• De dichter als Richter

    De dichter als Richter

    Wie is die ‘je’ uit de titel tot wie Gerda Blees haar woorden richt? ‘[…] dat moet jij wel zijn, Willem Jan’, staat te lezen op de flap aan de binnenkant van dit kleine cahier. Het bevat een essay uit 2022 dat Gerda Blees als gastschrijver schreef voor het literair tijdschrift Liter, ter ere van het vijftigjarige dichtersjubileum van Willem Jan Otten, een dichter die zij bewondert. Elke avond, veertig dagen lang, schreef Blees precies honderd woorden, gericht aan Otten. Ze zal bewust gekozen hebben voor die afbakening: veertig dagen duurde ook de tijd waarin Jezus in de woestijn verbleef, waar hij door Satan op de proef werd gesteld, zoals in de Bijbel staat. Ook nu nog kennen katholieken de veertigdaagse vasten die voorafgaat aan het paasfeest, veertig dagen van inkeer en bezinning. Otten bekeerde zich in de jaren negentig tot het katholieke geloof en liet zich dopen; de symboliek van Blees’ onderneming zal hem vast niet zijn ontgaan.

    Inkeer en zelfreflectie, daar moet Gerda Blees zich ook van bewust zijn geweest toen ze zich ’s avonds op haar kamer richtte tot Otten in de uren die ze eigenlijk aan haar nieuwe roman had moeten besteden. ‘Romanontwijkend schrijfgedrag’ noemt ze het. Gerda Blees schreef eerder al een roman, een verhalenbundel en twee gedichtenbundels. Met haar roman Wij zijn licht won ze in 2021 de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Nederlandse boekhandelsprijs. In het essay vertelt ze hoe ze Ottens poëzie had leren kennen toen ze zijn bundel Eindaugustuswind uit 1998 las. Hoe allereerst de klanken van dat woord haar aangrepen, hoe ze die terug zag komen in de rest van het gedicht. Klank is het begin van taal, stelt Blees vast. Dat geldt niet alleen voor de taalontwikkeling die ze bij haar zoontje kon waarnemen, maar ook voor de aantrekkingskracht van een gedicht. Eerst is er klank, dan volgt het beeld, nog later de betekenis en de interpretatie.

    Terloops geformuleerde zinnen

    De prachtige, haast terloops geformuleerde zinnen van Blees over dit procedé doen denken aan de educatie van Helen Keller, de doofblinde schrijfster die van haar lerares Anne Sullivan het vingeralfabet leerde toen ze zeven jaar was. In de weliswaar zeer geromantiseerde film The miracle worker uit 1962 is de euforie op het gezicht van een jonge Keller te lezen als ze voor de eerste keer begrijpt dat de vingertekens die in haar handpalm gemaakt worden een beeld uit de werkelijkheid voorstellen, namelijk als ze haar hand houdt in het water dat uit de pomp stroomt. Deze verbinding van taal met beeld die plotseling inzichtelijk wordt, maakt Blees duidelijk aan de hand van een ontroerend gedicht van Otten, waarin het water een belangrijke rol speelt:

    ‘Wij bereikten
    na een tocht door een druipend bos
    het Randmeer.
    Het was alsof een slapende haar ogen opende
    en ons kende.
    Jij zat voorop.
    Ik legde mijn hand
    op de warme kokosnoot van je schedel.
    Het licht keek ver je ogen in.
    Ik zei: dit nu is water.
    Wa-ter.
    Wa-ter.
    Wa-ter zei ik nog een keer.
    En jij zei: bwa-pl.
    Je zei het nog een keer.
    Het was zeker, zoontje van mij,
    dat wij hetzelfde niet begrepen.’

    Blees selecteert een aantal motieven die ze steeds ziet terugkeren in de poëzie van Otten:  vader, kind, water. De relatie vader-kind kan gezien worden als die van een gelovige tot God. Water is het symbool voor alle leven, met water wordt een kind gedoopt. Water kan ook een spiegel zijn waarin je zelf gereflecteerd wordt; een  gedicht heeft ook die functie, volgens Blees. Zowel dichter als lezer kunnen zichzelf tegelijk weerspiegeld zien in een gedicht en daardoor kunnen ze ook een glimp van elkaar opvangen. Deze verbinding, die dichter en lezer met elkaar aangaan via het gedicht, komt niet alleen door de dichter tot stand, maar evenzeer door de lezer, die zich een voorstelling tracht te maken van wat hij leest. Zowel de dichter als de lezer trachten via het gedicht net als Helen Keller greep te krijgen op de werkelijkheid. Wat doet de lezer met het gedicht, en wat doet het gedicht met de lezer? De dichter schrijft een gedicht, de lezer zet het om in klank en bedenkt daar een beeld bij, dat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn als wat de dichter in zijn hoofd had toen hij schreef.

