• Oogst week 46 – 2025

    De droom van elke cel

    Maricela Guerrero is een Mexicaanse dichteres die in 2006 debuteerde. Ze heeft inmiddels een aantal dichtbundels op haar naam staan, waarvan De droom van elke cel (2018) door Lisa Thunnissen uit het Spaans vertaald werd. In een afdeling van deze bundel is een lerares biologie aan het woord, mevrouw Olmedo genaamd, die door middel van plantkunde de relatie tussen mens en natuur verheldert. De taal staat daarbij centraal: de taal van de plantkunde met haar Latijnse namen, maar ook de vergelijking tussen plant en taal: vertakkingen, afstamming, netwerk. Sommige gedichten laten zich dan ook lezen alsof ze uit een biologieboek genomen zijn, maar de onderliggende betekenis gaat dieper. Er lopen wolven door de bundel, die saamhorigheid aanduiden en zorgzaamheid. Natuur en mens moeten verenigd en beschermd worden. Guerrero roept op tot doorbreken van het ‘imperium’, tot opstand en verzet. Vertaalster Thunnissen schreef een verhelderend nawoord.

    ‘Tonaliteiten

    Er klinkt gespin, gebries dat maant:
    Het regent harder dan verwacht en de aarde brult:
    een daad van wederopbouw:
    we dromen wordingen bladgroen
    herstel:
    adem:
    regen
    op de planten en de bomen op het braakland van hiernaast:

    tonaliteiten
    waarin de dag weerklinkt
    dat we elkaar ontmoetten
    en geliefden werden
    netwerken
    en verzoenende blikken.

    Een wolvin ligt op de loer hoog in het bos’

     

    Auteur: Maricelea Guerrero
    Uitgeverij: M10Boeken

    Ik trek mijn species aan

    Hoe vaak gebeurt het dat een dichtbundel meerdere drukken mag beleven? Ik trek mijn species aan van Sasja Janssen werd in 2014 voor het eerst gepubliceerd en mag zich dit jaar verheugen in een vierde druk. Het is Janssens derde bundel, waarin ze als dichter onderzoekt hoe je je als individu staande kunt houden te midden van alle anderen. Wat is belangrijker: het bewaken van je eigen identiteit of het gevoel bij een groep te horen? Zijn we onderling inwisselbaar of onderscheiden we ons door onze kenmerken? Zijn we als mensen vervangbaar of blijft de herinnering aan onze eigenheid bestaan? Janssen beschrijft op geheel eigen wijze hoe de wereld geschapen zou kunnen zijn, waarbij de taal een grote rol speelt. Leven en dood zijn  onlosmakelijk met elkaar verbonden en gaan naadloos in elkaar over: elk einde betekent een nieuw begin. Zowel bijtend als teder dicht Janssen over een universum dat ze zelf geschapen heeft, zoekt ze naar betekenis van zoiets vergankelijks als een mensenleven, naar manieren om te overleven en om tot de kern van jezelf te komen.

    ‘Tot vandaag alleen woorden gebruikt, maar zijn daarmee
    moeten ophouden, de ramen dampen van onze gist

    door het spartelende, het vallende, het tedere, het misselijke
    het zoete, het vleselijke, het blauwige bengelen om elkaars hals.

    We hebben ons gezongen. We hebben ons voor het eerst.

     

     

    Auteur: Sasja Janssen
    Uitgeverij: Querido

    Wat deed ik daar

    Tsead Bruinja gaf zijn bundel Wat deed ik daar de wijdlopige ondertitel ‘een voluptueus biografies visiedocument met intermezzo’s en af en toe een gedicht’ mee. De ironische toon die in in de ondertitel gezet wordt, is de opmaat voor de rest van de bundel. Of het werkelijk biografisch te noemen is, blijft in het ongewisse: weliswaar neemt Bruinja in de bundel diverse rollen op zich en vertelt hij over zijn jeugd, zijn ouders, het dorp waar hij opgroeide, maar dat hoeft niet allemaal waar te zijn. Eerder is het een zoektocht naar hoe hij in het leven staat. De gedichten zijn divers van vorm en inhoud: prozagedichten, een dialoog met ChatGPT, liefdesgedichten, zowel in het Nederlands als soms ook in het Fries. Er is een afdeling met gedichten waarin de dichter gesprekken voert met ouderen in een zorginstelling en zich daarbij zo inleeft, dat elk gedicht begint met de metamorfose van de dichter in de ondervraagde. Ontroering en humor gaan hier hand in hand.

    ‘lentige herfst winterig zonnetje

    als ik mij straks enigszins krakkemikkig zonder mijn jeugdigheid te verliezen
    langs geluk gebrek en ongemak richting een nieuwe onbekommernis begeef
    hoop ik dat het waar is wat ze zeggen en meer nog hoop ik dat het niet alleen
    een dorp vergt om een kind groot te brengen maar er evenzogoed een dorp
    voor nodig is om die laatste jaren tot een fatsoenlijk einde te laten komen
    zodat ik onderweg naar het gedroomde hiernamaals of de sublieme stilte
    bevrijd van achterdocht en argwaan ervan uit kan gaan dat ik genoeg fooi
    op de toog heb laten liggen om het er een keer op aan te laten komen’
    Deze bundel is genomineerd voor de 3- of 4 jaarlijkse Karel van de Woestijneprijs.

     

     

    Auteur: Tsead Bruinja
    Uitgeverij: Querido
  • Weten wanneer je hulp moet bieden

    Weten wanneer je hulp moet bieden

    Nastya in Charkiv, Naar de frontlinie van Europa is een prachtig vormgegeven bundeling verhalen door Jaap Scholten over een hulpkonvooi naar Oekraïne, over Oekraïners in de strijd  tegen Rusland, en over arts en psycholoog Nastya. Zij is Nederlands-Bulgaars en groeide op in Den Haag en is een senior combat medic, een hospik in Charkiv. Ze is plaatsvervangend commandant van een compagnie, en spreekt Engels, Russisch en Oekraïens. ‘We helpen haar en haar eenheid al ruim een jaar. Ze is al drie jaar actief in de oorlog.’ Met geschreven en gesproken berichten via de smartphone heeft Scholten contact met haar. De berichten zijn in het boek in blauw cursief afgedrukt, net als alle uitspraken van anderen en citaten uit boeken of artikelen. Achterin het boek worden de bronnen door Scholten genoemd en toegelicht.

