• Mengsel van spot en ernst

    Mengsel van spot en ernst

    De Franse schrijver René Daumal (1908-1944) viel al op bij de afgelopen maand overleden Roberto Calasso, hoofd van de beroemde Italiaanse uitgeverij Einaudi. Calasso was ook schrijver van De Ondergang van Kasj (1983), het begin van een uiteindelijk tiendelige cyclus van boeklange essays over de mythologieën die onze beschaving verbinden met allerlei varianten van het bloedoffer. In Calasso’s boeken worden talloze voorbeelden van offeren besproken en hoe zij telkens, als een soort scharnierpunt, door het restant van zo’n offer de communicatie tussen onze wereld en die van de goden mogelijk maken. Het voorlaatste deel van deze cyclus, Het Onbenoembare Heden (2017) gaat in op ons eigen tijdperk en hoe onze cultuur, op het uiterste punt van al die mythologie aanbeland, zich aan deze wet lijkt te onttrekken. Namelijk, de digitale cultuur erkent geen restant en als cultuur zonder bloedoffer bereidt ze zich voor op een volledige zelfontbranding. Voor Calasso is het juist het restant waarop de taal en de beschaving zich opnieuw moeten oriënteren. Vandaar het gevaar dat hij ontwaart in de digitale wereld.

    De minderheid die het secularisme van deze digitale cultuur – de manier waarop het met de goden afrekent – van binnenuit kritisch onderzoekt, noemt Calasso de ‘analogisten’ en uit hun gezelschap noemt hij er twee bij naam: de filosoof Leibniz en de schrijver René Daumal, bekend van Le Mont Analogue (1952). Ook schreef Daumal La Grande Beuverie (1939), door Maarten Elzinga vertaald als Het Drinkgelag – Een trilogie van de dorst

    Benevelde gesprekken

    ‘Het was al laat toen we begonnen te drinken. We vonden allemaal dat het hoog tijd was. Wat er daarvoor gebeurd was, waren we vergeten. We zeiden alleen tegen elkaar dat het al laat was.’ Zo begint Het Drinkgelag, het drieluik van een naamloze verteller die in een onderaards drinklokaal deelneemt aan een zuippartij zonder weerga. Deze wordt opgeluisterd door een reeks gesprekken, waarna in de twee andere delen de bovenwereld en de échte wereld aangedaan worden. De verteller belooft bij aanvang te zullen concluderen met troostende woorden. De gesprekken samen vormen de titel van dit deel: ‘Moeizame dialoog over de macht van woorden en de zwakte van het denken.’ Inderdaad is het zo dat de sprekers en luisteraars beneveld raken en hun denken niet meester zijn door de vreemde theorieën over geluid en muziek die worden gepresenteerd, telkens afgebroken door de oproep om toch maar meer te drinken. De verteller ontkomt aan deze nachtmerrie wanneer hem uit drie uitgangen – de dood, de waanzin en als laatste mogelijkheid een verblijf in de ziekenboeg –  de weg naar de laatste van deze opties wordt gewezen.

     Grappige namen

    In dit tweede deel van het boek, Kunstmatige Paradijzen – waarin overigens geen druppel genuttigd wordt – volgt de verteller, als een soort Dante zijn Vergilius, een rondleiding door een ziekenbroeder door een inderdaad zeer gekunstelde bovenwereld. Hier ontwikkelt zich een enorme fantasiewereld die een satire vormt op de onze. Door middel van grappige terminologie en namen zoals de ‘Makers van nutteloze letteren’, onderverdeeld in de Pwatten (dichters/poëten), de Rommesjees (romanschrijvers) en de Kiritikki (critici), bespot Daumal de maatschappij en haar geloof in vooruitgang – het secularisme van Calasso. Waar in de moeizame dialoog het centrale element de beneveling is, worden we hier verblind. Onderweg heeft de verteller een kort onderhoud met de Rommesjee Aham Egomet, een schrijver die werkt aan een reportage onder de werktitel Het Drinkgelag, volgens de verteller het begin van een vruchtbare correspondentie.

    Vertaler Maarten Elzinga geeft in zijn nawoord aan dat het hier geen sleutelroman betreft. Inderdaad, we kunnen niet Het Drinkgelag volgen naar een aantal herkenbare referenten in het Frankrijk of Europa aan het begin van de twintigste eeuw. In plaats daarvan is dit boek een soort crypto-sleutelroman of een loper voor alle andere sleutelromans: in de Kunstmatige Paradijzen is betekenis zó excessief aanwezig, is er zo’n overdaad aan verwijzing dat het web aan referenties implodeert. Calasso heeft gelijk dat Daumal een ‘analogist’ en niet bijvoorbeeld een symbolist is: dit is niet een kunstig opdissen van betekenis, maar het laten zien hoe betekenis ontstaat.  