    Geschreven voor speciale lezer

    Blees kent aan de gedichten van Otten nog een extra dimensie toe: het gedicht dat geschreven is met een speciale lezer voor ogen. De titel van een bundel van Otten uit 2011 luidt: Gerichte gedichten. Hierin richt Otten zich tot God. Blees richt zich tot Otten. Volgens haar brengen ‘gerichte’ gedichten schrijver en lezer nog dichter bij elkaar, want door het richten schept de dichter zich aan de achterkant van het papier een luisteraar en aan zijn eigen kant een lyrisch ik, dat niemand anders kan zijn dan de dichter zelf. ‘En dat moet jij wel zijn, Willem Jan.’

    Deze veertig keer honderd woorden zijn gericht aan Willem Jan Otten, maar ze geven net zo goed een inkijkje in Blees’ eigen poëtica. Ze laten zien dat Blees zelf ook een heel goede dichter is. Ook al vergeet ze nooit dat ze schrijft voor een ander, toch laat ze onbevangen een deel van zichzelf zien dat de vorm lijkt aan te nemen van een dagboek. Ze maakt de lezer deelgenoot van haar gedachten die niet alleen gaan over de poëzie van Otten, maar ook over haar zoontje, haar schrijfproces, en over haar dagelijkse leven. Maar in haar laatste ‘brief’ aan Otten weet ze alles in honderd woorden te vatten wat ze daarvoor geschreven heeft:

    ‘[…] Als ik durfde, schreef ik je een gedicht, over water, een kind en een vader. Iets of iemand zou in het water schrijven, en dan kwam er een windvlaag, […] die het uitwiste, en vanuit een roeibootje in der hemel zagen we Nijhoff zwaaien, ‘Hoi WJO, hoi Gerda!’ en de wereld was nooit meer hetzelfde. Straks duw ik deze woorden af en worden ze door het feestcomité over de Sloterplas naar jouw bovenverdieping geroeid. Dan komen we ieder aan de andere kant van het spiegelglas te staan. Op hoop van zegen zal jij dan mijn lezer zijn en ik jouw gelezene.’

    Gerda Blees heeft een prachtige, oprechte brief geschreven als eerbetoon aan Willem Jan Otten. Zo doordacht, zo poëtisch, zo liefdevol; het kan niet anders of Otten moet hier heel blij mee geweest zijn.

     

     

  • Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Extaze 24, gewijd aan de fotografie

    Ook de komende twee jaar krijgt literair tijdschrift Extaze subsidie van het Letterenfonds. Maar pas nadat protest aangetekend werd tegen de afwijzing van het subsidieverzoek. Dat betekent dat het Letterenfonds uiteindelijk toch vindt dat Extaze aan zekere kwaliteitseisen voldoet, waarbij talentontwikkeling een belangrijke rol speelt: ‘Kwalitatief hoogwaardige literaire tijdschriften dragen bij aan talentontwikkeling in de letterensector. Ze zijn een vrijplaats waar talent, nieuwkomers en gevestigde auteurs, de kans krijgt zich te ontwikkelen en redacteuren zich kunnen bekwamen in redactionele vaardigheden en zich kunnen presenteren aan publiek en vakgenoten.’

    De lijst langslopend van degenen die een bijdrage leverden aan het meest recente van Extaze dan klopt het wel zo ongeveer. Niemand in de line-up van nummer 24 is heel groen en nog nat achter de oren, maar het tableau de la troupe laat een grote diversiteit zien. Niet iedereen is al op papier gedebuteerd, maar allemaal hebben ze al literaire sporen verdiend. Een aantal van hen behoort tot de vaste kern van het tijdschrift of uitgevershuis In de Knipscheer – samen met stichting Tresspassers W verantwoordelijk voor het verschijnen van het tijdschrift – van anderen verscheen het werk verspreid.

