• Les Murray (1938-2019) de grote dichter over zijn jeugd en afzondering

    https://youtu.be/patmwvyZkew

    Les Murray was de bekendste dichter van Australië en reisde de wereld over om over poëzie te praten. Hij was meerdere malen te gast bij Poetry International. Hij publiceerde meer dan dertig bundels. In Nederland is het omvangrijkste werk De planken kathedraal (525 p.) bij De Harmonie verschenen, in vertaling van Maarten Elzinga.

    Lees ook de column Andere wereld, over Les Murray.

  • Andere wereld

    Andere wereld

    Ik worstelde met een boek, ik begreep er niets van, dacht dat het aan mij lag. Ik kwam de deur niet meer uit, had slapeloze nachten. Het boek kon er niets aan doen. Het was een op het oog eenvoudig boek, korte genummerde hoofdstukken van anderhalf, twee bladzijden. Als iemand vraagt waar gaat het over, zou ik zeggen: over schuld en onschuld, online roddelen, bedrog en liefde en ja, ook over de dood. Er zat nog iets in dat boek wat ik er na drie keer lezen maar niet uit kreeg. Ergens bleef ik in gebreke, dat ergerde me. Toen was ook de Australische dichter Les Murray nog overleden. Hij zou dit jaar eenentachtig worden. Ik las ooit een stuk van Maarten Elzinga dat me direct voor de dichter innam.

    Elzinga verbleef in 1994 in een vertalershuis in Duitsland waar een collega-vertaler onderzoek deed naar koeien, voor de vertaling waar ze aan werkte. Elzinga’s nieuwsgierigheid was gewekt, hij spiekte over haar schouder: The Cows on Killing Day van Les Murray. ‘All me are standing on feed. The sky is shining. / All me have just been milked…’, en was verkocht. Dat doet de taal van Murray dus, je een ongekend gebied in trekken.

    Murrays gedicht Hantering van de nagelclipper vond ik een van de verrassendste gedichten toen ik zijn werk leerde kennen. Om dat ‘knor en oempf’ en ‘misduimd’ en dat het dus werkelijk over het knippen van teennagels ging. Om van een even banale als afstotende (ik gruw van nagelknippers in mijn bijzijn) verzorging van het lichaam iets ritmisch te maken. Je leest het nog eens en weer wordt met elk woord het bewustzijn aangesproken.

    ‘Na blootvoets, knor en oempf
    weerkaatst de teennagelclipper
    die bumpers knipt van buitennagels
    op de harde houten vloer.

    Het schuin afstaande hefboomroer
    ketst af, misduimd, van de overkaak
    buit weer toe en trimt a tempo
    de haken van middelst loopwerk.

    Tsjak! De hele tang schiet weg
    onder de bank – til die bank op
    graai met overdwarse arm
    herpak je om nog meer te knotten,

    een overzijdse knie omklampend
    toon je binnendij, en snoeit
    de hoornen uitwas die de planken
    met grijze kever-bix bestrooit.’

    Les Murray groeide op als enig kind op een boerderij aan de noordkust van Australië. Zijn moeder kreeg meerdere miskramen en  overleed toen hij twaalf was. Zijn vader leed aan depressies, verwaarloosde de boerderij. Als puber zwerft Murray veel buiten rond, jaagt op konijnen, denkt erover mee te vechten in Vietnam. Zo nu en dan schrijft hij een gedicht. Dan ontmoet hij zijn vrouw Valerie Morelli, ze krijgen vijf kinderen. In 1965 verschijnt zijn eerste bundel, The Iles Tree. Murray leed aan depressies en verdween soms wekenlang van de radar, rondtrekkend door Australië. ‘Een depressies kwam als een ongewenste gast die te lang bleef hangen’, zei hij tijdens een interview met de Bayerischer Rundfunk in 2014. Murray schreef zijn gedichten met de hand en op de typemachine. Een computer was nooit een optie geweest.

    Les Murray was er van overtuigd dat zijn gezin, de poëzie en zijn geloof hem voor een leven als paria en vijand van de ‘human’ behoed hebben. Hij publiceerde meer dan dertig bundels en werd jarenlang getipt (aan dovemansoren) als kandidaat voor de Nobelprijs.

    Opeens wist ik wat me in het boek met de korte hoofdstukken tot ergernis dreef. Bij iedere herlezing werd er iets nieuws ontdekt maar werd het verhaal diffuser. Bij herlezing van de lange en soms cryptische gedichten van Murray ontstaat er een helderheid die leidt tot iets op zichzelf staand. Ik hou van dingen die op zichzelf kunnen staan.

     

    In 2013 verscheen het omvangrijke en door Maarten Elzinga vertaalde De planken kathedraal (525 p.) bij De Harmonie.


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

  • Les Murray en kaddisj zeggen.

    Eregast van literair tijdschrift Liter dit jaar is de Australische dichter Les Murray. Dat houdt de belofte in dat nieuw werk van Murray een primeur zal vinden in de komende edities van Liter van dit jaar. Zijn vertaler, Maarten Elzenga zal hem steeds, (volgens de redactie) daarbij begeleiden. In figuurlijke zin wel te verstaan.

