• Meebewegende taal

    Meebewegende taal

    Na de onrust in de eerste week, de feiten in de tweede en de ernst van dit alles in de derde week, wordt er nu teruggeblikt. Het aantal besmettingen, hoeveel er overleden zijn, alles in statistieken opgenomen. De kansberekeningen opnieuw bijgesteld. Nieuwe feiten naar boven gehaald, oude weerlegd, waarna alles strakker aangetrokken wordt en een heldere overzichtelijkheid overblijft, (overzicht en helderheid zijn deze dagen belangrijke woorden). Er komen steeds meer verhalen van hoe er gestorven is, hoe snel het ging, hoe er geen afscheid genomen kon worden. Het verhaal van een vader en een moeder die met een korte tijdspanne ertussen samen ziek werden, samen stierven. Het kenmerk van hun relatie was, vertelden de kinderen, dat ze alles samen deden, zag je de een, dan zag je de ander. Tot aan het ziek worden en sterven toe. Er was een vrouw waarvan haar man in het ziekenhuis overleed en zij thuis in quarantaine moest, alleen. Haar zoon kon haar niet omarmen, alles op afstand. Je hoopt op iets waarin het afscheid dat nu geen afscheid is, nog plaats kan vinden.  

    En het is waar, alles wat ooit geschreven is en nu gelezen wordt, blijkt een nieuwe betekenis vrij te geven. Alsof taal meebeweegt, zich opnieuw zet naar de omstandigheden. In De twaalfjarige bruiloft van Maeve Brennans (ja, opnieuw Maeve Brennan) lees ik een van haar lange meanderende zinnen die me treft, ‘De doden werden met dezelfde stem vermeld als de levenden, zodat vaders en zusters en neven die al tientallen jaren dood waren en masse door het huis en de boomgaarden en tuinen hadden kunnen rondlopen en zichzelf thuis zouden voelen, net zoals altijd, en ze konden er zelfs op rekenen hun eigen namen en hun eigen gezichten aan te treffen die nauwgezet geregistreerd waren ergens te midden van de generaties die hen opgevolgd waren.’ Het lijkt me opeens van groot belang over de gestorvenen te spreken met dezelfde stem als over de levenden, ze  met je mee te laten lopen door hun namen te noemen, hun namen door te geven.

    Want alles zal weer gewoon worden, toch? (waarop ik vervolgens wilde schrijven, ‘net zoals het nu gewoon is binnen te blijven’ maar dat is niet zo, het wil maar niet gewoon worden). Ze zeggen dat het ergste nog moet komen. Daarmee wordt de economie bedoeld, of iedereen wel uit het dal zal komen waarin we zitten. Of gebeurt, zoals een stem op de radio zei: ‘dat we voor de boodschappen die we nu gewoon zijn te halen, een exceptionele prijs moeten betalen’. Dat we niet meer weten hoe we rond moeten komen, dat we failliet gaan, allemaal. Gelukkig kwamen toen deze dichtregels van F. Starik voorbij: ‘Alles komt goed. Tijd gaat voorbij met een vloek / en een zucht. Wat nieuw is zal oud zijn. Waar je / naar zocht raakt toch zoek. Wat dicht leek kan open. / Donker bleek licht. Blijf hopen. / Alles komt terug.’
    En dat geloof ik maar al te graag. Vrolijk Pasen.

     

    ______________________________________________________________________________

    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en denkt na over een buitenleven. 

  • Ontdaan van alles

    Ontdaan van alles

    Traag en slepend als de motor van de bevoorrading wagens die iedere ochtend met moeite de rotonde naar het dorp nemen, is het leven tot stilstand gekomen. Op de eerste dag luister ik in de vroege  ochtend naar het ontbreken van geluid. Dan een vogel, overdreven luid, alsof er iets gecompenseerd moet worden. Ik denk, ‘rustig, rustig maar, het komt goed’. Op de tweede dag fiets ik langs de uiterwaarden naar de dichtstbijzijnde stad. Aan de IJssel, waar het water over de kademuur stroomt telkens wanneer een boot voorbij gaat, drink ik meegebrachte koffie. Op de zesde dag schrik ik wakker. De stilte beneemt me de adem, er is een onpeilbaar gemis. Niet wetend hoelang ik mijn kinderen, mijn kleinkinderen niet zal zien. Ik onderdruk het verlangen nog gauw even bij ze langs te gaan voordat er – ja, voordat er wat gebeurt. 