    Op het omslag, op de flappen en binnenin het boek staan indrukwekkende zwart-wit foto’s van Eddy van Wessel, die meereisde met het konvooi. Scholten onderneemt de tocht namens de mede door hem opgerichte organisatie Protect Ukraine. De manier waarop hij daarvan verslag doet, is meeslepend en met passende humor geschreven. Jaap Scholten verdiende zijn literaire sporen vanaf de jaren negentig met de bekroonde romans Kameraad Baron (2010) over de verdwijnende Transsylvaanse aristocratie en Horizon City (2014), de kroniek van zijn eigen familie. Sinds 2013 woont de schrijver met zijn Hongaarse echtgenote en hun kinderen in Hongarije. Direct na de Russische inval werd hij actief in de ondersteuning van Oekraïne en in 2022 verscheen daarover het boek Drie zakken dameskleding, twee cakes Kyiv & een sniper.

    Weten wanneer je hulp moet bieden

    In Nastya in Karkiv vertelt Scholten hoe hij ertoe gekomen is zich in te zetten voor Oekraïne. Op de ochtend na de invasie werd hij gebeld door een nichtje dat haar leven deelt met een Oekraïner. Ze vroeg of hij de familie van haar vriend in Kyiv kon helpen. Waarna Scholten zonder aarzelen vanuit Hongarije naar de grens reed die hij, na vier dagen wachten, wist te passeren. Daar zag Scholten hoe een roodharig meisje vanuit een roestige bestelbus een stapel dekens tevoorschijn haalde en aan verkleumde vluchtelingen uitdeelde. Hij schreef daarover al in zijn eerdere Oekraïne boek, maar hier vertelt hij wat het voor hem betekende: ‘In de vrieskou bij de grenspost besloot ik, op het moment dat de deken over de schouders van het bibberende meisje werd geslagen, dat ik niet moest blijven toekijken en noteren, maar iets moest gaan dóen’.

    De verhalen springen heen en weer in de tijd, van februari 2022 tot februari 2025. Ook kijkt Scholten terug naar november 2003 toen hij in Hongarije een huis opknapte. ‘Eigenlijk had ik veel eerder in mijn leven bewust moeten worden wat het Kremlin en Poetin bezielden, maar ik heb niet opgelet.’ Door zijn deelname aan het Europees Cultureel Parlement leerde hij onderzoeksjournalist Anna Politskovskaja kennen. Zij schreef voor de Navaja Gazeta maar werd ‘op 7 oktober 2006, de verjaardag van Poetin, in de lift van haar appartement […] doodgeschoten.’ De dag ervoor had ze een verhaal ingeleverd over de martelpraktijken in Tsjetsjenië. Scholten citeert een tekst van Politskovkaja uit 2004, waarin staat dat een journalist zich totaal moet onderwerpen aan Poetin. ‘Anders kan het de dood, de kogel of een rechtszaak zijn.’

    Het zevende konvooi

    Tien verhalen hebben als titel Konvooi 7 en zijn geschreven tijdens of na zijn reis in februari 2025. Ze zijn de rode draad in het boek en gaan over het zevende konvooi naar Oekraïne. Maar ook in de andere verhalen gaat het vaak over het konvooi en wat zich daar afspeelt. Dit konvooi bestaat uit twintig konvooigangers en ‘drie ambulances, vijf terreinauto’s een passagiersbusje en een vrachtwagen met rode kruizen.’ De auto’s zijn volgeladen met medicijnen en allerlei medische en militaire hulpmiddelen. Vooral grote en kleine drones, maar bijvoorbeeld ook haringen en stroopwafels. ‘We toeren door Oekraïne en leveren spullen en terreinauto’s af bij de eenheden.’ Ze zijn op weg naar Nastya aan het front, de reis gaat via Lviv, Kyiv, Sumy, Charkiv en Mikolajiv naar Odessa. Als eerste ontvangt Olesya het konvooi in Lviv. Zij is arts en therapeute en vertelt de konvooigangers over haar werk. Olesya heeft via internet met Scholten contact gelegd, nadat ze de Engelse vertaling van zijn vorige boek had gelezen en ze vroeg hem om spullen die ze nodig hebben.

    Onderweg ontmoeten de konvooigangers de Oekraïners bij wie de auto’s, drones en andere spullen worden afgeleverd. Jongeren en ouderen, mannen en vrouwen, medici, militairen, mariniers, beroeps en vrijwilligers, managers, boeren, chauffeurs, een graffity-artiest, een danseres. Het zijn er veel en allemaal verdedigen ze hun land. In de andere verhalen schrijft Scholten over de Oekraïense PEN, de verhouding tussen de soldaten, tussen mannen en vrouwen, over mensenrechten, en over de ontmoeting met Nastya. Zij vertelt over het moment waarop zij besloot meer te doen dan spullen naar Oekraïne te brengen: ‘Ik ben geen vechter, ik ben geen soldaat, maar helpen wil ik wel.’ Jaap Scholten, Tommy Wieringa en vijf konvooigangers bezoeken ook Nastya’s huwelijksfeest. Ze ‘straalt als de zon’ wanneer ze vertelt hoe ze haar man ontmoette. Ze trouwen en gaan twee dagen op huwelijksreis, buiten het bereik van de raketten.