    Thema van het nummer waarmee Extaze de zesde jaargang besluit is fotografie. Het nummer opent met drie essays die voor wat ze willen betogen eigenlijk iets te krap bemeten zijn. Daan Rutten moet het in De chaos en het beeld: over Willem Frederik Hermans als fotograaf ook nog eens zonder beeldmateriaal doen. Daardoor blijft wat hij beweert – dat er een zekere discrepantie zit tussen het wereldbeeld van de schrijver Hermans en zijn opvattingen over objectiviteit versus subjectiviteit als het om de fotografie in het algemeen en zijn eigen werk in het bijzonder – een beetje in de lucht hangen.
    Van de drie essays is dat van beeldend kunstenaar Onno Schilstra het meest origineel. Hij reflecteert vanuit eigen ervaringen op de opvattingen van Walter Benjamin over de mate waarin reproduceerbaarheid invloed heeft op het beklijven van beelden.
    Het derde essay van Ine Boermans gaat over het werk van Nan Goldin en Richard Billingham.

    Overigens is niet altijd even duidelijk wat een stuk in essentie is, de grenzen tussen de genres zijn rekbaar. Dat komt door de foto’s die nu eens herinneringen en historie oproepen en dan weer aanzetten tot fabuleren. In Twee keer een foto smeedt Hans Muiderman bijvoorbeeld twee verhalen aan elkaar – dat van het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder en de geschiedenis van de Van Kerkhovens, die bekendheid verwierven dankzij De heren van de thee van Hella Haasse. Zijn korte verhaal had ook het begin van een essay of een blog kunnen zijn. Eigenlijk is het nog niet af, maar wel afgeronder dan De foto en de dood van Wim Noordhoek, die in twee pagina’s veel aansnijdt over de rol die de fotografie na haar uitvinding ging vervullen en de betekenis die de mogelijkheid om momenten vast te leggen in individuele levens speelt.

    Het verhaal De Galvanistraters van Mischa van den Brandhof is een sfeervol geschreven familiealbum. De lezer ziet foto’s voor zich, waarbij het sepia overvloeit in zwart-wit en daarna kleur krijgt. Een heel mooi voorbeeld van ‘show, don’t tell’, hoewel dat principe niet zo zaligmakend is als vaak verondersteld wordt. In ‘Hoort ge dat?’ van Michel Ramaker waarin MacBeth opgevoerd wordt, rollen ongelijk verdeeld zijn en jaloezie opspeelt, broeit het. Maar zo sterk en suggestief als deze verhalen zijn niet alle bijdragen.
    Zo snijdt Jan Wijnen in Do not pass the line weliswaar een heikele kwestie aan – homoseksueel en leerkracht zijn op een christelijke school – en vindt daar ook een vorm voor die recht doet aan de dilemma’s van zijn hoofdpersoon, maar het verhaal heeft ook iets voorspelbaars.

    In een themanummer over fotografie horen beelden. Eric de Vries maakte verstilde portretten en spannend gekadreerde stillevende landschappen die los staan van de verhalen. De twee foto’s die voorafgaan aan Lynne en David van Dieuwke van Turenhout geven dat verhaal – over ouders die kritisch kijken naar hoe een ander stel hun kind opvoedt, zo kritisch dat je voelt dat er iets ergs gebeurd moet zijn – bedoeld of onbedoeld, een extra lading.

    Net als de verhalen zijn ook de gedichten divers van vorm en intensiteit. Waar Fred de Vries terloops lijkt op te schrijven wat hem op het moment zelf bezighoudt of overkomt, kiest Marcel de Roos zijn woorden zo dat zij gewichtig klinken. Meliza de Vries zit daar met haar stellige gedichten tussenin.

    Pim Wiersinga levert met zijn bijdrage Schrijven, de gooi naar het onbereikbare. Een conversatie een bijdrage aan de discussie over hoe literatuur gelezen moet worden in het licht van het leven van een schrijver. Hij voert  Tim Parks – die met De roman als overlevingsstrategie een knuppel in het hoenderhok gooide, de al in 1919 overleden Victor Segalen en zichzelf op als dramatis personae. Zijn aanpak is meer dan interessant, de vraag is echter of de discussie in deze vorm niet over de hoofden van de lezers gevoerd wordt.

    De definitie van het Letterenfonds nog eens in ogenschouw nemen, dient een literair tijdschrift een vrijplaats te zijn. Die omschrijving gaat voor Extaze, afgemeten aan de diversiteit van vorm, inhoud en statuur van de schrijvers op. In hoeverre het publiceren in het tijdschrift bijdraagt aan de ontwikkeling van een auteur kan op basis van een enkel nummer niet vastgesteld worden. Net zomin als duidelijk is in hoeverre redacteuren zich er verder kunnen bekwamen in hun vak. Als zij dat al willen, want de vraag is of de gemiddelde redacteur van een literair tijdschrift de ambitie heeft beter te worden in het repareren van teksten en coachen van auteurs. De meesten willen gewoon een goed tijdschrift maken. Misschien wel het liefst een spraakmakend tijdschrift waarin schrijvers van naam graag aan bijdragen, wat vervolgens vooral het tijdschrift ten goede komt. Zo’n tijdschrift is Extaze niet en zou het ook niet moeten willen worden (dat past ook niet in de functie die het fonds literaire tijdschriften toedicht). Maar nog een beetje uitgesprokener mag het wel.

