• Verhalen en een bepaald evenwicht in poëzie in Tirade

    Verhalen en een bepaald evenwicht in poëzie in Tirade

    Naast dat literaire tijdschriften een podium zijn voor literaire, niet eerder gepubliceerde bijdragen, is het ook een podium voor beeldende kunstenaars, al spelen ze een begeleidende rol. De cover van deze editie is gesierd met een linosnede van Anne Caesar van Wieren. Een schaap in de armen van een wolf (niet de wolf alleen in kleren, ook het schaap). De wolf huilt met opgeheven kop en gesloten ogen vol overtuiging naar een felrode maan, het schaap, met sluw toegeknepen oog, kijkt weg uit de omhelzing, als wil het zeggen: ‘geloof niets van wat u hier ziet’. Dan ontstaat de neiging te geloven dat wat er in deze editite aan literair werk is opgenomen, te maken heeft met verborgen agenda’s, versluierde waarheden. 

    Sasja Janssen opent met het gedicht ‘Virgula’. Is dit een godin, een plant? Nee, het is een middeleeuws interpunctieteken, gebruikt om in een tekst een rustmoment aan te brengen. Maar Sasja Janssen schept haar eigen Virgula, als getuige van een schakelmoment in een leven. Waar in kamers met een bed en koelkast, in een shagrokend tijdperk met een liefde geleefd wordt, tot die liefde eindigt: ‘en daar kom jij pas goed tot leven, Virgula, in het uitzicht op een grote sparrenboom, / in de groene eenzaamheid, ik slaap nog een laatste nacht bij de jongen, dan loeit de ochtend ineens vertrek en ik steel het lage bed met mijn wollen deken, stijf van / ouderdom // de witte kat huilt, en samen wachten we, we wachten tot iemand ons uit deze kamer haalt’ Virgula als interpunctie in het leven van een dichteres, schakelend naar nieuwe richtingen. 

    Bepaald evenwicht in poëzie 

    Vijf gedichten van Maarten Buser, waarin een zoeken naar houvast, wegzinken in beelden, in gedachten. Fijne gedichten die een bepaald evenwicht hebben bereikt tussen waarneming, woordkeuze en indeling van strofen.

    ‘Hoorbaar ademt het tuinafval
    Ik wil geloven want dat geeft vorm
    Onder de aangeharkte bladeren slaapt

     een wolf. Kan iemand me bijpraten
    over de regels, vandaag nog?
    Iemand heeft een wildrooster 

     gefiguurzaagd en ik blader door
    (…)’

    Van de Somalische dichter en schrijver Alara Adilow zijn drie gedichten opgenomen. Getiteld, ‘In het dagelijkse’, ‘Het spijt me moeder’ en ‘De grot’, indringende poëzie, over seksuele geaardheid, soms bezwerend, doortastend, vaak met een mythische lading, maar zeer aansprekend. De laatste strofe van ‘De grot’, Seizoenen verschroeien, / rivieren spartelen in de hitte als vissen op het droge. / We verliezen elkaar in het felle licht. / Kiezen op de dood te wachten / bij de oevers van een kaal geworden waterlichaam. De dood rijdt aan op een mank stekeldier.’ En lees meer van haar in Tirade.

    Meer poëzie van de Zuid Afrikaanse dichter Pieter Odendaal, vertaald door Jente Rhebergen en Willemijn van den Geest, van Sean O’Brien, vertaald door Willem Groenewegen, en Tonnus Oosterhoff. 

    Lees de verhalen

    Van Viktor Frölke een geweldig mooi verhaal over moeder/zoon relatie. ‘Waarom ik met mijn moeder ben getrouwd’. Zoon gaat met zijn moeder naar Parijs en vraagt zich gaandeweg van alles af over de aard van hun relatie. ‘(…) we besluiten te wandelen naar Hotel du Vieux Saule, een romantisch hotelletje in de Marais waar ik eerder met mijn vrouw sliep. Kan het Freudiaanser? Vast, maar voorlopig is dit me Freudiaans genoeg.’
    Ze delen dezelfde hotelkamer, hij begint te fantaseren hoe het zou zijn met zijn moeder te vrijen. ‘Een van de oudste en moreel diepst verankerde verbodsbepalingen uit de menselijke samenleving behoedt me hiervoor. Maar waarom (…)? In de pianiste van Elfriede Jelinek houdt een alleenstaande moeder haar dochter in gijzeling. Maar er is mij geen verhaal bekend van een moeder en een volwassen zoon die met elkaar naar bed gaan – gewoon, omdat ze dat leuk vinden. Aan de andere kant, misschien is het ook niet leuk – een beetje zoals zand eten. Het kan wel, maar is niet leuk.’ 

    Later bekijkt de zoon een foto, een selfie genomen toen ze in de wachtkamer van Gare du Nord zaten. De moeder in spijkerbroek, krant uitgespreid over haar benen, zoon lezend in Verzamelde Gerard Reve, ‘beiden content met elkaar en de situatie. Zo zit ik met mijn vrouw zelden, omdat zij geen hardcore lezer is.’ Ja, om het verhaal helemaal te lezen, lees deze Tirade. 

    Waarin ook een verhaal van Lia Tilon, schrijfster van onder meer de prachtige roman Archivaris van de wereld. ‘Los draad’ is een beklemmend verhaal met details die je op de feitelijke beelden drukken zonder dat er veel wordt uitgelegd. Over de bevreemding van een vrouw  ten opzichte van het harde leven. Ze denkt zich een leven waarin ze zwanger is, haar man aandachtig is, de dingen verzorgd worden. Tegen alles in gelooft ze dat het goed komt. ‘(…) met twee handen tegelijk duwt ze tegen de ijzeren schommel. Hij is niet stuk, hij kraakt alleen maar alsof. Eigenlijk denkt ze, klinkt het als de roep van een vogel, misschien een roodstaart.’ Prachtig beeld.

    Meer verhalen van Fabienne Rachmadiev, Alejandro Morellón, Sofie Lakmaker (fragment uit De geschiedenis van mijn seksualiteit), en een fragment uit een roman van Inge Bever waar nog aan gewerkt wordt. En alles wat in deze Tirade is opgenomen is waarachtig en toont de werkelijkheid in vele gedaanten.

     

    Hier is Tirade te bestellen.

     

  • Een dans van geïntensiveerde verveling

    Een dans van geïntensiveerde verveling

    Een club, daar hoor je bij, of daar hoor je niet bij. Of het is een ‘Club’ met een hoofdletter en dan mag je erin, of je mag er niet in.

    De debuutbundel van Maarten Buser speelt met het limbo naar de volwassenheid. De gang naar de Club en de uitnodiging daarvoor als een rite de passage, een brug die genomen moet worden om ergens aan te belanden waar je wilt zijn. Zijn drie hoofdpersonages, Sybille, Claude en ‘ik’ leiden een leven dat naar het schijnt in afwachting geleefd wordt:

    Baken

    Wat ik wil is een film, net interessant genoeg
    om door te blijven kijken, en waarvan ik weet
    dat ik rustig een stuk kan missen om glazen

    appelsap te halen, zonder bang te hoeven zijn
    dat bij terugkomst die twee opeens
    hun verschrikte gezicht op hebben gezet

    Zo beschrijft Buser in Club Brancuzzi een ménage á trois waarin dan eens Claude, dan eens de ‘ik’ zich lijkt te mogen verheugen in Sybilles aandacht. Misschien zijn alle combinaties wel mogelijk, maar kiezen, nee. De bundel is opgebouwd als de fasen van een avond in de stad: ‘De Uitnodiging’, ‘Wij drieën’, ‘Club Brancuzzi’, ‘Na het feestje’ en ‘Aftitelingsmuziek’. Buser weet een wat geërotiseerde sfeer steeds in vage afwachting te houden. Zodat het klassieke ‘get a room!’ de lezer wel eens op de lippen brandt, maar dat is natuurlijk het probleem wanneer er steeds drie zijn.