    Ik weet niks, en als ik me heb losgerukt van alle nieuwtjes, de do’s and dont’s van deze dagen, struin ik met Maeve Brennan door New York City. We zitten aan een tafeltje in een bar, we kijken naar een man die binnenloopt, om zich heen kijkt, gaat zitten aan de bar, een drankje bestelt, dit opdrinkt, voor zich uit kijkt, afrekent en weer weggaat. Samen zitten we in een restaurant waar niemand binnenkomt. Mensen komen voorbij, staan af en toe stil om met hun hand boven hun ogen naar binnen te kijken. Om te zien of er nog plaats is, en als ze hebben gezien dat er genoeg plaats is, lopen ze door. ‘Binnen gebeurde er helemaal niets totdat er achter uit de eetzaal achterin vijf jongelui tevoorschijn kwamen, op weg naar de straat.’ Brennan brengt me goddank niet van mijn stuk. Alles is zoals het leven zelf, zonder er een mooi verhaal van te maken, te duiden, er is geen roering.

    Op een avond in 1962 verkleedt ze zich om uit te gaan, het is veertig graden Celsius en al laat als ze eindelijk klaar is. Ze snelt de zes trappen af naar beneden, ‘en dat ging prima tot ik bovenaan de laatste trap stond en daar struikelde en hals over kop naar beneden tuimelde. Mijn armen waren smerig en mijn witte handschoenen waren verpest en mijn haar zat los en ik zat op de vloer van de hal te denken dat ik in dat snikhete, vieze huis woonde en huilde van razernij.’
    Ik las deze column voor aan Mijn lief. Mijn stem raakte niet verstikt bij de tragikomische val-van-de-trapscene, ik moest bepaald niet lachen. Daarvoor is het te schoon wat zij schrijft, en weet je wat gek is, deze schoonheid kon ik niet delen. Mijn lief vond er niets aan, maar misschien kwam dat omdat hij de hele dag in de tuin had gewerkt. Ik vind het een gave, zo te kunnen schrijven dat wie het leest geen kans ziet het te vertroebelen met eigen emoties. Daar was dezer dagen grote behoefte aan.

     

     



    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en zoekt naar weggevallen geluiden. 

  • Oogst week 12

    Pingping

    Pingping is de achtste roman van Mariët Meester – schrijver van fictie en non-fictie. Het is een bijzondere uitgave omdat het een eenmalige druk betreft van duizend genummerde en gesigneerde exemplaren. Een experiment van de schrijver, die de oplage laag wil houden om zo een bijdrage te leveren aan een andere manier van omgaan met spullen. Er zal dan ook geen herdruk verschijnen. Meester heeft veel gereisd, en daarover veel geschreven.
    Haar eerste roman, Sevillana verscheen in 1990. Twee van haar non-fictieboeken gaan over haar ervaringen met de Roemeense Roma, waar ze een periode mee samenleefde. Haar boeken kunnen gerust onderzoeksliteratuur genoemd worden, ook in haar romans speelt het onderzoekende een rol. Niet zelden is de hoofdpersoon iemand die terugstapt uit het normale leven en op onderzoek gaat naar nieuwe manieren van leven. Zo ook in Pingping, waarin de jonge vrouw Lily nogal abrupt van de stad naar de polder verhuist. Ze wil niets meer met geld verdienen te maken hebben, Dat valt nog niet mee in een wereld waarin iedereen juist het tegenovergestelde wil. Meesters zet fijne personages neer en beschrijft hen met enige introspectie en een gezonde dosis zelfspot. ‘”Ach aansteller,” zei ze hardop tegen zichzelf, haar stem klonk dun. “Wijvengezeik.” Ze overdreef , dat deed ze ’s nachts altijd.’

