• Het intellectuele streven krijgt nederig tintje

    Het intellectuele streven krijgt nederig tintje

    Reeds voorbij het midden van zijn leven voelde T.S. Eliot een sterke behoefte met iets troostrijks voor de dag te komen. Zoals het Beethoven met zijn late strijkwartetten was gelukt: iets te creëren wat vreugde brengt en rechtvaardiging voor het bestaan. Met dát in zijn achterhoofd componeerde Eliot zijn beroemde Four quartets, die door Paul Claes voor uitgeverij Koppernik zijn vertaald als Vier kwartetten. Met deze vier, als muziekstukken opgezette, langere gedichten won de tot Brits onderdaan genaturaliseerde Amerikaanse dichter-essayist in 1948 de Nobelprijs voor literatuur. Zelf rekende Eliot ze ook tot hoogtepunt van zijn dichterlijk oeuvre dat met onder meer Prufrock and Other Observations (1917) en The Waste Land (1923) beroemde modernistische klassiekers bevatte. Dichtwerken ook die de nodige bagage bij het lezerspubliek veronderstellen. 

    Sinds zijn bekering tot de Anglicaanse Kerk in 1927 zette Eliot niet langer exclusief in op de ondergang van de moderne cultuur en zocht hij niet langer verlossing in het culturele verleden. Wat Eliot met zijn Vier kwartetten voor ogen stond was de mogelijkheden te onderzoeken om door middel van kunst en spiritualiteit troost te bieden. De in zijn vroegere, modernistische werk toegepaste pastiche en formele experimenten maakten plaats voor filosofie en logica met een bijbehorend nieuw taalbewustzijn dat klanken en de zinnelijkheid van taal benut om muzikale, dramatische vormen te creëren. De lezer van de Vier Kwartetten wordt als het ware uitgenodigd zich in de beelden te herkennen. Om eleganter uit te pakken heeft Eliot gezocht naar een balans tussen het intellectuele, esthetische en het emotionele. Zijn pogingen hiertoe worden hier en daar door hem zelf becommentarieerd. Het intellectuele streven krijgt zodoende een nederig tintje en tegelijkertijd accentueert het de stem van de dichter. Ofschoon tussen 1935 en 1942 geschreven en aanvankelijk afzonderlijk gepubliceerd, zijn de vier gedichten in 1943 voor het eerst gezamenlijk als Four Quartets in boekvorm uitgegeven. 

    Meditaties over tijd

    Het begrip ‘tijd’ komt in deze gedichten, zo berekende Paul Claes, zo’n keer of vijfenzeventig voor. In ieder kwartet wordt het begrip echter op een andere wijze aangevlogen. Ze kunnen als vier meditaties over de tijd worden beschouwd. Aan ieder kwartet ligt een andere herinnering of ervaring ten grondslag. Centraal in de Vier kwartetten staat het conflict tussen individuele sterfelijkheid en het eindeloze komen en gaan van het menselijk bestaan. Om de spanning tussen beide voelbaar te maken, concentreert elk kwartet zich op een specifieke locatie met een onderscheidende betekenis voor zowel Eliots leven, als voor de hele menselijke geschiedenis. De titels zijn vernoemingen naar de vier plaatsen: Burnt Norton, East Coker, The Dry Salvages en Little Gidding. Vanuit iedere locatie wordt een reeks ideeën over spiritualiteit en betekenisvolle ervaringen gelanceerd, op een zodanig objectieve wijze dat de lezer zich erin kan herkennen.

    Gedurende de tijd dat Eliot zijn Vier kwartetten schreef, brak de Tweede Wereldoorlog uit en die eiste zijn plaats op in dit werk. Claes biedt in zijn commentaar achterin een mis-niks-route die de controlfreak langs ieder literair-filosofisch, cultureel-historisch detail van de vier kwartetten leidt. Terecht is deze toelichting gescheiden gehouden van het poëem zelf. Want die is zonder ook goed genietbaar. Waarmee niet gezegd is dat al die verwijzingen en toespelingen slechts een laagje vernis zouden vormen, integendeel: de traditie van waaruit Eliot heeft gepikt, zit als een vloerverwarming onder het gedicht. De lezer voelt er de warmte van, maar hoeft de leidingen niet te zien. 

    Citeerbare zinnen

    Eliot ontleent zijn inspiratie aan de Bijbel, Augustinus, Dante, Johannes van het Kruis, Milton, Keats, Mallarmé, Baudelaire en Yeats. Zijn poëzie staat voor helderheid en nauwkeurigheid van uitdrukking en kent een uitgebalanceerde technische opbouw van het gedicht in zijn totaliteit. Behalve rijk aan traditie zijn de gedichten ook rijk aan aforismen. De beroemdste daarvan is ongetwijfeld de eerste gecombineerd met de laatste regel van Burnt Norton: ‘In my beginning is my end’ respectievelijk, ‘In my end is my beginning’. Uiterst citeerbare zinnen uit deze kwartetten zijn onder andere: ‘Home is where one starts from’ (‘Thuis is de plek van waaruit we vertrekken’). ‘Only through time time is conquered’ (‘Enkel door toedoen van de tijd wordt de tijd overwonnen.’). Om die overwinning is het de Vier kwartetten uiteindelijk te doen. Prachtig hoe deze beide citaten in het laatste kwartet Little Gidding weer opgepakt worden: 

    ‘Wat wij het begin noemen is vaak het einde
     En een einde maken is een begin maken.
     Het einde is ons vertrekpunt. En elke uitspraak
     En elke zin die juist klinkt (waarin elk woord zich thuis voelt,
     Zijn plaats inneemt om de andere woorden te ondersteunen,
     Een woord dat niet bedeesd en niet opdringerig is,
     Een ongedwongen omgang tussen oud en nieuw,
    (…)
    En aan het eind van onze zoektocht
    Komen we aan waar we zijn vertrokken
    En zien de plek voor het eerst.’

    Universele beleving

    De structuur van herhalende terugkeer van thema’s en frases, en termen als ‘einde’ en ‘begin’ in minieme variaties doorontwikkeld – zo kenmerkend voor dit gedicht én voor een strijkkwartet – dat alles krijgt de cadans van de circulaire tijd. Zo min als verleden, heden en toekomst gescheiden kunnen worden, kunnen de woorden dat die gebruikt worden om die begrippen te beschrijven. Zonder zijn toevlucht te nemen tot excentrieke, vervreemdende woordcombinaties, kiest Eliot voor de onopgesmukte ernst van termen als ‘verleden’ en ‘heden’ om zijn punt te maken. Uiteindelijk bereikt hij ermee dat zijn gedicht de individuele herinnering ontstijgt, en een meer universele beleving wordt, een herinnering van een gehele cultuur.

    Paul Claes presenteert de lezer een vertaling die recht doet aan het ritme en de diverse, gevarieerde rijmschema’s, dat geeft een Nederlands equivalent van Four Quartets. Het erkent de verdiepende kracht die ritme en melodie uitoefenen op de betekenis van een zin. Zijn vertaling maakt je bewust van de structuren van rijm en ritme die onder dit gedicht liggen. Het origineel is ernaast afgedrukt en niet enkel om te negeren. Ook heeft hij een knappe prestatie geleverd met zijn verklarende toelichtingen achterin waarmee hij de zoekende lezer houvast geeft.

    Een doorlopend verhaal met een kop en een staart krijgt de lezer van Eliot niet gepresenteerd, noch de conclusie van een afgeronde boodschap. Verontrustende wanhoop gaat over in berustende hoop: ‘Wij sterven met de stervenden; / Zie hoe zij heengaan en wij met hen. / Wij worden met de doden geboren; / Zie hoe zij terugkeren en ons meevoeren.’ De sprankjes hoop komen vanzelf bij esthetisch bevredigende zinnen als: ‘Wij zijn alleen nog niet verslagen / Omdat wij zijn blijven proberen.’
    De Vier kwartetten zullen keer op keer gelezen moeten worden om het gedicht uiteindelijk een ervaring van waarheid en schoonheid te laten worden. De lezer die aan het einde gekomen, terugkeert naar het begin van het gedicht, zal het opnieuw kunnen ervaren als was het de eerste keer.     