    Het maskeren van bedoelingen door Rusland

    In een van de laatste verhalen vertelt Scholten over ‘maskirovka’, het maskeren van je bedoelingen, wat Rusland voortdurend doet om iedereen op het verkeerde been te zetten.  En hij schrijft over de martelingen, het geweld en de geweldsdreigingen die Poetin uit laat voeren, als bewonderaar van Felikjs Djerzjinski, de oprichter van de eerste bolsjewistische geheime dienst Tsjeka.Hun werkwijze zie je volgens Scholten terug in Oekraïne. Hij citeert en interviewt ook mensenrechtenadvocaat Oleksandra Matviichuk, die ambassadeur is voor Support Ukraine, over de ‘werkelijke racistische cultuur’ in Rusland. ‘Russische bezetting betekent gewelddadige ontvoering, verkrachting, merteling.’ Zij maakt zich hard voor een speciaal tribunaal voor Vladimir Poetin.

    In het verloop van de oorlog zijn hun tochten volgens Scholten een ‘langzame en onvermijdelijke afdaling in het gitzwarte’. De spullen die ze brengen zijn ‘stille getuigen van het desperate karakter van de oorlog’. Sinds vorig jaar nemen ze ook katheters en luiers mee. ‘Vrijwel alle Oekraïense militairen die uit Russische gevangenschap terugkeren, zijn zodanig gemarteld dat ze incontinent zijn.’ De meest gruwelijke dingen die ze hebben gehoord noteert hij niet in detail. ‘Ik heb op het laatste moment martelverhalen geschrapt, anders leest geen hond in Nederland dit boek.’ De lezer moet sowieso een sterke maag hebben, ook zonder al die martelingen. Maar het geeft een goed beeld van binnenuit wat de Oekraïense bevolking moet doorstaan en wat de westerse pers niet laat zien.

    Het konvooi eindigt in Odessa, met een wandeling langs de beroemde en door een bom beschadigde Transfiguratiekathedraal. Met de trappen die bekend zijn geworden door de film Pantserkruiser Potjomkin van Sergej Eisenstein. Scholten probeert nog van een proefgranaat af te komen, die hij als een ongewenst cadeautje in zijn bagage heeft. Hij wil het ding ongezien in zee laten vallen, als een van de ondanks de oorlog min of meer tragisch humoristische anekdotes in dit overdonderende oorlogsverhaal.

     

     

  • Dit drieluik

    Dit drieluik

    Het begon met het ogenschijnlijk onschuldige brievenboek 3lingnieuws. Waarin Felix Oestreicher, soms Gerda Oestreicher-Laqueur, familie en vrienden per brief op de hoogte houden van de ontwikkeling van hun drie dochtertjes, waarvan de jongste een tweeling. De brieven doen verslag van een gelukkig gezinsleven waar hier en daar de oorlogsdreiging doorheen sijpelt. Brieven waaruit een grote opmerkzaamheid en liefde spreekt die, met het oog op het verloop van hun geschiedenis, me ten diepste raken.

    Op 1 februari 1938 schrijft Gerda een brief over een dag met de meisjes. Hoe ze voor het slapengaan hun lievelingsliedjes zingt. Dat Beate voortdurend roept, ‘En nu voor mij’. Dat Maria stilletjes luisterend op haar duim zuigt. Hoe, als ze bij haar komt, Maria met beide handjes over haar arm wrijft. ‘Als dit misschien wel mijn beste tijd is, dan mag ik die nooit vergeten.’ (Nooit vergeten)
    Als op  27 april 1938 blijkt dat in Sudetenland de naziwetten worden ingevoerd, een verzoek voor een inreisvisum naar Engeland is afgewezen, vlucht het gezin vanuit Karlsbad, Tsjechië halsoverkop naar Nederland.

    Dit is het verhaal van een Joodse familie, vader, moeder, drie dochtertjes, de oudste 3, de tweeling 1 jaar. De komende vijf jaar verblijven ze op verschillende adressen in Nederland. Tot ze op 1 november 1943 worden opgepakt. Een van de tweelingmeisjes wordt met difterie naar De Joodse Invalide gebracht. Van daaruit naar een onderduikadres in Gorssel. De rest van het gezin, plus een grootmoeder, komen via Westerbork in Bergen-Belsen terecht. Grootmoeder overlijdt in het kamp, Gerda en Felix overlijden kort na de bevrijding aan vlektyfus in Tröbitz. Maria (9 jr.) en Beate (10 jr.) blijven alleen achter tot het Rode kruis hen naar Nederland vervoert, waar ze met hun zusje Helly worden herenigd. 

    Naderhand, is het tweede deel. Gedichten van Felix Oestreicher die hij in Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz schreef. In een van zijn laatste gedichten, april 1945, net bevrijd, schrijft hij, ‘Heel langzaam sluipen we weg, / heel langzaam, vredesvreugde komt / niet in ons op. Te lang zijn we / geknecht en in de strijd vertrapt,’. En deze (stille) woorden: ‘Maar zien we een bekend gezicht, / dan glimlacht onze stille groet: / je leeft nog! Dat is mooi, heel mooi.’ Het ontbreken van zwartgalligheid, de vergevingsgezindheid van deze woorden, het breekt me op.

    Dan de finesse. In 1993  gaan de drie zussen op zoek naar het graf van hun ouders in Tröbitz. Helly, die van haar zussen hun verhaal over de oorlog wilde horen, heeft hun gesprekken tijdens hun reis opgenomen met een cassetterecorder. Gesprekken over hoe het was. Hoe een kind (dat moet je je steeds voorhouden, dat het kinderen waren) zich het kampleven, de dood van de ouders herinnert, de honger. Hoe ze twee weken lang in overvolle treinwagons door verwoest landschap reden, toen nog met hun ouders. Een dialoog uit De Wittenbergtape:

    Maria: ‘Ik heb van die Duitsers nog een kopje soep met worst gekregen.’

    Beate: ‘O ja?’

