• Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Wie bij een dichtbundel van tweeënzestig pagina’s denkt ‘grote stappen, snel thuis’, komt geheid bedrogen uit. Bij Sterkteleer van Lans Stroeve al helemaal. Is er voor het lezen van poëzie toch al een zekere gesteldheid nodig – rust, geduld, openheid -, voor deze bundel geldt dat des te meer. Stroeve’s gedichten voelen alsof men voor een rotspartij staat en een code, een wachtwoord, een soort van ‘Sesam open u!’ nodig heeft voordat de spaarzame openingen zichtbaar worden. Er lijkt aanvankelijk weinig lucht te zitten in deze poëzie. Het is allemaal te vast en te hard, hermetisch bijna. Moest deze bundel een baksel zijn, dan was het een Christmas pudding. Of een zuurdesembrood, met inhoud die vult, hoezeer ook vorm- en woordschoonheid in acht worden genomen.

    De taal van deze gedichten is stevig en gesloten. Als lezer ben je voortdurend in verwarring, weet je niet wat binnen of buiten is, bolster of pit. Denk je zacht te beginnen, dan breek je de tanden op een harde binnenkant. Of omgekeerd. Erger nog, wat binnen of buiten is, is vaak niet duidelijk. Maar je moet erdoorheen, hoe dan ook. Soms blijf je berooid achter, geschokt, onbarmhartig van je sokken geblazen. Andere keren word je beloond met een schat; een gedachte, een beeld, een kostbaarheid waarbij je huilend scheefzakt. En is die ervaring je eenmaal ten deel gevallen, dan wíl je er ook doorheen. ‘Dat je dat leert in de loop van je leven, om het ongedierte / uit je dekentje te kloppen voordat je het omslaat en je warm / te stappen en op tijd te zwijgen, te fluiten, de vogels te spotten / met hun ragfijne pootjes balancerend op de uiteindes van goud- / gebladerte en daarbij de route te snappen, de tomtom ontwijkend.’
    Beelden zijn er ook. Tussen de drie blokken waarin deze bundel is opgedeeld – ‘Breekspanning’, ‘Imker van de engelen’ en ‘Kracht’ – zijn afbeeldingen van schilderijen opgenomen. Enkele zijn van Stroeve zelf, die behalve dichter ook kunstenaar is, en enkele van haar grootvader Egbert Johannes de Maar.

    Dansende ritmiek

    Net als de omhulde, verborgen zachtheid, zit er ook dansende ritmiek in de gedichten zelf. Niet in de opmaak, niet in de visuele vorm. Ongeacht de vorm – soms met herkenbare strofen en witregels, maar even zo vaak niet – loopt elk gedicht door als proza, wordt bijna een kort verhaal. Proza dat om de beeldigheid van de taal gedicht mag heten. Omdat er in die dichtgedrukte zinnen een cadans zit, sterk als een harteklop. en daarover gaan de meeste gedichten, over een lichaam waar iets mee is. Het hoe en waarom van dat alles wordt gespiegeld in operatiekamerscènes, met die heldere kleuren ook, en in dat licht.

    ‘Wist je dat iedere, ook de fijnste materie / zoals huid in meerdere gehaltes bestaat / zodat de breekspanning wisselt. Sterker / materiaal geeft andere waarden, waar // het lichaam via de huid bij tl-licht / geopend, gepijnigd en gezuiverd werd, / de ziel zich verborg maar bij kaarslicht / verscheen, schemert er iets voor de geest’

    Een lichaam en een hoofd dat enerzijds zichzelf moet verstaan in die nieuwe rol van patiënt. Anderzijds zichzelf verder droomt als levend tussen al het andere leven van de vogels, de struiken, een hond, de kleur van de lucht.

    En juist als je de vraag stelt: wat is hier droom, en wat werkelijkheid, valt het kwartje. Alles is de werkelijkheid in lagen. De ene werkelijkheid, de oude vertrouwde, waar de voelende, kijkende verteller zich verbergt. De andere, die nieuw is en ongemakkelijk, en met dat tl-licht dus. Maar alles mag, met ogen dicht of ogen open, want in alle lagen wordt de autonomie hoe dan ook bewaard. In alle lagen huist een diepste zelf dat al dat schijnbaar ongerijmde met elkaar verbindt. Een zelf dat zegt: dit ben ik, dit ben ik allemaal, dit alles is mijn leven.