     

     

  • De vloek van de snoek

    De vloek van de snoek

    Elina Ylijaako, geboren in Lapland, is vervloekt. Elke lente móét zij een snoek opvissen uit het moeras vlakbij haar ouderlijk huis. Doet zij dat niet voor 18 juni om 21:00 uur, dan sterft ze. Dit jaar is haar opdracht nog lastiger: Elina wordt namelijk achtervolgd door inspecteur Janatuinen, die haar verdenkt van een moord in Helsinki. Alsof dat nog niet genoeg is, saboteren allerlei mythische wezens Elina’s zoekactie naar de snoek. En wie heeft haar eigenlijk vervloekt? Je zou bijna denken: een queeste, een detective én magisch-realistische elementen, valt dat wel te verenigen in één boek? Juhani Karila flikt het in zijn debuut De jacht op het snoekje.

    Met Finse onderkoeldheid vertelt Karila zijn verhaal, wat een prettig tegenwicht biedt aan het magisch-realistische gehalte. Vooral de dialogen zonder franje zijn gortdroog. Met verrassende metaforen en rake observaties laat de schrijver zien dat de mens aan chronische zelfdestructie lijdt, zowel collectief als individueel. Hoezeer hij ons hiermee ook onttovert, Karila’s les over de liefde betovert des te meer: soms kan alleen pijn je wonden helen.

    ‘Huh?’

    Doorgaans zetten schrijvers van het fantastische genre in op spektakel, grootse gebaren en grootse zinsneden. Hoe anders is dat bij De jacht op het snoekje, waar de personages het schouderophalen tot kunst verheffen. Vanaf de eerste pagina’s zijn de Laplandse bewoners stug, kortaf, zakelijk. Karila doet geen enkele moeite de personages aimabel of grappig te maken, waardoor zij des te meer charmeren en levensecht lijken. Met de dialoogvorm excelleert journalist Karila, de lezer trakterend op gesprekken die maar niet willen vlotten. Ze doen aan als interviews met wereldvreemde types die wars van mediatraining zijn. Wanneer Elina bijvoorbeeld bij oude bekende Keijo een hengel wil kopen om de snoek te vangen, gaat het gesprek als volgt:

    ”Heb je van die gevlochten dingen?’
    ‘Hier verkopen we monofilament.’
    ‘Doe dat dan maar.’
    ‘Dikte?’
    ‘Doe maar die van nul komma vijftien millimeter.’
    Keijo liet de plug op zijn schoot zakken en keek Elina aan. ‘Waarvoor die?’
    ‘Voor ’n snoek.’
    ‘Ben je niet goed bij je hoofd?’
    (…) ‘Da’s toch een prima lijn.’
    ‘Toen ik klein was, hadden we geen lijn.’
    ‘Jaha.’
    ‘En geen hengels.’
    ‘Jahaaa!’’

    Later maakt ook Janatuinen kennis met Keijo, als zij Elina op het spoor is. De winkelier verzwijgt zijn eerdere ontmoeting met de hoofdverdachte van de politiebeambte, maar:

    ‘‘Ik heb politie nodig. Kan jij helpen?’
    ‘Vertelt u me waar het om gaat.’
    ‘Iemand is m’n huis binnengedrongen.’
    ‘Wanneer?’
    ‘Nu. Of nou ja, hij kwam gisteren. En nu is hij daar.’
    ‘Wie?’
    ‘Hij.’
    ‘Hij?’
    ‘Ik weet zijn naam niet. (…) Gaat juffrouw de agent me helpen?’’

    In zijn woning treft ‘juffrouw de agent’ een van de vele magische wezens aan, wiens bestaan de dorpelingen gelaten accepteren. In dit geval gaat het om een dreumel, die doodleuk op de achterbank van Janatuinens auto plaatsneemt om haar te beschermen. Deze ‘monsters’ zijn de Laplanders in elk geval vertrouwder dan onbekende bezoekers van vlees en bloed.

    Automutilatie van de mensheid

    Al snel wordt duidelijk dat de Laplanders niet alleen in contact staan met magische levensvormen. Ook de natuur kent voor hen geen geheimen. Zij koesteren een diep wantrouwen richting stedelingen uit het zuiden, omdat die de geliefde natuur als object behandelen en haar in rap tempo verwoesten. Volgens hen vormt Elina hierop geen uitzondering.

    Hoe dieper Elina doordringt in het Stakenven, domein van de snoek, hoe meer de omgeving haar bevreemdt: ‘Bij iedere voet die ze optilde klonk een scherp gesmak, alsof haar benen zoete lolly’s waren waar het moeras met tegenzin afstand van deed.’ Karila strooit met beeldspraak die nu eens het natuurlijke objectiveert, dan weer het object tot leven wekt. Die objectivering breekt ons op den duur op, waarschuwt Elina’s favoriete lector in de biologie: ‘De mens [doet] iedere dag onvermoeibaar zijn best de levensgemeenschap te vernietigen. (…) laat dieren net zo makkelijk uitsterven als dat hij een bezoekje aan de winkel brengt.’

    In liefdesrelaties vindt diezelfde objectivering plaats. Elina is in haar tienerjaren hopeloos verliefd op Jousia en heeft een knipperlichtrelatie met hem. Om in haar studietijd van hem af te kicken – het is op pijnlijke wijze uitgegaan – zoekt zij naar rebounds, van wie zij ten diepste niet houdt. Over het gezicht van haar tijdelijke vriendje Tuomas schrijft Karila: ‘Dat was als een venster van helder glas (…) tegelijk zag ze haar eigen weerspiegeling.’ En die weerspiegeling slaat om naar een negatief zelfbeeld. Tijdens de jacht op de snoek zinspeelt de schrijver dan ook op Elina’s neiging tot zelfdestructie: ‘Het Achterven werd omzoomd door dichte wilgenstruiken, die witte en rode sneeën maakten in haar blote armen. Dat voelde goed.’

    Professionele hulp

    Voordat ze de snoek kan bemachtigen, moet Elina een nix verslaan. Dit is een androgyne, pesterige waternimf die met één blik kan doden. Het wezen verspert haar de doorgang tot het ven. Aangezien haar overleden moeder een vaardige heks was, brengt de nix Elina niet van haar stuk. Ze roept de hulp in van magiërs, gigant Moker-Olli en lieve peetoom Oehoe, die haar overleden ouders goed gekend heeft. Maar zelfs zij kunnen niet ontdekken wie schuldig is aan de vervloeking van Elina. De onthulling komt, hoe kan het ook anders, van een echte factchecker.

    Nadat eindelijk het mysterie achter Elina’s lijdensweg ontrafeld is, weidt Janatuinen uit over haar ervaringen bij de politie: ‘Ik kom in mijn werk vaak mensen tegen die zichzelf pijn willen doen. Daar is niets vreemds aan. Wat wel vreemd is, is het soort mensen dat dat wil. Mensen die niets ernstigs op hun geweten hebben, willen van de vijfde verdieping springen. Mensen die op grond van hun daden alle reden zouden hebben onder een vrachtwagen te lopen, doen dat gegarandeerd niet.’ Aan welke profielschets voldoet Elina en wat heeft dat met de vloek te maken? Het antwoord ligt in de verbroken relatie met haar jeugdliefde Jousia.

    Vangst van de dag

    Deze magisch-realistische queeste met het verloop van een detective hoeft niet te hengelen naar complimenten. Ze komen de roman toe. De jacht op het snoekje vermaakt met opvallend nuchtere personages, een zintuiglijk decor en een meeslepende plot. De spanning over de moord én de vloek blijft tot het einde toe overeind. Ten slotte leidt de queeste tot een ontdekking over de liefde die het publiek tot lering en vermaak strekt. En dat uitgerekend dankzij degene die het minst in magie gelooft. De werkelijkheid is mooi genoeg.

     

     

  • Oogst week 20 – 2022

    De doden houden we bij ons – Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen

    Aan de prestigieuze en conventionele Harvard Universiteit studeert in 1969 Jane Britton, een jonge vrouw die geheel volgens de dan heersende cultuuromslag een ongebonden leven leidt. Aan de universiteit wordt ze met haar studie archeologie nauwelijks serieus genomen – net zo min als andere vrouwelijke studenten. Op een dag wordt ze vermoord aangetroffen.