     

    Extaze verschijnt vier keer per jaar.

  • Hollands Maandblad maart 2011

    Bastiaan Bommeljé schrijft in een redactioneel stukje hoe hij tijdens het laatste boekenbal werd overvallen door gedachten als: “Achteruitgang is een relatief begrip, eerstejaars studenten weten steeds minder van het bestaan van een ‘lijdend voorwerp’  maar alles over een ‘leidend voorwerp’  en dat elke tijd aan aftakeling, teloorgang of verval onderhevig is.” Uiteindelijk komt Bommeljé bij Lucius Annaeus Seneca (55 V.O.J. en ca.39 N.O.J.) uit. Seneca de oudere was een deskundige op het gebied van ondergang en verval. Je zou hem de aangever van de “vroeger was alles beter” mentaliteit kunnen noemen.

    Het essay Geen iPhone, please, wij zijn schrijvers van schrijver Hans Hogenkamp gaat ook hierover: alles is aan vergankelijkheid onderhevig en tegelijkertijd vernieuwt de tijd zich constant. Maar wat je er mee moet? Hogenkamp haalt de discussie aan tussen Jonathan Lethem en Paul Auster uit het literaire maandblad The believer over het probleem, ‘(…) om moderne technische middelen die nu volledig gemeengoed zijn zoals mobiele telefoons en e-mails, in je boeken te verwerken?’. Hoe komt het dat lezers de voorkeur geven aan boeken die gaan over subculturen die onbekend zijn dan over ICT’ers, beleidsambtenaren  en wat zo meer gegrepen is uit het leven van alledag die de saaiheid van het eigen bestaan alleen maar  benadrukt. Tenminste, dat denkt de schrijver – volgens Hogenkamp – die liever over supermarkt of kruidenier schrijft dan AH of Jumbo. Het beestje niet bij de naam noemen en de techniek erbuiten laten om zo het ’tijdloze’ karakter van de literatuur niet aan te tasten. Anders is het geen literatuur meer. Literatuur gaat over dingen die voorbij gaan maar dan wel verzonnen en in ieder geval niet over het dagelijkse leven (saai). Maar dat vindt Hogenkamp – terecht – onzin. Al deze krampachtige weglatingen uit de letteren bewijst volgens Hogenkamp dat de Nederlandse literatuur zich nog steeds moet afspelen in een tijdloos vacuum dat geheel op verbeelding gebouwd moet zijn. Dit alles is dus een misvatting. Gooi er gerust wat straatrumoer in, vindt Hogenkamp.


    Van Leo Vroman op de open bladspiegel –  links in het Nederlands  en rechts in het Engels – het gedicht Verliefde momenten / Moments in love (a rough translation). Waarbij duidelijk is dat Vroman nog immer in het Nederlands schrijft en daarna  naar het Engels vertaalt. Een gedicht over  ” (…) die onverwoestbare samenhang / van het volgende, met het vorige, / zo innig, en zo lang.” Het gedicht begint aldus:

    “Ik kan mij in het noodlot schikken / als ik mij concentreer / op de liefde tussen de ogenblikken.” Een mooi gegeven – hoe bedacht je moet zijn op de liefde – die zich verstopt tussen de momenten. Je moet haar willen zien, die liefde. En in de laatste strofe  de sterfelijkheid verwacht:
    “Ik was van tevoren / in haar liefde geboren / en zal in haar liefde vergaan.”

    Willem van Spronsen – was directeur van het Rosa Spier Huis te Laren en raakte in die hoedanigheid bekend met Marten Toonder – zet met gevoel voor detail in Marten is dood een liefdevol beeld neer van Toonder in zijn laatste levensdagen. In Tirade nr.1 2010  stond van zijn hand De laatste leerling van Marten Toonder. Waarin hij beschrijft hoe Toonder zijn leermeester werd en over de vriendschap die daaruit voortkwam. Een vriendschap die duurde tot aan het sterfbed van Marten Toonder. Ik stel mij zo voor dat Spronsen meer te schrijven heeft over de nadagen van Marten Toonder.