    Helden en schurken

    We wachten. Het gesprek is een schommel
    waar we jeugdherinneringen op zetten,
    en dan zwiepen we ‘m naar elkaar terug,

    harder en harder, tot het touw knapt
    nadat Claude over in bomen klimmen begon
    ‘Wil je soms alles herschrijven?, vraagt hij

    Nu pas krijg ik door dat ik Sybille telkens het gesprek
    binnen heb laten marcheren (ze heeft benen als
    schaarbladen). Ik dacht dat het voor de vorm was:

    pacten sluiten, geen meisjes toelaten in de boomhut
    ‘Ze is ook geen meisje,’ zegt Claude,
    ‘ze is gewoon Sybille’

    Buser weet goed de tijd te intensiveren in deze bundel; het is ingedikte tijd deze avond van het feest. Claude is een kunstenaar, de drie brengen de tijd samen door met wachten, verdiepen zich – lichtjes oppervlakkig – in de raadselen van het zijn: ‘We moeten alles heruitvinden, dus we zijn.’ In de bundel voert het languissante drietal een dans op van geïntensiveerde verveling. Buser heeft een goed oog voor beeld: een kapstok met een damesjas ‘als een vuistslag’, een gang als ‘een bescheiden ravijntje’ een telefoon die zingt met een ‘stem als een vishaakje’, en Sybille die komt aangewankeld als ‘een speeldoosballerina die te zwaar is voor haar opwindmechaniekje’. Dit soort formuleringen maken het lezen van de bundel Club Bracuzzi werkelijk tot een plezier.

    scu-constantin-brancusi-e28093-kiss-192325De hoofdpersonen melden maar liefst twee maal dat ‘Brancuzzi’ niet goed geschreven is, dus dan is wellicht Brancusi bedoeld, de grote Roemeense beeldhouwer van prachtige sereen ovale vrouwenhoofden en sensueel gevormde sculpturen.

    Maarten Buser is het sterkst in deze bundel wanneer hij het anekdotische achter zich weet te laten. Hij is een vaardig beelddichter en glijdt nauwelijks uit de pas. Maar de wat dwingende verhaallijn van het feest dat niet doorging en de vriend met wie het misschien niet zo goed afliep, doen de kracht van zijn toch verrassende nieuwe stem tekort.

    Zo is deze bundel als geheel nog niet helemaal scherp, maar zijn veel beelden zeer raak.

     

  • De kracht ligt in een soort alledaags surrealisme

    De kracht ligt in een soort alledaags surrealisme

    Het aantal gedichtenbundels dat per jaar verschijnt lijkt overzichtelijk en het aantal debuten in deze categorie zeker. Toch ontsnapt er af en toe een debuutbundel aan de aandacht; Heidi Korens, Gedachten over een mogelijk einde bijvoorbeeld, heeft bijvoorbeeld op weinig aandacht kunnen rekenen. Bij nadere kennismaking van deze bundel blijkt dat ten onrechte te zijn. Koren schrijft heldere poëzie die niet vrij is van (beginners)foutjes, maar uiteindelijk overtuigt.

    Zo’n veertig gedichten telt de bundel, die niet onderverdeeld zijn in afdelingen. Alles staat door elkaar: kortere teksten, prozagedichten met een bijna verhalende toon, soms is de toon anekdotisch, soms lyrisch. Gedachte-experimenten (kun je met een caravan over de rand van de hemel rijden?) worden afgewisseld met melancholie, inclusief J.C. Bloemachtige slotregel:

    ‘Ik weet mij vrouw / Ik weet mij ouder van mijn kroost / en ouder elke dag Ben doordrongen van zijn boot Ik zwaai verlegen om hem te zeggen / dat ik niet vergeet / Ik kan niet leven zonder de dood.’

    Een rode lijn is er echter niet; opvallend in een tijd waarin poëziedebuten steeds vaker  behoorlijk uitgekristalliseerd aandoen, of zelfs al een duidelijk geheel vormen. Gedachten over een mogelijk einde is in zekere zin een typisch debuut in bijna klassieke zin: van een dichter die aftast, stijlen en methodes probeert.

    Voordeel daarvan is dat Koren niet in herhaling, of nog erger, maniertjes vervalt. Nadeel is dat de gedichten van wisselende kwaliteit  zijn. Het ene idee is wat beter uitgewerkt dan het andere, het ene gedicht is sterker dan het andere. Maar tegenover de niet altijd even goed uitpakkende experimenten staan ook fraaie gedichten; Turing Top 100-fraai zou je bijna zeggen. Ze doen vermoeden dat Korens kracht in een soort alledaags surrealisme ligt, waarin ze het gewone en het ongewone in elkaar laat overvloeien; het anekdotische en het lyrische; lichte humor en dito melancholie. Het openingsgedicht slaagt daar goed in, met regels als ‘Uit mijn voetzolen groeien wortels / het hoogpolig tapijt in’.

    Korens volgende project, haar afstudeerwerk aan de Schrijversvakschool, schijnt een roman te zijn. Hopelijk blijft ze ook gedichten schrijven, want haar debuut smaakt naar meer en schept verwachtingen. Want de schrijver van een gedicht als het volgende, laat zien dat ie wat kan:

    ‘Ik denk wel eens aan astronauten
    aan hangen boven de vissenkom

    zwemmen in het niets
    hapjes lucht nemen

    aan hoe ik vroeger op kon stijgen uit mijn bed
    mijn kleine slaapkamer uit

    de schoorsteen door
    zweven boven het alles

    dat ik mij voornam het koordje van mijn pyjama
    vast te knopen aan de poot van mijn ledikant’

     

     

  • Tussen engagement en lamlendigheid

    Tussen engagement en lamlendigheid

    Maarten van der Graaff debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs voor beste poëziedebuut kreeg. Die prijs verdiende hij, hoe wisselvallig de bundel soms ook overkwam. Op de beste momenten liet Van der Graaff  zien dat wilde uitspattingen te combineren zijn met een grote taalbeheersing; op de mindere momenten kwam hij nogal moedwillig fragmentarisch, ontoegankelijk en excentriek over. Dat debuut maakte bovendien erg nieuwsgierig naar hoe Van der Graaff zich verder zou ontwikkelen. Toen Dood werk aangekondigd werd, gebeurde dat echter met een weinig enthousiasmerend citaat:

    Nederland, ik schrijf dit niet zomaar,
    ik zoek naar je dood en gemeenschap.
    Ik zoek naar je waarheid en haat.
    Ik schrijf gedichten, ik ben in de war.
    Ik zoek naar je lichaam,
    ik ben oppervlakkig.

    Een passage die gespeend is van elke vorm van esthetische fraaiheid. Het is een warrig stukje waarin een aantal dito gedachten naast elkaar staan; het roept meer vragen op dan dat echt iets te zeggen. Ook bij aandachtige lezing blijft onduidelijk wat Van der Graaff hier precies wil zeggen. Maar vergeleken met dat fragment valt Dood werk uiteindelijk hard mee, en is bij vlagen vrij sterk. Voor ‘mooie’, beeldrijke poëzie hoef je de bundel niet te lezen, maar de gedichten blijken heel andere kwaliteiten te hebben.

    De ‘ik’ in Dood werk lijkt  erg op Van der Graaff zelf: opgegroeid op het eiland Goeree-Overflakkee, binnen een christelijk milieu, nu ongelovig en woonachtig in Utrecht, geëngageerd, dezelfde vrienden (o.a. Frank Keizer en Hannah van Binsbergen), en zo te zien ook dezelfde boekenkast: onder meer Jack Spicer, Chris Kraus en Kirill Medvedev. Wie Van der Graaff op facebook heeft, zal de auteurs herkennen uit berichtwisselingen tussen zijn vrienden en hem. De bundel is in twee delen opgedeeld: lijstgedichten en geklokte gedichten. Wat opvalt is dat Van der Graaff minder wild is geworden, en er  een wat prozaïschere stijl op nahoudt die anekdotische elementen vertoont. De gedichten hebben vaak iets weg van de praterige ‘“I do this, I do that” poems’ van Frank O’Hara. Maar vooral de lijstgedichten doen aan Kirill Medvedev denken (de Russische dichter die vorig jaar nog een grote sensatie was in de scene rond Van der Graaff en Frank Keizer). Ook Van der Graaff zoekt het nu in vaak langgerekte lijsten van observaties, ideeën, geregeld (een deel van) een anekdote tussendoor. Er lijkt geen hiërarchie of samenhang te zijn.

    Na die eerste helft met lijstgedichten volgt de reeks ‘Geklokte gedichten’, die qua opzet en indeling aan de tweede helft van Vluchtautogedichten doet denken, de reeks ‘Vrije encylopedie’. Beide reeksen laten zich lezen als één lang gedicht en zijn ook duidelijk opgezet als een geheel. De gedichten volgen elkaar direct op en beginnen niet op een nieuwe pagina. De geklokte gedichten verschillen vaak niet zo van de lijstgedichten, op de tijdsaanduidingen na. Van der Graaff beschrijft zelf het procedé in een van de gedichten:

    Hoe maak je een geklokt gedicht? / Kijk op de klok. Noteer de tijd. // Schrijf een gedicht. / Wanneer je stopt met schrijven en even zit te lummelen / moet je daarna, wanneer je verdergaat, de tijd noteren.