    De omstandigheden zijn duister, onderzoek faalt en een dader wordt nooit aangehouden. Maar de geruchten en roddels zijn veertig jaar later nog niet verdwenen. Jane zou vermoord zijn door haar hoogleraar antropologie, tevens haar minnaar, tijdens een mysterieus ritueel.

    Als Becky Cooper aan Harvard gaat studeren raakt ze geïntrigeerd door het verhaal. De hoogleraar loopt vrij rond. Na haar studie werkt Cooper onder meer als redacteur bij The New Yorker. Ze houdt zich ook bezig met onderzoeksjournalistiek en omdat de dood van Jane Britton haar niet loslaat keert ze terug naar Harvard om de onopgeloste moord te onderzoeken.

    Tien jaar lang speurt ze naar wat er is gebeurd en legt haar bevindingen vast in De doden houden we bij ons. Het resultaat is een verbijsterende inkijk in de al eeuwenlang vastliggende machtsverhoudingen binnen een elite-instituut. Jane Britton leren we kennen als een vrouw die droomde van gelijkwaardig functioneren in een mannenbolwerk.

     

    De doden houden we bij ons - Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen
    Auteur: Becky Cooper
    Uitgeverij: De Geus

    De jacht op het snoekje

    De Finse journalist Juhani Karila (1985) won met zijn debuutroman De jacht op het snoekje meteen twee prijzen en was voor een derde genomineerd. Het boek kwam in 2019 in Finland uit en is inmiddels in dertien andere landen verschenen, waaronder nu Nederland.

    De jacht op het snoekje is een noodlottig liefdesverhaal gecombineerd met magische natuur en een zonderling avontuur. In het oosten van Lapland, waar haar geboortehuis zich bevindt, gaat Elina Ylijaako in drie dagen tijd proberen om volgens de jaarlijkse traditie een snoek te vangen. ‘Een ongelukkige opeenvolging van gebeurtenissen had ertoe geleid dat Elina de snoek ieder jaar vóór 18 juni uit het ven moest halen. Haar leven hing ervan af.’
    Uit het meertje waarin de snoek verblijft, verrijst een watergeest die van wat een eenvoudige opdracht leek een ijzingwekkend avontuur maakt. Elina raakt betrokken bij een magische wereld en mysterieuze wezens die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Zelf wordt Elina gezocht voor moord. Een vloek uit haar verleden moet worden verbroken om haar te redden van een strijd op leven en dood.

    Finse en buitenlandse recensenten reppen van grote fantasie en humor, van originaliteit en virtuositeit, van een verbluffend detectiveverhaal.
    Voor De jacht op het snoekje publiceerde Juhani Karila twee verhalenbundels.

    De jacht op het snoekje
    Auteur: Juhani Karila
    Uitgeverij: Koppernik

    Hebben en zijn

    Malodot is dood. Maar toch niet helemaal. Na een auto-ongeluk waarbij hij overlijdt verhuist hij niet meteen naar het land der doden. In Hebben en zijn van Dimitri Verhulst blijkt hij te zijn beland in een ontwenningskliniek om af te kicken van het leven. Pas als dat is gelukt zal Malodot volledig dood zijn.

    Hij deelt een kamer met drie andere bijna-dode mannen. De ene heeft een lamme linkerarm en ‘een tong die ietwat lusteloos uit zijn mond hangt, als wasgoed uit het raam om te drogen.’ De volgende heeft brandwonden, de meeste in zijn gezicht en meldt: ‘Terpentine op de barbecue is nooit een goed idee.’ En de derde heeft een oog dat met een 9 mm Luger is doorboord door een echtgenoot van wie hij de vrouw op de wasmachine nam. En hoe is Malodot aan zijn eind gekomen, willen ze weten. ‘Daar moet hij nog even over nadenken, eigenlijk, hetgeen normaal schijnt te zijn, iedereen heeft in het begin last van een beetje geheugenverlies.’ Er zijn groepstherapieën en individuele gesprekken met een counselor, allemaal bedoeld om van de verslaving aan het leven af te komen. Als de overledenen dat niet voor elkaar krijgen, moeten ze hun totale leven overdoen, op precies dezelfde wijze.

    Dimitri Verhulst biedt een onvervalste, filosofische blik op de eindigheid, op leven en dood. Hij liet zich voor dit boek inspireren door het Franse existentialisme. Hebben en zijn doet dan ook denken aan Met gesloten deuren – ‘De hel, dat zijn de anderen’ – van Jean Paul Sartre. Daarin discussiëren drie overleden personages in een kamer voortdurend met elkaar om te proberen aan hun situatie te ontsnappen.

    Hebben en zijn
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 4 – 2022

    Het voorval

    Het eigen leven tot onderwerp van haar boeken maken. Dat deed de Franse schrijfster Annie Ernaux al vanaf het eerste boek dat ze in 1974 schreef, over haar kindertijd. Daarna volgden romans over haar adolescentie, haar huwelijk. Ook haar ouders waren met hun individuele wedervaren onderwerp van Ernaux’ literaire aspiraties, zoals de maatschappelijke ontwikkeling van haar vader en de ziekte van alzheimer bij haar moeder. In haar eigen leven waren afzonderlijke gebeurtenissen aanleiding voor een boek. Zo was daar L’Événement (2000), dat in 2004 onder de titel Het voorval werd uitgegeven door Singeluitgeverijen.

    Na het succes van De jaren (2020), een vermenging van autobiografische fictie en sociologie, is er nu een derde druk van Het voorval, eveneens in de vertaling van Irene Beckers. Tijdens een heel korte zomerrelatie raakt Annie zwanger. Al snel is ze ervan overtuigd dat ‘dat’ weg moet en ze besluit tot abortus. Een riskante onderneming, want abortussen geschieden dan nog clandestien. De zwangerschap dwingt haar ook na te denken over de relatie met haar moeder en over het feit dat zijzelf leven door kan geven. Neutraal, eerlijk en authentiek beschrijft Ernaux de feiten, zoals ze in al haar negentien boeken doet. Van Het voorval is een film gemaakt die in 2021 in première ging.

    Het voorval
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: Arbeiderspers 2021

    Een winter in Parijs

    Het driejarige racepaard Peres duwt per ongeluk tegen de deur van haar stal op het Franse platteland en als de deur opengaat stapt ze naar buiten, ziet iets liggen wat ze kent. ‘Ze bracht haar neus ernaartoe, snuffelde er wat aan en ontdekte het hengsel. Ze pakte de tas op en draafde van het stallenterrein af, de renbaan op. Serieus, dacht ze, voor een paard dat net een lange race met veertien hindernissen achter de rug had, barstte ze eigenlijk nog van de energie. Ze maakte een uitgelaten bokkensprong en brieste.’ Dan gaat het paard op weg, wat het begin is van een avontuur over vriendschap. Jane Smiley schreef met Een winter in Parijs een boek vol vriendelijkheid, troost en hoop, in de trant van Charlie Mackesy’s bestseller De jongen, de mol, de vos en het paard.

    In Parijs komt Peres hond Frida tegen, later komen er twee eenden bij en een raaf. Samen scharrelen ze in de winterse kou hun kostje bij elkaar. Als Peres de achtjarige Étienne ontmoet, ontstaat er vriendschap tussen de jongen en het dierengroepje. Étienne smokkelt de dieren die dat willen naar binnen en ook een rat sluit zich aan. De dieren praten samen, zorgen voor elkaar, hebben ieder een eigen taak en ergeren zich soms aan elkaar. Ze hebben alle eigenschappen en gedragingen die mensen ook hebben. Smiley vertelt het verhaal vanuit de verschillende perspectieven van de dieren en de jongen met ieder hun eigen, unieke persoonlijkheid. Het is een lief boek geworden.

    Een winter in Parijs
    Auteur: Jane Smiley
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    De expeditie

    Het boek De expeditie schreef Wessel te Gussinklo op verbeten toon al in 1963, in drie maanden tijd. Hij was toen tweeëntwintig jaar. Uitgeverij Koppernik laat het nu voor het eerst in druk verschijnen. Hoofdfiguur Ronald spiegelt zichzelf een helder beeld voor van de volmaakte vrouw. Hij legt het zijn geliefde, Mirjam, dwingend op en verwacht dat zij eraan voldoet. Hij verlangt naar een symbiose, naar een compleet samenvallen met de ander. Maar Mirjam weigert aan dat beeld te voldoen en volgt haar eigen belangen.
    In De Groene Amsterdammer zegt Te Gussinklo in januari 2021 over De expeditie: ‘Helemaal per ongeluk, toen ik net tweeëntwintig was, begin ik een verhaaltje te schrijven. Plotseling, zomaar, schoot het uit mij voort. Mijn schrijverschap ontwaakte toen. Ik wist opeens: verdomd, dit is het, dit wil ik met mijn leven.’

