde literaire levensfase. Zij debuteerde in De profielschets en was in Blindgangers een van de zes ‘dramatis personae’.

    In de literatuur is het niet gebruikelijk om levens te hernemen en spin-offs komen ook niet zo vaak voor. Misschien omdat literatuur er niet a priori op uit is om leeshonger te stillen en lezers vast te houden. Liefhebbers van literatuur willen wel meer, maar niet per se meer van hetzelfde.
    Dat er met literatuur relatief weinig geld te verdienen valt, zal ook een rol spelen. De prikkel om uit financiële overwegingen in herhalingen te vervallen, ontbreekt. Literatuur is een fundamenteel andere vorm van vermaak dan ‘leesboeken’, televisie(series) of films waarvan er dertien in een dozijn gaan.

    Als schrijvers als Maria Stahlie of Joke Hermsen ervoor kiezen het leven van een personage te verlengen, is dat een keuze ingegeven door louter literaire overwegingen. Zij zijn nog niet klaar met hun protagonist; ze zien in hem/haar de ideale persoon om ideeën over het voetlicht te brengen en/of een verhaal vanuit een ander perspectief te vertellen. Dat dat personage ondertussen eventueel ouder en misschien ook wel wijzer is geworden, is in de meeste gevallen mooi meegenomen.

    De schrijver die op deze manier romans aan elkaar rijgt, neemt een risico. Hij mag zelf zo zijn redenen hebben om een verhaal aan dat ene en niet aan een willekeurig nieuw personage op te hangen, als de lezer nog nooit van Sylvia Ciecierzky, Det van Vliet of Ella Theisseling heeft gehoord, schiet hij een deel van zijn doel voorbij. In het gunstigste geval wordt zijn meest recente roman welwillend ontvangen, maar dat die roman onderdeel is van een groter verhaal blijft helaas en tot zijn spijt onopgemerkt.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • Door vuur vergaan

    Door vuur vergaan

    Deze roman van Maria Stahlie is balsem voor je geest; het is mooi geschreven en consciëntieus gecomponeerd, met veel oog voor detail en situering in de tijd; het zet je aan tot denken over het bestaan in het algemeen en over je eigen leven.

    Hoofdpersoon is Annette van ’t Hoff.  In de vier delen waaruit het boek bestaat lezen we haar leven. Het eerste deel -‘Vuurdoop’- is gesitueerd in 1972, Annette is dan in haar 11e levensjaar. Haar moeder vertelt haar op 29 (!) februari dat ze een abortus heeft laten plegen. Haar vader was het daar niet mee eens en trekt zich vanaf dat moment terug in zichzelf. Annette’s moeder drukt haar op het hart er met niemand over te spreken, niet met haar vader en ook niet met zus Pauline en broer Max. Annette beseft dan dat het leven niet vanzelfsprekend is, het bestaan evenmin. Ze geeft haar ongeboren broertje – hij zou op 5 september 1972 zijn geboren, de dag van de gijzeling op de Olympische Spelen in München – een naam: Egidius. Dat is de tweede naam van haar vader maar ook de titel van het beroemde klaaglied uit de Middeleeuwen Egidius waer bestu bleven. Dat gaat over de dood van een vriend waarbij de ‘ik’ op aarde ongelukkig achterblijft en aan Egidius vraagt een plekje in de hemel voor hem vrij te laten.
    Nadat haar moeder het haar heeft verteld, gaat Annette naar haar kamer en voelt, al springend op haar bed, een vurig verlangen om te leven, zelf noemt ze het ‘witte hitte’: ‘Zou ze de witte hitte gaan vergeten, de witte hitte die zich op 29 februari vanuit het kuiltje boven haar maag naar alle uithoeken van haar lichaam had verspreid en haar in vuur en vlam had gezet?’ Vanaf dat moment staat haar leven in het teken van die heftige emotionele ervaring: ‘Sinds 29 februari 1972 was de schrikkeldag onlosmakelijk verbonden met Egidius en met het besef dat het niet vanzelfsprekend was om te bestaan. Zonder de zuigcurettage die het ongeboren kind in de buik van haar moeder de kop had gekost, zou Annette waarschijnlijk nooit de witte hitte hebben ervaren die haar op haar tiende als het ware voor de tweede keer in haar leven op de wereld zette. Annette koesterde het postume geschenk als haar meest kostbare bezit en ze was de 29ste februari als een soort van gedenkdag gaan zien, een op maat gesneden gedenkdag bovendien omdat de schrikkeldag net als Egidius buiten de tijd stond.’

    Het tweede deel  -‘Lichterlaaie’- verhaalt over haar tweejarig verblijf in de VS in het kader van haar studie kunstgeschiedenis, ze is dan 21/22 jaar. Ze leert daar de drie broers Rossi kennen, ze trouwt later met een van hen.