    Pingping
    Auteur: Mariët Meester
    Uitgeverij: Uitgeverij Caprae (2020)

    De breedsprakige dame

    Maeve Brennan (1917-1993) was journalist en schrijver van korte verhalen en behoorde vanaf 1949 tot de staf van The New Yorker. Tussen 1953 en 1968 schreef ze columns die ze baseerde op haar wandelingen door New York voor diezelfde krant. Restaurant bezoek, mensen die haar opvielen, haar eigen handelen en gedachten daarover zijn het onderwerp van haar columns. Ze schreef ze onder het pseudoniem ‘The Long-Winded Lady’. Ze beschrijft haar belevenissen en observaties in het New York van de jaren zestig en zeventig op ongekende wijze. Brennan geeft elke ontmoeting, observatie van mens, dier of gebouw tot in detail weer. Zo schrijft ze in een van haar columns uitvoerig over hoe een jongen naar zijn vader rent, een puber die haar als reusachtig overkomt, ‘hij rende heel onhandig, alsof hij zeven armen en zeven benen had die hij allemaal onder controle moest houden’. Ook lezen we over de afbraak van de laagbouw in New York, iets wat ze zeer betreurde. Achterin het boek is een brief uit 1969 opgenomen die ze aan haar collega, schrijver en redacteur  William Maxwell schreef. En begint met, ‘Ik dacht dat ik je een brief zou schrijven als ik de drie woorden ‘koud en zonnig’ in een eerste zin zou krijgen. En zoals je ziet: het is me gelukt.’
    Haar hele leven is ze op een paar korte relaties na, altijd alleen geweest. In 1993 stierf ze vrij ongelukkig in een verzorgingstehuis.

    De breedsprakige dame
    Auteur: Maeve Brennan
    Uitgeverij: Athenaeum – Polak & Van Gennep (2020)

    De reizigers

    Toneelschrijver Regina Porter debuteerde in 2019 met De reizigers, een portret van twee families en een confronterende analyse van het moderne Amerikaanse leven. De roman wordt geïntroduceerd als een toneelstuk, eerst worden de personages voorgesteld onder ‘Dramatis persona’. Er wordt een ‘Tijd van handeling’, vanaf de burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig tot het eerste jaar van het presidentschap van Obama, gegeven, de belangrijkste plaatsen van handeling en enige achtergrond informatie. Het voelt als goed voorbereid een verhaal in gaan. Het gaat over de zwarte Agnes Miller die zich in 1966 met haar vriendje op een verlaten weg in Georgia bevindt en door de politie wordt aangehouden. En James Vincent, geboren in een wit arbeidersmilieu, ontsnapt aan zijn milieu door advocaat te worden. Beide levens kruisen elkaar, de keuzes die ze maken worden van generatie op generatie overgedragen. Een geschiedenis van het moderne Amerika. Hier in daar zijn er in de roman klein formaat afbeeldingen opgenomen die het verhaal goed begeleiden.

    De reizigers
    Auteur: Regina Porter
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2019)
  • Moment van genade

    Moment van genade

    Sinds vrijdag hebben de dagen een andere betekenis gekregen, is er een vertraging opgetreden. Ik ben beïnvloedbaar, gevoelig voor drama, die invloed moet ik bestrijden. Aan de keukentafel overdenk ik mijn stappen, er wil zich geen scenario vormen. Misschien moet ik eerst de vaatwasser uitruimen. Ondertussen komt het nieuws binnen over de toestand in het land, de wereld, het commentaar daarop. Online tips, wat wel en niet te doen, misstanden in supermarkten, welke boeken er gelezen moeten worden, grijp je kans. Boekcovers van De stad der blinden, Nemesis, Liefde in tijden van cholera, De toverberg gaan rond. Nadrukkelijk verzoek te bestellen bij de boekhandelaar zelf. Lezen zonder onderbrekingen, een leeswalhalla, de droom van elke lezer, schrijver. Toch ijsbeer ik van keuken naar kamer en weer terug. Of we niet toch een pak toiletpapier moeten halen vraag ik Mijn lief, en misschien een berg citroenen. De besluiteloosheid, zoekend naar een nieuw evenwicht in deze ongewisse dagen. Mijn aandacht versplintert, niets beklijft.

    Dan zie ik, tussen alle doemdenkersberichten de tweet ‘Grandioze columns van een New Yorkse dame’. Dat zijn nog eens aanstekelijke woorden, ik adem in. Klik de recensie van Arjan Peters open. Columns  van Maeve Brennan, die ze vanaf 1953 als ‘The Long-Winded Lady’ voor de New Yorker schreef. Peters vraagt zich even af of iemand op die oude columns van een New Yorkse dame zit te wachten. En ik denk: ‘Jawel, ik zit hierop te wachten!’ En kijk, recensies doen hun werk, dit boek moet ik hebben. Ik fiets naar het dorp, alwaar het niet bij de plaatselijke boekhandel te verkrijgen is. ‘Nee, nee, ik wil het niet bestellen’, en fiets snel terug naar huis waar ik na enkele klikken het boek in een virtueel winkelmandje plaats. De volgende dag ligt het in de brievenbus. Zevenenveertig columns geschreven tussen 1953 en 1968. Elke column werd in de krant geïntroduceerd met de zin: ‘We hebben weer een bericht ontvangen van onze vriendin de breedsprakige dame’.