    Eveneens is in deze uitgave van Koppernik Het meesterwerk opgenomen, een autobiografisch en soms hilarisch verslag over de moeilijkheden en mislukkingen die Te Gussinklo ondervond bij het schrijven, vanaf het voltooien van De expeditie tot aan de publicatie van De verboden tuin. Voor deze tweede roman kon hij tien jaar lang geen uitgever vinden.

    Te Gussinklo, bewonderaar van Dostojewski en Sartre, vindt zichzelf meer een schrijver van inzichten dan van verhalen. Zijn thema’s zijn veelal de strijd met het dagelijks bestaan, macht, ideologieën, tirannen, beelden en visioenen. In 2021 won hij de Boekenbon Literatuurprijs voor Op weg naar De Hartz, het vierde deel van de romancyclus over zijn alter ego Ewout Meyster.

     

    De expeditie
    Auteur: Wessel te Gussinklo
    Uitgeverij: Koppernik 2021
  • Oogst week 41 – 2021

    Het Martyrium

    Het Martyrium van Elias Canetti is sinds de eerste Nederlandse vertaling uit 1967 altijd wel verkrijgbaar geweest. Dat gold tot kort geleden alleen nog voor de uitgave in de stijlvolle Perpetuareeks. Voor wie de prijs daarvan een bezwaar was is er nu van dezelfde uitgever een zeer betaalbare achtste druk, net als alle vorige vertaald door Jacques Hamelink. Canetti schreef de roman met de Duitse titel Die Blendung (Verblinding) volgens eigen zeggen in één jaar in 1930. Het werk verkocht pas goed sinds de jaren zestig.

    Het Martyrium is een allegorie over het verzet van de mens tegen de macht van het Kwaad. De wereldvreemde sinoloog Peter Kien, die volledig opgaat in zijn boeken, trouwt met zijn lelijke huishoudster Therese Krumbholz. Zij stort hem, louter belust op zijn geld, in het ongeluk. Het leidt er zelfs toe dat hij zijn huis wordt uitgezet. Zijn leven blijft zich echter rond boeken en bedrog afspelen en culmineert in de beroemde scène waarin hij zijn eigen bibliotheek en uiteindelijk zichzelf in brand steekt. Een nog altijd beklemmend en aansprekend boek.

    Het Martyrium
    Auteur: Elias Canetti
    Uitgeverij: Athenaeum

    Zelfmoord

    De Franse schilder, fotograaf en schrijver Edouard Levé verhing zichzelf op 15 oktober 2007 in zijn appartement. Hij was 42. Tien dagen ervoor had hij het manuscript van zijn roman Suicide ingeleverd bij zijn uitgever.

    De nu in het Nederlands als Zelfmoord vertaalde roman (novelle) vertelt het verhaal van een 25-jarige man, waarschijnlijk een vroegere vriend van de schrijver hoewel hij in de roman naamloos is, die met zijn vrouw wil gaan tennissen. Plotseling zegt hij haar dat hij thuis iets vergeten is. Zodra hij weer binnen is hoort ze een knal. Hij heeft zichzelf door het hoofd geschoten. Er wordt betwijfeld of hij met Zelfmoord een signaal afgaf voor zijn eigen plannen om een eind aan zijn leven te maken. De coïncidentie tussen de roman en de dood van de auteur is niettemin op zijn minst intrigerend.

    Zelfmoord
    Auteur: Edouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De hooier

    ‘Timo stapte uit bed, misschien voor de laatste keer als scholier’. Het is de eerste zin van de derde roman van Ricus van de Coevering, die in 2007 veelbelovend debuteerde met Sneeuweieren. Zeven jaar later volgde Noordgeest en nu, weer zeven jaar later, is er De hooier.
    Timo zit die laatste keer te wachten op de uitslag van zijn vwo-examen en besteedt de tijd tot het verlossende telefoontje aan een terugblik op zijn leven. Daarin deed zich het ongeluk voor van Ruben, zijn broer met een verstandelijke beperking. Diens dood greep in de verhoudingen binnen het gezin diep in.

    Op een dag sloeg boer Horssen met de hooier achter zijn Fordson Dexta Ruben een blauw oog in plaats van hem te betalen voor een klusje. Timo was weggerend. ‘Ruben had wraak willen nemen, Ruben wel, hij had het nog gedurfd ook als hij de kans gekregen had, maar het ongeluk was kort daarna’.

    De hooier
    Auteur: Ricus van de Coevering
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week nr 37 – 2021

    Het einde van het lied

    Het einde van het lied van Willem du Gardijn is een roman in drie liederen. In het eerste worden we meegenomen in het hoofd van Aimée wier partner, de docent klassieke talen Adriaan, haar huis na een ruzie heeft verlaten en naar Rome is vertrokken. Zij is vreemd gegaan en probeert de gevolgen te verwerken.

    In het tweede lied volgen we Adriaan die probeert exact te reconstrueren waar keizer Hadrianus is gestorven. Maar hoe kun je weten wat waarheid is? Hij neemt in het derde deel zijn toevlucht tot fictie en pakt de draad op waar Marguerite Yourcenar haar pen neerlegde toen ze haar Herinneringen van Hadrianus beëindigde. Hij schrijft er een vervolg op. ‘Een opmerkelijke tour de force over liefde, noodlot en aanvaarding’ noemt de uitgever deze derde roman van Du Gardijn. Op diens eigenwebsite valt de term ‘grote Italië-roman’

    Het einde van het lied
    Auteur: Willem du Gardijn
    Uitgeverij: Koppernik

    De gelukzalige jaren van tucht

    Fleur Jaeggy werd in 1940 geboren in Zürich, maar verhuisde naar Italië waar ze trouwde met Roberto Calasso, die op 28 juli van dit jaar overleed. Ze schrijft in het Italiaans. Uitgever Koppernik bracht in 2019 haar verhalenbundel Ik ben de broer van XX en de roman SS Proleterka uit en komt nu met de novelle De gelukzalige jaren van tucht, eerder in Nederland verschenen in 1990. Hij begint als de liefdesgeschiedenis van de 14-jarige Frédérique op een kostschool in Appenzell, ‘een Arcadië van ziekelijkheid’, waar de boosaardige Mevrouw Hofstetter, ‘haar glimlach verzonken in vet’, de scepter zwaait:

    ‘Een omgeving waar Robert Walser vaak had gewandeld toen hij in het gesticht verbleef, in Herisau, niet ver van ons internaat. Hij stierf in de sneeuw. Op foto’s zie je zijn voetsporen en zijn lichaam languit in de sneeuw. Wij kenden die schrijver niet. Zelfs onze lerares Duits kende hem niet. Soms denk ik dat het mooi moet zijn om zo te sterven, na een wandeling, om je in een natuurlijk graf te laten vallen in de sneeuw van Appenzell, na bijna dertig jaar gesticht in Herisau. Het is echt zonde dat wij niet van het bestaan van Walser afwisten, we zouden een bloem voor hem hebben geplukt’. Dat belooft geen vrolijk verhaal en dat is het ook niet.

    De gelukzalige jaren van tucht
    Auteur: Fleur Jaeggy
    Uitgeverij: Koppernik

    Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde

    Met Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde doet de Noorse Mona Høvring (1964) haar intrede in Nederland. De novelle werd in 2018 in haar eigen land bekroond met de Kritikerpreis. De hoofdpersonen zijn twee zussen van wie de ene, Ella van 22, vertelt over de zenuwinzinking die haar één jaar oudere zus Martha kreeg na een mislukte relatie. Plaats van handeling is een soort sanatorium waar de oudste probeert bij te komen. In een dromerige sfeer van liefde, conflicten en herinneringen aan hun beider verleden onderzoeken de zussen hun symbiotische relatie.