    Maria: ‘Ik mocht van mammie niet nog een keer langs die trein om wat te halen.’

    Helly: ‘Had je dat wel gewild?’

    Maria: ‘Ja, natuurlijk. Ik wilde worst. En ik was ook stomverbaasd dat hij mij dat gaf. Een Duitser die je wat geeft?’

    Beate: ‘Ja.’

    Maria: ‘Hij had een verband om zijn kop.’

    Helly: ‘En jij liep daar gewoon met je handen op je rug langs?’

    Maria: ‘Nee, want ik bedelde. Niet met mijn handen op mijn rug, natuurlijk niet. Bedelen. Ik wist niet dat het Duitse soldaten
    waren.’

    Helly: ‘Je wist niet dat het Duitse soldaten waren?’

    Beate: ‘Je zag hen als gewonden, verder niet.’

    Maria: ‘Ja, nee. Eerst wist ik het natuurlijk niet. Ik ga toch niet bij Duitse soldaten bedelen? Dat doe je natuurlijk niet.’

    Dat schokt me. Die wijsheid waar ik onbezonnenheid verwacht. Dat ik vergeet dat het nog kinderen waren. Nee, het is dat ze zelf vergeten zijn dat ze nog kind waren.

    Hoe aangrijpend deze reis achtenveertig jaar na de bevrijding is, blijkt uit de emoties die soms opspelen. Als ze de boerderij in Tröbitz  terugvinden. ‘Bij het hek van de boerderij krijgen Maria en Beate schreeuwende ruzie. Ik heb hen nog nooit zo tegen elkaar tekeer zien gaan. Het gaat nota bene over het huisnummer van de boerderij.’, schrijft Helly.

    Martien Frijns vertelt in een nawoord hoe de doden uit de overvolle wagons werden gegooid, in de spoorbermen achterbleven. Hoe de trein na een reis van twee weken, het passeren van verschillende steden Tröbitz bereikte, ‘waar in de weilanden de paardenbloemen volop bloeiden.’

    Lijken in spoorbermen, die bloeiende paardebloemen, het contrast. Het ongewone dat zich niet met het gewone verenigen laat. Moet daar niet iets van geleerd worden. Dat wat gewoon lijkt, niet altijd gewoon is? De gedoseerdheid waarmee deze familiegeschiedenis wordt opgediend bracht me nog nooit zo dicht bij de onnoembare gevolgen van genocide. Dat ik een korte column wilde schrijven, dat me dat niet gelukt is. Lees dit drieluik.

     

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

     

  • Het moment van afdrukken

    Het moment van afdrukken

    Je had keelpijn en geen stem, cancelde alle afspraken en bleef thuis. Sjaal om je hals en vrij om op te gaan in het vuistdikke fotoboek, Maria Austria – Fotobiografie. Je bekeek elke foto, verdween in al die levens, de verhalen van die levens. Een foto uit 1947, je denk de situatie te herkennen, in de houding van de jonge vrouw op de voorgrond. In de afwezigheid van aandacht voor de drie kinderen die opzij van haar staan. Ze is gefocust op iets in haar handen. Je denkt ‘smartphone’, maar dat kan niet. De foto werd in september 1947 gemaakt in Het Apeldoornse Bos, waar in dat jaar vijfhonderd Roemeense kinderen verbleven in afwachting van hun vertrek naar Israel.

    De kinderen kijken alsof ze hen heeft buitengesloten. Je begrijpt dat je je soms moet afsluiten voor de gretigheid van kinderen. Je ziet afwezigheid. Vergelijkbaar met jonge moeders achter kinderwagens, mobiel in hun ene, met de andere hand de wagen duwend. Bij de vrouw op de foto is het of haar duimen een touchscreen aanraken, ze een bericht verzend. Je kijkt nog eens, ziet dan de bol wol onder haar linkerarm, een breinaald in haar hand, een stukje van een gebreide lap daaronder.

    Wie de foto’s van Austria ziet, begrijpt meteen waarom biograaf  Martien Frijns gefascineerd raakte door haar werk. Met haar foto’s legde ze belangrijke momenten in de geschiedenis vast. Een tijd waarin circussen nog rondtrokken, de watersnoodramp in Zeeland. Foto’s van het Nationaal ballet, Rudi Dantzig, een jonge Hans van Manen, van acteurs, schrijvers (prachtige foto van Leo Vroman met dochter Peggy uit 1969). En daarnaast de armoede in de jaren na de oorlog, beelden van het achterhuis met de vader van Anne Frank, Otto Frank. Het beeld dat je dacht te hebben van een situatie uit de geschiedenis, wordt met haar foto’s waarachtiger. 

    Meer dan achthonderd pagina’s aan foto’s, genomen over de jaren 1929 tot 1975. Ze geven je het gevoel dat er iets verloren is gegaan, de coherentie van het leven in die foto’s die is verdwenen. Het stemt weemoedig. Dat je enkel terugkijkend de geschiedenis kunt  begrijpen, dat besef als je naar Austria’s foto’s kijkt. De Nederlandse fotograaf Vincent Mentzel was bij Austria in de leer. Hij maakte bij haar veel uren in de doka, ‘waar ik leerde wat een goede druk nu eigenlijk was.’ En hoeveel papier daarbij verloren ging, ‘Verdomd veel.’ Dat zegt wat over het werk, waaraan geschaafd, gepolijst werd. En dan de vele portretten die ze maakte. Van James Baldwin, Maria Calles, Reinbert de Leeuw, Ramses Shaffy,  Chr. J. van Geel, Hans Dagelet. Een fotoreportage van Josephine Baker met haar twaalf pleegkinderen.