    Daarna volgen verdere stappen om zo’n geklokt gedicht te schrijven en de opmerking: ‘Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend.’ Het slot van deze instructie doet denken aan Tristan Tzara’s beroemde ‘Hoe maak je een Dada-gedicht?’, dat eindigt met het sarcastische ‘En u zult zien, u bent een ongelooflijk origineel schrijver met feeling, hoewel miskend door het volk’ (vertaling door Sjoerd Kuyper en Peter Nijmeier). Die spot zit er ook bij Van der Graaff in, die poëzie schrijven tot een aan te leren trucje herleidt.

    Maar zo gemakkelijk ligt het uiteraard niet: Van der Graaff is een serieus dichter. Tegelijkertijd geeft hij ook toe dat hij helemaal niet zo’n verheven figuur is. De grootste charme van Dood werk schuilt mijns inziens in de kloof tussen zeer geëngageerd willen zijn en dat vervolgens niet zijn. Tussen interesses als de Hoge Cultuurvorm Poëzie en ‘[i]n wasbakken plassen.’ De verteller komt geregeld nogal lamlendig over, klaagt dat hij te veel drinkt, zich niet om zijn lichaam bekommert en al moe is als hij net wakker is geworden. Er is vast een lezing mogelijk waarin die persoonlijke problemen symptomen zijn van wat er mis is de samenleving, maar het engagement is  minder interessant dan de discrepantie tussen engagement en lamlendigheid.

    Dat engagement blijft toch wat flets, omdat er nergens echt stellingen worden ingenomen. De gedichten zijn daar te gefragmenteerd voor; het zijn gedachtenflarden, geen afgeronde standpunten en roepen vaker vragen op dan ze antwoord geven. Dat zal enerzijds niet ieders smaak zijn, maar je zou die opzet als een uitdaging kunnen zien. Het prima Dood werk zal daarom voor uiteenlopende meningen, lezingen en beoordelingen zorgen, maar laten we wel zijn, dat is spannender dan een bundel waar iedereen het over eens is.


    Dood werk
    Maarten van der Graaff
    64 blz.
    Prijs: € 19,99
    Uitgever, Atlas Contact

    Zie ook:
    Maarten van der Graaff – Vluchtautogedichten
    Kirill Medvedev – Alles is slecht

  • Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    De poëzie van een land ontwikkelt zich vaak dankzij impulsen van buitenaf. Zonder de Italianen had het sonnet waarschijnlijk niet bestaan, met als verdere consequentie dat de Nederlandse canon bijvoorbeeld ‘De moeder de vrouw’ armer was geweest. Ook de Franse poëzie is een internationale aangelenheid, blijkens Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton.

    De in deze bloemlezing opgenomen dichters hebben vaak meer met Pound dan met Mallarmé. Samensteller en vertaler Jan H. Mysjkin laat in zijn inleiding, waarin de situatie van de Franse poëzie op dat moment wordt geschetst, zien hoe de Franse en Amerikaanse poëzie naar elkaar toe zijn gekropen. Franse dichters vertaalden hun Amerikaanse broeders als John Ashbery en Michael Palmer, die op hun beurt weer Franse poëzie vertaalden. (Of zoals Wallace Stevens ooit schreef: ‘French and English constitute a single language’; een bewering die gretig door Paul Auster aangehaald werd in zijn inleiding voor The Random House Book of 20th Century French Poetry.) De poëzie van Frankrijk, die een sterk hermetische traditie kent, (Geboorten van het vers. Levende Franse poëzie 1940-1960 bijvoorbeeld) stond sterk in het teken van het omgaan met de erfenis van het surrealisme), blijkt opener te zijn geworden, maar vaak niet minder moeilijk.

    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton is net zo opgezet als de eveneens door Mysjkin verzorgde twee eerdere delen Levende Franse poëzie: een lange inleiding en vervolgens een selectie van verscheidene dichters. Van elk van hen is meestal of een reeks of een afdeling gedichten gekozen, of een keuze uit één bundel. Bovendien wordt elke dichter voorgesteld met een tekst die ergens tussen een inleiding en een kort essay inzit. De vertaling is zoals we die van Mysjkin gewend zijn: ze lezen zo vloeiend als oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Dat doet er evenwel niets aan af dat het toch jammer is dat ook deze uitgave niet tweetalig is.

    Zoals eigenlijk met de meeste bloemlezingen het geval is, smaakt de ene dichter beter dan de ander. Uw recensent is bijvoorbeeld niet zo gecharmeerd van de warrige Jean-Paul Auxeméry, of het flauwe, geforceerde taalgebruik van Katalin Molnár (‘alsJijWillenMakenGedicht / inTaalDieJijNietKennen / jijDenkenEerst / datDatZijnOnmogelijk’; overigens geen eenmalig experiment, want Molnárs hele bijdrage is op deze manier geschreven). Daar staan heel wat interessantere dichters tegenover, zoals Leslie Kaplan. De van haar opgenomen gedichten zijn consequent in de men-vorm geschreven en gaan over het werk in een fabriekshal. De alles beheersende sfeer daar wordt duidelijk neergezet met regels als ‘De fabriek, men gaat erheen. Alles is er. Men gaat erheen. / Het exces – de fabriek.’ of ‘Men kan niets doen. // Men monteert een versnellingsbak.’

    Wie op zoek gaat naar opvallende tendensen in deze bloemlezing, ontdekt wellicht de interesse in en flirts met het banale of niet-literaire taalgebruik (en daar hebben we het postmodernisme weer). Denk daarbij aan Kaplans harde, kale stijl, maar ook aan het opgenomen werk van Olivier Cadiot. Zijn prozagedichten zijn montages van passages uit lesboeken. Dat levert werk op dat enerzijds van een Barbarber-achtige lichtvoetigheid is, en anderzijds een vertonrustende ondertoon heeft: ‘Ik begrijpen (o.v.t.) dat deze gebeurtenis in tranen drenken (v.v.t.) en ik zwijgen (o.v.t.). De vrouw nemen (o.v.t.) haar zoon van de takken van de boom en zij geven (o.v.t.) hem haar echtgenoot te dragen’.

    Een andere ontdekking is Véronique Pittolo. Van haar is een selectie vertaald uit Héros (Helden; 1998), een boek dat het midden houdt tussen een conceptuele gedichtenbundel en een filmscenario. Pittolo’s prozaïsche, vaak bijna onnadrukkelijk geformuleerde regels roepen vaak direct filmbeelden op: ‘De weg die MURIEL aflegt kan men volgen door het galmen / van haar hakken op het asfalt.’ Zulke beschrijvende passages worden afgewisseld met korte bespiegelingen als ‘Lange tijd dacht men dat helden zich tot een vast kader beperkten.’ De fragmenten overtuigen op zichzelf, én samen maken ze erg benieuwd naar (een vertaling van) de gehele bundel, en dat is wellicht het grootste compliment dat je een bloemlezer kunt maken.

    Hoewel niet elke vertegenwoordigde dichter even interessant is, is Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton een prima bloemlezing geworden. Deze uitgave is een geschikt startpunt voor avontuurlijke lezers die nieuwe ontdekkingstochtjes willen maken.


    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton. Levende Franse poëzie 1980-2000

    Redacteur en samensteller: Jan H. Mysjkin
    240 blz.
    Prijs: € 22,50
    Uitgegeven bij Poëziecentrum

  • Non-fictie van een Amerikaanse eurofiel

    Non-fictie van een Amerikaanse eurofiel

    Paul Auster (1947) is in Nederland vooral bekend als romancier maar voor zijn eerste roman verscheen, debuteerde hij met een gedichtenbundel waarna er nog drie bundels volgden en een memoires. Maar hij is ook vertaler, nawoord-schrijver, essayist en kenner van de Europese literatuur. Door de publicatie van Levenswerk. Verzamelde non-fictie, kan de Nederlandse lezer nu ook kennis maken met die verschillende kanten van Auster.