    Over broccoli eten in een restaurant (in New York aten ze in 1963 al broccoli!). ‘Toen ik de tong had opgelepeld, richtte ik me op de broccoli. Ik pakte de sauslepel zoals de kelner had gedaan en hield hem boven de broccoli en daarna deed ik hem snel weer terug in de sauskom. Ik kon me niet meer herinneren welke kant van de broccoli eetbaar is. Ik kon het me echt niet meer herinneren.’ (Ze aten broccoli niet met stronk). Het onhandige van vergeten gewoontes, misvattingen, verkeerd inschatten van situaties, dat is waar The Long-Winded Lady over schrijft. Haar overdenkingen leveren ook fijne inzichten op: ‘in onze geest herinneren […] verhalen ons eraan dat we altijd aan het wachten zijn, en ze herinneren ons er ook aan waarop we wachten: uitstel, een moment van genade, iets simpels waardoor we ons ergens over verbazen.’ Ja, een moment van genade in een tijd dat ‘er niet veel aan de hand is op de weg’ er nul km file is en het gewone leven tot nader order is uitgesteld. Lees deze columns van Maeve Brennan.

     

    De breedsprakige dameColumns uit The New Yorker door Maeve Brennan, vertaling Rosalie van Witsen / Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2020


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist even niet met het OV en kan niet zonder een goed verhaal. 
  • Scènes uit een ongelukkig huwelijk

    Scènes uit een ongelukkig huwelijk

    De Ierse schrijfster Maeve Brennan (1917-1993) werd geboren kort na de Paasopstand van 1916. In die opstand speelde haar vader een vooraanstaande rol. Ze groeide op in een streng katholiek Iers nationalistisch gezin en dat liet zijn sporen na. Toen haar vader gezant werd van de Ierse Republiek in de Verenigde Staten van Amerika veranderde haar leven. Ze begon scherpzinnige columns te schrijven voor The New Yorker en was vaak de talk of the town om haar geschriften. Ook haar korte verhalen werden langs alle kanten geprezen. Na een aantal mislukte huwelijken werd ze een ‘Traveller in Residence’, zonder vaste stek, zwervend van hot naar her, als het even kon met haar hond en haar katten, tot ze uiteindelijk alle greep op de werkelijkheid verloor. Ze stierf onbekend en onbemind, aan lager wal geraakt, in een verzorgingshuis. Pas nu krijgen haar verhalen weer aandacht en wordt ze herontdekt.

    In de bundel De twaalfjarige bruiloft en andere verhalen krijgen we verschillende verhalen uit het leven van één familie. Het zijn geen losstaande verhalen, maar enkele ‘tranches de vie’ uit het moeizame huwelijk van Martin en Delia Baggot. Tragische figuren wier leven zich afspeelt binnen de vier muren van hun kleinburgerlijk huisje in een doodlopende straat in Dublin.

    In het titelverhaal krijgen we afwisselend een innerlijke monoloog van Delia en van Martin naar aanleiding van de twaalfde verjaardag van hun huwelijk. Delia, geïrriteerd omdat Martin de huwelijksverjaardag vergeten schijnt te hebben, wil haar man plezieren, maar ook de verjaardag in herinnering brengen, door zijn kamer op te frissen met enkele bloemen. Het feit dat Martin een aparte kamer heeft, zegt ook al veel. Martin vergeet moedwillig de verjaardag en probeert stilzwijgend te ontkomen aan Delia, de kinderen en zijn huwelijk. De kamers worden elk tot in de details beschreven en staan symbool voor de afgesloten wereld waarin elk personage zich bevindt.
    Delia wordt door Brennan afgeschilderd als een diepongelukkige, maar zwakke vrouw die alles in het werk stelt om haar man te behagen, maar die er niet in slaagt om vat te krijgen op zijn leven. Alleen in haar innige liefde voor haar twee kinderen en de vriendschap voor haar hond en de twee katten, toont de hunkerende en kwetsbare Delia haarwarme persoonlijkheid.