    De mens in zijn larve-staat

    In het laatste deel van Het drinkgelag, Het gewone daglicht, beginnen we met het ontdekken van het restant van de dronk en de ijdelheid die ze blootlegt. Dit restant is belangrijk voor Calasso. Immers, hij ziet onze hele beschaving door de lens van het bloedoffer en deze rituelen werken alleen maar bij de gratie van het restant. Het restant is in dit laatste deel de soberheid van de volgende dag. In het gewone daglicht kan onze verteller eindelijk ongestoord waarnemen. Hier leert hij afstand te nemen van de ernst van onze cultuur, van de volwassenheid van onze soort: de mens verkeert nog in zijn larve-staat en heeft nog alle gelegenheid om volwassen te worden. Dit idee van de mens als een nog steeds onderontwikkeld wezen doet denken aan Simon Weil: ‘Croire en un Dieu qui ressemble en tout au vrai, excepté qu’il n’existe pas, car on ne se trouve pas au point où Dieu existe’ (Geloof in een God die in alles de ware God benadert, behalve dat hij niet bestaat, want we hebben het punt nog niet gevonden waarop God bestaat; La Pesanteur et la grâce). Het was dus toch nog niet zo laat ‘toen we begonnen te drinken’. De suggestie aan het begin van Daumals boek lijkt zo herroepen te worden.

    Het Drinkgelag is een satire op de postmoderne roman en cultuur zoals die voor hun zeggingskracht een beroep doen op reeds bestaande contexten maar uiteindelijk luchtkastelen zijn. Behalve een satire deelt Daumal ook iets van substantie: de aan het einde verwoorde troost of hoop. Toch is het moeilijk van dit boek te houden. De aanklacht van ijdelheid en nutteloosheid is zodanig algemeen en absoluut geformuleerd, dat de hoopvolle boodschap dat de mens ooit een metamorfose zou doormaken welhaast even futuristisch overkomt als het kunstmatige paradijs dat ze bespot.  

     

  • Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Op zoek naar de verloren tijd maar dan anders

    Wat weten we nu van de dood. Willen de doden echt herinnerd worden, zoals we plegen te denken, of smachten ze naar vergetelheid en rust. Waarom kan het ons wat schelen hoe we na de dood herinnerd worden, wat is überhaupt een herinnering. Wie dit soort vragen niet schuwt moet De aanwezigheid van de doden van Emmanuel Berl beslist lezen. In een meanderende mijmering langs zijn leven probeert hij hartstochtelijk tegenstrijdigheden met elkaar te verzoenen. Présence des morts dateert uit 1956. Pas dit jaar is dit boek onder de titel, De aanwezigheid van de doden in het Nederlands uitgebracht – vertaald, geannoteerd en voorzien van een uitvoerig nawoord door Maarten Elzinga.

    Dodenboek

    De aantekeningen, maar zeker het nawoord zijn beslist geen overbodig luxe voor de Nederlandse lezer van deze vierenzestig jaar oude tekst. Niet voor iedereen klinkt de naam Emmanuel Berl (1892-1976) bekend in de oren en de periode waaraan hij in zijn boek refereert, vooral de eerste helft van de negentiende eeuw, mag wel wat toegelicht worden. Maarten Elzinga doet dit vakkundig, vol begrip en empathie. Hij is sinds twintig jaar de vaste vertaler van Patrick Modiano. Het is trouwens vermoedelijk via Modiano, die de vierentachtigjarige Berl in 1976 aan een Interrogatoire onderworpen heeft, dat Elzinga bij Berl is terecht gekomen. In zijn nawoord borduurt hij voort op dit boek van Modiano, het werk van Berl en licht ze toe. In zekere zin had het ook een voorwoord kunnen zijn – de lezer kwam dan wat beter beslagen ten ijs. Maar kreeg wellicht dan niet zo navoelbaar het tastende karakter van Berls parcours door het labyrint van zijn geheugen mee. 

