• Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Lieke Marsman ontvangt Constantijn Huygens-prijs 2025

    Lieke Marsman ontvangt Constantijn Huygens-prijs 2025

    Woensdagavond werd tijdens het radioprogramma Kunststof bekend gemaakt dat Lieke Marsman (1990) voor haar gehele oeuvre de Constantijn Huygens-prijs 2025 ontvangt. Volgens de jury laat het werk van Marsman zien ‘hoe literatuur ons kan helpen een vorm te vinden om na te denken over het ondenkbare.’ Marsman wordt beschouwd als toonaangevend binnen de hedendaagse literatuur met haar werk over klimaat en ziekte, ‘waarbij ze zowel het persoonlijke als het politiek-maatschappelijke nooit uit het oog verliest’.

    Marsman was compleet verrast toen ze een telefoontje kreeg van bestuursvoorzitter Valérie Drost. ‘Ik was… zeer verbaasd en heel verheugd’, vertelt ze. ‘Ik wist niet dat je op je 34e al een oeuvreprijs kon krijgen, maar het voelt geweldig.’ Ze houdt enorm van haar vak. ‘Het feit dat het alles behelst, dat je over alles kunt schrijven. Ik ben zelf niet zo goed in dingen verzinnen, maar wel in beschrijven, en er is nog genoeg dat niet beschreven is. Het is belangrijk dat er nieuwe, originele taaluitingen bij blijven komen, zodat we elkaar niet steeds hoeven napraten.’

    Het ontroert Lieke Marsman dat ook haar allereerste bundel bij de toekenning een rol speelt. ‘Er staan gedichten in die ik schreef toen ik 17 was – het idee dat die lieve schatten er nog steeds mogen zijn, raakt me.’

    Marsman debuteerde in 2010 met de dichtbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud en won daarmee de C. Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Debuutprijs Liegend Konijn. In 2014 verscheen De eerste letter en in 2017 volgde de roman Het tegenovergestelde van een mens, waarin ze proza met poëzie en essayistiek vervlecht in een stilistische zoektocht over klimaatverandering.

    In 2018 verscheen De volgende scan duurt vijf minuten, gedichten en een essay over haar kankerdiagnose, gevolgd door In mijn mand, in 2021, dat op de longlist van de Grote Poëzieprijs kwam, en op de shortlist van de Herman de Coninckprijs. Marsman was Dichter des Vaderlands 2021-2022 en schreef in 2023 Ter gelegenheid van poëzie. Dit jaar verscheen van haar Op een andere planeet kunnen ze me redden.

    De jury bestond uit Layla El-Dekmak, Rashif El Kaoui, Laurens Ham, Helma van Lierop, Bertram Mourits, Aafje de Roest, Mathijs Sanders, Miriam Piters en Sarah Vankersschaever. De jaarlijkse prijs is een van de vier Haagse Literatuurprijzen en bedraagt 12.000 euro.

     

    De prijs wordt op 24 januari 2026 uitgereikt tijdens het Writers Unlimited Internationaal Literatuurfestival in Den Haag.

     

    Rechtenvrije foto: Tom Cornelissen

  • Lieke Marsman krijgt Eline van Haarenprijs 2023

    Lieke Marsman krijgt Eline van Haarenprijs 2023

    Lieke Marsman heeft de Eline van Haarenprijs 2023 ontvangen voor haar bundel In mijn mand, dat in 2021 bij uitgeverij Pluim verscheen. De jury oordeelde over haar bundel: ‘Ouderwets goed, dit is wat wij van poëzie verwachten. […] Een imponerende bundel.’

    De Eline van Haarenprijs is een vijfjaarlijkse poeziëprijs voor vrouwelijke dichters onder de vijfendertig jaar uitgereikt door uitgeverij Conserve. De prijs wordt sinds 1988 uitgereikt en is vernoemd naar de dichteres Eline van Haaren, wier postuum verschenen bundel Leef de dag (1983) de eerste publicatie van de uitgeverij vormde.

    De andere genomineerden zijn Iduna Paalman met de bundel De grom uit de hond halen (uitgeverij Querido) en Lilian Zielstra met de bundel Mijn dochter draagt een steen (uitgeverij Passage).

    In 2013 was Lieke Marsman genomineerd voor de Eline van Haarenprijs met de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud (2010 Van Oorschot), die toen naar Kira Wuck ging.

    In 2008 kreeg Ester Naomi Perquin de prijs en de laatste winnares in 2018 was Mieke van Zonneveld.
    Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 1.250 euro.

     

     

  • De keuze van gedichten is weer treffend

    De keuze van gedichten is weer treffend

    Het is haast niet te bevatten dat de 179 nieuwe gedichten in Het liegend konijn 2021/1 een keuze is uit een paar duizend gezochte, ontdekte en ongevraagd ingezonden gedichten staan. Jozef Deleu, enig redactielid van het tijdschrift die de titel ‘ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie’ zeker verdient, werkt zich halfjaarlijks door stapels poëzie heen. Dat het resultaat bij elke editie aanslaat, tweejaarlijks al twintig jaar lang, verrast telkens opnieuw, en is tevens een compliment aan de opgenomen dichters. Deleu is een belangrijke factor in het verspreiden van nieuw werk, zijn doel is erkenning voor de dichter en de poëzie vitaal te houden. Dat is hem ook in deze laatstverschenen editie weer gelukt waarin nieuwe gedichten van achtendertig dichters, net voor ze klaar waren uit te vliegen door Deleu werden weggekaapt.

    Duurzaam of verwelkend

    Elke lezer heeft zijn voorkeur, of kiest zijn meest aansprekende gedichten eruit, dat is ook de bedoeling van dit aanbod, gelijk een bos wilde bloemen gemengd met gekweekte bloemen. Waar een gerenommeerd dichter de stevigheid biedt van de lange duur, kan een veldbloem wat sneller verwelken, afhankelijk van doorzettingsvermogen, al dit is te lezen in Het liegend konijn. Een vijftal gedichten van Gerry van der Linden (1952), geen veelschrijver maar wel een blijver. Het laatste titelloze gedicht van de vijf zou ‘de geschiedenis van een gedicht’ genoemd kunnen worden. Waarin een waarneming verbonden wordt met eigen aannames van hoe de dingen gebeurd kunnen zijn, waarop deze aannames teniet worden gedaan door deze in twijfel te trekken.

    ‘Op straat zag ik een meisje op de fiets
     met benen in te wijde kousen, ook
     zag ik een vrouw met blote voeten in een
     vliesdunne jas.

     Waren zij vergeten zich behoorlijk aan te kleden?

     Zomer had hen beduveld en het meisje
     met de dunne benen, in de kluwen
     van de ochtend, had verkeerde kousen uitgezocht
     (moeder niet de goeie maat gekocht)

     Maar wat weet je nu van de geschiedenis
     van een ochtend? Dingen gaan zoals ze lijken.
     De kousen van het meisje kruipen
     om haar kuiten, plooien om haar enkels

     in de geschiedenis van dit gedicht.’

    Mooie vondsten zijn, een ‘vliesdunne jas’, en ‘in de kluwen van de ochtend’, (dat een verdwaald zijn suggereert). En de vraagstelling, ‘wat weet je er nu eigenlijk van, van wat je ziet?, legt een diepere laag aan. 

    Quarantaine gedichten

    Van Hanneke van Eijken (1981) zijn zes quarantaine gerelateerde gedichten opgenomen. Het onderwerp ligt zeer voor de hand, de gedichten zijn verrassend goed, telkens als je ze opnieuw leest blijven ze leven. De door quarantaine gedreven handeling liggen ingekapseld in het gewone leven zoals, ‘je zingt steeds vaker, je handen vouwen /  

     na het wassen / niet in een gebed, maar in kleine vogels / die kwetteren’.

    Of, ‘afstand is een nieuw begrip geworden / iemand trekt strepen op vloeren / met afplaktape // Ik kneed minstens tien minuten op plakkerig deeg // (…) een vochtige theedoek ligt over alle afspraken / die we al hadden gemaakt’. 