    Tussen al die foto’s dit portret van een jongen, vermoedelijk tien jaar. Het is de zoon van een vriendin van Austria, genomen in 1947 op de luchthaven waar hij met zijn moeder op hun vlucht naar Amerika wachtte. De jongen straalt een vermoeide gelatenheid uit, tegen droefheid aan. De schouders afhangend, armen zwaar naar beneden. Berusting en een niet weten wat komen gaat tekenen het moment. Je vraagt je af wat er van de jongen in Amerika geworden is. Zal hij zich het wachten, dat moment van de foto, zich Maria Austria nog herinneren.

    Wie was Maria Austria? Dat is een vraag die Frijns zich in de biografie stelt. Ze moet wel een hartelijke en toegenegen vrouw zijn geweest gezien de vele portretten die ze als een open boek met haar Rolleiflex vastlegde. Je vormt je een beeld van haar door haar foto’s. Altijd onderweg voor een opdracht, gegrepen door het moment waarop ze afklikte. Austria stierf onverwachts in 1975  door uitputting na een griep. Haar nicht Helly Oestreicher, die met haar twee zusjes voorkomt in 3lingnieuws, waarin haar vader Felix Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochtertjes van 1937 tot 1943 vastlegde, zegt over Austria’s werk, ‘Haar foto’s zijn geen momentopnames, ze vangen het veelzeggende moment.’ Austria’s beelden treffen je als een ijkpunt in de geschiedenis. Vol en scherp.   

     

     

    Maria Austria – Fotobiografie / Martien Frijns / 818 blz. / Uitgeverij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft wekelijks over haar leven met boeken.

  • Oogst week 19 – 2024

    Alle omhelzingen

    Duitsers komen weliswaar uit het land van de dichters en denkers, maar hun zuiderburen kunnen er ook wat van. Dit jaar zou de Oostenrijkse dichteres Friederike Mayröcker 100 jaar zijn geworden. Dat redde ze helaas net niet, omdat ze in 2021 stierf. Nauwelijks een eeuw oud, maar haar nalatenschap geldt voor de eeuwigheid.

    Dit jaar verscheen de Nederlandse versie van Von den Umarmungen op de markt, vertaald door Martinus Nijhoff-Vertaalprijswinnaar Ton Naaijkens. Hij schreef ook het nawoord van Mayröckers dichtbundel: Alle omhelzingen.

    Geheel in lijn met de lijfelijke titel ervaart Mayröcker schrijven als een fysiek proces. Ze verkeert tijdens deze activiteit in een roes waar ze nooit uit raakt. Abnormaal vindt ze deze bijna hallucinante trance. En de Duitstalige literatuur mag haar dankbaar zijn voor deze abnormale neiging tot extase: ze geldt als grootheid van de Oostenrijkse letterkunde.

    Alle omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: m10boeken

    Duivels en heiligen

    Jean-Baptiste Andréa schrijft behalve fictie ook filmscenario’s. Zijn literaire debuut Mijn koningin leverde hem direct 12 prijzen op, maar de grootste won hij dit jaar: de Prix Goncourt, de heilige graal in Frankrijk. Met Des diables en des saints, door Martine Woudt vertaald in Duivels en heiligen, vestigt Andréa zich definitief tussen de grote namen van de francofone literatuur.

    Duivels en heiligen gaat over de geïsoleerde eenling. Het boek vertelt over een nare jeugd, waarin onbedorvenheid van een jong mens keihard wordt afgestraft door de harde buitenwereld. Vanuit een keur aan registers sleept Andréa de lezer door het verhaal heen en laat hem geen moment los: zwaar op de hand, dichterlijk, laconiek, raadselachtig… maar altijd subtiel en verleidelijk.

    Hoe cliché een moeilijke jeugd ook klinkt: niet wát een schrijver vertelt, doet ertoe, maar de vertelwijze. Filmschrijver Andréa begrijpt dit. Alles is al eens verteld, niet elke manier is toegepast…

    Duivels en heiligen
    Auteur: Jean-Baptiste Andréa
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers

    Cassandra

    Op 24 maart 2007 verdween Cassandra van Schaijk spoorloos, om op 14 april diezelfde lente dood te worden gevonden in de Noorderplassen. Ze was nog geen achttien jaar oud. Behalve misdaadjournalist Peter R. de Vries proberen andere schrijvers koortsachtig dit mysterie te ontrafelen. Onder hen Niña Weijers.

    Als echte misdaadjournaliste, niet met botte bijl maar met prettige pen, dook Weijers in deze nooit opgeloste zaak. Inmiddels is haar boek Cassandra bekroond met de E. du Perronprijs, die de Universiteit Tilburg elke twee jaar uitreikt.

    Niña Weijers kon deze zaak die nooit officieel werd gesloten, maar niet loslaten. Ze zag hoe een onafgemaakt verhaal de levens van alle betrokkenen ontwricht. Bijna twintig jaar later blijft Cassandra’s noodlot onopgehelderd. Femicide? Wie zal het zeggen. Ieder slachtoffer verdient hoe dan ook een eerbetoon als dit.

    Cassandra
    Auteur: Niña Weijers
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Achterkant van de geschiedenis

    Achterkant van de geschiedenis

    Er moest iets vastgelegd worden, iets voor later. Momenten van ontwapening. Dat is wat een kind is, ontwapenend. En lerend, elke dag. Ouders leggen die ontwikkeling vast. Met foto’s, door in schriftjes bij te houden wat ze zeggen, hoe ze zich verhouden tot de ander, zelfstandig zijn. Zelf deed ik dat ook. Op zeker moment krijgen zij die schriftjes in handen, de foto’s te zien. Dat is ook wat je wilt, dat ze lezen hoe ze waren, of beter: hoe ze gezien werden. 