    Krachteloze lichaam

    Niet de hogere kunst van het loslaten, maar de hogere kunst van het besef dat er niet zoiets bestaat als loslaten, dat het enkel aankomt op hoe er wordt vastgehouden, en waar het wordt gestald. En als er toch wordt losgelaten – omdat het niet anders kan – dan is het eerder een toevertrouwen. Je krachteloze lichaam leggen in de handen van onbekenden die met geen ander doel om je heen staan dan je te dragen. ‘Bij vele koppelingen ontstaat een oppervlakte / en kan je als een schaatsenrijdertje over donker // water snellen. Zigzaggen. Hoeken slaan. Je gaat / niet zinken, je wordt gedragen. Ogen open: // ze vliegen af en aan, het flinke ziekenhuis in / en uit, de grootste zwerm goede zielen van de stad.’

    Uiteindelijk is de grens tussen hard en zacht en tussen sterk en kwetsbaar niet te vinden. En misschien is het ook niet relevant. Stroeve is erin geslaagd tussen al dat onbekende en schijnbaar onvindbare de nodige woorden te vinden om het onbenoembare van een persoonlijke situatie – een mens balancerend op de levensgrens – te benoemen. En anders worden er woorden gemaakt, met speels gemak, plezier en bravoure: ‘Zielekastje, pimpelmeespetjeblauwehemelkoepel, bezwijkmechanisme, zwartenachtblauwe, paniekregister’.

    Voor deze poëzie moet je moeite doen. En is dat verkeerd? Integendeel. Misschien is het wel goed dat in deze lelijke tijden – van oorlogen tot fatbikes – we ergens moeite voor moeten doen om schatten en kostbaarheden terug te vinden die het leven mooi maken. Niet dat het weg was, maar omdat we waren afgeleid, tot stilstand gekomen in een poel van oppervlakkigheid. Omdat we om wat voor reden ook geen moeite meer deden, niet zochten, niet vochten terwijl we zo verlangden.

    Niks krijg je cadeau

    Alles is er nog, het goede, het ware en het schone, maar we krijgen het niet cadeau. Wellicht is dat de essentie van deze bundel. Alles is vindbaar, zolang je maar graaft, en nog dieper graaft. Durf te blijven gaan, van de ene stapsteen naar de andere, van de ene gedachte naar de andere. Meegaan in de ‘stream of consciousness’. Want naast gedichten met strofen en witregels en leestekens, zijn er ook die in de meest letterlijke zin van het woord vooraan beginnen en achteraan eindigen. Die lezen als één lange flow van beelden zoals in het gedicht:

     ‘Meander

     In deze meander kan men aan de leuning lopen
     in mateloze passages. Men neemt de laatste zin
    en start vanuit die woorden naar een volgende
    verbeelding in klare, laag gezongen klinkers
    en loost in de bochten leestekens voor oude
    ogen. Denkt de houding te herkennen aan de
    herinnering van die ene.

     Men heeft een zacht hart en warme handen.
    Ongenaakbaar werd langzaam onbeholpen
    en opende daarmee een luikje in mijn zielekastje.’

    Helemaal zichtbaar wordt deze ‘stream of consciousness’ in ‘De glimwormen van het geheugen’. en met welk een impact!

    ‘er is me verteld dat je bijna verdwenen bent
    uit het nu en alleen nog uit verleden op te roepen
    herinner ik me dat ik gewekt ben op een zomeravond
    in het warme donker of ik lig toch nog te luisteren
    de schuifgeluiden van de stoelen en een ingehouden
    fluistersfeer schoenen aan we gaan de berg op lopen
    in colonne er is iets wat je moet gaan zien krekels
    breken met hun kleine ratels de geurende duisternis
    tot aan de sterren open, er staat iets te gebeuren’

    Lees dit hardop, proef het ritme, gaande gehouden door subliem gedoseerde assonantie.



  • Spreken van troost en kracht

    Spreken van troost en kracht

    Wanneer een poëziebundel is getiteld Olympisch zwemmer komt onmiddellijk het meesterlijke gedicht Arne Borg van Jan Engelman in gedachten:

    […]
    Arne Borg zwemt duizend meter
    Arne Borg doet alles beter

    De Zweed Arne Borg (1901-1987) won vijf Olympische medailles in 1920 op diverse afstanden – zwemmen uiteraard. Maar de poëzie van Lans Stroeve heeft met zwemmer Arne Borg of dichter Engelman niets te maken, wat op zich jammer is. De ‘olympisch zwemmer’ uit de titel van de bundel komt heel terloops voorbij in het gedicht Ekster. En dat is dat.