    Geboetseerde beelden

    De vijf krachtige, tot beelden boetserende gedichten van Jan Baeke (1956) treffen het sterkst. Ze zijn als een roep tot ambachtelijk en opbouwend werken, maar onmacht ligt op de loer en alles verdringt tot een schaduwleven. Zoals in het, Onze handen zijn thuis in emotie,

    ‘Geef ons een klus en we maken er werk van.
    We verzagen het leven naar ieders geluk, werken
    voor een betere tijd die we diep in ons hart allang kennen.

    (…)

    Iedereen hier durft zijn handen te laten zien, heel anders
    dan die praatjesmakers die tegen ons praten en van praten
    een paradijs willen maken.

    Ook de grote jongens die hun grote auto’s in onze sobere
    straten laten grazen – alsof ze er eerlijk aangekomen zijn –
    zijn van de handen, maar dan anders en van andere handen.

    Wij kunnen gelukkig zijn met het gewone. Dat is onze kracht.
    Als het licht wordt heb ik alle spullen in de bus geladen, brood
    erbij en hamers, zagen, schroeven, boormachine, waterpas.

    Ik wacht voor het raam met het zicht op de bus
    wacht de uren af, wacht dan de uren af, probeer mijn handen
    gerust te stellen, zet tegen zessen de avond terug in de schuur

    In de schuur van deze gewone man.
    Ik loop, voor de nacht valt, nog even naar buiten.
    Het is te donker om mezelf te zien.’

    Sociaalrealistische regenjas

    De jongste debuterende dichter is Pieter Van De Walle (1992), met drie gedichten. Waarvan de strofen: ’twee plus twee is nog steeds vier maar enkel uit beleefdheid / de wereld is weer plat, godzijdank / de zon tutoyeert me, de zon is de laatste Sovjet / ik meander door een utopia van bourgeois kittens / met mijn sociaalrealistische regenjas en kijk omhoog: / zoveel wolken – dit moet wel het tijdperk van de wolken zijn’, veelbelovend zijn, en met een strofe als, ‘pas toen je de camera uitvond, begon je te lachen’ met het kip en het ei principe speelt. 

    Elke dichter verdient het hier besproken te worden, maar dat is alsof er achtendertig bundels besproken moeten worden. Al kan het gedicht van Hagar Peeters’ (1972) Berichten van bijstand van disfunctionele gezinnen in coronatijd niet onvermeld blijven. Een gedicht van drieënhalve pagina’s dat vanuit de lockdown geschreven is en de rafelige achterkant van het coronabeleid toont. ‘Hoe meer je vlucht en weigert mee te doen, hoe meer / ze gooien met pek, rotte aardappels, hun eigen vuile drek / en je laat het van je afglijden, denk je, / je denkt: / dit hoort bij hen, niet bij mij, /dit raakt mij niet / dat is mijn keuze / en je neemt de die je zelf bent in je armen en vlucht // waarheen te vluchten in coronatijd en nu de huizenprijzen stijgen en // Hoe te vluchten met jezelf terwijl je binnen moet blijven en de pijn // Hoe de betekenis te vinden wanneer je tijd van leven lijkt te zijn veranderd in het uitzitten van straftijd?’

    Twee rollen

    Ook twee nieuwe gedichten van Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, waarvan het gedicht Gedaantes getuigt van de verschillende rollen die een dichter heeft, of krijgt opgelegd: ‘wie ik ben als dichter / heeft weinig te maken  / met wie er op mijn kussen slaapt / zij wil het liefst luisteren / naar jullie gesprek vanmiddag / en het niet onderbreken / met een observatie / of een dichtregel die ze eergisteren schreef / en nu omvormt tot spontane opmerking / die niet het ontzag zal oogsten waar ze op hoopte / (…)’.

    Het lezen en selecteren van het enorme aanbod aan gedichten vergt een halftijdse baan liet Deleu eens in een interview weten. Dank aan de eenmansredactie die zichzelf steeds weer opnieuw deze taak stelt. En wetende dat de tweede editie in oktober verschijnt, betekent dat het lezen en beoordelen van al die prille gedichten al een aanvang heeft genomen.

     

  • Een boek maak je altijd samen

    Elte Rauch van Uitgeverij HetMoet is geen reguliere uitgever. Ze kiest voor literatuur met een stuwende kracht en blijft liever klein en persoonlijk dan dat ze mee zou gaan in de commerciële ratrace. Kwaliteit staat bij het uitgeven voorop en Rauch peinst er niet over daarvan af te wijken. 

    Een platbodem uit 1927, gelegen aan het Oosterdok in de Amsterdamse museumhaven, is het onderkomen van HetMoet, de enige varende uitgeverij in Nederland. Op de zonnige dag dat ik aan boord van de lage, bruinhouten woonboot stap komt hond Robin me tegemoet, blaffend, want ze weet nog niet of ik goed volk ben. Uitgever Elte Rauch stelt haar gerust. Manoeuvrerend over de smalle ruimte langs de kajuit loop ik naar voren waar Elte me opwacht en het trapje af gaat naar de gezellige woonruimte, half onder de waterlijn. Er staat een tafel met een laptop, lp’s langs de wand, een kachel, een zitbank, stoelen en kussens en een keukenblok, alles wat nodig is voor een prettig thuis. Het zonlicht valt door de ruiten. Hond Robin wordt door manlief meegenomen voor een wandeling. 

    Elte Rauch (1980) maakte in een vorige baan een bloemlezing van het werk van een Nederlandse schrijver, alsmede een jubileumuitgave. Ze ontdekte dat ze het hele proces van samenwerken met drukker, vormgever en uitgeverij ontzettend leuk vond, vooral omdat iedereen zo gepassioneerd te werk ging.

    Ze ontmoette Simon Mulder, dichter en artistiek leider van Stichting Feest der poëzie (organisator van onder meer poëzie- en muziekevenementen), die graag een bloemlezing wilde maken van het werk van Henriëtte Roland Holst, in 2019 honderdvijftig jaar eerder geboren. De twee verzamelden wat mensen om zich heen die Roland Holst nog hadden gekend of veel van haar wisten en besloten: ‘We gaan het doen.’


    En zo ontstond HetMoet?

    ‘Ik werd geconfronteerd met kanker en dacht, ik kan hier gaan zitten wachten maar ik kan ook een boek maken en me bezighouden met poëzie en literatuur die me altijd al, mijn hele leven kracht hebben gegeven. Ik zette alles op alles om dit boek te maken, met de mensen die erbij betrokken waren. Het werd een prachtige biografische bloemlezing. Niet iedereen kent Henriëtte Roland Holst meer, dus we hebben een boek gemaakt waarin mensen niet alleen met haar werk kennismaken, maar ook met haar als persoon. Simon Mulder noemde haar een “hipster avant la lettre”. Ze was vegetarisch, politiek geëngageerd, wat voor een vrouw in die tijd niet zo gewoon was. Er kwam net een boek uit van Rosa Luxemburg, een vriendin van haar met wie ze ook had geschreven, van wie ook een gedicht in onze bundel staat.’ Het resultaat was De zachte krachten zullen zeker winnen, de eerste uitgave van HetMoet, waarmee Rauch zich inmiddels had geregistreerd.


    Waar komt de naam HetMoet vandaan?

    ‘Het was een beetje een grapje naar DasMag, ze konden er gelukkig om lachen. Ik zei nee, het moet. Mijn vader, hij leeft niet meer, heeft het logo, het mammoetje ontworpen. Dat was een schot in de roos. De literatuur die wij uitgeven heeft ook die stuwende kracht, een beetje eigenwijs, een beetje tegendraads, creatief. Ik ben absoluut geen reguliere uitgever, ga mijn eigen weg. De kern van de uitgeverij is dat het boeken zijn die moeten. Ook boeken waarvan wij vinden dat ze weer de aandacht moeten krijgen, of weer moeten worden vertaald, of soms vanwege een speciale of memorabele gelegenheid.’ 

    Wij, betekent bij Rauch alle mensen met wie ze samenwerkt. De redacteuren, vormgevers en drukkers verdienen in Rauchs ogen evenveel aandacht als de schrijver en kunnen net zo goed als zijzelf suggesties voor uitgaven doen. Binding met alle medewerkers is belangrijk en ‘prettig omdat iedereen er uiteindelijk net zo gepassioneerd in staat als ik.’

