• Van Binsbergen viert de taal

    Van Binsbergen viert de taal

    Toen het begrip overvloed nog geen schaduwrandje van onbehagen kende droomde menigeen over een aards paradijs waar, zonder dat men er moeite voor hoefde te doen, alles in overvloed voorhanden had. In Luilekkerland of ‘Cocagne’, zoals dit paradijselijke lustoord heette, vlogen de gebraden ganzen je in de mond. Waar dit rijk zonder schaarste precies gelegen was, kon echter niemand vertellen. Wel dat de weg erheen niet eenvoudig was. Wie het onderwerp van Luilekkerland bij de horens vat, zoals van Hannah van Binsbergen in haar dichtbundel Kokanje, heeft de mogelijkheid het via meerdere routes aan te vliegen.

    In onze tijd van – althans tot voor kort – vanzelfsprekende overvloed tegen betaalbare prijzen heeft dergelijk wensdenken zijn bekoorlijkheid verloren. Bovendien heeft haaks hierop de opvatting postgevat dat de reis ergens heen belangrijker zou zijn dan de bestemming. Om niet te spreken van het ongezonde van overvloed en het gezonde van matigheid. De flaptekst geeft alvast een schot voor de boeg: ‘In deze bundel neemt Van Binsbergen de wereldse geneugten serieus, en kiest voor behoefte en plezier. Overvloed is mogelijk, maar we moeten er wel voor vechten’. Spoiler alert: zo helder en eenduidig leest deze bundel bepaald niet!

    Gebraden ganzen

    Slechts een kleine minderheid van de vierenveertig, in lengte sterk verschillende gedichten uit deze bundel hebben een onverholen relatie met Kokanje. Tegenover aan duidelijkheid niets te wensen over latende titels als De waarheid in Luilekkerland’ en ‘Histories Kokanje, staan gedichten waarin duiding de lezer beduidend minder aanvliegt dan de gebraden ganzen hem in Luilekkerland doen. Maar ach, het is poëzie en die wint nu eenmaal meer bij meerstemmigheid dan bij enkelvoudigheid.

    De paradoxale titel Feiten over het paradijs – welke feiten en waarheden kunnen immers matchen met fictieve begrippen? – geeft misschien al aan dat we het onderwerp niet te nauw hoeven te nemen. Beter deze gedichten ‘gewoon’ lezen zonder je af te vragen of ze je nader tot Kokanje dan wel tot een sluitende interpretatie brengen. Zonder vooropgezet plan lezen zal genade mogen vinden bij de dichteres, die immers zelf bekent: ‘ik had een plan; er kwam niets van terecht.’

    Ouderwets dichterlijke taal

    De zinnen van Van Binsbergen zijn vaak zinnelijk en dartelen soms in ouderwets dichterlijke taal: ‘het langzame neerwaartse zeilen / van de bloesem dat je vorig jaar zag zul je elk jaar zoeken tot je / dood’. Dan weer marcheren ze op de schalkse toon van een levenslustige mars: ’Hef bokalen doe het gauw want achter me wordt weer gegeten / de dans gaat door’. Is Kokanje de plek waar de nectar van de taal in overvloed aanwezig is, waar het oogsten van de dichter kan beginnen? De thematiek van grenzeloze overvloed rijmt in ieder geval wel op Van Binsbergens losgaan op de registers van de taal: van archaïsch dichterlijk tot stoere slam met regels die verraderlijk goed bekken: ‘Het was de enige dag in het jaar dat de schurken / aan de feb gaan met de schalken.’ Zou dat dieet van het dubbelzinnige dan toch met Kokanje te maken hebben? Het voor de dichter noodzakelijke alfabet staat hem overal ter beschikking. 

    Meer dan een doelbewuste gang gaat het er in deze bundel vooral zwervend en dwalend aan toe. Er wordt dan ook gewaarschuwd: ‘rampspoed haast zich achter snelle lopers’. Beter dan maar ingescheept in het ‘narrenschip’, al is het hopen dat het blijft drijven. Van oudsher vervoert het narrenschip outcasts op hun dooltocht naar een onmaatschappelijke bestemming. En maatschappelijk gewantrouwd wordt een dichter maar al te gauw stelt Van Binsbergen, omdat zo iemand wordt gezien als eentje die niet echt werkt, maar iedere dag maar doorgaat met z’n leven.