    De tweede helft van Levenswerk bestaat uit door Auster geschreven voorwoorden en her en der verschenen gelegenheidswerk. Die stukken variëren, vanzelfsprekend, sterk in onderwerp (van Rushdie tot een film van Jim Jarmusch, van 9/11 tot basketbal), benadering en kwaliteit. Bijvoorbeeld in het stuk ‘Twintigste-eeuwse Franse poëzie’ waarin Auster op fraaie wijze de onderlinge verbanden tussen Franse en Amerikaanse poëzie weet te schetsen. Ook heeft hij een inhoudelijk sterk essay over de gedichten van Paul Celan geschreven. Tegelijkertijd bedraagt zijn te korte en daardoor onbevredigende voorwoord bij A Little Anthology of Surrealist Poems nog geen pagina, en maken zijn opmerkingen alleen maar nieuwsgierig naar een langere versie: ‘Vertalen was meer dan een literaire oefening. Het was een eerste stap naar bevrijding uit de boeien van mezelf, naar overwinning van mijn eigen onwetendheid.’ Erg zweverig, maar toch beslist interessant, en vervolgens blijft het precieze hoe en wat helaas duister. Auster is een wisselvallige essayist die zich net iets te vaak verliest in quasifilosofie. Neem een opmerking als de volgende:

    ‘Onze ogen volgen de beweging [van de strepen op het schilderij] op dezelfde manier als we een gedicht van boven naar beneden over een pagina volgen, en zoals de regel in een gedicht een eenheid van adem is, is de lijn in het schilderij een eenheid van gebaar. De taal van deze werken is de taal van het lichaam.’

    In deze passage is een verwijzing naar de Amerikaanse dichter Charles Olson te herkennen, die stelde dat het metrum van gedichten op de ‘adem’ van de dichter gebaseerd moet worden. Zo’n redelijk obscure verwijzing gebruiken om een schilderij te duiden, is een rare kunstgreep die te ver van de materie van het schilderij afdwaalt. Zonde dat Auster in zo’n essay niet gewoon met het materiaal voor hem aan de slag gaat, naar de schilderijen kijkt, en vervelend abstract wordt. Die zweverigheid speelt hem vaker parten, en zorgt ervoor dat veel van de teksten echte substantie missen.

    Hoe wisselvallig ook, het is toch best fijn grasduinen in de hier bijeengebrachte stukken. Het is opvallend hoe euro- en (nog specifieker) francofiel Auster is. Hij behandelt schrijvers over wie vrijwel elke Nederlandse literatuurliefhebber op z’n minst gehoord heeft (Kafka, Beckett, Hamsun), alsmede minder bekende sterren als André du Bouchet en Jacques Dupin. Er ontstaat een opvallend perspectief door de vertaling: Auster schreef zijn op een Amerikaans publiek gerichte voorwoorden bij veelal Europese literatuur. Vervolgens krijgt de Nederlandse lezer die veramerikaniseerde blik op Europa voorgeschoteld, en dat is best verfrissend.

    Aan die tweede helft vol mengelwerken gaat uiteraard ook een eerste helft vooraf: een aantal van Austers eerder uitgegeven memoires, zoals zijn prozadebuut Het spinsel van de eenzaamheid (1982). Het is ook vooral dat debuut dat het sterkste deel van Levenswerk is en leest als een uitstekende novelle: een reconstructie van het schijnbaar onopmerkelijke leven van Austers vader. In het tweede, essayachtigere deel schrijft Auster over zichzelf in de derde persoon, en over zijn eigen rol als vader. De structuur is veel associatiever: Auster vertelt bijvoorbeeld over Pinoccio voorlezen aan zijn zoon, en koppelt dat boek aan de tekenfilm van Disney, aan het Bijbelboek Job, en uiteindelijk ook weer aan zijn eigen vaderschap. Omdat beide delen over vaders gaan, beginnen ze elkaar zo te spiegelen: het ene gaat over een afwezige vader, het andere is een soort zelfonderzoek van een aanwezige vader.

    Die memoires, die de grens opzoeken met fictie en de essayistiek doet denken aan het recente Winterlogboek (2012). Helaas is dat werk, samen met zusterboek Bericht vanuit het innerlijk (2013), niet in Levenswerk opgenomen. Beide boeken zijn autobiografische werken, aan de hand van één thematische leidraad; respectievelijk het lichaam en de geest. Ze zijn beide nog in de handel, dus hun ontbreken is niet heel vreemd, maar de ondertitel Verzamelde non-fictie wordt zo wel ondermijnd. Zo’n ondertitel doet immers vermoeden dat de hier gepresenteerde non-fictie ook compleet is. Beide boeken zouden bovendien perfect gepast hebben bij de hier wel opgenomen autobiografieën-met-leidraad Het spinsel van de eenzaamheid (vaderschap), Van de hand in de tand (geld) en Oefeningen in waarheid (toeval). Autobiografisch mag overigens ruim opgevat worden: Auster schrijft ook over de levens van anderen die hij al dan niet persoonlijk heeft gekend. Je moet wel meegaan in de sprongen die de auteur maakt, en het enthousiasme delen over alle verhalen van anderen die hij deelt. Een speciale vermelding verdient Van de hand in de tand, een verslag over Austers relatie met geld en werk, waarin hij vertelt hoe hij als respectievelijk aspirerend en beginnend schrijver brood op de plank kreeg. Dit boek is daarom al een uitstekende leestip voor jonge auteurs.
    Het zijn uiteindelijk die memoires die Levenswerk net dat beetje meer gewicht geven. Het boek is namelijk een mooi, maar onevenwichtige uitgave geworden. Niet alleen is de verzameling incompleet, maar ook de kwaliteit van de stukken in het tweede deel, valt geregeld tegen. De opgenomen memoires daarentegen zijn echter zeer overtuigend. Het is prettig grasduinen in het omvangrijke boek maar de vraag blijft evenwel of je als niet onvoorwaardelijke Auster-fan bereid bent vijftig euro voor dit toch wat wisselvallig boek neer te leggen.


    Levenswerk

    Paul Auster
    Vertaald door Annelies Eulen
    624 pagina’s
    Uitgegeven bij De Bezige Bij

  • Les Murray en kaddisj zeggen.

    Eregast van literair tijdschrift Liter dit jaar is de Australische dichter Les Murray. Dat houdt de belofte in dat nieuw werk van Murray een primeur zal vinden in de komende edities van Liter van dit jaar. Zijn vertaler, Maarten Elzenga zal hem steeds, (volgens de redactie) daarbij begeleiden. In figuurlijke zin wel te verstaan.

    De eerste begeleidende bijdrage van Elzinga gaat over de nieuwste poëzie van Les Murray. En hoe hij sinds 1994, tijdens een vertalers meeting, steeds meer in de ban is geraakt van Murrays poëzie. Interessant is te lezen dat Elzinga altijd opnieuw door angst wordt overvallen wanneer hij zich voorbereidt op het vertalen van een gedicht van Murray. Hierbij maakt hij de vergelijking met de taak die de Griekse koning en stichter van Korinthe, Sisyphos door de onderwereld werd opgelegd. Namelijk: Een steenblok (lees taalbrok), naar de ijle hoogte te duwen waar de brontekst zich bevindt, en hopen dat dat blok weerspannig door de Nederlandse taal, niet helemaal terug rolt naar de voet van de berg. En het vertalen opnieuw kan beginnen. Voor de vertalingen die in dit nummer zijn opgenomen vroeg Elzinga dan ook vertaler Dorien de Vries te hulp. Deze samenwerking verliep zo goed dat volgens Elzinga niet meer met zekerheid te zeggen is wie voor welke ingeving/vertaling verantwoordelijk is. Een mooi bijdrage over hoe (poëzie) vertalers werken.

    Liter gelooft in mooie literatuur’ is het credo van dit christelijk literaire tijdschrift. Geloven in deze tijd kent vele aspecten waarbij een godsbeeld steeds meer wordt losgelaten. Het ultieme doel van nu is zich niet meer een weg te bereiden naar de hemel maar het aardse leven te behouden. Geloven in duurzaamheid. Lodewijk Dros, die regelmatig over dit thema essays publiceert, verwoordde dat eens als volgt: ‘(…) leven uit het besef dat we met hoofd en hart en handen deel zijn van de Aarde. (…) verbonden zijn met alles om ons heen, met aarde, water, lucht en vuur, en met de generaties die na ons komen. ‘ Wat hier ontbreekt is het verleden, van waar we komen. Het duurzame heden is de schakel tussen toekomst en verleden.