    Allemaal tijdelijke passagiers

    Emmanuel Berl (1892-1976), geboren in een welgesteld, Joods-Frans, bourgeois milieu, behoorde tot de intellectuele elite en was bevriend met menig beroemdheid van zijn tijd (o.a. Proust, Malraux, Colette, Mitterrand). Als journalist, essayist en politiek denker deed hij verslag van dat roerige tijdperk. Zijn verzoenend pacifisme, onpartijdigheid en het te allen tijde opzoeken van een dialoog hebben niet altijd goed voor hem uitgepakt. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft hij zich uit de schijnwerpers teruggetrokken en zich uitsluitend gewijd aan het schrijven van autobiografische literaire non-fictie.
    Echter zijn voor Berl autobiografische elementen slechts aanleiding om op existentiële vragen een diepte-analyse en een ijzeren logica los te laten. Zo ook in De aanwezigheid van de doden.

    Aan de vooravond van een zware operatie kan de schrijver niet anders dan nadenken over de dood en de doden die hij gekend heeft. Daarbij laat hij als het ware ook zijn geheugen een chirurgische ingreep ondergaan, waarbij herinneringen laagje voor laagje ontleed en in verschillende categorieën gesorteerd worden. Hij realiseert zich dat er doden zijn die vrij spoorloos lijken te zijn verdwenen, terwijl anderen tot een extract gereduceerd zijn van wat  ze – misschien maar even en onder bepaalde omstandigheden – geweest zijn. Er zijn ook doden, die blijven spoken. Komt dit misschien omdat hun leven onverwacht is afgebroken en zij hun lot niet hebben mogen voltooien? 

    Waarom verschillen de doden zo van elkaar. Volgens Berl komt dat ‘doordat mijn geheugen mijn verleden niet bewaart, maar het constant schift en omvormt’. Wat overblijft, zijn niet ‘de dingen zelf, maar hun symbolen, en niet de reis,[…], maar alleen het logboek’. Dat is de ‘de onstuitbare vluchtigheid van alle dingen’.

    Eeuwige pendelbeweging

    Hoe moet je met de doden omgaan. Moet je ze herdenken of met rust laten. Willen de doden wel herdacht worden, of ervaren ze het als een tactloze verstoring van hun rust? Vergetelheid brengt misschien wel de sereniteit en vrijheid, die je als levende nooit hebt. Wat je als levende ook doet, het kan altijd als ‘verraad’ bestempeld worden, met schuldgevoel als gevolg. Antwoorden blijven ambigu en roepen onmiddellijk een zwerm nieuwe vragen op. 

    De titel van het boek is daar een mooie illustratie van. Zijn doden niet per definitie juist de afwezigen? Bij nader inzien hangt het af van de invalshoek, niets blijkt eenduidig of standvastig. Elk concept heeft een tegenpool die de ander neutraliseert en waartussen je heen en weer gekaatst wordt. Alles is met elkaar verbonden, fluctueert en beïnvloedt elkaar en leidt per definitie tot een paradox. Dit besef drijft Berl tot wanhoop.

    Vrede sluiten

    Totdat hij, eenmaal terug uit het ziekenhuis en langzaam herstellende, een geheimzinnige dame ziet op haar balkon tegenover zijn appartement, en die hem een mogelijke aanwijzing uit deze impasse lijkt te geven. Is het misschien mogelijk om gemoedsrust te vinden en vrede te sluiten, ook met de doden, wanneer je accepteert dat tegenstrijdigheden inherent aan het leven zijn, er geen stabiele kern of eenduidig antwoord bestaat? 

    Al is Emmanuel Berl geen Patrick Modiano, hij is wel een interessante denker die voor de lezer een dwaaltocht langs boeiende vraagstukken heeft uitgezet. Wanneer die zich er doorheen laat loodsen, komt men wellicht ook tot diepere inzichten.

     

     

  • Andere wereld

    Andere wereld

    Ik worstelde met een boek, ik begreep er niets van, dacht dat het aan mij lag. Ik kwam de deur niet meer uit, had slapeloze nachten. Het boek kon er niets aan doen. Het was een op het oog eenvoudig boek, korte genummerde hoofdstukken van anderhalf, twee bladzijden. Als iemand vraagt waar gaat het over, zou ik zeggen: over schuld en onschuld, online roddelen, bedrog en liefde en ja, ook over de dood. Er zat nog iets in dat boek wat ik er na drie keer lezen maar niet uit kreeg. Ergens bleef ik in gebreke, dat ergerde me. Toen was ook de Australische dichter Les Murray nog overleden. Hij zou dit jaar eenentachtig worden. Ik las ooit een stuk van Maarten Elzinga dat me direct voor de dichter innam.