    In de verhalen Het kleed met de grote rozen erop en De sofa komt haar verlangen naar een betere wereld, weg van de sleur van het huis in Dublin, naar boven. De verhalen zijn iets opgewekter en worden met veel kleur beschreven. De kinderen zijn nadrukkelijker aanwezig, en dat maakt het levendiger. Maar toch blijft Delia gereserveerd en houdt ze de touwtjes in handen. Ze wil graag mee met dochtertje Lily op het ‘vliegend tapijt’ en wegdromen, maar dan denkt ze weer aan de vlekken die op het tapijt zouden kunnen komen. De behoefte alles onder controle te houden overheerst. Als een cent van Lily onder de plankenvloer rolt en die alleen teruggewonnen kan worden als het huis ontploft, dan luidt het: ‘Nooit. Nooit. Dat huis ontplofte nooit.’ Een uiting van de onmacht van Delia waaruit blijkt dat ze niet in staat is om ook maar iets aan haar uitzichtloze situatie te veranderen.

    In Het vriendelijke schaduwbeeld is Delia helemaal alleen. De kinderen zijn bij familie op vakantie. Delia dwaalt doelloos rond in het stille huis. De beklemmende sfeer en de onnoemelijke eenzaamheid worden des te schrijnender doordat elke kamer opnieuw tot in detail wordt beschreven. Alleen de hond Bennie kan enige troost bieden. In haar innerlijke monoloog denkt ze ook terug aan een uitstapje met Martin, een zeldzaam moment waarop ze echt eens gelukkig was. Diezelfde eenzame en wanhopige Delia wordt ook beschreven in Het oudste kind, het relaas van de geboorte van haar zoon die kort na de bevalling stierf en waarvan ze nooit afscheid heeft kunnen nemen. Waar anderen het voorval vlug als afgedaan beschouwden, was het voor haar ‘geen doodnormaal voorval en het was nog niet afgelopen’.

    In het laatste en tevens langste verhaal van de bundel, Liefdesbronnen, is Min Bagot aan het woord, de tweelingzus van Martin. Zij is precies het tegenovergestelde van Delia. Min is een sterke persoonlijkheid die een uitgesproken mening heeft over Martin en Delia. Zij zijn inmiddels overleden en Min blikt terug op hun leven. Al snel blijkt dat de familie Martin nooit vergeven heeft dat hij op zijn veertigste het gezin verlaten heeft voor Delia. Ook wordt pijnlijk duidelijk dat Delia nooit aanvaard is binnen Martins familie. Min beschrijft de trouwdag en de vele twijfels rond het huwelijk, maar verkneukelt zich in haar gelijk over het mislukte huwelijk. In de beschrijving van haar leven als oude vrijster, eenzaam in een oud naaiatelier, komt vooral een gevoel van triomf naar boven omdat ze alles en iedereen heeft overleefd, omdat ze altijd gelijk heeft gekregen, omdat ze zich beter voelt dan iedereen. In de laatste regels leert de lezer dat ze op haar kamers een plaats heeft voor iedereen van haar familie, alleen blijft er niemand meer over, en dat maakt ook van haar een tragische en zielige persoon.

    Brennan heeft ongetwijfeld de gevoelens gebruikt die ze zelf heeft ervaren en schrijft tragische verhalen waar de wanhoop, spijt en ongeluk van het blad spatten. Hoewel ze in Amerika woonde, spelen al haar verhalen zich af in het Ierland van toen en beschrijven ze de strenge maatschappelijke verhoudingen van het nationalistische en katholieke land. Geen verhalen waar je vrolijk van wordt,  maar wel het relaas van een rebellie tegen de verstikkende maatschappij van toen.

     

     

  • Oogst week 48

    De twaalfjarige bruiloft

    Een essay van een gelauwerd schrijver, het debuut van een jonge schrijver die in de Oekraïne verblijft, een vertaling van een bundel korte verhalen van een Ierse schrijfster en de derde roman van een Zuid-Afrikaans schrijver maken deze week deel uit van de oogst.