    De macht van taal

    ‘Denken jullie soms dat dat makkelijk is? / Denken jullie dat dat geen werk is?’ riposteert ze. Veelzeggend is de titel Otium en de daarin vervatte boodschap: ‘ik geef u / het recht op luiheid in het wild. De wind en wij, / wij weten beter dan elkaar te vleien en de raad / die hij ons geeft is goed en meestal niet te duur.’ De dichter ziet als ideaal dat het ‘goed [zou] moeten zijn en genoeg om aan dit meer te / wonen en elke dag te werken aan het grote gedicht dat wandelen / heet.’ Het niet-weten wordt in Kokanje gekoesterd ‘Waarom, waarom is een raadsel / om je bij te staan, een daad om te verstrooien.’ Een dichter die naar de juiste woorden en beelden grijpt komt in de buurt van begrijpen: ‘Geef ons één dichter die de zee begrijpt / Of een handvol inktvissen die trachten / hem inzichtelijk te maken.’ Wat in deze bundel bovenal gevierd wordt is de macht van taal: 

    ‘jij komt binnen.
     Jij vertaalt.
     Jij verlaat ons.
     Jij begrijpt ons.
     Jij betaalt:

     we geven het door
     en zien het gebeuren:
     de grond van deze verdieping geeft ons
     plotselinge hoogtevrees.

     De voorzienigheid voorziet niet eindeloos.’

     Slak, onverbloemde reizigers
     Slak, onverbloemde reizigers

    Woorden die van de wind leven

    Taal geeft houvast, al was het maar omdat het troostrijke verbanden kan leggen in onze verbeelding: ‘al het gesprokene wordt teruggevonden in de laatste letter.’ In Dolen lezen we: ‘Laat los de boze / honden van de tekst.’ Acht gedichten verder in de reeks Gang staat: ‘de honden / luisteren niet meer naar de mensen. Het onderwerp / gaat met je op de loop: / dat je je oor op een roos / drukt wil nog niet zeggen / dat hij je toespreekt.’ Wie de teugels van de taal in handen heeft, bezit de macht van de verbeelding, en plooit die tot zijn eigen bevrijding. Zo lezen we elders: ‘Is het erger dat de bloem me opslokt / of ik vermager tot mijn streven’. In het gedicht met de mooiste titel De nacht is de ochtend van de ziel staat misschien wel de mooiste zin: ‘Het is zo ver, het voorbije / maar het is zo voorbij.’ 

    In dit rijk van de taal is de toon monter en vrijmoedig, dichterlijk en boertig op zijn tijd. De noodzaak om juist met dit thema van Kokanje voor de dag te komen, spat niet van de pagina’s af. De dichterlijke vrijmoedigheid om naast de pot te piesen des te meer. Van Binsbergen viert de taal. Laat die soms in het gareel lopen, in draf of in galop maar laat de taal hier en daar ook flink met haar zinnen aan de haal gaan. Daarin lijkt het alsof haar woorden van de wind leven en gelukkig zijn. Zelf is Van Binsbergen niet bepaald lui geweest en heeft ze zich niet beperkt tot oogsten van laaghangend fruit in de woordenbrij. Maar ze lijkt Kokanje als bestemming eigenlijk niet echt nodig te hebben omdat haar meeste gedichten ook wel blind lijken te varen. Lezer, vergeet dat je op weg bent naar Kokanje en lees de flaptekst niet als reisgids maar neem vooral mee wat je onderweg tegenkomt. ‘Dit is mijn verborgen boodschap / gratis beschikbaar voor iedereen: / de oogst is gedaan maar het veld staat nog vol / je moet pakken, volproppen je tas.’

     


     Een keer eerder kwam het voor dat twee recensenten hetzelfde boek kregen toegestuurd. Hettie Marzak en Albert Hogeweij ontvingen beiden de bundel Kokanje, en beiden bezorgden ons een bespreking. Beide recensies, al liggen de meningen niet ver uit elkaar, zijn zeer de moeite waard. Daarom werd besloten ze allebei te plaatsen. De recensie van Hettie Marzak verscheen in oktober en is hier te lezen.