    Omdat Venus op de dag dat ik werd geboren een alpenviooltje passeerde
    Auteur: Mona Høvring
    Uitgeverij: Oevers
  • Onheilspellende visioenen

    Onheilspellende visioenen

    De dystopische roman Kallocaïne van de Zweedse schrijfster Karin Boye (1900-1941) speelt zich af in een collectieve Staat. De ik-figuur, Leo Kall, stelt zich voor als gevangene en chemicus. Hij heeft alle tijd en krijgt zelfs alle vrijheid om het boek te schrijven dat hij móet schrijven, naast zijn experimenten met mensen. Hij is getrouwd met Linda, ze hebben drie kleine kinderen en een hulp in de huishouding (‘medesoldaat’) die aan het eind van de week rapport moet uitbrengen. De kinderen zijn ‘kleine medesoldaten’ die aan de Staat zijn geschonken, als ze volwassen zijn worden ze als werknemer opgeroepen voor het Jongerenkamp. Zo dragen Leo en Linda bij aan de Staat, al stijgt de geboortecurve in totaliteit onvoldoende.
    De Staat is een collectief, individu-zijn wordt als iets romantisch beschouwd. Net zoals er maar één taal in deze Wereldstaat gesproken dient te worden. Leo en Linda wonen met hun kinderen in de ondergrondse Chemiestad nr. 4, die deel uitmaakt van de gemilitariseerde, politionele Wereldstaat. In hun huis zit op de muur ‘het politieoor met daarnaast het politieoog’. 

    Het experiment

    Het experiment is ‘iets waarvan ik hoop dat het de Staat van nut zal kunnen zijn’, zegt Leo, want wat dreigt is een oorlog. Het gaat alleen maar om het ‘nut’, niets mag leuk zijn. Eten wordt naar binnen gewerkt, cultuur is een luxe ‘voor tijden waarin er geen gevaar dreigt (tijden die misschien nooit terugkeren)’. 

    Het experiment bestaat uit een middel dat wordt ingespoten waardoor iedereen zijn geheimen verraadt. Daarvoor geldt de Wet tegen staatsvijandige gedachten. Het middel heet kallocaïne, genoemd naar hoofdpersoon Leo Kall. De enige bijwerking is een lichte hoofdpijn. Het middel is uitgeprobeerd op vijf mensen van de vrijwillige offerdienst. Zij hoefden niet gezond te zijn, wel bij hun volle verstand én getrouwd, waarbij de injectie zo zal werken, dat de echtgenoot of echtgenote zijn/haar wederhelft aangeeft, waarbij de kans bestaat dat ze elkaar aangeven! Dat wil zeggen dat ‘de dader’ in opdracht van de politie een verzonnen verhaal vertelt en daarvoor geld krijgt.

    De filosofische vraag die in deze roman is: wat is de mens, wat is goed, wat is kwaad? In deze Wereldstaat is de mens een puur biologisch verschijnsel. De rest is mystiek. In concreto wordt het verhaal verteld van Kadidja Kappori en haar man Togo Bahara. Zij heeft hem verraden, waarop hij wil scheiden. Was dat verraad binnen de visie van de Wereldstaat nu goed of slecht? Het is nota bene Kall die door allerlei retorische omhalen, het huwelijk redt.
    Daar staat tegenover dat Leo op een dag een restant van de vloeistof gebruikt om Linda in te enten. Ze ‘bekend’ in haar halfslaap dat ze Leo wel zou willen doden. Waarop Leo een valse getuigenis aflegt, ‘bevroedde wat macht was, voelde die (…) als een wapen – en wanhoopte’.

    Grenzeloze stilte

    Voor het eerst luistert Leo naar zijn vrouw die het heeft over ‘wat het betekent om te baren’. Ze hoopt dat zich misschien zo ‘een nieuwe wereld kan vormen van degenen die moeder zijn, en of ze nu kinderen hebben gekregen of niet’. Het is een gedachte die doet denken aan het begrip ‘nataliteit’ van de filosofe Hannah Arendt, die zich verdiepte in totalitarisme, zelf geen kinderen had, maar dit begrip muntte als een nieuw begin.
    Leo vraagt zich af, of hij ook ‘op een nieuwe manier’ zou kunnen spreken. In stilte, zoals opvallend genoeg het geluid van de metro niet meer doordringt door muren en aardlagen. ‘Deze stilte was grenzeloos’, maar toen hoorde Leo iets wat hij ‘nooit eerder had gehoord: de wind’, een bries. Het begin van een nieuwe wereld dacht hij, maar nee: het geluid van de metro teruggekomen. 

    Maar dat niet alleen, Leo geeft ook de hoofdcommissaris van politie aan. Uiteindelijk wil hij dit weer intrekken, maar dat verzoek wordt niet ingewilligd. Leo wordt opgepakt en moet zijn uitvinding afstaan. Het is de bedoeling dat de straten van Chemiestad 4 met gas worden gevuld, zodat de inwoners uit de straten omhoog zouden kruipen. 

    Vertaalslag naar het hier-en-nu

    Alles wat in deze dystopische roman wordt beschreven, valt op een of andere manier naar recente of iets langer geleden gebeurtenissen te vertalen. De afluisterpraktijken, geboortecurve in China die weer moet stijgen, onderdrukking minderheidstalen, nationalisme, politionele staten, experimenten op mensen, een waarheidsserum zoals de KGB dat gebruikte, kunst als luxe, complottheorieën, de geldigheid van (nood)wetten, de mens als puur biologisch verschijnsel, verraad, macht, enzovoort. Vergeet hierbij niet dat het boek in 1940 werd geschreven.

    In een nawoord gaat vertaler Bart Kraamer in op het leven en werk van Boyle. Ze groeide op in een intellectuele en religieuze omgeving; de stilte en de bries zijn als beelden bijvoorbeeld rechtstreeks aan de Bijbel ontleend. Kallocaïne is haar bekendste roman, die ze in een flow schreef terwijl de oorlog steeds dichterbij kwam. Aan haar ideeën over de Wereldstaat lagen de stalinistische Sovjet-Unie en het nationaalsocialistische Duitsland ten grondslag. Door beide landen had ze gereisd. Het verraden van geheimen valt terug te voeren tot de psychoanalyse, die Boye ook uit eigen ervaring kende. In 1941, op 24 april wordt Karin Boye dood aangetroffen nadat ze een overdosis slaapmiddelen had ingenomen. 

    Lees na deze roman de recent verschenen bundel essays Tegen totalitarisme van George Orwell, de schrijver van die andere grote dystopische roman (1984, geschreven na Kallocaïne), en je zult versteld staan van de overeenkomsten met betrekking tot de beklemmende, onheilspellende visioenen die worden geschetst. 

     

     

  • Oogst week 13 – 2021

    De eerste vrouw

    In De eerste vrouw van Jennifer Makumbi groeit het leergierige kind Kirabo op te midden van familie. Haar moeder heeft ze echter nooit gekend en ze is opgegroeid bij haar grootouders. Haar omgeving in het Oegandese dorpje Nattetta lijkt haar te dwarsbomen als ze op zoek gaat naar de vrouw uit wie ze voortkwam. Zelfs van haar vader, die ze wel kent, wordt ze niets wijzer. Kirabo is ook een merkwaardig kind. Ze kan bijvoorbeeld uit haar lichaam treden.

    In het eerste hoofdstuk van de roman besluit ze de blinde dorpsheks Nsuuta te raadplegen. Die weet haar het vertrouwen te geven dat haar uittredingservaringen haar in staat stellen de oorspronkelijk vrouw te vinden die nog niet is gekneed voor de mannenmaatschappij. De roman is gebaseerd op het Oegandese scheppingsverhaal van de eerste vrouw.
    De eerste vrouw begint in 1975 als dictator Idi Amin aan de macht is. Het is de tweede roman van Makumbi van wie in 2020 Kintu in het Nederlands verscheen.

    De eerste vrouw
    Auteur: Jennifer Nansubuga Makumbi
    Uitgeverij: Cossee

    Beer

    In april verschijnt Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985). Het origineel is al uit 1976 en is nu in het Nederlands vertaald door Barbara de Lange. Het boek oogstte nogal wat kritiek om de seksuele en spirituele relatie die de 27-jarige bibliothecaresse Lou krijgt met een beer. Dat gebeurt als ze op een verlaten eiland, waarop ze zich heeft teruggetrokken om de bibliotheek van een excentrieke kolonel te catalogiseren, ontdekt dat er buiten haar nóg een bewoner is, de beer.