    Over de holocaust en de oorlog is al veel gezegd en geschreven. Maar niet eerder kwamen gedichten zo direct binnen, als de gedichtenserie Kaddisj van Jane Leusink. Heden en verleden met een wenk naar de toekomst waarin god nog wordt aangezegd. De serie van dertien gedichten wordt voorafgegaan door een zwart/wit foto waarop een man en een vrouw op een strand. De man in pak met in één hand een paar handschoenen. Hij kijkt alsof hij erg zijn best doet er goed ‘op’ te komen. Naast hem een vrouw, zittend in de omlijstende boog van zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Ze draagt een hoedje en kijkt wat ongelukkig, niet op haar gemak. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de dichter en na enig zoeken blijkt het uit het familie archief te komen van haar inmiddels overleden echtgenoot. Ook heeft ze bestaande teksten gebruikt zoals te begrijpen valt uit het 4e gedicht Een zoon is geboren. In cursief staat erboven “Wat zich verstopt hield / in mijn kogelronde buik aan botjes, spiertjes / in een kleine romp, ik kijk en kijk tot het klopt.” Waarna het gedicht vragend begint: ‘Ben jij het Gudes die dit zegt? Je stuurt een foto / als een hart. Uit de  kinderwagen (kap neer voor beter zicht) / kijkt je baby blakend toe, oogjes onder wenkbrauwboogjes // (…) Een kleine prins, meteen al in licht gegoten. Achterop / haast sprakeloos van ongeloof in Jiddisch, Duits en Nederlands tegelijk / dit is een foto van mijn lieve zoon en dat je die stuurt / als herinnering aan hem.’
    Waarbij  in de laatste regel de vraag oprijst of de ontvanger van de foto Eljie was, de man met wie ze trouwde, weer van scheidde en daar tussen in een kind met hem kreeg. Duidelijk is dat een leven in poëzie gegoten, evengoed een standbeeld is voor de nabestaanden.

    Nog even de jonge dichter Maarten Buser (1991) onder de aandacht. Vertegenwoordigd met drie gedichten waarin alles draait om de protagonist Claude en de ik persoon. De twee- of drieregelige strofen, waarin Buser zijn gedichten schrijft, geven op zich al genoeg beeld geven om mee voort te kunnen. Sinds iemand hem bezwoer dat ‘je niet kunt vereren / wat je niet kunt wiegen’, wil Claude // houtsnijder zijn. / nu praat hij over ‘een eierschaal / waar ik voorzichtig mijn Christusje uit zal tikken. (Uit: Naar de natuur).

    Genieten van zijn taalgebruik met regels als, ‘Tussen ons ontspon zich een stilte’, en ‘Ik zou nu graag voor hem bidden maar mijn handpalmen glijden steeds van elkaar af’. De laatste regels zijn van het gedicht Kalmerend groen dat begint met: ‘Ik heb een beetje zeep in mijn pyjamamouw / geknoeid. (…).’ Ondanks de vreemde voorstellingen in de gedichten schrijft Buser duidelijke taal.

    Meer bijdragen van onder meer Daniel Rovers, C.S. Lewis, Els Meeuwse, Marianne van Reenen, Arthur Schnitzler, Jan Sonneveld en Nels Fahner.

    Lees meer (en een eigen exemplaar van Liter bestellen) via deze link: www.leesliter.nl

     

     

  • De moppentrommel van Wouter Godijn

    De moppentrommel van Wouter Godijn

    Wouter Godijns poëzie lijkt sterk onderhevig te zijn aan smaak, getuige de zeer verdeelde ontvangst van zijn bundels. Dat ligt aan de eigenaardige, wilde gedichten die Godijn schrijft, die door de een beoordeeld wordt als ‘[g]eniaal gezeur, kortom’ (Piet Gerbrandy) en door de ander als ‘een beetje pijnlijk en vermoeiend’ (Joep van Ruiten). Bovendien heeft Godijn nogal de neiging tot humor, en van alle kunsten lijkt humor nog wel het sterkst een kwestie van smaak te zijn. Zo vindt uw recensent Van Oekel’s Discohoek hilarisch, maar heeft hij ook gemerkt dat zeker niet iedereen zijn enthousiasme deelt. Godijns humor drukt een groot stempel op zijn poëzie, zo groot zelfs dat die het karakter van de gedichten lijkt te bepalen.

    Maar afijn, laten we eens inzoomen op de bundel De professor en de hyena, die uit drie delen bestaat. De vrij losjes opgezette afdeling ‘Hyena’, en de twee reeksen ‘Dat ik nog steeds niet geloof’ en ‘De professor’. De afdelingen komen losjes bij elkaar in het slotgedicht: ‘De dichter die eigenlijk de professor is die de hyena is / heeft een droom (is het wel een droom?)’. Maar voor het zover is gebeurt er het een en ander: Terminators dringen het huis binnen, een teddybeer is een hyena geworden, een professor krijgt een nieuwe naam: ‘Case. Test Case.’, en nog veel, veel meer. De gedichten zelf zitten vaak tot de rand volgepropt:

    Terminators in ons huis! Als we are killed
    zullen ze onze plaats innemen niemand nobody
    zal het verschil zien see the difference filmisch
    violence. Ik heb – eindelijk – een uzi,
    mijn vrouw zon geweer – naam vergeten – riot gun? –
    waarmee je dwars door een muur kun schieten (in slow motion rondvliegend,
    bijna in fladderende koolwitjes veranderend puin).
    Naar de zolder! Naar de zolder!
    De voormalige gouverneur van Californië verschijnt.
    Is even later weer verdwenen suddenly he disappeared he must save
    the neighbours. Kletterbattlebattleketter.
    Naar het dak! Ten slotte buigen wij
    over onze stil geworden lichamen
    wie won, waarom, wie zijn
    wij. We – en nu graag een tabaksbruine heldenstem –
    just don’t know honeyponey.

    De gedichten roepen veel associaties met het werk van andere dichters op. Godijn gebruikt regelmatig typografische eigenaardigheden en handgeschreven tekst, en maakt een keer een tekeningetje bij een gedicht. Die buitenissigheden doen aan Tonnus Oosterhoff denken, en nog wat verder terug in de tijd, aan Paul van Ostaijen. Godijn doet ook denken aan de breedsprakerige gedichten van zijn uitgeverijgenoot Micha Hamel. Daar moet je tegen kunnen; beide dichters kunnen vermoeiend worden in hun woordenstroom. Godijn houdt er bovendien een merkwaardig, vaak aan Lucebert herinnerend idioom op na. Kijk niet gek op van ‘kééééééfkefkefkef’, ‘ziegeenhandvoorogenwaarzijnwenu?’, ‘kalekloekklokkeplop’ of ‘brulslaaf’.

    Of De professor en de hyena je kopje thee is of niet, bepaalt de leesbeleving van deze bundel ontzettend. Het mee kunnen gaan met de gedichten maakt het verschil tussen een spannende wending en de zoveelste rare kwinkslag. Nu komt de ‘ik’ in dit stuk: ik kan er zelf niet tot nauwelijks in mee. Godijns humor is mijn smaak niet en al snel begon dat, in combinatie met het complete gebrek aan dosering, mij tegen te staan. Mag je een bundel op haar ongedoseerdheid aankijken? Ja hoor, dat mag best als het grootste deel van de gedichten in lange reeksen gepresenteerd worden.

    Je kunt je afvragen of Godijns poëzie van die reeksinsteek profiteert. De professor en de hyena is tjokvol, maar roept tegelijkertijd de vraag op of er eigenlijk wel zoveel gebeurt. Afwijkende typografie, het vreemde idioom, de tekening nota bene, ze zijn allemaal leuk en tot op zekere hoogte best vrolijkmakend, maar echt veel gewicht hebben die toevoegingen niet. Er mist een stevige bodem onder die Spielerei. De gedichten worden daardoor nogal vluchtig; soms lijkt één pufje genoeg om het gedicht de andere kant op te laten waaien. Dat Godijns gedichten zichzelf ondermijnen, zoals vaker over zijn poëzie is geschreven, is prima hoor, maar ze worden er ook vaak te vrijblijvend van.

    De moppentrommel staat vaak onveilig dichtbij in De professor en de hyena, en ofschoon doodserieuze poëzie ook allerminst een pretje is, mist er te veel een bodem om deze bundel echt beklijvend te achten. En nu ga ik deze recensie eens fijn ondermijnen: Maar misschien kijkt u heel anders tegen deze poëzie aan.