    HetMoet wil klein blijven en geeft boeken uit zonder commerciële instelling en in series zoals Open Archief, Biografische Bloemlezingen en de Singersteek Serie. De boeken worden mooi gedrukt en vormgegeven, de omslagen in boekdruk gedrukt en zijn vaak handgebonden.

    ‘Open Archief zijn boeken die ook moeten en die meer over actuele thematiek gaan,’ vertelt Rauch, ‘bijvoorbeeld Over ziek zijn, met onder meer het gelijknamige essay van Virginia Woolf. We maken nu een Engelse uitgave waarin de Nederlandse teksten van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld in het Engels worden vertaald en waarin nog meer bijdragen worden opgenomen, zoals van Nadia de Vries. Ik werk veel met agenten en schrijvers en kleine uitgeverijen in Ierland en Engeland.’


    Het is nogal divers, wat je uitgeeft. Hoe komt die keuze tot stand?

    ‘Iemand komt met een idee, ik kijk of het binnen ons fonds van de drie series past. Als het daarin past, dan zeg ik meestal ja. Uiteraard moet het wel een bepaalde literaire kwaliteit hebben. Samen met onafhankelijke redacteuren kijk ik daarnaar, ik beslis er niet alleen over. De series ontstonden om de uitgeverij en de boeken duidelijk te profileren. Ik kies er niet voor om alles wat los en vast zit uit te geven. Ik wilde iets ethisch neerzetten, iets ambachtelijks en iets eigenwijs. Misschien wat heftige woorden, maar daardoor werd ik wel gedreven. Ik ga een beetje mijn eigen gang. Ik ben niet bang voor nieuwe en ook niet voor klassieke literatuur, maar de uitgaven moeten wel op een bepaalde manier gerepresenteerd worden. Zo zijn mijn eerste drukken binnen Open Archief altijd hard back. Dan zul je altijd de eerste druk herkennen. De boekjes uit de Singersteek Serie zijn jubileum- of gelegenheidsuitgaven. De naam van de serie komt van de wijze waarop ze zijn gebonden: zonder rug en genaaid met een naaimachine. Je krijgt dan wel kritiek, zo van, ‘het heeft geen rug’. Nee, het heeft geen rug. We hebben nu al een hele serie en op een gegeven moment herken je ze wel.’

    Onlangs verscheen in de meestal tweetalige Singersteekserie, Het gif/Le poison van Charles Baudelaire, die dit jaar 200 jaar geleden geboren werd. Rauch nam contact op met vertaler Peter Verstegen die bereid was zijn favoriete decadente gedichten van Baudelaire uit te kiezen voor een mooie bloemlezing in de serie.  

    ‘Ik heb er vierhonderd van laten drukken. Ze zijn best goed verkocht in de boekhandels. Net als bij Roland Holst heeft Stichting Feest der poëzie er een programma aan gewijd – door corona een beetje anders – met muziek, theater, film, voordracht en een heuse poëziebar. Er wordt van alles uit de kast gehaald om die poëzie neer te zetten. Baudelaire is blijkbaar nog populair genoeg. Sommige boekhandels hadden een hele Baudelaire-tafel ingericht, zoals Atheneum. Bij zo’n uitgave is het criterium: hoe urgent is het, moet het, moet het nu? Ja, dit moest nu.’

    ‘Het boek Ik kies Elena (uit de serie Open Archief) is onder de coronawolk terechtgekomen. Het is het debuut van schrijver en essayist Lucia Osborne-Crowley. Niet alle Nederlanders lezen gemakkelijk Engels en dit boek zou ook een meisje van vijftien moeten kunnen lezen, daarom heb ik het laten vertalen.’


    Hoe kwam je op het idee van deze uitgave?

    ‘Ik was op een literair festival in het boekdorp Hay-on-Wye, waar ik lang heb gewoond en het boekje viel me gewoon in handen. Ik heb het in één ruk uitgelezen en dacht, heel intuïtief, dit moet ik uitgeven. Er was destijds een discussie gaande over misbruik binnen de sportwereld, vooral bij turnmeisjes. Daar gaat dit boek ook over. Maar het is geen slachtofferboek, het gaat voornamelijk over haar herstel. Wat voor mij heel belangrijk is in dit boek, en ook bij mijn andere uitgaven, is de dialoog met de wereld en de literatuur. Osborne-Crowley las de boeken van Elena Ferrante, de poëzie van Rupi Kaur en andere krachtige literatuur en daaruit putte zij kracht in haar hersteltijd. Ze gaven haar bijna een sense of being. De dialoog tussen de literatuur en het leven zelf is een soort dialectiek die dan ontstaat. Ik vind dat heel erg krachtig en mooi en dit soort literaire non-fictie is in Nederland nog vrij onpopulair. Met andere schrijvers ben ik bezig om die in Nederland een plek te geven. Bijvoorbeeld Nadia de Vries schrijft zo ook, of Lieke Marsman. Dat is een van mijn criteria. Ik geef geen zelfhulpboeken uit of “mijn verhaal in zestien delen”, het moet die beweging, dat reiken naar literatuur hebben.’

    Elte Rauch schreef zelf in 2020 in het kader van 75 jaar bevrijding, Vormen van vrede, korte verhalen met herinneringen aan haar Indische familie en de Tweede Wereldoorlog.

    ‘Daar maak ik geen sport van hoor, om eigen werk uit te geven. Nu gebeurde het gewoon zo. Ik gaf het samen uit met de vertaling van de Jiddische dichter Mordechai Gebirtig, de boeken horen ook echt bij elkaar. Er waren een documentaire en een podcast aan gekoppeld, allemaal over 75 jaar bevrijding.’ 


    Er komt nu ook weer een jubileumuitgave aan?

    ‘Ja, een ontzettend leuke opdracht van het Nias (Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences, A.M.) over writers in residence, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Nias. Met schrijvers als Tommy Wieringa, Hagar Peters en Lieve Joris, totaal zo’n dertien auteurs die schrijven over het thema Belonging, ergens bijhoren, thuiskomen. Het Nias wil een authentieke uitgave, iets wat mooi gedrukt is. Ik werk samen met beeldend kunstenaar Octavie Wolters, zij maakt de omslagillustratie, in linosnede. Ik ken haar via mijn drukker, een van de laatste der Mohikanen die nog in boekdruk drukt.’ 

    Rauch doet alles zelf. Ze heeft geen apart kantoor maar werkt thuis. Met een armgebaar geeft ze aan dat zich achter in het ruim een bibliotheek en een werkkamer bevinden. Daar ligt ook de voorraad boeken van HetMoet opgeslagen. In het voor- en najaar wordt er gevaren.

    ‘We zijn net weer terug. Rotterdam, Gouda, over de IJssel. Dan maak ik ook contact met lokale boekhandels. Heel soms komen er ook schrijvers langs of wordt er aan boord voorgedragen. We doen kleine evenementen, niet te groot want we wonen hier ook. We vervoeren de boeken, hebben altijd literatuur aan boord en dat promoten we. Ik heb aanvankelijk veel hulp gehad van het collectief De Vrije Uitgevers die mij ook met bepaalde drukkers hebben verbonden. Maar ik ga heel intuïtief af op wat ik zelf prettig en mooi vind.’


    De meeste mensen kunnen zich waarschijnlijk niets voorstellen bij een varende uitgeverij. Zijn de eerste contacten die je legt met boekhandels?

    ‘Ja. Ik heb bijvoorbeeld een heel leuk contact met boekhandel ’t Spui in Vlissingen. Die volgen ons op de voet. Als we daar zijn kom ik altijd wat brengen. Op 5 mei hadden ze een stapeltje Vormen van vrede neergelegd. Ik kom uit Zeeland, dus dat vonden ze extra leuk. Het is allemaal low key. Ik woon en werk hier, we zijn geen evenementenboot, maar het is een mooi en romantisch idee dat je je eigen boeken onder zeil vervoert. Als varende uitgeverij is het leuk om iets te doen met andere literaire activiteiten.’ 