    De eerste begeleidende bijdrage van Elzinga gaat over de nieuwste poëzie van Les Murray. En hoe hij sinds 1994, tijdens een vertalers meeting, steeds meer in de ban is geraakt van Murrays poëzie. Interessant is te lezen dat Elzinga altijd opnieuw door angst wordt overvallen wanneer hij zich voorbereidt op het vertalen van een gedicht van Murray. Hierbij maakt hij de vergelijking met de taak die de Griekse koning en stichter van Korinthe, Sisyphos door de onderwereld werd opgelegd. Namelijk: Een steenblok (lees taalbrok), naar de ijle hoogte te duwen waar de brontekst zich bevindt, en hopen dat dat blok weerspannig door de Nederlandse taal, niet helemaal terug rolt naar de voet van de berg. En het vertalen opnieuw kan beginnen. Voor de vertalingen die in dit nummer zijn opgenomen vroeg Elzinga dan ook vertaler Dorien de Vries te hulp. Deze samenwerking verliep zo goed dat volgens Elzinga niet meer met zekerheid te zeggen is wie voor welke ingeving/vertaling verantwoordelijk is. Een mooi bijdrage over hoe (poëzie) vertalers werken.

    Liter gelooft in mooie literatuur’ is het credo van dit christelijk literaire tijdschrift. Geloven in deze tijd kent vele aspecten waarbij een godsbeeld steeds meer wordt losgelaten. Het ultieme doel van nu is zich niet meer een weg te bereiden naar de hemel maar het aardse leven te behouden. Geloven in duurzaamheid. Lodewijk Dros, die regelmatig over dit thema essays publiceert, verwoordde dat eens als volgt: ‘(…) leven uit het besef dat we met hoofd en hart en handen deel zijn van de Aarde. (…) verbonden zijn met alles om ons heen, met aarde, water, lucht en vuur, en met de generaties die na ons komen. ‘ Wat hier ontbreekt is het verleden, van waar we komen. Het duurzame heden is de schakel tussen toekomst en verleden.

    Over de holocaust en de oorlog is al veel gezegd en geschreven. Maar niet eerder kwamen gedichten zo direct binnen, als de gedichtenserie Kaddisj van Jane Leusink. Heden en verleden met een wenk naar de toekomst waarin god nog wordt aangezegd. De serie van dertien gedichten wordt voorafgegaan door een zwart/wit foto waarop een man en een vrouw op een strand. De man in pak met in één hand een paar handschoenen. Hij kijkt alsof hij erg zijn best doet er goed ‘op’ te komen. Naast hem een vrouw, zittend in de omlijstende boog van zo’n ouderwetse rieten strandstoel. Ze draagt een hoedje en kijkt wat ongelukkig, niet op haar gemak. De foto is afkomstig uit de privécollectie van de dichter en na enig zoeken blijkt het uit het familie archief te komen van haar inmiddels overleden echtgenoot. Ook heeft ze bestaande teksten gebruikt zoals te begrijpen valt uit het 4e gedicht Een zoon is geboren. In cursief staat erboven “Wat zich verstopt hield / in mijn kogelronde buik aan botjes, spiertjes / in een kleine romp, ik kijk en kijk tot het klopt.” Waarna het gedicht vragend begint: ‘Ben jij het Gudes die dit zegt? Je stuurt een foto / als een hart. Uit de  kinderwagen (kap neer voor beter zicht) / kijkt je baby blakend toe, oogjes onder wenkbrauwboogjes // (…) Een kleine prins, meteen al in licht gegoten. Achterop / haast sprakeloos van ongeloof in Jiddisch, Duits en Nederlands tegelijk / dit is een foto van mijn lieve zoon en dat je die stuurt / als herinnering aan hem.’
    Waarbij  in de laatste regel de vraag oprijst of de ontvanger van de foto Eljie was, de man met wie ze trouwde, weer van scheidde en daar tussen in een kind met hem kreeg. Duidelijk is dat een leven in poëzie gegoten, evengoed een standbeeld is voor de nabestaanden.

    Nog even de jonge dichter Maarten Buser (1991) onder de aandacht. Vertegenwoordigd met drie gedichten waarin alles draait om de protagonist Claude en de ik persoon. De twee- of drieregelige strofen, waarin Buser zijn gedichten schrijft, geven op zich al genoeg beeld geven om mee voort te kunnen. Sinds iemand hem bezwoer dat ‘je niet kunt vereren / wat je niet kunt wiegen’, wil Claude // houtsnijder zijn. / nu praat hij over ‘een eierschaal / waar ik voorzichtig mijn Christusje uit zal tikken. (Uit: Naar de natuur).

    Genieten van zijn taalgebruik met regels als, ‘Tussen ons ontspon zich een stilte’, en ‘Ik zou nu graag voor hem bidden maar mijn handpalmen glijden steeds van elkaar af’. De laatste regels zijn van het gedicht Kalmerend groen dat begint met: ‘Ik heb een beetje zeep in mijn pyjamamouw / geknoeid. (…).’ Ondanks de vreemde voorstellingen in de gedichten schrijft Buser duidelijke taal.

    Meer bijdragen van onder meer Daniel Rovers, C.S. Lewis, Els Meeuwse, Marianne van Reenen, Arthur Schnitzler, Jan Sonneveld en Nels Fahner.

    Lees meer (en een eigen exemplaar van Liter bestellen) via deze link: www.leesliter.nl