    Felix Oestreicher legde van 1937 tot 1943 de bevindingen van zijn drie dochtertjes vast in brieven aan familie. ‘Beate is een klein diplomaatje. Eerst ruilt ze met mooie praatjes haar step voor een vlaggetje van Helli. Vervolgens biedt ze Maria hetzelfde speelgoed aan voor een tweede vlaggetje en geeft ze Helli een of ander oud emmertje. Na hooguit vijf minuten wil ze de step weer terug. De vlaggetjes heeft ze ondertussen weer teruggegeven.’ Zo eindigt een brief die Oestreicher op Pinksterzondag, 5 juni 1938 schreef. Ze verblijven dan in Bergen aan Zee, gevlucht voor de verordeningen van de nationalistische partij tegen Joden in april van dat jaar. Ze komen vanuit Karlsbad, Tsjechië. Ze zullen nog vijf maal verhuizen, de laatste keer naar Amsterdam. 

    Niets over dreigingen of Jodenvervolging is terug te vinden in die brieven. Al is er een vermoeden van spanningen wanneer een van de meisjes ‘lange huilbuien’ heeft, of een ander ‘heel aanhalig is en kruipt van tijd tot tijd tegen me aan’. Of in zijn laatste brief, van 25 oktober 1943, waarin een afwachten van dingen die komen gaan doorklinkt:
    ‘De tijd verstrijkt met niets. ‘s Ochtends houd ik spreekuur – of wat er althans nog van over is – en geef ik de kinderen les. Afwassen is tijdverdrijf. Daar moeten de meisjes om en om steeds een week mee helpen. Met veel plezier schrobben ze de pannen schoon. Na een middagslaapje is er altijd wel een boodschap te doen met of zonder kinderen en dan is het alweer avond. Na het eten lees ik Gerda voor. Door de nachtdiensten ben ik vaker buitenshuis. Bridgen doen we bijna niet meer, eens in de vier weken.’ Einde brief.

    Op 1 november wordt hij met zijn vrouw Gerda Oestreicher-Laqueur, de kinderen en zijn inwonende moeder Clara naar de Hollandse Schouwburg gebracht. Waar Helly, een van de tweeling, op de ziekenafdeling terechtkomt. Vandaaruit wordt ze naar een onderduikadres in Gorssel gebracht. De rest van het gezin komt via Westerbork in concentratiekamp Bergen-Belsen terecht. Kort na de bevrijding overlijden Felix en Gerda aan tyfus. 

    Middels de nalatenschap van Lisbeth Birman-Oestreicher, zus van Felix, die de meisjes na de oorlog in huis heeft genomen, kwamen in 1989 de brieven in handen van Maria, inmiddels getrouwd met Joop Goudsblom. Een keuze uit die brieven staat in 3lingnieuws. In een brief, die Oestreicher zijn testament noemde en achterin het boek is opgenomen, heeft hij het over de ‘vreemde’ dromen die hij tijdens die jaren had. Dromen waarin het hele gezin zich van het leven beroofde. Of over zijn schoonvader, die hem in 1938 niet met geld wilde helpen om Europa te verlaten. Hoe hem dit stoorde, zich voorstellend, met groot relativerend vermogen, hoe ze misschien ‘wel in de Verenigde Staten terecht [waren] gekomen en nu al lang en breed fatsoenlijk omgekomen bij een auto-ongeluk.’ Dat men hoe dan ook dood gaat, maar liever door een ongeluk dan deze vooropgezette volkerenmoord.   

    In een voorwoord geeft Helly Oestreicher, de enige nog levende van de ‘3lings’, de reden voor uitgave van deze brieven. ‘Dit 3lingnieuws is bedoeld voor mijn kleinkinderen, (…) en voor mijn onderduikzus Annie Hoetink-Braakhekke en haar kinderen en kleinkinderen; evenals voor al diegenen die het leven onder de stolp van de dagelijkse dreigende gevangenneming van drie volwassenen en drie zeer jonge kinderen willen meebeleven.’ 

    Berichten van een vader die met groot genoegen vader was, zeer betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. Genegenheid voor, en verwondering over hen spreekt uit al zijn brieven. Het zijn onderhoudende, vlot lezende brieven. Hoe de kinderen leren lezen, spelletjes spelen, ruzie maken, huilbuien hebben, gedrag van grote mensen kopiëren. Tegen het licht van de Jodenvervolging is het alsof je de achterkant van de geschiedenis leest. Dit prachtig vormgegeven boek, met foto’s gemaakt door de twintig jaar jongere zus van Felix Oestreicher, Maria Austria, is een document van grote waarde.



    3lingnieuws Brieven 1937-1943 / Felix Oestreicher / vertaling Elbert Besaris / 303 blz. / bij M10Boeken


    Inge Meijer is een pseudoniem. Altijd op zoek naar een goed verhaal.

  • Henkes herleidt en vermaakt

    Henkes herleidt en vermaakt

    Bij de samenstelling van de bundel van Russische kindergedichten vanaf de 17de eeuw, Bij mij op de maan, stuitte vertaler Robbert-Jan Henkes op een gedichtje waarvan hij niet zeker wist wie de schrijver was. Wel vermoedde hij dat het van Daniil Charms kon zijn, omdat hij het al eerder was tegengekomen in diens kindergedichten. Na lang speuren naar de herkomst ontdekte hij dat het gedichtje afkomstig was uit een Russische bundel uit 1937 met veertig heel korte verhalen voor kinderen, in dichtvorm, geschreven bij plaatjes. De auteurs waren Nikolaj Radlov, Daniil Charms, Nina Gernet en Natalja Dilaktorskaja, maar nergens stond vermeld wie wat geschreven had.

    Henkes besloot hierop twee projecten te starten: een ‘Charms Research Project’, om te kijken welke gedichtjes van Charms afkomstig waren, en een ‘Cursus Charmsiaans Vertalen’, om te kijken of hij alle gedichten kon overzetten op een manier die Charms waardig was. Om te bepalen welke gedichten van Charms waren, gebruikte hij de negatieve uitsluiting: ‘Soms zijn ze (de gedichten) flauw, soms al te beschrijvend, soms moralistisch, educatief of geschreven vanuit een stakkerig volwassen standpunt, soms zijn ze met opgelegde, onbijzondere rijmen of een saai ritme, stoplappen en ander vulsel, of spreken ze nodeloos de lezer aan en wemelen ze van de uitroeptekens – allemaal kenmerken die Charms vrijwel zeker uitsluiten als auteur.’