    Na haar middelbare school kiest Annette voor een studie medicijnen, maar wordt uitgeloot; in de tussentijd studeert ze kunstgeschiedenis. Aanleiding hiervoor is dat ze voor de tweede keer in haar leven de ‘witte hitte’ heeft gevoeld bij het zien van Stilleven met vis van Pieter Claesz uit 1647.

    Wanneer in de VS een omvangrijke tentoonstelling wordt georganiseerd met stillevens, wordt ze uitgenodigd de persoonlijke assistent van de conservator te worden. Hoewel haar moeder zich fel verzet, hoeft Annette niet lang na te denken: ze gaat ‘op jacht naar een vuur waarvan nooit eenduidig zou kunnen worden vastgesteld dat het brandde, omdat het in verf was verstopt.’

    In de VS komt ze dichter bij het vuur dan ze voor mogelijk had gehouden: ‘De onnavolgbare samenhang die Pieter Claesz gecreëerd had op het paneel dat in het museum van Minneapolis hing had haar in lichterlaaie gezet.’ Dan komt haar begeleider met een artikel over ‘contemplatief kijken’ waarin beschreven wordt hoe ‘je in een kunstwerk af kun dalen, naar het diepe hart van het schilderij.’ Dit doet haar besluiten zich verder te verdiepen in de kunstbeschouwing zodat ze toegang zal hebben tot het ervaren van ‘de witte hitte’.

    Wanneer ze terugvliegt naar Nederland wacht haar een onaangename verrassing: haar vader is spoorloos verdwenen en heeft haar komst niet afgewacht. Voor Annette onbegrijpelijk, omdat ze zich met hem veel meer verbonden voelt dan met haar moeder. Ze ‘had zich vaak afgevraagd hoe het mogelijk was dat ze degene die haar het leven had geschonken in feite niet echt aardig vond’. Hoewel ze begrijpt dat haar vader weg is gegaan bij haar moeder, voelt ze zich door hem in de steek gelaten.

    In het derde en dikste deel –‘Onder as bedolven’- is Annette 42/43 jaar, getrouwd, heeft twee zonen. Voor wie het werk van Stahlie kent, is Annettes gezin bekend, in haar vorige roman Scheerjongen stond Annettes oudste zoon Aldo centraal. Ze is inmiddels een succesvol kunsthistorica, een gevierd TV presentatrice en doceert aan de universiteit. Ze vindt haar werkzaamheden interessant, haar collega’s collegiaal, ze is geliefd bij haar studenten en televisiekijkers, heeft geen geldzorgen, leidt een gelukkig gezinsleven en woont in een mooi huis in Amsterdam. Haar zegeningen zijn bijna niet te tellen.

    Maar toch is ze niet gelukkig. Ze merkt dat de gloed uit haar leven is verdwenen. ‘De gloed die zich onder de dubbele bodem van haar hart had genesteld, was domweg nergens meer te bekennen.’ Ze weet dat het normaal is dat ‘een mens in de loop van zijn volwassen leven het vuur uit zijn jeugd inruilt voor volwassen verantwoordelijkheden’. Annette twijfelt en tobt over het verlies van de ‘witte hitte’ en de gevoelens die ze gaandeweg kwijt is geraakt en voelt ze zich tegenover haar man en kinderen, zus en broer, schuldig omdat ze doet alsof ze gelukkig is. Ze schaamt zich daarvoor, voelt zich een bedrieger. Haar crisis bereikt een hoogtepunt wanneer ze – op zoek naar het verdwenen vuur – een seksuele relatie begint met een buurman en zo haar relatie met haar man Ben op het spel zet. Haar schuldcomplex groeit hierdoor en ze is dan ook opgelucht wanneer haar minnaar de relatie beëindigt omdat hij een vriendin heeft.

    Naarmate haar schuldcomplex groter wordt, mist ze haar vader; met hem zou ze hierover kunnen spreken: ‘hij zou haar begrijpen als ze hem zou vertellen dat het vuur dat haar in betere tijden had voortgejaagd, onder as bedolven was.’ Wanneer haar broer haar vader heeft opgespoord, durft ze niet naar hem toe. Wanneer ze dan toch gaat en hem ziet, herkent hij haar niet. Ze laat het daarbij en keert terug naar huis.

    In het laatste en dunste deel –‘Egidius’- komt het tot een emotionele ontlading die voor haar louterend lijkt te werken. Ze heeft steeds tegen haar man en kinderen willen zeggen wat er met haar aan de hand is, maar durft dat niet, uit angst hen te verliezen. Ze denkt erover om haar schuld in  te lossen door net als haar vader fysiek te verdwijnen. Maar er gebeurt iets waardoor ze niet langer in zichzelf gekeerd kan blijven. ‘Haar schuld was erkend, ze bestond weer. Annette haalde diep adem (…) Er gloeide een zekerheid op onder de dubbele bodem van haar hart, een zekerheid die het verstand te boven ging.’

    Het is een prachtig en rijk boek, schitterend geschreven en met groot plezier gelezen!