    Margaret Atwood loofde het als een vreemd en wonderlijk boek en een verontrustend sprookje.

    Beer
    Auteur: Marian Engel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV

    Revisor Binnenpost

    ‘Als ik ’s ochtends aan het fietsen ben, trap ik alle tegenstrijdige gedachten, alle onzekerheid, alle schuldgevoelens en frustratie er even uit en ben ik gewoon lichaam, een steeds makkelijker heuvel op fietsend lichaam. Ja, dit jaar is het jaar van het lichaam. Van medelichamen (…) Is 2020 niet ook een jaar geweest waarin jij je juist geconfronteerd zag met je lichamelijkheid en met een zekere blindheid? Door jouw ervaringen met ziekte en isolatie kan ik me dat goed voorstellen, maar misschien heb ik het verkeerd. Is jouw glas halfvol of halfleeg? En heb jij nog woorden, voor nu de échte, allerlaatste brief?’

    Het is een fragment uit een brief van Alfred Schaffer aan Bernke Klein Zandvoort, één van de bijdragen aan Binnenpost, het nieuwste nummer van De Revisor. Daarin schrijven zes auteurs elkaar in 2020 vanuit vier landen 22 brieven over wat de coronapandemie voor hen betekent. Naast de twee genoemden zijn dat Roos van Rijswijk, Sander Kollaard, Bernard Wesseling en Neske Beks. Ook opgenomen is Aantekeningen uit het moeras van Eva Gerlach.

    Revisor Binnenpost
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido
  • Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

    Wandelen met taal en zintuigen als rouwverwerking

    Een landschap van pijn, dat is waar de ‘weewandelaar’ doorheen moet in Lijn van wee en wens van Caro van Thuyne. Een intens verhaal over de lange reis naar het hart van het landschap via de diepe zwarte tunnel die rouw heet. Mari gaat op in het landschap waar ze door wandelt en leest onderweg haar kopie van de landschapsgedichten van Richard Skelton stuk. Ze probeert voorbij de taal te communiceren met haar omgeving en haar verdriet. Ze vertelt in  een eigenzinnige taal die beweegt op het ritme en de muzikaliteit van poëzie. 

    Het verhaal komt in beweging als hoofdpersoon Mari dit ook doet. Na acht jaar allesoverheersende rouw over de dood van haar zusje neemt ze een besluit. Ze wil al wandelend de loop van de rivier de Rin volgen. Haar man Felix blijft thuis. Onderweg schrijft ze Felix over haar vorderingen en belevenissen. Hierbij beweegt het verhaal zich tussen het verleden, de indrukken van de wandelingen en de stem van Felix. Gaandeweg leren we meer over haar zusje, Tully. Zij kwam met het syndroom van Warfarine ter wereld en Mari heeft haar als wettelijke voogd verzorgd. In het begin van het boek wordt de rouw vertolkt door een olifant die pontificaal in de kamer staat. Mari kan er niet omheen, dus geeft ze het beest een naam en probeert ze haar leven in te richten om deze figuurlijke olifant heen. Dit doet denken aan de roman van Max Porter, Rouw is een ding met veren, waarin de rouw de vorm aanneemt van een raaf. 

    Voorbij de taal

    Op haar wandelingen wordt Mari omringd door landschappelijke schoonheid. Het tegenwicht wordt gevormd door de constante herinnering aan het gemis. Mari ‘volgt haar olifant’, ondertussen hele passages uit het boek van Skelton citerend en vertalend. De buitenruimte en het landschap zijn voor haar tekenen en worden een veruitwendiging van verdriet, een ‘landschap van littekens’. Ze vindt haar eigen ritme in het wandelen, een therapeutische handeling waarin Mari het ‘loskomen van de tijd’ ervaart. Dat doet ze voornamelijk om haar hoofd leeg te maken en weer ruimte van binnen te krijgen.
    Van Thuyne schrijft op zinnelijke wijze en maakt inventief gebruik van de taal. Op schilderachtige wijze komen landschappen tot leven: ‘De winterse boomskeletten en hoe ze soms lijken op stakerige oude vrouwen die steun zoeken bij mekaar.’ In haar taalgebruik is het persoonlijke direct verweven met de natuur. Ze geeft een stem aan haar verbijstering door te zoeken naar wat voorbij de taal ligt. Dat is het zintuiglijke, ‘het zwijgende zelf van voor de taal’ dat één probeert te worden met het landschap.

    Voor Mari zijn woorden meer een vorm van echolocatie, ze wil liever in de puur zintuiglijke waarneming ‘het wilde zijn’ ontmoeten. Die ontmoeting is lijfelijk en vindt voornamelijk plaats door te wandelen, maar ook door alles aan te raken, van konijnenoren tot oude kleuterlaarsjes. In de woorden van Skelton: ‘It strikes me that the only way to know this place is touch. To place myself inside it’. Het presymbolische, het aftasten en zoeken wat Mari met haar doofstomme zusje deed, komt terug in het zoeken naar herkenning in het landschap. En in de regels van Skelton, waar ze constant mee in dialoog is: ‘Zijn woorden bezweren zowel Skelton zelf als mij, zijn landschap en het mijne, zijn verlies en het mijne’. Voor het verlies zelf zijn echter geen woorden: ‘Ik zal nooit de mooiste, juiste woorden vinden om te vertellen over Tully.’ 

    Muziek van het landschap

    Van Thuyne maakt gebruik van de stemmen van het land, de zee, de lucht, de vogels. Alles loopt door elkaar heen in een poging om het vergeten te stelpen. Hierbij lijkt ze grotendeels door Skelton geïnspireerd te zijn, die op vergelijkbare wijze met het landschap werkt bij het maken van zijn poëzie en muziek, door te harmoniëren met de muziek van het landschap. De natuur is ook niet altijd een vriend. De zee dreigt Mari soms mee te sleuren en de wind tekent haar gelaat. Om dit letterlijk uit te drukken laat ze drie tatoeages zetten als verbeelding van haar man en haar zusje. Tot een punt van intuïtief begrijpen lijkt ze te komen als ze zich afvraagt welke taal ze nog heeft en ze door het wandelen tot een soort zuivere aanwezigheid wordt. En ze lijkt te ‘aanvaarden dat de diepste ervaringen de taal ver voorbijsteken’. De stilte van de dood is zo absoluut dat woorden machteloos worden. ‘De nacht geeft nooit terug’, het is de onomkeerbaarheid van de dood die zo moeilijk te accepteren is. 

    Zo trekt Mari verder, ‘zichzelf overleverend aan het landschap’, onderweg naar de zee. Stoppend voor onderdak bij boerderijen en het gesprek aangaand met wie ze tegenkomt. Uiteindelijk strijkt ze neer in een huisje aan het strand. De zee is een baken en een oerfiguur voor haar, een plek waar de cirkel rond wordt. Want nadat ze door weer en wind heeft getrokken voltrekt zich in de zee een metamorfose, waarna ze haar verdriet achter kan laten. Dan komt Felix, en er lijkt weer ruimte te zijn voor hun liefde. ‘Jullie zijn weer lijven van vlees en bloed. En lijven van vlees en bloed die weer kunnen voelen,’ schrijft Van Thuyne.

    Olifantenpaadjes

    De Lijn van wee en wens is de lijn die Mari door het landschap trekt, die kruist met de weeën van verdriet waarna wandelaar en landschap in elkaar opgaan. Mari wordt alleen nog maar voeten en ogen en haar verbeelding neemt hoge vluchten. ‘Het vlammig begloeien van de lucht voelen zinderen, het capriolen van de kieviten rakelings boven de natte weilanden voelen suizen door mijn spieren, hun balts-gejuich voelen weerkaatsen, de sensuele synchrone choreografieën van de futen in mijn eigen leden voelen, het koppen van het zwartblauwe water in mijn botten’. Om vatbaar te worden voor dit wonder zou je een eigen taal moeten bedenken en op sommige plekken lijkt Van Thuyne dit ook te doen, de rivier die ‘babbelbrabbelborrelkabbelt’ bijvoorbeeld. De taal is evengoed een element.