    Voor een vaartocht deelt Rauch het plan daarvoor op sociale media en stuurt af en toe een nieuwsbrief uit waarin de aanlegplaatsen worden vermeld. Vorig jaar had ze een boek met gedichten van de Zeeuw P.C. Boutens uitgegeven, in Zeeland kwam een dichter deze gedichten aan boord voordragen.
    Volgend jaar gaat HetMoet samenwerken met de Vrijbuiter uit Zierikzee, ook een zeilende platbodem en Rauch wil ook een zomer-zeil- schrijfcursus aanbieden. Deelnemers moeten dan een ‘Mammoetje’ (een manifest, gedicht, essay) schrijven waarvan het beste stuk online gepubliceerd wordt.


    Is zo’n uitgeverij met heel specifieke uitgaven rendabel?

    ‘Ik ben wel met een uitstervend beroep begonnen. Daar maak ik me nog wel eens zorgen over. Er wordt weinig gelezen in Nederland en de omloopsnelheid van boeken is niet bij te houden. Ik ga daar ook niet in mee, ik ga niet mee in die commerciële ratrace want dat haal ik niet in mijn eentje. Mijn boeken zijn tijdloos en ik bied ze steeds opnieuw aan. Het is nog niet rendabel en elke keer als ik quitte speel denk ik, hé, ik heb niets verloren, ik kan weer een boek maken. Collega-uitgevers zeggen: het is veel te duur, je moet het daar en daar laten drukken. Maar het is mijn keuze dat het om het boek en het proces gaat en de kwaliteit die daaraan vastzit. Daar wijk ik niet vanaf zolang ik mijn boterham kan betalen. Ik blijf liever klein, kwalitatief en persoonlijk bereikbaar. Die ambitie houd ik voor ogen.’

    ‘Ondertussen is het verdomde moeilijk om je hoofd boven water te houden in de grote boze boekenwereld, bij wijze van spreken. Ik kan het me niet veroorloven een tafel op de beurs te huren. Ik moet het hebben van initiatieven, leg veel contacten met culturele podia zogauw het weer kan, zoek de mensen op. Sociale media vind ik zelf niet belangrijk maar voor mijn bedrijfje is het een manier om zichtbaarheid te genereren. Mijn ambitie is klein zijn, maar wel zichtbaar. Dat is wel een uitdaging. Er wordt zóveel gepubliceerd, ik heb daar een dubbel gevoel bij. Er komen wel drieduizend boeken per maand van de pers. Waar gaat dat heen? Ik lig niet met Herman Koch-achtige stapels bij Scheltema, maar ik bel Scheltema wel op met de vraag: kunnen we een keer iets doen in de boekhandel?’


    Het is niet meer bij te houden wat er allemaal uitkomt.

    ‘Nee, precies. Ik ga me daar ook niet aan meten want dan word ik gek en kan ik wel stoppen. Een vriendin van me die een keer met ons meevoer, zei: alles vertraagt hier. En zo is het. In Gouda gingen we de haven uit, dat is een kwartier lopen en wij deden er met de boot anderhalf uur over. Omdat we door sluizen moesten, wachten, onder bruggen door, weer wachten. En ik hou daarvan! Ik hou van die vertraagdheid en het accepteren daarvan. Daarin zit zo’n kwaliteit van leven. Dat heb ik ook met mijn boeken. Een essay van honderd jaar geleden combineren met essays van nu, daar zit een tijdcapsule van een eeuw in en toch is het met elkaar in gesprek. Dat komt doordat we erbij stilstaan, het blijft actueel. Ziek zijn is nou eenmaal ook een thema, of je het nou leuk vindt of niet. Ik wil juist stilstaan bij dingen die er al zijn en bij dingen die nog moeten komen, op een soort ontluikende en zachtaardige manier. Niet snel, snel en nu, en veel.’ 

    ‘Ik heb ontzettend veel geluk gehad, heb een beetje subsidie gekregen van het Letterenfonds. Het is moeilijk om daar tussen te komen als kleine uitgeverij. Ik vind het ook ontzettend sportief van het Letterenfonds, dat ze een kleine maar kwalitatieve uitgeverij hebben gezien tussen alle paperassen. Ik ben ze daar dankbaar voor. Ik ken daar niemand maar geef ze wel aandacht in mijn nieuwsbrief en op sociale media. Want alleen kan ik het niet, een boek maak je altijd samen. Aan de mensen achter de coulissen wil ik ook meer zichtbaarheid geven, de vertalers, de redacteuren, de illustratoren. Die zijn voor mij bijna net zo belangrijk als de auteur. Wat de vormgever van de serie Open Archief altijd doet is dit:’ Elte Rauch pakt het boek Over ziek zijn, haalt het papieren omslag met de tekening van Virginia Woolf eraf en toont de harde kaft, waarop dezelfde tekening nogmaals gedrukt is. ‘Dat vind ik zo’n mooi detail! Heel chic. Het was niet mijn idee, maar van boekontwerper Steven Theunis van Armée de Verre bookdesign. Geweldig hè!’

     

    Uitgeverij HetMoet

     

     

    Fotograaf: Guido Benschop

     

  • Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Gezien het feit dat een ieder van ons vroeg of laat, persoonlijk of van dichtbij te maken krijgt met ziekte, is het als je erover nadenkt bijzonder dat ziekte als literair thema niet even vaak voorkomt als bijvoorbeeld liefde, jaloezie en macht. Helemaal ongebruikt is het thema evenmin, getuige recente titels als Welkom in het rijk der zieken van Hanna Bervoets, Veldheer Banner van Marie Kessels en Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers dat de Libris Literatuurprijs 2021 won. Vanwege de Covid-19 pandemie zijn ziekte en de consequenties daarvan onderwerp van gesprek geworden in alle lagen van de maatschappij. De essaybundel Over ziek zijn verschijnt dus op het juiste moment.

    Uitgeverij HetMoet heeft het door de Britse schrijfster en feminist Virginia Woolf (1882-1941) geschreven essay On being ill, dat bijna honderd jaar geleden voor het eerst verscheen, uitgebracht in een vertaling van Monique ter Berg. Naast het werk van Woolf zijn er in de bundel bijdragen van drie hedendaagse schrijvers te vinden. De in 1968 geboren Britse dichter Deryn Rees-Jones schreef het voorwoord (ook vertaald door Monique ter Berg), de Nederlandse schrijver en dichter Lieke Marsman (1990) en de eveneens uit Nederland afkomstige letterkundige en dichter Mieke van Zonneveld (1989) beschrijven hoe het is om getroffen te worden door ziekte en welke weerslag dat heeft gehad op hun leven.

    In het voorwoord van Over ziek zijn beschrijft Deryn Rees-Jones hoe ze na haar besmetting met Covid-19 veel herkenning vond in het werk van Woolf, en dan met name in het essay On being ill. Ze vergelijkt haar langdurige tijd van ziek zijn met een ‘logé die niet alleen mijn ruimte innam maar ook mijn onmacht aan het licht bracht’ en wordt er al lezend aan herinnerd dat er eigenlijk geen scherp onderscheid bestaat tussen ziek en gezond. We zijn immers allemaal stervelingen. 

    Ongekende dimensies

    Na dit prachtig geschreven voorwoord word je als lezer vervolgens omvergeblazen door de tekst van Virginia Woolf, die in haar eerste volzin van een halve pagina lang uiteenzet dat ziekte ongekende dimensies in ons leven kan losmaken. In de literatuur is daar volgens Woolf (te) weinig aandacht voor; schrijvers hebben het hoofdzakelijk over het doen en laten van de geest, terwijl ‘de grote oorlogen die het lichaam met de geest als zijn slaaf in de eenzaamheid van de slaapkamer tegen een koortsaanval of opkomende zwaarmoedigheid voert, worden genegeerd.’ Woolf schreef het essay in 1925, tijdens heftige periodes van allerlei lichamelijke en psychische kwalen. Ze schrijft in diezelfde tijd ook aan een aantal romans waarin ze de thema’s ziekte en de ruimte die ziek zijn in een leven teweegbrengt aansnijdt. Volgens Woolf maakt ziekte het bijvoorbeeld mogelijk om ‘in een gedicht te kruipen’, omdat ziek zijn bij het lezen en waarnemen een zintuiglijke reactie uitlokt. Daarnaast gaat ziekte volgens haar samen met een kinderlijke openhartigheid.