    Hugo Brandt Corstius bijdrage In wat er in m’n kop rust is een literair cryptisch spel met klinkers uit namen van schrijvers, dichters en filmers.
    “AAA  Zavada: ‘Onze verzoening begon natuurlijk niet met lachen.’ Ha,ha,ha!
    AAE Grahame: ‘Wat apen in onze kamers gaan doen is: niet praten.’ Schatkamers!
    AAI Amalrik: Arbat zag eruit als een straat in een bezette stad.’ Armzalig!
    AAO Carvalho: Als zij stierf in het kraambed zou ik vrij zijn.’ Paradox!”
    Heb je er een gelezen wil je ze alle 120 lezen. Een volmaakt taalplezier.

    Het kort verhaal van Benjamin Burg Plat du jours is eerder al verschenen in een geschenkuitgave van Podium, samen met het verhaal De laatste sigaret van Stuart Evers. Maar het is zo een goed verhaal dat het met plezier nogmaals te lezen is. Burg schrijft voor de lezer. Zijn zinnen zijn helder en krachtig. Met een stevig ritme stap je door het verhaal waar je aan de hand van de beschrijvingen en kleine details veel te weten komt over personages die verder niet in beeld komen.

    Verdere bijdragen van: M.C. Brands – NIOD op de verkeerde weg (Is ‘Genocidestudies’ wel een wetenschap?)
    Gedichten van Vicky Francken – Hoe is het mogelijk
    Gedichten en vertalingen van L. Th. Lehmann
    Iek Hulshoff Pol, die schrijft om niet te vergeten het verhaal Verder, verder.
    Marijke Hanegraaf met twee gedichten: Maasbracht en Huissen, zondag 2 mei
    Antoine de Kom geeft aan de hand van enkele psychologische spelregels les in opstelling en atitude in het verhaal Zware zaken.
    Tekeningen – Rudof Hartman

    Hollands Maandblad
    Uitgegeven door: Nieuw Amsterdam / Stichting Hollands Maandblad
    verschijnt 10 keer p.j. (12 nummers)
    Prijs los nummer: 6,50 dubbelnummer 7,50 (juni/juli en augustus/september )
    Abonnementen: 65,– (studenten en docenten 48,50)

    www.hollandsmaandblad.nl

     

     

  • De Parelduiker 2010 Nr. 5

    Literaire tijdschriften zijn niet alleen voor de echte literatuurkenner interessant maar vooral ook voor de liefhebber.   Een  literair blad is een  mooi platform om je onder meer te laten verrassen door literaire binnenkomers of vergeten schrijvers en boekfanaten.

    De voorlaatste Parelduiker ( 2010 nr. 5) opent met het literaire levensverhaal van Kees Lekkerkerker, geschreven door Menno Voskuil. In 2002 bezocht Voskuil de tweeennegentig jarige Lekkerkerker. Met een kop thee binnen handbereik ontvouwt Kees Lekkerkerker in enkele zinnen aan de vijfentwintig jarige Voskuil zijn visie op de mens. Die kort gezegd hierop neerkomt: In de literatuur en in de wetenschap heb je hogere en lagere apen. Hogere apen vinden hun eigen persoon het belangrijkste en de lagere stelt zichzelf in dienst van de literatuur en de wetenschap. En Lekkerkerker rekende zichzelf tot de lagere apen. Toen Menno Voskuil iets tegen deze apentheorie wilde inbrengen werd hij direct bestempeld als zijnde een hogere aap omdat hij volgens Lekkerkerker niets van een lagere aap aanneemt. Einde discussie; en Voskuil spoelde de rest van zijn weerwoord snel door met een slok van zijn lauwe thee.

    Kees Lekkerkerker, autodidact in de literatuur, werd als de schatbewaarder van Slauerhoff gezien. De houten scheepskist van Slauerhoff, die hem op al zijn reizen vergezeld had, was in het bezit van Lekkerkerker. Deze was een groot liefhebber van Slauerhoff en verzamelde elke publicatie van de dichter. Hij werd in 1936, kort na het overlijden van Slauerhoff, benoemd tot secretaris van de commissie die zich tot doel stelde het verzameld werk van Slauerhoff uit te geven. Van 1941 tot 1947 werkte Lekkerkerker als eerste redactionele assistent van de directie bij Uitgeverij Contact. Hij werd geprezen om zijn ‘uitstekende literaire smaak’. Maar door zijn autodidactschap voelde Lekkerkerker zich ook een outsider, vooral op die gebieden waar een academische titel of opleiding in aanzien stonden. Een zeer geliefde functie als conservator bij het Letterkundig Museum ging, vanwege het ontbreken van zo’n titel, aan hem voorbij. Uit deze tijd stamt waarschijnlijk Lekkerkerkers visie van de hogere en lagere apen, : ‘(…) het werk moet centraal staan, niet de maker.’ Kees Lekkerkerker was een gedreven literatuur liefhebber die naast het Verzameld werk van Slauerhoff ook de Verzamelde werken van Ed. Hoornik en Jacob Israel de Haan verzorgde.