  • Google maps en de Zondvloed

    Google maps en de Zondvloed

    Poëzierecensie door

    Ellen Deckwitz debuteerde in 2011 met De steen vreest mij en een jaar later verscheen Hoi feest. Beide gedichtenbundels waren eigenzinnig, technisch sterk en esthetisch fraai. Hoi feest lag in het verlengde van het debuut, maar De blanke gave verschilt sterk van het eerdere werk, terwijl de gedichten wel duidelijk Deckwitz-gedichten blijven.

    Deckwitz’ poëzie lijkt evenwel soberder geworden: er is minder in het oog springende taligheid. In eerdere bundels was er steeds een min of meer anekdotisch kader rond haar taalspel. Ze liet de taal kantelen, gebruikte beelden die tegelijkertijd associatief en intuïtief waren. De anekdotiek lijkt zeker in de eerste afdelingen van de De blanke gave verder naar voren geschoven, en het talige naar achteren. Dat is weliswaar toch een beetje jammer, maar inhoudelijk valt er gelukkig genoeg te beleven.

    Net als haar eerste bundel De steen vreest mij, is De blanke gave een los opgezette conceptuele bundel, wederom rond een familie. Over de vader in De blanke gave leren we dat hij soldaat is geweest die vaak bidt en Noach bewondert. Het achterliggende verhaal van deze bundel is niet zozeer een familiegeschiedenis, maar een verslag van de aarde die overstroomd wordt. De parallel tussen de Zondvloed en menselijke onverschilligheid tegenover het milieu, wordt via die Noach-vermelding impliciet, maar duidelijk getrokken. De vijf afdelingen van de bundel doen uiteraard aan de vijf bedrijven van de (Griekse) tragedie denken, waardoor je als lezer al snel doorkrijgt dat er iets vreselijk mis zal gaan.

    De aarde wordt in De blanke gave al snel geteisterd door overstromingen. Een punt van kritiek is wel dat het toekomstvisioen van een ondergelopen aarde erg expliciet naar voren komt. In het gedicht ‘Visje’ staat: ‘Ik droomde van een visje. Een jongetje of een meisje, / het maakte niet uit. Zolang het ademde. Het zou een prachtig / staartje krijgen.’ Vul ‘Het zou een prachtig’ eens niet aan tot ‘kind(je) zijn.’; een omgekeerde evolutie. Als de ‘ik’ dan ook nog eens de atlas ‘alvast […] atlasblauw’ krast, wordt het wel heel duidelijk wat er gaat gebeuren.

    Dat probleem wordt al eerder in de tweede afdeling helder neergezet, in het gedicht ‘Hij had het de hele avond over drie ijsmummies uit de Eerste Wereldoorlog die in 2010 onder smeltende gletsjers vandaan kwamen’. Daarin staat de volgende passage:

    voor google maps fotograferen ze elk jaar de
    gletsjers opnieuw

    omdat het googlen van gletsjers iets meer energie
    kost dan twintig gloeilampen een week laten branden

    en dat is prachtig

    ieder jaar danken we google maps
    dat ze weer wat voorgeslacht
    onder het smeltijs vandaan halen

    Het sarcasme druipt er vanaf. De logica tussen het fotograferen en waarom dat gebeurt (‘omdat’) klopt niet, en die ‘en dat is prachtig’ staat daar zo geïsoleerd dat je niet anders dan af kunt vragen hoe dat hoge energieverbruik nu prachtig kan zijn. Het gedicht vraagt op deze manier extra aandacht om te lezen, waardoor de impliciete boodschap des te harder overkomt.

    Volgens de wetten van de tragedie zou in de vierde afdeling van De blanke gave de catastrofe plaatsvinden. In die afdeling, ‘Kleine paarden’, is echter van water geen sprake. Rick is het hoofdpersonage; al aan het begin van de bundel dook hij even op als een vriend van de vader van de ‘ik’. Een schijnbaar los draadje als de persoon Rick, blijkt verderop in De blanke gave ingewoven te zijn, en dat gebeurt vaker. Waar sommige gedichten aanvankelijk buiten het verhaal lijken te vallen, blijken ze vaak toch een plaats in het geheel te hebben.

    Rick leek eerst een onbezorgde man die van elke blauwe envelop ‘een bootje […] vouwde dat echt kon drijven’, maar in ‘Kleine paarden’ blijkt hij een getraumatiseerde soldaat te zijn. In gedachten beleeft hij zijn tijd in het leger steeds opnieuw, getuige de Michauxachtige regels ‘laat je oogleden kadasters zijn / waarvoor soldaatjes daveren.’ Deckwitz’ taligheid komt duidelijk in deze reeks naar voren: door de gedichten heen komen woorden en beelden langs die te maken hebben met het geweld. ‘onze rick / je zou hem zo perforeren / door de kamer strooien / met het raam wijd open’ lijkt eerst betrekking te hebben op Ricks verstrooidheid, maar krijgt door zijn verleden een pijnlijke lading.

    ‘Kleine paarden’ gaat bovendien ook over schuld: ‘[Hij bedoelde] zijn glimlach niet als gunst […] maar als het inlossen van schuld / oprichten van een schild. // We vertellen moeders dat hij sommige jongetjes / uit de rij heeft getrokken.’ Ricks traumatische herinneringen aan zijn gedrag als soldaat is een soort spiegel geworden van de menselijke onverschilligheid tegenover het milieu. Hoewel er geen verwijzingen naar water in de reeks staan, is de Zondvloed zeker niet op veilige afstand. De overstromingscatastrofe wordt buiten beeld gelaten, waardoor die nog dreigender wordt.

    De overstromingstragedie loopt bijna laconiek af: de mensen wennen aan het water, in New Orleans wordt weer vrolijk pianogespeeld alsof er niets aan de hand is en ‘de kinderen die resteerden zeilden blij.’ Het is de ongemakkelijke conclusie van een duidelijk geëngageerde, maar nooit pamfletterige bundel. Onder het verhaal van De blanke gave liggen genoeg ideeën om het hoofd van menig lezer te laten borrelen.

     

    De blanke gave

    Ellen Deckwitz
    64 blz.
    € 15,00
    Uitgeverij Atlas/Contact

     

  • Er is een touw om je nek

    Er is een touw om je nek

    Poëzierecensie door

    Jan Arends (1925-1974) heeft, onder meer door zijn uiterst kale taalgebruik, veel bewonderaars. Een van hen is Oscar van Gelderen, uitgever bij Lebowski. Bij die uitgeverij verschenen vorig jaar verschillende (her)uitgaves van Arends’ werk. Naast twee verhalenbundels en een biografie, zijn er ook weer gedichten van Arends verschenen. Lunchpauzegedichten (1974) is heruitgegeven, en er is een nieuwe poëziebloemlezing uitgebracht: Roofbloem.

    Roofbloem is een ietwat overbodige uitgave. De selectie kent namelijk een aanzienlijke overlap met Lunchpauzegedichten, en is ongeveer even dik. Roofbloem had daarom beter een dikkere bundel kunnen worden, met meer werk dat niet in de eerstgenoemde bundel staat. De meest geïnteresseerden zullen Lunchpauzegedichten immers aanschaffen wegens de goed reputatie van die bundel, en wellicht Roofbloem als supplement kopen.

    9200000036183455De toegevoegde waarde van Roofbloem zit in de reeks fraaie liefdesgedichten voor Haleine, en ook in Arends’ vroege werk. Die eerste gedichten missen scherpte en zijn vrij traditioneel, rijmende gedichten, maar ondertussen zijn ze wel duidelijke voorecho’s van de latere Arends:

    Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
    ik ben het geraamte van mijn broer,
    die gisteren is dood gegaan;
    de dood staat altijd op de loer.

    De dood staat altijd op de loer
    en met hem zeven zonden,
    die mij wel slepen naar de hel
    als zij mij vinden konden.

    Maar ik sta illegaal op straat
    te wachten in de regen,
    te wachten tot mijn zonden gaan,
    maar straks zijn het er negen.

    Ik durf mijn huis niet in te gaan;
    de dood staat altijd op de loer;
    ik sta in de regen op de straat
    in het geraamte van mijn broer
    .