    Het leven van Woolf werd enorm gekleurd door ziekte en lijden, zowel fysiek als psychisch; ze had bijvoorbeeld op haar dertiende al voor het eerst een zenuwinzinking. Met de kennis van nu wordt gesteld dat ze waarschijnlijk een bipolaire stoornis had, ontwikkeld als gevolg van seksueel misbruik in haar jeugd. Deze toen nog onbekende ziekte kreeg zozeer de overhand dat ze in 1941 zelfmoord pleegde. Tijdens periodes van ziek zijn wendde Woolf zich bij voorkeur tot de dichters. Patiënten hebben volgens haar immers geen zin in de lange ‘veldtocht’ die proza vergt.

    De Hel

    Lieke Marsman schreef het essay Hoe gaat het met je? Ze beschrijft daarin hoe ze als jonge twintiger na een jaar van toenemende klachten geconfronteerd wordt met de diagnose van een kwaadaardige tumor in haar schouder. Haar eerste reactie daarop is opluchting; er is echt iets aan de hand. Vervolgens beschrijft ze hoe ze na haar operatie veel terugdenkt aan haar jeugd en zich verdiept in boeken (van Audre Lorde en Susan Sontag) waarin persoonlijk en emotioneel respectievelijk extreem rationeel omgegaan wordt met de diagnose kanker. Het stelt haar voor de vraag hoe zij zich gaat verhouden tot haar ziekte. ‘Zevenentwintigjarige lijven horen […] niet ziek te zijn, en als ze al ziek zijn, dan vanwege een of andere tropische ziekte opgelopen tijdens een wereldreis. Ervaar ik kanker als De Hel omdat ik dat echt zo voel of omdat dat nu eenmaal de reputatie van kanker is, al helemaal voor wie het op jonge leeftijd krijgt?’ 

    Ze ervaart haar herstelperiode als eenzaam en vindt afleiding in het beoefenen van maatschappijkritiek. Haar conclusie is dat in de bijstand belanden evenmin iets met pech te maken heeft als kanker krijgen. Ze beschrijft haar angsten voor het terugkomen van de ziekte, de voor haar noodzakelijke illusie dat ze invloed kan uitoefenen op haar ziekteproces, de treurige keerzijde van mantelzorg en het belang van de wezenlijke vraag: hoe gaat het met je?

    Niet de bedoeling

    In het laatste essay Gods ruïne van Mieke van Zonneveld (1989) kijkt de schrijfster jaren later terug op de periode na de diagnose van acute leukemie die ze op haar eenentwintigste kreeg. De feiten kan ze feilloos opdreunen. De emotionele achtbaan waarin ze na de diagnose terechtkwam kan ze moeilijker reconstrueren, alhoewel ze in het ziekenhuisbed steun vindt in haar Bijbelvaste opvoeding. ‘Wat mij troostte was een gedachte die op het eerste gezicht niet troostend lijkt. Ik meende dat de dood niet alleen iets akeligs was, met name voor nabestaanden, maar ook iets verkeerds. Het feit dat iedereen sterft – de grootste zekerheid die we hebben – leek me even onomstotelijk als ongewenst. Het leek me niet de bedoeling, althans, oorspronkelijk niet. Het moest het gevolg zijn van een val in ongenade en nu liepen we allemaal rond in een verkeerd want sterfelijk lichaam als een herinnering aan die val.’ Ze gaat eerbied voelen voor haar lichaam, ook al verkeert het in een erbarmelijke toestand en is het vervallen tot een ruïne. Ook Van Zonneveld ervaart steun in de literatuur wanneer ze op zoek gaat naar het thema vreugde, in de Bijbel en in werken van Chesterton, C.S. Lewis en Dostojewski. 

    ‘We read to know we are not alone’. Dit bekende citaat, toegeschreven aan de Iers-Britse schrijver C.S. Lewis, is op veel boeken van toepassing, maar in het geval van Over ziek zijn biedt de quote een extra dimensie. Tijdens de eenzame ervaring die ziekte vaak is kun je namelijk, hoewel lezen een solitaire bezigheid is, toch in ‘gesprek’ blijven met anderen, verbindingen leggen en daarin vrijheid ervaren, zo blijkt uit de essays. Als er al een minpunt genoemd zou moeten worden van Over ziek zijn, dan zou het de geringe omvang van het boek kunnen zijn; het telt slechts een krappe tachtig bladzijden. Indachtig de voorkeur van Woolf om zich bij ziekte bij voorkeur niet te wagen aan de ‘veldtocht’ die een roman kan zijn hoeft de omvang echter geen nadeel te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat lezers dezelfde afleiding en troost in dit werk zullen vinden die de verschillende schrijfsters van de essays op hun beurt ook gezocht en gevonden hebben in de literatuur.

     

  • Het begrip van hier en nu opnieuw geijkt

    Het begrip van hier en nu opnieuw geijkt

    In mijn mand is de nieuwe dichtbundel van de huidige Dichter des Vaderlands Lieke Marsman (1990).  In de wijsbegeerte,  het vakgebied van Marsman, wemelt het van de uitspraken als zou filosoferen leren sterven zijn. In de poëzie speelt het doodsbesef vanouds een thuiswedstrijd. Van dat besef en het ziek zijn is deze nieuwe bundel van Marsman doordrenkt. Een bundel die getuigt van rijpheid, eerlijkheid en een milde zelfironie waarin de eigen positie wordt her-overdacht. Marsman gaat het gesprek met zichzelf aan met lucide vragen die ze opwerpt, ‘Is genade dat je gegeven wordt dat je niet sterft / vandaag of dat je je aanstaande dood leert aanvaarden?’  In mijn mand is daarmee een zeer menselijke bundel, intelligent en elegant, en dicht op de huid van het leven geschreven. 

    De van lengte wisselende gedichten zijn verdeeld over drie afdelingen. Dit nieuwe leven is de eerste en in de openingsreeks daarvan, Universele esthetiek, stelt Marsman de menselijke maat van ‘gevoel’ en ‘emoties’ primair. Het leven verschraalt waar emoties achterwege blijven: ‘Geen wonder dat we zijn aanbeland / waar we zijn aangestrand.’ Marsman tast naar een nieuw evenwicht in het leven dat geen vangnet in de vorm van een toekomst kent, waardoor ook ’terugblikken op het verleden (…) buitengewoon droevig maakt’. Dit nieuwe leven is ‘lelijk, maar dragelijk’ omdat de wil, de energie er niet altijd is om een andere weg dan die van de minste weerstand te gaan. En zonder weerstand bloeit er geen schoonheid op. 

    ‘Maar pas op, ook op deze weg
     kan een gemiste afslag zomaar tot genade leiden.
     Eén overwoekerde wegwijzer
     en je staat oog in oog met het sublieme
     (volstrekt onvoorbereid, alle jaren van studie ten spijt)
     en blijkt een manier te kennen om dit verteren
     in het licht van universele schoonheid uit te houden.’ 

    Het kwetsbare als teken van kracht

    Genade als een nieuw ijkpunt in het licht van universele schoonheid. ‘De waarheid behoeft geen nooduitgangen meer’ waar deze genade opdoemt. Het vierde en laatste gedicht uit die reeks onderstreept ook het belang van kunst in dit nieuwe leven, waarin het kleine, het kwetsbare als teken van kracht kan worden beleden.

    ‘Je vraagt ons wat esthetiek méér is
     dan de meest succesvolle marketingcampagne?
     Kunst is méér omdat er minder op het spel staat,
     de enige plek waar falen een optie is.
     De enige plek waar de doden niet vallen,
     maar herinnerd worden. Neem eens een risico
     en kies de wereld die je al kent, die je je eigen maakte
     door jarenlang nachtenlang waker te zijn, het schermlicht
     van obscure internetfora de twinkeling in je ogen.
     Dans jezelf nog eens naar dat licht.
     Sla desnoods een kruis waar het zeer doet.
     Vaar dit schip nog eens op de klippen.’