    Verder in dit nummer een biografische schets van schrijfster Greeth Gilhuis-Smitskamp en drukker van exclusieve uitgaven, Jan Erik Bouman. De eerste een vergeten literaire duizendpoot, columnist en verhalenschrijfster die te vergelijken is met Annie M.G. Schmidt en Freek de Jonge, volgens Monica Soeting. Soeting (recensent voor Trouw en hoofdredacteur van Biografie Bulletin ) beschrijft het leven van Gilhuis-Smitskamp op een betrokken wijze waarbij ze de wens uitspreekt dat er, ‘ooit in Nederland een uitgeverij wordt opgericht die zich, (…) om het werk van onterecht vergeten schrijvers bekommert.’ Wie weet wordt deze wens nog eens vervult.

    Jan Erik Bouman was een fanatiek lezer, collectioneur en looddrukker. Hij verzorgde exclusieve uitgaven onder het impressum Hugin & Munin. Op integere wijze beschrijft Jan Paul Hinrichs (vakreferent Nederlands, Oost-Europees en Duits op de Leidse UB), zijn ontmoeting met deze looddrukker te Utrecht. En hoe deze, voor Hinrichs vrijwel onbekende man, hem vanaf zijn sterfbed een exclusief oeuvre toevertrouwde van teksten van o.a.de Utrechter Kees Ouwens en de Amerikaanse auteur James Purdy.

    Alle bijdragen uit de Parelduiker zijn geillustreerd met mooie foto’s.

    Inhoud:
    Menno Voskuil – In dienst van de letteren. Het literaire leven van Kees Lekkerkerker (1910-2006)
    Peter Hofman – De controverse en verzoening tussen Lucebert en Bertus Aafjes
    Monica Soeting – De troost van het dagelijkse. Het vergeten werk van Greeth Gilhuis-Smitskamp (1908-2008)
    LAAGWATER – De waard danst dada / Wie was Hans Boslowits (addendum)
    Jos Perry – Estrella. Een revolutie-cantate die niet doorging [Theun de Vries en Louis Andriessen]
    Jan Paul Hinrichs – Jan Erik Bouman (1947-2010) en de exclusieve pers Hugin & Munin
    Onbekende portretfoto’s van Harry Mulisch door Annelies Romein
    DE LAATSTE PAGINA – Willem Ellenbroek, Harry Mulisch (1927-2010) over zichzelf

    De Parelduiker
    Uitgegeven door:
    Stichting Het Oog in ’t Zeil / Uitgeverij Bas Lubberhuizen
    verschijnt 5 keer p.j.

    Prijs los nummer: € 9,50
    Abonnementen:    € 39,50 (buitenland € 45,–)

    Zie voor meer: www.literairetijdschriften.org

  • Voorlaatste nummer Bunker Hill

    Recent verscheen het voorlaatste nummer van het Literair tijdschrift Bunker Hill, nummer 42. Er verschijnt nog een dubbelnummer 43-44 en dat zal dan het einde zijn van het tijdschrift dat in 1996 een aanvang nam. In dit nummer een interview met F. Springer, ‘de schrijver die bekend staat om zijn fraaie stijl droge humor en prachtig verwoorde melancholie’.

    Verder verdienen de gedichten van de Hongaar Linda Maria Baros in dit nummer de aandacht, ze werden vertaald door Jan H. Mysjkin. Lezenswaard is ook: Jan van Mersbergen, Rhett Miller.

    Maar waarom moet dit mooie tijdschrift ophouden te bestaan?

  • Nieuwe Revisor

    is de superheld nog van deze tijd vraagt de redactie van Revisor zich af: ‘Een karikatuur zonder vrees of blaam en vooral zonder twijfel lijkt niet geschikt als literair personage. Zou dat de reden zijn dat de superheld het beter doet in films en in strips of zijn er nog andere verklaringen?’ Lees het in de bijdragen van;