    Een fantastisch gedicht is het allerminst (let op de rare zinsvolgordes, onnodige herhalingen en de rijmdwang ‘regen’-‘negen’). Bovendien zit het tegen Hendrik de Vries-epigonisme aan. En toch, ‘[het] geraamte van mijn broer’ is een aangrijpend beeld, veel aangrijpender dan dat matige ‘de dood staat altijd op de loer’ (bovendien, men staat niet maar ligt op de loer). Daarnaast doet de dood in dit gedicht ook gelijk denken aan een van Arends’ latere, mooiste gedichten: ‘Je / ligt in bed. // Er / is een touw / om je nek. // Het / leven is goed. // Het / brood is vers. […] Je / gaat naar bed. // Er / is een touw / om je nek.’

    Arends bedient zich van een opvallende, om niet te zeggen merkwaardige verstechniek. Elke strofe is bij hem een zin en andersom. Elke regel bevat hoogstens vier, vijf woorden. Dat doet enigszins denken aan de manier waarop poëzie vaak geparodieerd wordt: woord enter woord enter woord enter woord. (Zie ook Jules Deelder: ‘Ge- / dich- / ten / zijn / vaak / lang / en / smal’.) Arends weet echter heel goed wat hij doet. Hij zet de lange, smalle vorm op uitstekende wijze in: hij bouwt vaak langzaam een gedicht op en gebruikt daarbij vaak herhalingen (zie bijvoorbeeld ‘Zo / is hout’ en ‘Zo / is het woord’). Daardoor krijgen de gedichten iets mantra-achtigs. Rustig bouwen de beelden zichzelf op, en ze worden nergens vaag.

    Wat overigens ook verloren gaat bij Roofbloem: het poëticale openingsschot van Lunchpauzegedichten. Weliswaar is ‘Voor Gerrit Kouwenaar’ in beide bundels opgenomen, maar in Lunchpauzegedichten wordt rond beelden uit dat gedicht een duidelijke poëzieopvatting naar voren geschoven: de poëtica van de destructie. Laten we het gedicht erbij pakken (en let ook op die fraaie mantra-achtige herhalingen):

    Wie / een boom / tekent / laat / het weten / zien.

    Een / boom / is geen taal.

    Een / getekende boom / is taal.

    Een / bijl maakt hout / van de boom.

    Zo / is / een omgehakte boom / een daad / van de taal.

    Alles / wat zegt / dat de boom / bestaat / is / taal.

    Een / bijl / maakt hout / van de boom.

    Zo / weet / de bijl / van boom / en hout / en bijl.

    Zo / spreken / de handen / van de mens / van de boom.

    Zo / is hout / de taal / van het huis.

    Zo / is het woord / de woning / van / de / mens.

    Als je / eindelijk kunt zien / hoe de boom / vertakt / dan is het winter.

    Het gedicht roept de associatie op met bomen die gekapt worden om tot papier verwerkt te worden: als ondergrond voor taal. Om te scheppen dient er vernietigd te worden. Vervolgens duiken er steeds vaker bomen en bijlen op in Lunchpauzegedichten, waarbij het beeld van de boom gelijkgesteld lijkt te worden aan de poëzie zelf. Arends heeft het verderop in de bundel immers over ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.’ Deze strofe wordt dan ook geregeld geciteerd als er over Arends geschreven wordt (zo ook in de nawoorden bij Lunchpauzegedichten én Roofbloem). De bijl duikt onder meer op in een indringend titelloos gedicht:

    Wat
    geeft dat toch
    een angstig gevoel
    van vrede
    als vader
    zijn bijl slijpt.

    Het fijne aan Lunchpauzegedichten is dat er allerlei dwarsverbanden gelegd kunnen worden. Een gedicht als bovenstaande zorgt op zichzelf voor vragen (waarom slijpt de vader de bijl? waarom geeft dat een angstig gevoel van vrede? wat is een angstig gevoel van vrede?), en daarin zit voor een deel de charme van het gedicht, maar lees het eens in het licht van een andere Arends-klassieker, die begint met de regels ‘Ik ben / vijftig jaar / en geen / aardige man.’ Over deze man leren we dat hij geen vrouw en kinderen heeft, dat hij ‘veel geonaneerd [heeft]’,  het brood besmeurt en ellende bezorgt waar hij komt. En dan volgt de wending van het gedicht:

    Misschien
    kom ik morgen
    bij u
    met een bijl.

    Maar
    schrikt u niet
    want ik
    ben god.

    Alweer een bijl die opduikt. En wijst die ‘schrikt u niet’ op een angstig gevoel van vrede? Er heerst een constante dreiging in Arends’ poëzie, die van de opzichtig aanwezige dood is veranderd in bijlen en stroppen, die tegelijkertijd concreet en ongedefinieerd is. Dat maakt deze gedichten behoorlijk beklemmend, maar tegelijkertijd zijn ze door hun verrassende vorm en opbouw ook erg uitnodigend.


    Lunchpauzegedichten
    en Roofbloem

    Jan Arends

    Blz.: 67
    Prijs: € 12,50
    Uitgegeven door De Bezige Bij en Lebowski

     

  • Onscherp beeld op onscherp beeld

    Onscherp beeld op onscherp beeld

    Dylan Thomas (1914-1953) is nog altijd een grote naam in de poëziewereld, hoewel die positie wel ter discussie staat. In Groot-Brittannië is zijn werk populair onder een grote groep lezers, terwijl onder critici zowel grote liefhebbers als haters te vinden zijn. Vreemd is Thomas’ populariteit echter niet, want zijn poëzie lijkt met een vrij klassiek beeld van poëzie te corresponderen. De gedichten zijn muzikaal, het rijm is duidelijk maar dringt zich niet op, en de gedichten zitten vol beelden.

    Thomas is geen vreemde naam voor veel Nederlandse lezers, en daarom is het vreemd dat er niet eerder zo’n selectie van zijn gedichten naar het Nederlands is vertaald. Hugo Claus vertaalde Thomas’ toneelstuk Under Milk Wood en ook zijn er bundels korte verhalen in vertaling verschenen, maar een keuze uit zijn poëzie nog niet. Thomas zou vorig jaar honderd zijn geworden, en toen was het blijkbaar pas tijd voor een bloemlezing. Die uitgave, Gedichten, maakt duidelijk waarom er zo’n verdeeldheid van meningen is ontstaan.

    Eigenlijk was Thomas niet eens zo heel diep van binnen gewoon een ouderwetse dichter, een romanticus die ook aan het surrealisme heeft gesnuffeld. Zijn pathos en gezwollen toon kunnen bij sommigen allergische reacties oproepen, en door anderen weer als de charmes van zijn werk ervaren worden. Er zit echter een vermoeiende kant aan Thomas’ dichterschap: zijn neiging om onscherp beeld op onscherp beeld te stapelen, waardoor er een druk, maar behoorlijk wazig tafereel ontstaat. In een paar regels gaat het bijvoorbeeld van loden sterren en een regenhamer naar hagelpijl en kindersneeuw; het doet allemaal nogal vergezocht aan.

    Gedichten is een degelijke, tweetalige uitgave, met een korte, maar prima inleiding en beknopte aantekeningen achterin. Vergeleken met de voorbeeldige uitgave als Honderd gedichten (Paul Verlaine, vertaald door Peter Verstegen) is de context bij Thomas’ werk nogal mager. Er is immers genoeg (Engelstalige) literatuur over zijn poëzie verschenen.  De selectie compenseert dat gebrek enigszins: de bekendste gedichten (zo’n beetje elk gedicht van Thomas dat in bloemlezingen uit de moderne Engelse poëzie staat is aanwezig) staan in de bundel, aangevuld met een ruime selectie aan onbekender werk. Maar waar het nog meer om gaat is of de vertaling goed is.

    Vertaler Cornelis Schoneveld laat zien dat hij prima kan vertalen. Hij demonstreert bijvoorbeeld een fijne flexibiliteit in zijn vertaling van het welbekende ‘Do not go gentle in that good night’. Schoneveld maakt bijvoorbeeld van de meervoudige subjecten in het origineel (o.a. ‘wise men’, ‘wild men’) enkelvoudige onderwerpen (‘de wijze’, ‘de wilde’). Daardoor kan hij van de refreinregels afwisselend gebiedende wijs en een zin in derde persoon enkelvoud maken: ‘Scheld/scheldt scheld/scheldt tegen het licht dat het sterven wacht.’