    Elzinga verbleef in 1994 in een vertalershuis in Duitsland waar een collega-vertaler onderzoek deed naar koeien, voor de vertaling waar ze aan werkte. Elzinga’s nieuwsgierigheid was gewekt, hij spiekte over haar schouder: The Cows on Killing Day van Les Murray. ‘All me are standing on feed. The sky is shining. / All me have just been milked…’, en was verkocht. Dat doet de taal van Murray dus, je een ongekend gebied in trekken.

    Murrays gedicht Hantering van de nagelclipper vond ik een van de verrassendste gedichten toen ik zijn werk leerde kennen. Om dat ‘knor en oempf’ en ‘misduimd’ en dat het dus werkelijk over het knippen van teennagels ging. Om van een even banale als afstotende (ik gruw van nagelknippers in mijn bijzijn) verzorging van het lichaam iets ritmisch te maken. Je leest het nog eens en weer wordt met elk woord het bewustzijn aangesproken.

    ‘Na blootvoets, knor en oempf
    weerkaatst de teennagelclipper
    die bumpers knipt van buitennagels
    op de harde houten vloer.

    Het schuin afstaande hefboomroer
    ketst af, misduimd, van de overkaak
    buit weer toe en trimt a tempo
    de haken van middelst loopwerk.

    Tsjak! De hele tang schiet weg
    onder de bank – til die bank op
    graai met overdwarse arm
    herpak je om nog meer te knotten,

    een overzijdse knie omklampend
    toon je binnendij, en snoeit
    de hoornen uitwas die de planken
    met grijze kever-bix bestrooit.’

    Les Murray groeide op als enig kind op een boerderij aan de noordkust van Australië. Zijn moeder kreeg meerdere miskramen en  overleed toen hij twaalf was. Zijn vader leed aan depressies, verwaarloosde de boerderij. Als puber zwerft Murray veel buiten rond, jaagt op konijnen, denkt erover mee te vechten in Vietnam. Zo nu en dan schrijft hij een gedicht. Dan ontmoet hij zijn vrouw Valerie Morelli, ze krijgen vijf kinderen. In 1965 verschijnt zijn eerste bundel, The Iles Tree. Murray leed aan depressies en verdween soms wekenlang van de radar, rondtrekkend door Australië. ‘Een depressies kwam als een ongewenste gast die te lang bleef hangen’, zei hij tijdens een interview met de Bayerischer Rundfunk in 2014. Murray schreef zijn gedichten met de hand en op de typemachine. Een computer was nooit een optie geweest.

    Les Murray was er van overtuigd dat zijn gezin, de poëzie en zijn geloof hem voor een leven als paria en vijand van de ‘human’ behoed hebben. Hij publiceerde meer dan dertig bundels en werd jarenlang getipt (aan dovemansoren) als kandidaat voor de Nobelprijs.

    Opeens wist ik wat me in het boek met de korte hoofdstukken tot ergernis dreef. Bij iedere herlezing werd er iets nieuws ontdekt maar werd het verhaal diffuser. Bij herlezing van de lange en soms cryptische gedichten van Murray ontstaat er een helderheid die leidt tot iets op zichzelf staand. Ik hou van dingen die op zichzelf kunnen staan.

     

    In 2013 verscheen het omvangrijke en door Maarten Elzinga vertaalde De planken kathedraal (525 p.) bij De Harmonie.


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

  • Les Murray en kaddisj zeggen.

    Eregast van literair tijdschrift Liter dit jaar is de Australische dichter Les Murray. Dat houdt de belofte in dat nieuw werk van Murray een primeur zal vinden in de komende edities van Liter van dit jaar. Zijn vertaler, Maarten Elzenga zal hem steeds, (volgens de redactie) daarbij begeleiden. In figuurlijke zin wel te verstaan.

    De eerste begeleidende bijdrage van Elzinga gaat over de nieuwste poëzie van Les Murray. En hoe hij sinds 1994, tijdens een vertalers meeting, steeds meer in de ban is geraakt van Murrays poëzie. Interessant is te lezen dat Elzinga altijd opnieuw door angst wordt overvallen wanneer hij zich voorbereidt op het vertalen van een gedicht van Murray. Hierbij maakt hij de vergelijking met de taak die de Griekse koning en stichter van Korinthe, Sisyphos door de onderwereld werd opgelegd. Namelijk: Een steenblok (lees taalbrok), naar de ijle hoogte te duwen waar de brontekst zich bevindt, en hopen dat dat blok weerspannig door de Nederlandse taal, niet helemaal terug rolt naar de voet van de berg. En het vertalen opnieuw kan beginnen. Voor de vertalingen die in dit nummer zijn opgenomen vroeg Elzinga dan ook vertaler Dorien de Vries te hulp. Deze samenwerking verliep zo goed dat volgens Elzinga niet meer met zekerheid te zeggen is wie voor welke ingeving/vertaling verantwoordelijk is. Een mooi bijdrage over hoe (poëzie) vertalers werken.