    Charmante poëzie

    Daniil Charms (1905-1942) was een Russische schrijver van absurdistische verhalen met een gebrek aan logica, vol met vreemde wendingen. Onder het regime van Stalin werd Charms als een bedreiging gezien en daarom werd hij verbannen naar Koersk. Hij schreef na zijn terugkeer alleen nog kinderliteratuur, maar kon daarmee niet voorkomen dat hij in 1941 gevangen werd genomen en krankzinnig werd verklaard. Hij stierf in 1942, vermoedelijk door uithongering, in een psychiatrische inrichting. Niemand weet waar hij begraven ligt, maar zijn faam ging de wereld over nadat een vriend in Charms’ woning manuscripten ontdekte en deze publiceerde.

    De titels van Henkes’ projecten klinken behalve hoogdravend weliswaar grappig, zijn grondige werkwijze verraadt juist eerbied. Het resultaat is een prachtig vormgegeven boek, waarin zowel het Russische origineel van de veertig gedichten wordt gegeven, de fonetische weergave daarvan, als het bijbehorende plaatje. Ook staat vermeld welke versmaat en rijmschema’s gehanteerd zijn. Voordat Henkes zich aan de vertaling wijdt, geeft hij weer wat er letterlijk staat. Daarna vergelijkt hij de vertalingen die bestaan in het Engels, Frans, Duits en de Nederlandse versies uit 1938 en 1958. Voor de duidelijkheid zijn deze alle in het rood afgedrukt.

    Kinderlijk hoeft nog niet tuttig te zijn

    Slechts weinig vertalingen dragen Henkes’ goedkeuring weg. Ze zijn te braaf, te moralistisch, ze hebben een rammelend metrum of ze slaan de plank mis wat betekenis betreft. Ook vindt hij ze te onthullend, want voorgelezen kinderen moeten juist zelf concluderen wat er gebeurt aan de hand van de plaatjes. Dat mag niet in de tekst al verklapt worden. Zoals bij een plaatje waar een hond een stapel houtblokken beklimt om een gebraden kip uit de vensterbank te stelen en daardoor naar beneden tuimelt. Een ongepubliceerde vertaling van de Vlaamse auteur Liesbeth Elseviers is toch heel geslaagd:

    Ik pik die kip, als ik niet val.
    Als ik niet val, pik ik hem snel.
    Ik pik die kip, ik pak hem al,
    Als ik niet val. Ik wist het wel.

    2

    Henkes maakt er zelf van:
    Ik krijg dat kippertje – op het nippertje.
    Nu moet ik het niet verknallen…
    Ik wist het wel, dat ik zou vallen!

    Hij schrijft erbij: ‘Is niet heel goed Nederlands, maar het is een hond hè, moet je maar denken…Wie heeft ooit een hond goed Nederlands horen spreken?’ Een zwak verweer van Henkes, die alle vertalingen van andere auteurs genadeloos neersabelt. Alleen de versies van de eerder genoemde Elseviers en de Engelse Helen Black kan hij nog wel waarderen. De laatste maakte van hetzelfde gedichtje:

    “Now I’m going to steal that pan
    With the chicken, if I can.
    Just my luck! Well, I can say
    I don’t want it anyway.”

    Werk wijzer met een werkwijzer

    Henkes vertelt in het voorwoord dat hij bij het vertalen uitgaat van de 13 geboden van de kinderdichter Kornej Tsjoekovski (1882-1969). Hierin stelt hij dat kindergedichten vooral klankvolle eindrijmen moeten gebruiken, actie moeten benadrukken en kinderen niet moeten onderschatten: ‘Volwassenen kun je voor de gek houden, kinderen nooit.’ Er hoeven geen motieven, geen beweegredenen en geen gepsychologiseer in de gedichten voor te komen, volgens Henkes. Maar wel moet een vertaler proberen het leuker te maken door meerdere lagen aan te brengen. Dat daarbij af en toe van het origineel moet worden afgeweken, vindt Henkes geen bezwaar, het hoeft geen ‘platte navertelling’ te worden.

    Henkes geeft een mooi inkijkje in hoe hij tewerk gaat bij het vertalen. Soms schrijft hij letterlijk zijn hele gedachtegang van het begin tot het einde op, een andere keer doet hij alsof hij met zichzelf praat. Als lezer volg je het proces dat met alle struikelblokken, probeersels, overwegingen en alternatieven uiteindelijk leidt tot een bevredigend resultaat. Zijn vondsten zijn origineel en verrassend en hoewel zijn gedichtjes soms lijden aan dezelfde kwalen die hij de vertalingen van anderen verwijt, is de bundel een genot om te lezen en door te bladeren. het is heel bijzonder om naast de gedichten ook de vertalingen ervan te lezen.

    Soms iets te lollig

    Maar hoe knap de vertalingen ook zijn, het taalgebruik dat Henkes bezigt om zijn gedachten weer te geven is net als zijn humor nogal flauw. Popiejopie, om in de stijl te blijven. Die kan het beste omschreven worden met typeringen uit vroegere ‘meisjesboeken’: tof en jofel. Alsof je Joop ter Heul hoort spreken. Zo schrijft hij zinnen als: ‘Blèr!’ en ‘Krijg nou tieten!’, terwijl hij eerder gesteld heeft dat uitroeptekens ‘onmachttekens’en ‘uitpoeptekens’ zijn. Als hij over een Engelsman spreekt, komen daar een ‘Amerikaansvrouw, een Duitsvrouw en een Fransvrouw’ bij. En hij heeft het over collega’s uit ‘bidden- en boughtenland’. En: ‘Mogen die kindertjens dat niet zelf uitvinden met hun eigen bolle ogen?’ Er zijn nog meer voorbeelden van uitdrukkingen die enorm storen bij het lezen, alsof je op een prachtig aangelegde sierbestrating elke keer je teen stoot aan een uitstekende stoeptegel. Alsof de schrijver zijn eigen werk niet serieus neemt. En dat is jammer, want deze bundel is een prachtige verzameling van gedichten die met groot vakmanschap vertaald zijn. Dat had Henkes ook kunnen laten zien zonder zich te gedragen als Swiebertje.