    De Ierse journalist en schrijver van korte verhalen Maeve Brennan (1917-1993)  woonde vanaf 1934 in de Verenigde Staten waar ze van 1949 tot 1973 vaste medewerker was bij het tijdschrift The New Yorker. Haar verhalen zijn in het Italiaans en Duits vertaald en een eerdere bundel verhalen Dublin werd. Volgens uitgeverij Hoogland & Van Klaveren, waar de verhalenbundel Dublin uitkwam, worden de verhalen van Maeve Brennan in de V.S. en Engeland beschouwd als hoogtepunten in de literatuur vergeleken met het werk van Anton Tsjechov en Katherine Mansfield. Hier een klein fragment dat de uitgever vrijgaf uit het verhaal ‘Kerstavond’.

    Ze was niet in staat enig verband te zien tussen haarzelf zoals ze vroeger was en zoals ze nu was, en ze kon niet begrijpen hoe ze eenzaam en bang kon zijn met een man en twee kinderen in huis. Ze stond daar tegen de kinderen te praten over de heerlijke dag die ze morgen zouden hebben, en ze was zich volledig bewust dat ze zich steeds somberder voelde worden.’

     

    De twaalfjarige bruiloft
    Auteur: Maeve Brennan
    Uitgeverij: Athenaeum

    Kiev op de bodem van een glas

    Tobias Wals is slavist die een tijd in Kiev, Oekraïne verblijft. Van daaruit stuurde hij het verhaal, ‘Het Bykivnjabos’ naar de redactie van Tirade, waar ze direct onder de indruk waren van zijn schrijfkunst. Zijn verhaal, waarin de hoofdpersoon een mysterieus sms’je ontvangt met een uitnodiging naar de gedenkplaats van Bykivnja te komen, werd gepubliceerd, waarmee het ijs tussen uitgever en schrijver was gebroken en de weg naar een verhalenbundel open stond.

    In de verhalen in Kiev op de bodem van een glas beschrijft Wals een Nigeriaanse kapper, een verzameling bewoners van Borscht Hostel en enkele uitgeweken complotdenkers en jonge alcoholisten. Volgens de uitgever zijn ‘hun portretten goed uitgebeeld, vaak waarheidsgetrouw, en met zijn bijzondere, robuuste stijl weet Wals ontegenzeggelijk te ontroeren.Uit Kiev op de bodem van een glas rijst het beeld op dat Kiev meer lijkt op West-Europese steden wij veelal denken.’

    Kiev op de bodem van een glas
    Auteur: Tobias Wals
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Een basis over de grens

    Krüger (1955, Zuid-Afrika) studeerde Theologie en Letteren in Stellenbosch en woont sinds 1984 in Nederland als predikant. Een basis over de grens is de derde roman van Krüger. Een oorlogsroman die zich afspeelt in het mysterieuze landschap van Mozambique en waarin verlossing meer centraal staat dan geweld.

    Het gaat over zeven infanteristen die gestuurd zijn vanuit Zuid-Afrika en de opdracht kregen een vijandelijke basis uit te schakelen. Er is de wat kinderlijke radioman Rot, de armoedige Jinx, de tolk N’Tembi, de zwijgzame Grog, de gelovige Louch en Konrad die geobsedeerd is door vernietiging. De zevende is de omgekomen bevelvoerder Stanley. Met zijn zessen dragen ze het lijk met zich mee.
    De eerste zin is: ‘De schemer die aanhoudt, zelfs als het nacht is.’

    Een basis over de grens
    Auteur: Louis Krüger
    Uitgeverij: Uitgeverij Bint

    Karl Blossfeldt en het Oog van Allah

    Karl Blossfeldt (1865-1932) was leraar kunst en liet zijn leerlingen voorbeelden uit de plantenwereld zien om hun esthetisch gevoel te ontwikkelen. Daarvoor fotografeerde hij in natuurlijk licht pas geplukte planten, vastgezet in een stellage. Hij heeft ongeveer 6000 gedetailleerde zwartwitfoto’s gemaakt van plantendelen, bladeren, stengels, bloemen, knoppen, takjes en vruchten.

    Zesentwintig foto’s inspireerden Cees Nooteboom voor dit essay waarin hij filosofeert over de grens tussen natuurvorsing en kunst, vragen stelt over de schepper en de oerknal en het kunstbegrip van de vergroting aanvoert als de katalysator die structuur naar de voorgrond laat treden en het rijk van de esthetiek binnenbrengt.

    Het essay gaat vergezeld van zesentwintig foto’s van Karl Blossfeldt.

    Karl Blossfeldt en het Oog van Allah
    Auteur: Cees Nooteboom
    Uitgeverij: Koppernik