    Wat aan tijd rest is altijd langer dan wat voorbij is, luidt de bemoedigende conclusie. Deze poëzie is bezig het begrip hier en nu opnieuw te ijken om tot een nieuw levensbesef te komen. Daarbij soms een regelrechte worsteling aangaat met een ‘lang en stroperig hier en ik zijn’, het ultieme ‘leven in het nu’. Hetgeen ‘gekmakend’ is voor iemand die ‘haar zielenrust / doorgaans haalde uit de gedachte / dat in de toekomst alles beter wordt’. Door veel gedichten dwarrelen de dagelijkse snippers uit het heden dat zomaar door een telefoontje van de arts kan worden verstoord, maar deze poëzie behelst meer dan de som van al die snippers. De persoonlijke beleving mondt uit in waar de dichter het heft in handen neemt en de woorden naar zijn hand zet.

    ‘(…) Voor het eerst
     in mijn leven voel ik me tamelijk zelfverzekerd.
     Niet dat het ergens op gebaseerd is, het is meer
     de ongefundeerde zelfverzekerdheid
     die je vaak aantreft in regeringsleiders
     aan het begin van een mislukte termijn. Dun melkvel
     van arrogantie op een pap met klonten.’

    Dansend door het gedicht

    Het kortste gedicht uit de bundel telt slechts vier regels en dient gezien de titel Bij het vorige gedicht als commentaar op wat eraan voorafging. Niettemin staat het met zijn hoge soortelijk gewicht van pure poëzie op eenzame hoogte.

    ‘de hitte omhult ons als een sarcofaag
     de dagen volgen elkaar op in karavaan
     de zomer haalt de elastieken van wie haast heeft aan
     als een te strakke kraag’

    In de middelste afdeling Lichamen / kadavers overheerst een betrokken, geëngageerde toon die Marsman gaande haar oeuvre ontwikkelde bij wijze van tegengif tegen de sprankelend onthechtende toon uit haar beginperiode. Escapisme belooft geen uitweg meer, strijdlust des te meer. Marsman bewijst met een scherpe, soms regelrecht cynische ondertoon wervelend uit de voeten te kunnen. Als een bokser danst ze door het vers en deelt links en rechts voortdurend stoten uit.

    ‘(…) een stralend voorjaar
     dat wegdrijft
     uit de greep
     van onze dagelijkse routines
     en ons achterlaat
     met beurspagina’s
     waarop grafieken
     wortel schieten
     (de economie
     met z’n conjuncturen
     die het presenteert als wetmatigheden
     liet zich toch weer verrassen
     door het oliebeleid
     van Saoudi-Arabië
     en een stekelig virus)
     (…)’

    Een vanzelfsprekend doelwit vormt het uit de maatschappij wegbezuinigde gehalte aan menselijkheid. Het wrede gemak waarmee gezonde mensen dat voor lief nemen. Wie de dood nog niet in de ogen heeft gezien, onderschat de waarde van het leven en meent bijvoorbeeld dat men iedere dag moet leven alsof het de laatste is. Deze gedichten doen ons het dwaze van dat devies beseffen. Zat in de quasi zelfverzekerde toon uit haar vroegere bundels ook een frivole portie bluf, in deze gedichten is de zelfverzekerde toon het resultaat van haar persoonlijke levenservaring.

    Het moment van sterven

    De derde en laatste afdeling Barmhartig vennetje bestaat uit bespiegelingen, herinneringen, vergezichten afgezet tegen de notie dat niemand kan weten ‘wat er aan de overkant is’. Er hangt iets onheilspellends – als ‘het waaien voor de bui’ – in deze gedichten, zoals verbeeld in de rode achtergrond van het zogenaamde ‘barmhartige vennetje’ op het omslag van de bundel. De kleine, veronachtzaamde dingen waarvan we de geheimen nooit vermoedden, waarover we ons nooit wisten te verbazen, dienen zich nu helderder aan dan voorheen. Marsman weet ze treffend te vangen, opgediept uit een jeugdherinnering, zoals van na een ‘kerstoetje in ‘96’:

    ‘Na het eten met z’n allen
     het bevroren bos in
     met de honden, ondervond ik
     voor het eerst hoe stil de kou
     hoe warm de stilte is.’

    Of een vakantieherinnering aan een snel ingevallen duisternis: ‘maar is dat niet hoe het altijd is / met het blauw voor het donker zei ze / het ene moment nog zo blauw / en het volgende moment o zo donker’

    Vestdijks beroemde gedicht De uiterste seconde heeft er een concurrent bij wanneer het gaat om poëzie die het moment van sterven wil vatten en er een hond doorheen laat lopen. Wie kent niet de beroemde slotregel, ‘De halsband los, en zij met de twee honden’. Welnu, In mijn mand is het afsluitende titelgedicht een even ontroerend en verontrustend helder gedicht met een hondje. Waarvan hier de laatste strofe.

    ‘Is het mijn sterfdag?
     De lucht is stil, als lucht
     op een kalender
     Is het mijn sterfdag?
     Vergeet klokken die luiden
     De lucht is stil, als lucht
     Is het mijn sterfdag?
     Vergeet engelen en psalmen
     Ik wil het vanille van een oud boek
     Ik wil een koud flesje bier
     en ik wil jou, nog één keer
     Vergeet vogels die zingen
     Ik wil mijn hond horen drinken’

    Moeilijk te zeggen of deze gedichten troost geven, wel valt te zeggen dat die laatste krachtige regels, die de aarde trouw blijven, het lang gaan uithouden.

     

  • Oogst week 6 – 2021

    De berenvrouw

    Het jaar 1541 lijkt niet ver af te staan van het heden in De berenvrouw van Karolina Ramqvist. Niet alleen omdat het verhaal van Marguerite de la Rocque, een daadwerkelijk historisch figuur, te maken heeft met seksuele intimidatie en verbanning, victim blaming avant la lettre, zeg maar – helaas weer en altijd actueel – maar ook omdat Ramqvist haar eigen verhaal met dat van Marguerite vervlecht. Ramqvists reflectie op haar moeder- en schrijverschap speelt namelijk een belangrijke rol in De berenvrouw. In de roman wordt De la Rocque na een seksschandaal van een schip gezet en achtergelaten op een onherbergzaam eiland in Newfoundland, waar ze het hoofd moet bieden aan de beren die er leven en in de wildernis bevalt van een zoon. Ramqvist doet verslag van haar leven en toont de lezer tegelijkertijd hoe ze tot het schrijven van het verhaal is gekomen, en welke keuzes haar eigen leven bepaald hebben.

    De berenvrouw
    Auteur: Karolina Ramqvist
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    In mijn mand

    Van schrijver en filosoof Lieke Marsman, die Tsead Bruinja op 21 januari van dit jaar officieel opvolgde als Dichter des Vaderlands, verscheen In mijn mand. Het is een maatschappelijk geëngageerde dichtbundel waarin zij reflecteert op het leven met een levensbedreigende ziekte, en de plek, de waarde, die ziekte en dood in een mensenleven en de maatschappij hebben. Marsman schrijft vanuit haar eigen ervaringen, zoals ze ook deed voor haar eerder verschenen bundel De volgende scan duurt vijf minuten: in 2018 werd kraakbeenkanker bij haar gediagnosticeerd, ze wordt inmiddels behandeld voor uitzaaiingen. Het leven met een levensbedreigende ziekte wakkert juist ook strijdvaardigheid en politiek activisme in haar aan. In 2020 stelde ze in een interview met Trouw al: ‘(…) me verdiepen in politiek is meer dan alleen afleiding. Ik wil geen verhaal houden van “die ziekte levert ook goeie dingen op”, toch is er ergens een soort oerkracht aangewakkerd. Die oerkracht voelt ongeveer als wanneer ik een gedicht aan het schrijven ben en alles op zijn plaats valt. Dat je ineens heel helder ziet: dit woord moet daar, en deze drie zinnen moeten er helemaal uit en die zin moet hier. In de kunst noemen ze dat inspiratie, in de politiek eerder gedrevenheid. Het is een fijn gevoel. Dat je heel scherp ziet waar ergens een probleem is en wat daaraan gedaan kan worden.’