  • Oogst week 6 – 2024

    De kant van Ada

    Binnen afzienbare tijd zal een veroordeelde verkrachter en moordenaar vrij komen. Hoofdpersoon en ik-verteller Ada Storkema piekert in De kant van Ada van Peter Middendorp over de dertien jaar die zijn verstreken voordat de dader, een jonge boer, werd opgepakt. Noodlottige jaren, want de veroordeelde moordenaar is haar man Tille en Ada vraagt zich af of zij mede schuldig is aan de misdaad, of ze deze had kunnen voorkomen.

    De kant van Ada is een vervolg op Jij bent van mij, dat in 2018 verscheen. Daarin maakt Tille Storkema op een nacht een fietstocht en ontmoet het zestienjarige meisje Rosalinde. Hij verkracht en vermoordt haar, de volgende ochtend wordt ze naakt in een weiland gevonden. Tille, totaal buiten verdenking, zwijgt, is gewoon boer en een vader voor zijn kinderen. Ondertussen wordt hij gekweld door herinneringen. Het dorp waarin de familie woont gelooft graag dat de dader uit het asielzoekerscentrum komt. Maar door een dna-onderzoek valt Tille na dertien jaar eindelijk door de mand.

    En nu krijgt Ada het woord. Voorzichtig vertelt ze hoe ze de voorbije jaren heeft beleefd. Bij Tille’s arrestatie besefte ze dat ze het ‘al die tijd had geweten’. Verteerd door schuldgevoel confronteert zij zichzelf keer op keer met de gruwelijke waarheid. ‘Als ik hem gegeven had wat hij wilde, als ik hem had gegeven wat hij nodig had…’ Hoe heeft ze verder geleefd, hoe moet het verder als Tille vrij is?

    Van het boek is ook een toneelvoorstelling gemaakt, momenteel in diverse theaters te zien.

     

    De kant van Ada
    Auteur: Peter Middendorp
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2024)

    3lingnieuws 1937-1943

    De Tsjechische en Joods arts Felix Oestreicher (1894-1945) voelt zich door de angstaanjagende politieke ontwikkelingen in april 1938 gedwongen om met vrouw en dochters Karlsbad (nu Karlovi Vary) te verlaten. Ze belanden aan de Nederlandse kust en later in Blaricum en Amsterdam. ‘3lingnieuws 1937-1943’ is een selectie van de brieven die hij schreef aan eveneens voor het fascisme gevluchte familieleden en vrienden.

    Afschriften van de brieven worden in 1989 na de val van de muur door Oestreichers dochters Beate, Maria en Helly gevonden, als ze na het overlijden van hun tante Lisbeth haar huis opruimen. Daar ontdekken ze een map met 196 brieven van hun vader. Een groot aantal daarvan bleken de ‘Drillingsberichte’, brieven die voornamelijk over hen gaan.

    Geboeid en liefdevol beschrijft Oestreicher de ontwikkeling van zijn drie dochters, die nooit van de brieven hadden gehoord. Ze wisten wel dat hun vader schreef, want hij hield een oorlogsdagboek bij in Westerbork en Bergen-Belsen. Dat heeft hij vlak voor zijn dood aan Beate overhandigd en zij gaf het aan Maria, historica. Maar de Drillingsberichte waren een verrassing voor hen. Het eerste 3lingnieuws is van 19 april 1937, het laatste van 25 oktober 1943. Het boek bevat een selectie van 74 brieven uit de map.

     

    3lingnieuws 1937-1943
    Auteur: Felix Oestreicher
    Uitgeverij: M10Boeken

    Bloedzang

    Caro van Thuyne (1970) denkt dat de meeste boeken van schrijvers over hun moeder rouwboeken zijn. Haar Bloedzang is het in zekere zin ook. De moeder van de ik-figuur, het literaire alter ego van Van Thuyne, heeft een herseninfarct gehad en wordt in coma gehouden. Als ze eruit komt is ze gedeeltelijk verlamd en praten kan ze alleen in onbegrijpelijke woorden en zinnen. Voor Van Thuyne is het een nachtmerrie dat haar moeder de taal is verloren. Ze vormde een eenheid met haar moeder, maar dreef door het lezen van literatuur ook van haar vandaan.

    Terwijl ze weet dat woorden immer tekortschieten om een mens volledig recht te kunnen doen, wil ze in een boek haar moeder nabij brengen. De auteur heeft een grote verbeelding en in een zintuigelijke stijl zoekt zij een weg om de moeder-dochterrelatie te beschrijven. Met haar kenmerkende animistische wereldbeeld haalt ze herinneringen op, vertelt anekdotes, kijkt naar foto’s en in spiegels, haalt er sprookjes, mythes en scheppingsverhalen bij. Ze gaat door onmacht, pijn, angst, leven, dood en ziekte.

    De moeder is haar taal verloren, maar Van Thuyne denkt aan het West-Vlaams dialect en schrijft: ‘Maar weet je, m’màtje, dat mijn taal een wildgroei is van de jouwe, dat mijn verbeelding van jouw tong is gerold. (…) Jouw taal is als bloedzang door mijn kinderlijf gegaan’. Met haar eigen bezielde taal bevrijdt ze in Bloedzang haar moeder en daarmee zichzelf.

     

    Bloedzang
    Auteur: Caro van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik (2023)