    In de verantwoording gebruikt Van Thuyne wederom de metafoor van de olifant die perfect onthoudt waar de drenkplaats is en waar het gevaar is. De olifantenpaadjes moeten soms letterlijk gebaand worden door de wildernis en worden in het brein opgeslagen. Door die wegen te gaan vindt Mari weerklank in het landschap. Dit maakt Lijn van wee en wens tot een intens aards verhaal dat op plekken schuurt maar door Van Thuyne’s taalgebruik van een woeste schoonheid is. Het heeft een universeel thema en de duistere onderstroom bruist van het leven en viert de lijfelijkheid. 

     

  • Naar de ziel van zijn bestaan

    Naar de ziel van zijn bestaan

    In tijden van intelligente lockdown blijkt nog eenvoudig gereisd te kunnen worden, bijvoorbeeld door het Italië van dichter Giorgio Bassani (1916-2000). Nu de verplaatsing van mensen op een laag pitje staat, weet deze reisleider ons mee te voeren naar plekken die voor hem de ziel van zijn bestaan betekenen. En dat doet hij op haast terloopse wijze: een plaatsaanduiding, de naam van een regio, streek, straat of villa. Veel titels van de gedichten in de bundel Epitaaf (1974) bestaan uit zo’n naam, terwijl het betreffende gedicht de emotionele associatie van de dichter verbeeld. In het gedicht Forte Antenne – een eeuwenoud fort in de Romeinse wijk Parioli – gaat dat als volgt:

    ‘Een tak in het bos zijn
    het blaadje aan die
    tak
    weer worden als je was
    destijds op je derde vierde
    toen je geen vrouw kende
    buiten je
    moeder
    geen andere stad dan
    de jouwe’

    Wat het een met het ander heeft te maken blijft onuitgesproken, maar is wel voelbaar. Er wordt een bepaalde stemming opgeroepen door in de titel zo expliciet te verwijzen naar een plek, terwijl het gedicht een persoonlijke beleving weergeeft. Zoals het doorbladeren van een fotoalbum: bij iedere foto hoort een verhaal dat door de verteller met gloed wordt verteld. De luisteraar krijgt een samengestelde situatie voor ogen, waarvan de foto het enige letterlijke beeld is. De rest bestaat uit aanvullende indrukken en details. 

    Getuigenissen van liefde

    Bassani doet dat met de liefde van een reiziger voor de plaatsen waar hij geweest is. Of de plaats waar hij vandaan komt. Veel terugblikken naar zijn jeugd in Ferrara, naar verschillende familieleden met hun gewoontes en eigenaardigheden. Maar bovenal is het een krachtige getuigenis van de liefde in het algemeen, die meestal in verwondering wordt weergegeven. Met gedachten die een vraagstelling tot gevolg hebben. Zoals in het gedicht Op bed:

    ‘Gisteravond op bed was ik
    aan de rechterkant gaan liggen die zij
    inneemt als ze hier is
    en vanmorgen wakker wordend zag ik mij
    weer links liggen waar ik slapeloos in het donker soms
    het krachtige kloppen hoor van haar
    aanwezigheid

    Wat heeft me er derhalve toe bewogen om in de nacht
    de ruimte van haar grote
    afwezige lichaam
    te verlaten dan de hunkering zelf ook
    niets te zijn?’

    De meeste verzen van Bassani zijn een weerslag van zijn eigen existentie. Hij refereert aan mensen en aan plaatsen en zet zichzelf als vraagteken middenin die constructie. De situatie is vrijwel altijd een herinnering die zijn eigen positie heeft bepaald. Of een gelegenheid om die positie te bevragen. De terloopsheid waarmee dat wordt opgeschreven zorgt voor de bijzondere beleving dat hier geen antwoorden worden gegeven maar slechts vragen worden gesteld. 

    Ook het schrijven is voor Bassani geen concluderende onderneming. Hij weegt zijn woorden en blijft de beschouwende observator van zijn eigen werk. Eventuele kritiek wordt geanalyseerd, zoals in het bijtende Aan een andere criticus:

    ‘Als een gedicht inmiddels – naar jouw zeggen –
    uitsluitend beschouwd moet worden als een simpel
    communicatiemiddel
    zoals zo veel andere welnu
    het zij zo

    Communiceren via de kunst was altijd al
    mijn hoogste streven
    al durfde ik daar nooit maar dan ook nooit
    op te hopen zelfs niet bij jou
    klootzak’

    Lezen zonder houvast

    Het meest opvallende aan de gedichten in Epitaaf is de gecentreerde opmaak op de bladspiegel. Alle verzen staan op een centrale as en zijn niet links of rechts uitgelijnd, waardoor de lezer als het ware moet zoeken naar het begin van de nieuwe regel. Ook het feit dat er geen interpunctie wordt gebruikt en er effectief van enjambementen gebruik wordt gemaakt, maakt dat de gedichten zich niet direct openbaren aan de lezer. De verzen moeten meerdere malen gelezen worden om tot de kern door te dringen. Een leesavontuur dat niet alleen de betekenis als doel heeft, maar ook de talige kant van de dichter benadrukt. Hier dient een groot compliment gemaakt te worden aan vertaler Jan van der Haar.

    Bassani neemt de lezer mee op zijn reis, maar hij is geen openhartige reisleider. Het vereist de nodige concentratie en toewijding om hem op zijn weg te kunnen volgen. Een weg die vrijwel altijd uitkomt bij de liefde.

    ‘Vaak heb ik – alsof ik droomde – ons twee voor ogen naast elkaar
    ruggelings op een groot bed dat veel weg heeft van het onze in Maratea
    de slaapkamer blijkt eveneens nogal hetzelfde
    in het witte ultramoderne meubilair in de blanke
    gipswanden in het hoge raam
    daar verticaal rechts achter het doffe
    silhouet van je grote
    uitgestrekte lichaam
    en zelfs in het licht het matissiaans blauwe licht van zeven uur
    ’s ochtends dat al tussen de spijlen door dringt om
    de lauwe schemer te verslaan’

     

     

  • Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    Een reisverhaal in vloeiende dichtregels vol klankrijm

    H.C. ten Berge (1938) is altijd geïnteresseerd geweest in andere culturen. Hij vertaalde onder andere Japanse noh-spelen, Azteekse poëzie en volksverhalen uit de Eskimo-cultuur. In zijn dichtwerk is het ‘onderweg zijn’ een belangrijk thema. In De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca, dat zich afspeelt in Noord- en Midden-Amerika, worden deze interesse en thematiek met elkaar verenigd.

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is een reisverhaal in dichtvorm. In ‘een script in 45 scènes & een tussenspel’ beschrijft Ten Berge de avonturen van deze Spaanse edelman, alias ‘Koeienkop’ (‘Cabeza de Vaca’), een eretitel met een mythische oorsprong. Deze avonturenvonden plaats in de zestiende eeuw en begonnen met een expeditie naar toen nog onbekend land rond de Golf van Mexico. De expeditie mondde uit in een ware uitputtingsslag die bijna niemand overleefde. Na lange omzwervingen kwam Núñez terug in zijn vaderland waar hij schriftelijk verslag deed aan keizer Karel V. Ten Berge baseert zich op Núñez’ relaas en citeert hier delen uit.

    Het is één lang gedicht

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca is dus eigenlijk één lang gedicht. Aan het begin voert Ten Berge  zichzelf als verteller op:

    ‘Op de tuibrug naar Tampa,
     staal en beton dat fraai gelijnd en hemelhoog
     de baai boven ravottende dolfijnen

     in een lange glijvlucht overspant,
     de zon trotseert en de orkaan weerstaat,
     denk ik aan Álvar Núñez Cabeza de Vaca
          die vijf eeuwen her onder Pánfilo de Narváez
          met drie kraken en een brigantijn
          op deze blinkend witte kust verzeilde.’

    Aldus een brug slaand naar het verleden. In het tussenspel keert de dichter terug, letterlijk stappend in de voetsporen van zijn helden. Althans, dat zou hij graag doen: ‘Wat trad ik graag als late nazaat/in hun weggewiste sporen –/ door niets gesteund en zonder liefde/ trok ik er, de angst verkropt, alleen op uit,/ een godvergeten minnaar van extremen.’ Uiteindelijk doet hij dat met het woord. 