    In mijn mand
    Auteur: Lieke Marsman
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    De andere kant van de zee

    Drie personages delen in De andere kant van de zee hun herinneringen aan de opstand van de zwarte bevolking in Angola tegen de koloniale Portugese onderdrukker, die in 1961 plaatsvond en leidde tot de Portugese koloniale oorlog (of ‘Overzeese Oorlog’). Aan het woord komen een kolonel, een directeur van de post en de dochter van een plantagehouder. Zij delen hun ontworteling en verdriet. Lobo Antunes schrijft de lezer het hoofd van de personages in: hij laat leestekens achterwege, beschrijft associatief of juist haarscherp de omstandigheden en creëert zo een stream of consciousness.

    Schrijver en psychiater António Lobo Antunes put uit eigen ervaring: hij was als arts-psychiater in Angola gestationeerd in 1973, tijdens de koloniale oorlog, en schreef naar aanleiding daarvan ook zijn romandebuut Memória de Elefante (1979).

    Lobo Antunes wordt wel ‘het geweten van Portugal’ genoemd vanwege zijn scherpe maatschappijkritiek en grillige karakter, en wordt door velen gezien als kanshebber voor de Nobelprijs voor Literatuur (hij zag de prijs aan zich voorbijgaan toen landgenoot en collega-auteur José Saramago die in 1998 won). Lobo Antunes heeft inmiddels 31 romans op zijn naam staan.

    De andere kant van de zee
    Auteur: António Lobo Antunes
    Uitgeverij: Ambo|Anthos
  • Een ode aan de taal

    Een ode aan de taal

    Het boek Tractatus Logico-Philosphicus van filosoof Ludwig Wittgenstein uit 1921 staat bekend als onbegrijpelijk. Hetzelfde kan worden gezegd over de roman Wittgensteins minnares, geschreven door de Amerikaanse auteur David Markson (1927-2010), in 1988 verschenen en nu pas vertaald naar het Nederlands door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Lieke Marsman schreef een nawoord waarin ze de inhoud van de roman met de filosofie van Wittgenstein vergelijkt. 

    In Wittgensteins minnares is hoofdpersoon Kate de enige overgebleven mens in de wereld, of althans, dat gelooft ze zelf. Ze woont op een strand en bij gebrek aan anderen om mee te spreken tikt ze alles waar ze aan denkt op een typmachine. Ze is kunstenares en in haar gedachten komen verschillende prominente denkers, schrijvers en schilders langs. Kate weet echter niet zeker of de feiten die ze opschrijft kloppen en verbetert zichzelf regelmatig, soms pagina’s later nog. Deze onzekerheid komt de hele roman lang terug:
    ‘Het is moeilijk voor te stellen dat de bewoners van twee zulke naburige huizen allebei daadwerkelijk geld zouden uitgeven voor hetzelfde boek over honkbal.
    Aan de andere kant, als er een exemplaar van Wuthering Heights in beide huizen had gestaan, is het misschien twijfelachtig of ik zou hebben gespeculeerd dat er in beide huizen mensen woonden die Emily Brontë kenden.’

    Plotloos verhaal

    Wittgensteins minnares heeft geen plot, al is dat geen gemis. De gedachten van Kate zijn de eerste pagina’s namelijk al boeiend, maar daarna nestelen ze zich in je hoofd en kun je niet anders dan je eraan overgeven. Bij een ik-perspectief plaatst een schrijver een lezer heel dicht bij de hoofdpersoon, Markson trekt dit zo ver door dat de lezer Kate wórdt. Wanneer zij een reeks namen van filosofen of kunstenaars noemt, verdwijnt dit effect even en maakt het plaats voor de vraag wie die mensen zijn, waarvan je die namen ook alweer kent, maar Kate zorgt ervoor dat je nooit te lang afgeleid blijft. De misschien werkelijke, misschien verzonnen bespiegelingen worden afgewisseld met humor, bijvoorbeeld wanneer Kate vertelt dat ze met haar auto in het water belandde:  

    ‘Toch begreep ik dat het in deze omstandigheden verstandig zou zijn om het portier te openen en de auto te verlaten.
    Ik kon mijn deur niet open krijgen.
    Ik zat trouwens de hele tijd op het dak van de auto.
    Ik bedoel op de binnenkant van het dak natuurlijk. Met de rubberen automat die boven op me was gevallen.
    Ik weet niet meer in wat voor auto ik reed.
    Nou ja, je kon het hoe dan ook op dat moment amper nog rijden noemen.’

    Ode aan de taal

    Juist in de meer eenvoudige zinnen in het boek, zonder intertekstualiteit of dubbele laag, is deze schrijfstijl het sterkst:
    ‘Toch maakte het hele voorval me doodsbang.
    Ik besef dat ik net heb gezegd dat ik helemaal niet bang was.
    Feitelijk ging het zo dat ik pas bang werd toen het voorbij was.’

    Hier rijst geen vraag op over waarheid of leugens of over de mentale gesteldheid van Kate, haar kwetsbaarheid is oprecht. Aan de andere kant illustreert dit citaat Kates obsessie om wat ze vertelt, góéd te vertellen. Ze zoekt secuur naar de juiste woorden, typt die en bedenkt daarna dat het beter kan, en zichzelf weer verbetert. Juist dat precieze zorgt ervoor dat Wittgensteins minnares geen gimmick wordt, integendeel, het zegt meer over het personage Kate dan alles wat ze zelf vertelt. Dat maakt dat dit boek een ode aan de (on)mogelijkheden van taal is.

    Namen als reddingsboeien

    Kate vergelijkt zichzelf regelmatig met Helena van Troje. Ze benoemt onjuistheden in de Griekse mythologie en legt aspecten bloot die volgens haar vooral zijn toegevoegd om er een beter verhaal van te maken. Het gevaar dreigt dat Wittgensteins minnares te erudiet wordt voor de gemiddelde lezer, zeker doordat er veel namen van filosofen, kunstenaars en schrijvers langskomen. Kate noemt de namen echter niet omdat ze met haar kennis wil pronken, de namen functioneren namelijk als reddingsboeien. Dat past prima bij het personage dat op de universiteit vooral aandacht besteedde aan de niet-verplichte academische literatuur.

    Door de vele intertekstualiteit, de niet-betrouwbare hoofdpersoon en het ontbreken van een klassieke vertelstructuur is het lezen van deze roman een uitdaging. Doorzetten wordt gelukkig beloond: Wittgensteins minnares is hypnotiserend geschreven. Het ik-perspectief wordt hier maximaal benut. Lieke Marsman geeft in het interessante en enthousiaste nawoord handvatten om het verhaal op waarde te schatten. Het is een wereldprestatie dat Markson ruim tweehonderd pagina’s aan feiten zo betoverend heeft kunnen beschrijven, het is even knap dat de vertalers erin zijn geslaagd om Wittgensteins minnares zo vloeiend naar het Nederlands te vertalen.

     

  • Speelse ideeënroman met ongewone kijk op de klimaatverandering 

    Speelse ideeënroman met ongewone kijk op de klimaatverandering 

    Dichteres Marsman heeft een  gevarieerde, speelse roman geschreven die een persoonlijke, frisse blik werpt op de klimaatproblematiek. Marsman  zet de lezer over verschillende thema’s aan het denken, maar verliest zich soms in lange uitweidingen over uiteenlopende onderwerpen.