    Allard Schröder, Over superhelden
    Kees ’t Hart, Lord Sisters dood
    Sjoerd de Jong, Een actieheld van de jaren tachtig
    Arjen Duinker, Henry Calvin
    Jacob Groot, Kid Colt (zoals het een man betaamt)
    Tsead Bruinja, Gekrenkt
    Bas Blokker, Superhelden zijn lokale folklore
    Han van der Vegt, De engelbewaarders
    Auke Hulst, Nineteenth Century Man versus Irony Man
    Lucas Hüsgen, Lady Penelope in gevaar!
    Onno Kosters, Zij (Hagenheld)
    Saskia de Coster, Noone lives here anymore
    Toef Jaeger, Wat te doen met de tegenheld van de superheld?
    Albert Bobeldijk, Je zei dat ik leep was

    Een woord een woord:
    Evelien Chayes, Het vunzige van de roman

  • Artikel over roman Patrick Modiano

    Op de website van Tirade is zoals aangekondigd de ’topografische analyse’ door Manet van Montfrans van de roman In het café van de verloren jeugd van Patrick Modiano te lezen:

    ‘Halverwege de weg van het ware leven gingen we gehuld in een zwarte melancholie, die doorklonk in zoveel spottende en trieste woorden, in het café van de verloren jeugd.’ Aan dit citaat uit een film van Guy Debord ontleende Patrick Modiano de titel en het motto van zijn recent verschenen roman Dans le café de la jeunesse perdue.2 Het is een vrije variatie op de eerste drie verzen van de Divina Commedia: ‘Op het midden van onze levensweg bevond ik mij in een donker woud, omdat ik van de rechte weg was afgedwaald’. De danteske inslag van Debords film blijkt ook al uit de titel: In girum imus nocte et consumimur igni (Wij dolen rond in de nacht en worden door vuur verteerd).

    Debord (1931-1994) was een van de oprichters van de Internationale situationniste, een kleine politiek-artistieke beweging die zich tegen de opkomende consumptie- en mediamaatschappij keerde, en als wegbereider van mei ’68 optrad. Hij is vooral bekend om zijn kritische beschouwingen in La Société du spectacle (1967) en Commentaires sur la société du spectacle (1988), waarin hij de beeldcultuur als de nieuwe religie van het kapitalisme en de burger als willoze consumptieslaaf afschildert. De Internationale situationniste ontbond zichzelf in 1972. De film In girum … dateert uit 1978 en is een terugblik op de protestbewegingen uit de jaren zestig

    Lees hier verder.

  • Nieuwe Tirade

    De redactie van Tirade kocht op een veiling 13 koffers, die hun werkzaam leven beëindigden, eenzaam en verlaten ronddraaiend op de bagageband op Schiphol. Van wie waren deze koffers en waarom bleven ze staan en werden ze nooit opgehaald? 13 schrijvers kregen een koffer van een onbekende thuis. Het leidde tot poëzie, korte verhalen, essays, beschouwingen en een prozagedicht.

    ‘Hoe kwam een Paraguyaans meisje, op vakantie in Ierland aan een Russische Maxime? En waarom waren sommige kledingstukken verpakt in doorzichtige plastic zakjes?’ vraagt Hans den Hartog Jager zich af. Maarten Asscher: ‘Na enig determineren, oog in oog met het breed lachende, deels met ritselende korreltjes gevulde schepsel, kom ik tot de conclusie dat het ondanks zijn vaalgroene kleur om een nijlpaard gaat.’ Ester Naomi Perquin wordt zeer persoonlijk met de eigenaresse van haar koffer. ‘In een hoek van de kamer stond haar rugzak. “Als je nu niet weggaat mis je de trein,” zei ik. Ze haalde haar schouders op. Er was iets in haar blik dat me ongemakkelijk maakte.’ Menno Wigman ontkomt niet aan de douane:‘“Und was machen Sie sonst noch?” Vernedering op vernedering. Hij sloot mijn koffer en vroeg of ik mijn armen in de lucht wilde steken’. ‘Jakie werd geboren op Super Tuesday,’ schrijft Sanneke van Hassel. Verder met Miek Zwamborn, Ton Rozeman, Edwin Fagel, Roos Ouwehand, Martin Vesseur, Erik Menkveld, Vonne van der Meer en Martijn Meijer: ‘Wat zeggen je boeken over wie je bent? Heb je geen eigen smaak als je een kast vol bestsellers hebt? Welke boeken iemand leest, zegt weinig over wie hij is.’

    Meer op www.tirade.nu

  • Claus, vertaler pur sang

    Claus, vertaler pur sang
    Begin dit jaar overleed Hugo Claus, vermaard als schrijver en als veelzijdig kunstenaar. Maar evengoed – of misschien: meer nog- is Claus een fabuleuze, soms ook mysterieuze vertaler. In vier bijdragen wordt geprobeerd te achterhalen wat het geheim is achter zijn teksten. Verder neemt Henri Bloemen de vertaalwetenschap flink de maat. Hij bespreekt een boek van Mona Baker en vraagt zich af of haar positie, die hij aanvecht, symptomatisch is voor de gehele vertaalwetenschap. Voorts, ter relativering en vermaak: metatalige reflectie en complottheorie, maar dan Vertaliaans en zuurstofarm.