    De poëzie van Stroeve vertoont  niet in opvallende mate een lijn maar variatie des te meer. Een van de gedichten is kort en krachtig, bijna als statement:

    Het is in helderheid en tijd
        tot op het been alleen
    lichtgevend, ervan dromend als de sterren
    om gezien te zijn. Kijk

    hier licht een poëzie

    Stroeve’s gedichten zijn gewoonlijk langer, vloeiender, zachter – misschien veelzeggend voor een auteur met een korte en onzachte naam als ‘Stroeve’. De poëzie van Lans Stroeve is levend en levendig – maar gaat vaak over de dood. In bijna de helft van de gedichten komt de dood aan bod, direct als onderwerp, of indirect, verwijzenderwijs. En de bundel is opgedragen aan de dode vader en dode broer van de dichter, beiden (als ik het goed begrijp) merkwaardig genoeg overleden op 5 oktober – zij het in verschillende jaren.

    Hoe van dit ogenschijnlijk onsamenhangende geheel een beeld te schetsen dat consistentie vertoont of in ieder geval enige informatie verschaft? Om te beginnen maar eens een heel gedicht, ook alweer programmatisch bijna, het laatste gedicht van de bundel, getiteld ‘Excitatie’:

    Zojuist legde ik de oude zanger neer na een zinderend betoog
    over klank en zang en poëzie waarna er hoog over ons huis
    een vogel vloog, een onomatopee! een koekoek terwijl hij
    heel hard
    koekoek riep.
    Ik knip de vlier en snoei de takken, stap naar achter waar ik
    – heel handig: in het rozenpoortje met de kamperfoelie – zie!
    de zonnebril die ik kwijt was en juist vandaag vervangen had.

    Zo zacht zijn nu de tekens van de dingen die ik begon te haten
    sinds je dood bent. Alle spullen, ongenaakbaar in het
    voortbestaan;
    ik flikker alles in de prullenbak en zing daarbij een laag en
    toonloos
    liedje. Maar nu kijk ik door die bril vanuit de struiken naar het
    snoeiende
    en zie het flakkeren van het onbeweeglijke. En in dit licht
    weet ik dat de dingen alle kleuren drinken, behalve die ene:
    de ontbrekende.
    En die geven wij zijn naam.

    Een programmatisch gedicht omdat het geen uitgesproken vorm heeft, omdat er een dier in voorkomt (ditmaal een koekoek; eerder elders in de bundel ontmoet de lezer vee, een karper, kauwen, een hond, kwikstaarten, een ekster, rietvogels, een insect, een vleermuis, lijsters, zwanen, paarden, een horzel, een veulen, vissen, kuikens, nog een hond, ijsvogels, een roofdier), omdat de dood erin voorkomt, omdat een inzicht wordt verkregen of verkondigd en – het belangrijkste misschien – de natuur er prominent in figureert, ook al is het dan in de vorm van een tuin waarin gesnoeid wordt. De Hollandse natuur, in de vorm van kusten, bomen, landschap etc. is naast de dood en de dieren een derde constante in deze poëzie. Opmerkelijk genoeg zien we geen natuur op het omslag van deze bundel, maar wel in de vorm van drie foto’s in de bundel (ook van Lans Stroeve).

    De poëzie van Lans Stroeve spreekt de lezer niet direct aan qua ‘betekenis’, maar vanuit een andere benadering kan je stellen dat deze gedichten veel ruimte bieden voor verschillende interpretaties. Het lijkt vooral te gaan om: troost. Troost voor verdriet om verlies of dood, troost om ‘ongrijpbaarheid’ en gebrek aan houvast. En troost vindt de lezer in Stroeve’s gedichten vanwege de ervaring van de natuur, die rustig bestaat en voortgaat, die waait en stroomt. Het lijkt daarom ook passend dat de dichter behoort tot diegenen die wel eens teksten schrijven voor volstrekt eenzaam gestorvenen (zie www.eenzameuitvaart.nl). Een voorbeeld van het resultaat staat op pagina 45-46 van de bundel: ‘Bij de teraardebestelling van Willem Pieters’.

    Na het bovenstaande is het misschien het eerlijkst de dichter tot slot zelf aan het woord te laten:

    […]

    Er is tijd verstreken.
    In het zand zijn de sporen van de heenweg te zien. Ik zet mijn laars ernaast
    maar ik moet flink stampen om dezelfde voetstap te krijgen.
    Ik ben lichter geworden.
    Op de dijk staat echt iedereen te zwaaien.