    Die creativiteit maakt het des te vervelender dat samenstellingen geregeld los van elkaar geschreven worden. Een ‘handmade moon’ bijvoorbeeld wordt een ‘handwerk maan’ en niet gewoon een ‘handwerkmaan’, terwijl bijvoorbeeld ‘lover’s tomb’ wel ‘minnaarsgraf’ wordt. De her en der foutief gespelde samenstellingen zijn niet alleen slordig, maar maakt de vertaling soms ook lastig te volgen. ‘haar hout-getongde deugden / [k]abbelen als ’n klinkboei boven elk psalmzang hoofd’ is bijvoorbeeld een vreemde passage, en niet zozeer door de neologismen, maar vanwege die laatste twee woorden. In de originele tekst blijkt ‘psalmzang hoofd’, ‘hymning heads’ te zijn. Het Thomasiaanse ‘psalmzanghoofd’ zou de correcte spelling zijn geweest. ‘Laat ik je iets dichten van het raven kwaad’ is ook weer zo’n vreemde, schijnbaar a-grammaticale zin. ‘raven kwaad’ blijkt ‘raven’s sins’ te zijn. Had er dan ‘ravenkwaad’ van gemaakt. In zulke gevallen moet je de originele tekst erbij pakken om te snappen wat er nu eigenlijk in de vertaling staat, en dat zou niet nodig moeten zijn. Zulke storende spelfouten staan helaas te vaak in de bundel.

    Gedichten is een redelijke introductie tot het werk van Dylan Thomas’. De contextualisering van de gedichten en verdere toelichting komen er redelijk bekaaid af, en dat is bij een dichter met zo’n status toch een gemiste kans. Bovendien zouden wat meer aantekeningen achterin misschien wat meer begrip kunnen kweken voor deze vaak overvolle, maar onscherpe gedichten. Gedichten maakt namelijk niet duidelijk waarom Dylan Thomas de grote dichter zou zijn die hij schijnt te zijn en waarom heel poëzieminnend Nederland kennis met hem zou moeten maken.

     

    Gedichten

    Dylan Thomas
    Gekozen en vertaald door Cornelis W. Schoneveld.
    Blz.: 160
    Prijs: € 19.95
    Uitgeverij Prominent

  • Treurnissen – Marcel Proust

    Staalkaart van de Franse prozapoëzie

    Recensie door Maarten Buser

    Even een stukje terug in de tijd: in 1842 verscheen Gaspard de la Nuit – Fantaisies à la manière de Rembrandt et de Callot van de Franse dichter Aloysius Bertrand, een verzameling van vaak buitenissige, korte vertellingen. Ze hadden het lyrische en gecomprimeerde van gedichten, maar waren in prozavorm geschreven. Waarmee het prozagedicht was geboren. In 1869 verscheen postuum Le Spleen de Paris – Petits poèmes en prose van Charles Baudelaire, met een voorwoord waarin Baudelaire zijn bewondering voor Gaspard de la Nuit uitsprak. Vier jaar later werd Le Spleen de Paris door Arthur Rimbaud onthaald als het grote voorbeeld voor zijn eigen prozagedichten; hij vond dat Baudelaire eindelijk een moderne vorm voor een moderne inhoud had gevonden. Une Saison en Enfer (1873) en Illuminations (1886) bleken later op hun beurt de voorvaderen te zijn op de prozagedichten van de surrealisten.

    In 1896 debuteerde de jonge schrijver Marcel Proust met Les Plaisirs et les Jours, een verzameling verhalen en gedichten. Een van de secties van het boek is Les regrets – Rêveries couleur du temps, dat uit prozagedichten bestaat. Deze vorm was inmiddels al een halve eeuw oud en populair onder fin de siècle-dichters als Jules Laforgue. Les regrets is inmiddels ook in het Nederlands verschenen, onder de titel Treurnissen. Proust zou overigens later een van de belangrijkste romanciers van zijn tijd worden, maar dat is een terzijde. Treurnissen bevat namelijk (nog) niet het werk van een genie, wat je misschien op basis van Prousts reputatie zou verwachten, maar desondanks zeker de moeite van het lezen waard.

    Vanwaar het korte geschiedenislesje aan het begin van deze bespreking? Treurnissen leest als een staalkaart van de verscheidene verschijningsvormen van het negentiende-eeuwse Franse prozagedicht. De meeste richtingen die de vorm eind negentiende eeuw opging zijn wel in de bundel vertegenwoordigd. Sommige van de gedichten neigen naar een kort verhaal omdat ze een duidelijke verhaalontwikkeling hebben, anderen zijn ronduit lyrische beschrijvingen. Er zit impressionistisch werk tussen, maar er zijn ook duidelijk allegorische stukken. Prousts gedichten bevinden zich bovendien vaak ergens tussen droom en werkelijkheid, tussen sprookjesachtig en realistisch. Ze herinneren er dan ook geregeld aan dat het surrealisme een Franse uitvinding is en de Franse (proza)poëzie uit de negentiende eeuw daar een uitstekende voedingsbodem voor was. Om de diversiteit te illustreren: vergelijk de volgende twee fragmenten eens met elkaar:

    Evenals de natuur kent de menselijke geest zijn schouwspelen. Hoe vaak een zonsopgang, hoe vaak een maannacht me ook tot tranen heeft vervoerd, nooit wekte die in mij een heftiger ontroering dan de grootse gloed vol weemoed die bij een wandeling tegen het einde van de dag niet minder golven in ons gemoed doet oplichten dan de ondergaande zon op het zeeoppervlakte doet schitteren.‘ (Uit ‘Innerlijke zonsondergang’.)

    Dominique zat bij het uitgedoofde haardvuur op zijn gasten te wachten. Elke avond nodigde hij een of andere hoge heer uit om in het gezelschap van spitse geesten te komen souperen, en daar hijzelf van goede huize, gefortuneerd en innemend was, hoefde hij nooit een avond alleen door te brengen.‘ (Uit het overigens opvallend Oscar Wildeësque eindigende ‘De vreemdeling’.)

    Op zijn best is Proust als hij de grenzen tussen droom en werkelijkheid opzoekt. Een gedicht kan zo a-lyrisch verhalend beginnen, en ergens tegen het einde een vervreemdende richting inslaan. ‘Relikwieën’, een van de uitschieters in de bundel, begint bijvoorbeeld zo: ‘Ik heb alles gekocht wat te koop was van de vrouw die ik ooit als vriendin wilde, maar die zich niet eens verwaardigde even met me te keuvelen.‘ Daarna begint de verteller enthousiast over al die spullen die hij van haar kocht en wordt hij steeds lyrischer, met personificaties aan toe: ‘Speelkaarten, u die zij in gezelschap van haar intieme vrienden elke avond door haar vingers liet glijden, u zag hoe ze zich verveelde of lachte‘. Het slot zet het al het voorgaande vervolgens op losse schroeven: ‘Zij heeft haar leven geleefd, of misschien heb ik het alleen gedroomd.’

    De stilistische diversiteit van Treurnissen is, hoe cliché het ook klinkt, tegelijkertijd de zwakte en de kracht van de bundel. Om met dat laatste te beginnen: in één handzame bundel krijg je een goed overzicht wat er rond die tijd aan soorten prozagedichten verscheen. Ofschoon er een niet al te geringe selectie Franse prozagedichten in het Nederlands verschenen is, zijn die vaak alleen nog tweedehands beschikbaar. Het verschijnen van Treurnissen scheelt toch weer het afzoeken van tweedehands boekwinkels. De zwakte van de bundel is echter dat voor elk van de richtingen die Proust inslaat, wel een dichter te bedenken is die daar beter in is, en wiens werk in het Nederlands beschikbaar is (vaak tweedehands, maar toch). Bertrand, Baudelaire en Rimbaud (zijn werk is overigens beschikbaar in de Perpetuareeks), en ook Stéphane Mallarmé en Jules Laforgue zijn gewoon beter met deze vorm, of eigenlijk ook gewoon betere dichters. Prousts zwakte ligt er voor een groot deel aan dat nooit echt duidelijk wordt waarom deze gedichten nu per se door Proust geschreven zijn; een duidelijke eigen smoel mist nog.

    Hoewel het zeker niet gek is als je van iemand van het formaat Proust meer verwacht, is Treurnissen gewoon een prima bundel, met een aantal fraaie uitschieters. De sterkste momenten maken de publicatie, en natuurlijk de aanschaf al de moeite waard. Treurnissen is daardoor een fraaie aanvulling op de in het Nederlands verschenen (proza)poëzie van Franse dichters uit die tijd.

     

    Treurnissen

    Marcel Proust
    Vertaling: Paul Claes en Chris van de Poel
    Blz.: 66
    Prijs: € 19,50
    Uitgegeven bij Poëziecentrum