    Filter
    Tijdschrift over vertalen
    jaargang 15, aflevering 3

  • Sybren Polet centraal in nieuwe Parmentier

    Op donderdag 4 september jongstleden presenteerde literair tijdschrift Parmentier in de OBA in Amsterdam zijn nieuwste nummer. Dit nummer is gewijd aan een van Nederlands grootste schrijvers, Sybren Polet. Aanleiding is de heruitgave van Polets Lokienreeks door Uitgeverij Wereldbibliotheek. Bart Vervaeck en Arnoud van Adrichem stelden het dossier Lokiniade samen, waarin zij enkele Lokienkenners vroegen een nieuw venster op de cyclus te openen.

    Sybren Polet zelf opent het dossier met enkele literair-theoretische notities die interfereren met de Lokienreeks. August Hans den Boef treedt in debat met Polet door diens poëticale uitspraken te confronteren met onder meer Xpertise of De experts en het rode lampje. Paul de Wispelaere waagt zich aan een herlezing van De cirkelbewoners, en stelt vast dat de roman zoveel jaar na verschijnen nog steeds brandend actueel mag heten. Sven Vitse essayeert over het politieke engagement in het proza van Polet. Lukas De Vos behandelt de utopie in het werk van Polet aan de hand van het onzekerheidsprincipe van Heisenberg en de sciencefiction. Voorts onderzoekt Lars Bernaerts de constructie van het bewustzijn in Breekwater, Verboden tijd en Mannekino. Bart Vervaeck nam het (voorlopige) sluitstuk van de cyclus, de roman Bedenktijd, als uitgangspunt voor zijn essay over Lokiens empathie. Deze Lokiniade eindigt met een oorlogsverhaal van Agur Sevink dat reminiscenties oproept aan de onheilspellende passages uit De hoge hoed der historie.

    Buiten het dossier treft u een essay van Jan Baetens en Arnoud van Adrichem over de graphic novels van Dominique Goblet, een striptekenaar die zich, net als Sybren Polet, graag mag bewegen op de grensvlakken van verschillende disciplines.

    Voorts een in memoriam voor Kamiel Vanhole (1954-2008), geschreven door zijn vriend en collega-schrijver Leon Gommers. Vanholes werk loopt als een rode draad door de geschiedenis van Parmentier. Zijn veel te vroege dood heeft de huidige en voorgaande redactie(s) geschokt.

    De nieuwste Parmentier besluit met een lang, uiterst ritmisch gedicht van Lucas Hüsgen, ‘Keyser Söze (meteen denken)’, waarin enkele gebruikelijke verdachten langskomen – verdachten die misschien wel op de vlucht zijn voor een van Lokiens afsplitsingen, de listige detective en undercoveragent Perdox die meer avonturen schept dan misdaden oplost.

    Parmentier 17-3; Lokiniade

    Prijs: € 9,- / abonnement (4 nummers per jaar): € 25,-

    Voor bestellingen en meer informatie zie: www.literairtijdschriftparmentier.nl

  • Raster 121 Kluge & Koepen

    Raster 121 is de moeite waard, met wat een moed gaat dit tijdschrift toch gestaag door. Heeft met al eens overwogen Jacq Vogelaar daar eens een lintje voor te geven?

    Alexander Kluge & Wolfgang Koeppen – Twee dwarse geesten Alexander Kluge (1932): advocaat, filmregisseur, producent van culturele televisieprogramma’s, schrijver van filosofisch-sociologische werken (samen met Oskar Negt) en vooral schrijver van fictief-documentaire verhalen. In dit nummer een keuze uit zijn verhalen. Ingeleid en vertaald door Cyrille Offermans. Wolfgang Koeppen (1906-1996): bekend als schrijver van drie politieke romans en drie reisboeken in de jaren vijftig, als essayist en draaiboekschrijver, maar vooral bekend om de grote roman die dertig jaar werd aangekonigd en nooit verscheen. Ondertussen schreef hij onverdroten door, zoals de keuze in dit nummer van vooral later werk laat zien. In dit nummer een keuze uit zijn verhalen, een aantal romanfragmenten en een briefwisseling van Koeppen met zijn uitgever. Ingeleid en vertaald door Jacq Vogelaar.