    Het tegenovergestelde van een mens is een roman die bestaat uit boekfragmenten, speeches, dialogen, persoonlijke ontboezemingen, filosofische beschouwingen en gedichten. Hoofdpersoon Ida, een schuwe, dromerige studente Aardwetenschappen, begint aarzelend een relatie met promovenda Robin, maar hun onderlinge verschillen zijn echter groot. In dagboeknotities geeft Ida uitleg over haar jeugd.. Ze groeide op in een saaie Vinex-wijk en ging op vakantie naar de Veluwe, fantaseerde dat ze een komkommer was en probeerde door het leven te gaan als een jongen door een piemeltje van klei tussen haar benen te klemmen. Als negentwintigjarige heeft ze nog steeds moeite om uit te komen voor haar homoseksualiteit; tegen vreemden zegt ze dat ze ooit smoorverliefd op een jongen is geweest.  De anekdote vormt de aanleiding tot een boeiende beschouwing over homoseksualiteit als opgelegde identiteit in een heteroseksuele samenleving. Ida is homoseksueel, maar heeft moeite om zichzelf als zodanig te presenteren. Ze wil namelijk niet in een hokje worden gestopt. Ze wil geen buitenstaander zijn in een wereld waarin heteroseksualiteit de norm is. Marsman is op haar best wanneer ze dit soort mechanismen fileert en er haar scherpzinnige commentaar op geeft.

    In Het tegenovergestelde van een mens staan de thema’s identiteit en klimaatverandering centraal. Jarenlang zoekt Ida naar een manier om haar leven zin te geven en wanneer ze concludeert dat ze alleen voor zichzelf verantwoordelijk is, besluit ze de buitenwereld zo veel mogelijk buiten te sluiten. Op haar studentenkamer leest ze over de wereld, ze denkt erover na, maar ze komt niet actie om de wereld te verbeteren. Het leven geeft haar echter geen voldoening en ze zoekt naar een hoger doel. Die vindt ze in de aanpak van klimaatverandering. Ze doet als stagiaire mee aan een onderzoek naar de effecten van klimaatverandering in de Italiaanse Alpen, maar hoezeer ze ook haar best doet, een echte activist wordt ze niet. Ze vaart met de wetenschappers mee op het bedreigde stuwmeer, laat zich inspireren op een congres over klimaatverandering en leest in de avonduren lectuur van Naomie Klein of Meghan Daum.

    Ida is een denker, en in de loop van haar onderzoek, dat wordt afgewisseld met ongemakkelijke bezoekjes van Robin, raakt ze ervan overtuigd dat de mens de natuur uit wraak vernietigt. De mens roept, maar de natuur reageert niet: ‘We kunnen er niet tegen dat niemand iets terugzegt (…), niet met woorden, niet met een oplossing voor de dingen waar we al tijden mee zitten’. Hij is dus eenzaam, net zoals de jonge Ida, die in een komkommer probeerde te veranderen en niets meer wilde voelen (het tegenovergestelde van een mens). Liefde is de oplossing, maar Marsman laat zien dat relaties niet zo eenvoudig zijn.

    Marsman heeft een originele roman geschreven, waarin veel wordt nagedacht. Ida doet mee aan het onderzoek in Italië om haar eigen vragen te beantwoorden, maar haar onderzoek leidt tot nog meer vragen. De lezer moet bereid zijn om zijn gedachten te vormen over het bestaan van de ziel, de definitie van een depressie, het tegengaan van overbevolking, de acceptatie van homoseksualiteit en het vermogen om je in een ander te verplaatsen. Er zit veel materiaal in het boek, autobiografische gegevens, filosofische citaten, fragmenten uit maatschappijkritische essays en poëzie. Het was de eenheid van de roman ten goede gekomen als Marsman zichzelf meer beperkingen had opgelegd en een strengere selectie had gemaakt.

     

     

  • Oogst van de week, week 6

    Vier titels uit het aanbod van onlangs verschenen boeken

    Etalage

    Mijn beste gedicht dat u nooit zult lezen
    Thomas Blondeau (1978-2013) was schrijver, journalist en dichter. Eind 2006 debuteerde hij met de bildungsroman eX. Gevolgd door Donderhart (2010), over een romance die zich afspeelt in Londen tegen de achtergrond van de aanslagen in juli 2005. Zijn laatste roman, Het West-Vlaams versierhandboek, verscheen in september 2013.
    Blondeau had niet zoveel op met de poëzie die hij zelf schreef, het ging hem te gemakkelijk af, vond hij. Zijn vrienden, schrijver Christiaan Weijts en dichter Ellen Deckwitz dachten daar anders over en stelden een bundel met zijn gedichten samen. Deze week werd postuum zijn poëziedebuut , gepresenteerd tijdens de Poëzieweek. Met een nawoord van Ellen Deckwitz. Prijs: € 9,50; Blz.: 32; Uitgeverij De Bezige Bij.

    Belleman De drift van Sneeuwwitje

    De drift van sneeuwwitje
    Sprookjes zijn van alle tijden en vrijwel iedereen is opgegroeid met de wereld van het goed en het kwaad. Sprookjes verhalen van hartstocht en wanhoop en worden wel de spiegel van de ziel genoemd. Bas Belleman (1978), vertelt de klassieke sprookjes als Doornroosje, Blauwbaard en Rapunzel  opnieuw. Deze sprookjes blijken veel tragischer dan we denken. De drift van Sneeuwwitje is een eerbetoon aan de grote vertellers uit voorbije eeuwen wiens namen vergeten zijn. Belleman publiceerde eerder twee dichtbundels. In 2012 verscheen zijn veel geprezen vertaling Sonnetten voor de Donkere Dame van William Shakespeare. Prijs: € 18,95; Uitgeverij Van Gennep.

    normal_pac_9789044517415_cvrBarrevoetse februari (verhalen)
    Herta Müller (Roemenië, 1953) leeft sinds de jaren tachtig in Duitsland, waar ze naar toe verhuisde nadat haar werk in Roemenië gecensureerd werd. Ze schrijft proza, poëzie en essays en won in 2009 de Nobelprijs. In Barrevoetse februari verwerkte ze ervaringen uit haar jeugd onder het bewind van Ceaușescu. Dictatuur is een terugkerend thema in haar boeken, wat haar wel eens verweten werd door critici. Muller schrijft in krachtig beeldend proza. Indringende beelden die de geschiedenis van de Duitssprekend Roemenen ten tijde van Ceaușescu doen herleven. Verhalen over een groep zigeuners die onrust in het dorp brengt en over een vader die elke zondag dronken thuis komt. Wat vooral opvalt in haar werk is dat ze haar angst voor onderdrukking zeer invoelbaar overbrengt. Barrevoetse februari, een boek om te gaan lezen. Prijs € 15,95, Blz.: 160, vertaald door Ria Hengel en uitgegeven bij De Geus.

    Een groep zigeuners die onrust in het dorp brengt; een straat die alleen geasfalteerd is aan de kant van de burgemeesterswoning; de zondagen waarop een vader in een zwarte jas het huis verlaat en ’s avonds dronken thuiskomt. I – See more at: http://www.degeus.nl/boeken/detail/3472/barrevoetse-februari-1.html#sthash.83IzYOHq.dpuf
    Een groep zigeuners die onrust in het dorp brengt; een straat die alleen geasfalteerd is aan de kant van de burgemeesterswoning; de zondagen waarop een vader in een zwarte jas het huis verlaat en ’s avonds dronken thuiskomt. I – See more at: http://www.degeus.nl/boeken/detail/3472/barrevoetse-februari-1.html#sthash.83IzYOHq.dpuf

     

    Ceau?escu
    Ceau?escuLieke2De eerste letter

    Lieke2 De eerste letter
    Vooruit nog een poëziebundel. Er komt zoveel mooie poëzie voorbij maar op de bundel van Lieke Marsman werd gewacht. Na haar succesvolle debuut in 2011, waar maar liefst 3000 exemplaren van verkocht werden (voor een dichtbundel ongelooflijk veel) is onlangs haar tweede bundel De eerste letter verschenen.  Deze bundel evenaart haar debuut qua zeggingskracht en mooie, stipte taalgebruik. Marsman gaf het een motto van Rainer Maria Rilke mee. Een citaat uit Het dagboek van Malte Laurids Brigge, dat zowel het begrip ‘angst’ als de onzegbaarheid van die angst in zich draagt. Een bundel die zich aan je opdringt. De eerste letter bevat 39 gedichten verdeeld over vier afdelingen. Prijs: € 14,50, uitgegeven door Van Oorschot.

    I. v/d Graaf