    Liter gelooft in mooie literatuur’ is het credo van dit christelijk literaire tijdschrift. Geloven in deze tijd kent vele aspecten waarbij een godsbeeld steeds meer wordt losgelaten. Het ultieme doel van nu is zich niet meer een weg te bereiden naar de hemel maar het aardse leven te behouden. Geloven in duurzaamheid. Lodewijk Dros, die regelmatig over dit thema essays publiceert, verwoordde dat eens als volgt: ‘(…) leven uit het besef dat we met hoofd en hart en handen deel zijn van de Aarde. (…) verbonden zijn met alles om ons heen, met aarde, water, lucht en vuur, en met de generaties die na ons komen. ‘ Wat hier ontbreekt is het verleden, van waar we komen. Het duurzame heden is de schakel tussen toekomst en verleden.

    Over de holocaust en de oorlog is al veel gezegd en geschreven. Maar niet eerder kwamen gedichten zo direct binnen, als de gedichtenserie Kaddisj van Jane Leusink. Heden en verleden met een wenk naar de toekomst waarin god nog wordt aangezegd. De serie van dertien gedichten wordt voorafgegaan door een zwart/wit foto waarop een man en een vrouw op een strand. De man in pak met in één hand een paar handschoenen. Hij kijkt alsof hij erg zijn best doet er goed ‘op’ te komen. Naast hem een vrouw, zittend in de omlijstende boog van zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Ze draagt een hoedje en kijkt wat ongelukkig, niet op haar gemak. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de dichter en na enig zoeken blijkt het uit het familie archief te komen van haar inmiddels overleden echtgenoot. Ook heeft ze bestaande teksten gebruikt zoals te begrijpen valt uit het 4e gedicht Een zoon is geboren. In cursief staat erboven “Wat zich verstopt hield / in mijn kogelronde buik aan botjes, spiertjes / in een kleine romp, ik kijk en kijk tot het klopt.” Waarna het gedicht vragend begint: ‘Ben jij het Gudes die dit zegt? Je stuurt een foto / als een hart. Uit de  kinderwagen (kap neer voor beter zicht) / kijkt je baby blakend toe, oogjes onder wenkbrauwboogjes // (…) Een kleine prins, meteen al in licht gegoten. Achterop / haast sprakeloos van ongeloof in Jiddisch, Duits en Nederlands tegelijk / dit is een foto van mijn lieve zoon en dat je die stuurt / als herinnering aan hem.’
    Waarbij  in de laatste regel de vraag oprijst of de ontvanger van de foto Eljie was, de man met wie ze trouwde, weer van scheidde en daar tussen in een kind met hem kreeg. Duidelijk is dat een leven in poëzie gegoten, evengoed een standbeeld is voor de nabestaanden.

    Nog even de jonge dichter Maarten Buser (1991) onder de aandacht. Vertegenwoordigd met drie gedichten waarin alles draait om de protagonist Claude en de ik persoon. De twee- of drieregelige strofen, waarin Buser zijn gedichten schrijft, geven op zich al genoeg beeld geven om mee voort te kunnen. Sinds iemand hem bezwoer dat ‘je niet kunt vereren / wat je niet kunt wiegen’, wil Claude // houtsnijder zijn. / nu praat hij over ‘een eierschaal / waar ik voorzichtig mijn Christusje uit zal tikken. (Uit: Naar de natuur).

    Genieten van zijn taalgebruik met regels als, ‘Tussen ons ontspon zich een stilte’, en ‘Ik zou nu graag voor hem bidden maar mijn handpalmen glijden steeds van elkaar af’. De laatste regels zijn van het gedicht Kalmerend groen dat begint met: ‘Ik heb een beetje zeep in mijn pyjamamouw / geknoeid. (…).’ Ondanks de vreemde voorstellingen in de gedichten schrijft Buser duidelijke taal.

    Meer bijdragen van onder meer Daniel Rovers, C.S. Lewis, Els Meeuwse, Marianne van Reenen, Arthur Schnitzler, Jan Sonneveld en Nels Fahner.

    Lees meer (en een eigen exemplaar van Liter bestellen) via deze link: www.leesliter.nl