    Ingenieus narratief spel

    Ten Berge speelt een ingenieus narratief spel met verschillende perspectieven. Alleen dit al maakt het gedicht bijzonder levendig. Zoals hij zich op Núñez baseert, verwees ook Núñez naar andere bronnen, om de keizer een zo compleet mogelijk verhaal voor te schotelen. Bijvoorbeeld over hoe het afliep met de roekeloze, zelfzuchtige expeditieleider Pánfilo de Narváez, de tegenpool van de verstandige, edelmoedige Núñez:

    ‘[Hernando] vertelde zijn verhaal aan Figueroa,
     die het doorgaf aan Dorantes en Castillo,
     die het overbrachten aan de nobele Álvar Núñez,
     die het later opschreef voor de vrome en gevreesde
        koning-keizer van een wereldrijk
     die men Carlos I in Spanje noemde, maar in Brussel Karel V.’

    De keizer moet Núñez op zijn woord geloven. Bewijsmateriaal is soms verloren gegaan: ‘Ik vroeg hem [een boosaardige kapitein die hij ontmoette] jaar en maand en dag / waarop wij voor het eerst / weer christenen zagen / voor mij op te schrijven / (wat hij toen ook deed). / het papier is later zoekgeraakt.’ Ten Berge legt hiermee extra nadruk op de verbeelding. Niemand weet meer wat er echt is gebeurd. Aan de andere kant heeft de lezer houvast aan talloze tijdsaanduidingen, soms als noot in de kantlijn toegevoegd.

    Huiveringwekkende avonturen

    Núñez’ belevenissen zijn prachtige en vaak huiveringwekkende avonturen. De lezer waant zich in een jongensboek. De titel van het gedicht zegt het al: er is sprake van talloze beproevingen. Ze worden met veel gevoel voor detail opgedist: 

    ‘Klamme hitte. Honger. Dorst.
     De van god gezonden monniken, soldaten,
     officieren hebben koorts of lijden aan kwetsuren.
     De gewonden legt men over paardenruggen
     bij het oversteken van rivieren.
        Er wordt een Arabier gedood, het vlees verdeeld:
        een daad die men alleen bij hoge nood
        met tegenzin herhaalt.’

    De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca staat vol met dit soort aansprekende anekdotes. In de scène ‘Kleine kroniek van Prikkelperenland’ (prikkelperen zijn cactusvijgen) wordt het leven van de Charruco, een volk van woudlopers, met sociologische precisie beschreven. Begrippen worden in de kantlijn verklaard of in de als bijlage opgenomen aantekeningen verduidelijkt. Waarom dit op twee verschillende plaatsen in het boek gebeurt is onduidelijk. Naar de aantekeningen wordt in het gedicht niet verwezen. Soms had er meer verklaard kunnen worden. Want wie weet dat een ‘cacique’ een opperhoofd is?

    Vloeiende regels vol klankrijm

    Uiteraard wordt de moeilijke verhouding tussen de Spaanse overheersers en de diverse indianenstammen beschreven, die gekenmerkt wordt door uitbuiting, wraak en onbegrip: ‘Zoals onwetende veroveraars in angst en vreze leven/ heeft de indiaan geen weet van overzeese volken/ of een wereldrijk dat inlijft en berooft.’ Núñez is in deze geschiedenis de ware adellijke held, die optreedt als heelmeester en streeft naar rechtvaardigheid voor de indianen. Het lijkt daarom rechtvaardig dat hij het overleeft, al is hij voornamelijk ‘een geluksvogel’. 

    Ten Berge schrijft dit alles op in vloeiende regels vol klankrijm. Beeldspraak wordt achterwege gelaten. De verhalen spreken voor zichzelf. Dat maakt dit gedicht tot een makkelijke leeservaring. Heel anders dan je doorgaans bij deze dichter gewend bent. Erg is dit zeker niet. Daarvoor fonkelt dit gedicht meer dan genoeg, waarbij je al lezende vergeet dat het voor een groot deel aan de verbeelding van de dichter is ontsproten.

     

  • Als een doorlopend druppen van water

    Als een doorlopend druppen van water

    Cynan Jones begint een naam te worden in de literaire wereld. De Welsche schrijver heeft een patent op zeer poëtisch taalgebruik en zegt nog meer met zijn witregels dan met wat hij wel beschrijft. Wie een spannend, wervelend verhaal verwacht, kan hier beter aan voorbij gaan. Een roman van Cynan Jones moet je savoureren. Lezen, herkauwen, overpeinzen. Eerder verschenen al De Lange Droogte  en Inham bij Koppernik, twee werken waarmee hij heel wat literaire prijzen won. Met De wetten van Water gaat Cynan Jones verder op zijn beproefde elan. 

    Verontrustend toekomstbeeld

    Het is een dystopische en verontrustende roman die helemaal past in het toekomstbeeld dat ons vandaag de dag wordt voorgeschoteld. Door klimaatverandering is drinkwater schaars geworden, het wordt beschouwd als het nieuwe goud. De stad – niet nader genoemd, maar tussen de regels door is Londen te herkennen – wordt voorzien van water door de Watertrein, die het doelwit is geworden van sabotage en overvallen. Zware bewaking is dan ook noodzakelijk. Om een oplossing te bieden voor het waterprobleem zal een gigantische ijsberg naar de stad worden gesleept. Daartoe wordt een ijsdok gebouwd, waardoor talloze woningen worden onteigend. Dat is zo’n ingrijpende maatregel voor veel burgers dat er talloze demonstraties volgen. Cynan Jones vertelt het verhaal van verschillende mensen die aan de zijlijn staan of wier levens op een of andere manier verstrengeld zijn met het watertekort en leren om te gaan met de gevolgen van een veranderde maatschappij, zowel de positieve als de negatieve aspecten daarvan. 

    De wetten van Water werd oorspronkelijk gebracht als twaalf luisterverhalen voor BBC-radio. Ze duurden elk vijftien minuten en gingen over het leven van verschillende mensen in de stad van de toekomst. Jones adapteerde de verhalen en maakte er een roman van. Het geheel is dus eigenlijk een verzameling van twaalf verhalen, ongeveer gelijk van lengte, waarin beschreven wordt welke rol het water speelt in het leven van de mens. In eerste instantie lijken de verhalen los van elkaar te staan. Maar of het nu gaat om een bewaker van de Watertrein, een professor die nieuw leven ontdekt in het ijs, een ouder wordende man die beseft dat hij zijn huis zal moeten verlaten of een journalist die alles verslaat, het water is de bindende kracht. 

    Minimalistische stijl 

    De stijl van Jones is minimalistisch te noemen, wat natuurlijk zijn handelsmerk is. Hij gebruikt opvallend veel witregels en probeert al het overbodige weg te laten zodat enkel de essentie bewaard blijft. Waar dat in zijn vorige romans uitstekend lukte, blijft de lezer hier af en toe met een leeg en verweesd gevoel achter. Stillicide is de Engels titel van het verhaal. Stillicidum, een doorlopend druppen van water, lijkt zich ook in zijn stijl te manifesteren. Druppelsgewijs stuurt hij poëtische zinnen op de lezer af. Maar er moeten natuurlijk genoeg druppels zijn om een plas te vormen. Het lijkt alsof Jones te veel heeft geschrapt, waardoor het ook veel vergt van de lezer. Het resultaat is een warrig amalgaam van poëtische zinnen waarbij het moeilijk wordt door de bomen het bos te zien. Daarnaast gebruikt hij nogal wat moeilijke en technische woorden (verwijzend naar verschillende chemische en biologische processen) waardoor de lezer opnieuw naar adem hapt. 

    Het is een negatief en pessimistisch toekomstbeeld dat Jones schetst. Uiteindelijk heeft de mens de aarde kapot gekregen en moet de gevolgen daarvan onder ogen zien. Het werk is fascinerend en zet zeker aan tot nadenken, maar het verhaal had meer kracht gehad met iets meer body. Toegegeven, de karakters zijn mooi in hun eenvoud en sterk in hun strijd met de natuur, hun strijd om te overleven, om liefde en verdriet een plaats te geven. Maar de combinatie van te veel suggesties en te weinig verbindende factoren, werkt niet overtuigend genoeg om aan De wetten van water dezelfde kracht en inhoud te geven als zijn vorige werken. Een lezer echt overtuigen kan alleen door de balans te vinden tussen vertellen, suggestie en schrappen. In De Wetten van water is iets te veel gesneden waardoor de lezer weliswaar gefascineerd achterblijft maar met een wrange nasmaak.