  • Inventief taalgebruik als een Luilekkerland

    Inventief taalgebruik als een Luilekkerland

    Hannah van Binsbergen heeft haar tweede bundel de titel Kokanje meegegeven. Het land van Kokanje is een andere benaming voor Luilekkerland, het land van melk en honing waar de gebraden ganzen je in de mond vliegen en de pannenkoeken aan de bomen groeien. Het woord ‘kokanje’ gaat terug op het Oudfrans en betekent zoiets als ‘land van de honingkoeken’. De bundel Kokanje vertelt van het verlangen om in dat land te komen, maar de dichter geeft meteen al aan dat het heel onwaarschijnlijk is dat dat zal gebeuren. Niet voor niets moet je, om in Luilekkerland te komen, je een weg eten door de rijstebrijberg. Van Binsbergen heeft voor de lezer haar eigen rijstebrijberg opgeworpen door middel van haar taalgebruik, dat nu eens archaïsch aandoet, dan weer raadselachtig of gekenmerkt wordt door een vreemde zinsbouw. Het levert zelfs af en toe totaal onbegrijpelijke gedichten op.

    Vermeend paradijs

    Zo staan erin de afdeling zeven tekenen een zevental korte gedichten waar geen touw aan vast te knopen is: ‘vloed van zijn / troont hoog / lapt een / oorspronkelijk feest’ is er een van. Hoewel ze niet eenduidig te verklaren zijn, tekenen ze wel de sfeer van een sprookjesachtige vertelling, met spreuken en geprevelde bezweringen, die niet bedoeld zijn om te begrijpen. Ze laten zich lezen als kinderrijmpjes waarin het plezier om de klank en het ritme, het spelen met woorden, belangrijker zijn dan de betekenis.
    Onvrede met de huidige maatschappij en de eisen die daarin gesteld worden aan de bewoners is de reden om het vermeende paradijs te zoeken,

    ‘Dolen

     De rotgang der geschiedenis begon
     met bouw. Arm land, wat dacht je
     dat ze murw en nietig in het bivak zouden blijven
     elke dood een schok en honger dagelijks
     soms dodelijk? Breek af dit doolhof
     zeiden zij en maak een kavel

     zo begon ons dolen. helderte verscheen.
     De kleinste streep schoot naar de verte
     een zang vloog dertig  eeuwen later uit het stof
     om ons de oren af te zagen, hier en nu
     waar wij allang een lering trokken.
     Ons alfabet, ons plaagtuig. Een borgpen voor
     een schommelend visioen zolang de pot nog papt

     maar het drijft, ons narrenschip
     drijft het dan niet? Vallend lopen recht
     de armen in van de vermoeidheid, ja we
     hapten stof, ja eigen domme schuld, en alles
     wat te vuur staat brandt. Laat los de boze
     honden langs de lijnen van de tekst
     terug tot de afkomst, waar de vrede ook niet woont
     en laten – vrienden – laten we een nieuwe bouw beginnen

    Zoektocht vol voetangels en klemmen

    Maar de zoektocht naar een beter leven zit vol voetangels en klemmen, het werk en de plichten lopen elke dag weer in aantal op: ‘de weg erheen bespoot door taken.’ Ook God, die in de bundel wordt aangeroepen om hulp te verlenen, kan daar weinig aan doen: ‘laat mijn oren zich sluiten voor hun kleinigheden’, vraagt de ik-persoon aan God en ‘en als ik mijn hoofd neerleg tussen het groen / laat het geschreeuw van de halmen mijn dromen niet storen / maar laat uw dienaar een tijdje met rust.’

    Kokanje blijkt door iedereen anders ingevuld te worden, het paradijs is niet voor iedereen hetzelfde. Voor de dichter is het ‘het recht op luiheid in het wild’, waarin de zinnen gevierd worden en de vergetelheid van het genot gezocht wordt, in tegenstelling tot de eisen van de consumptiemaatschappij, want ‘De dwazen in het bos ontmoet / leven beter op de gunst dan duizend slimmeriken van de handel.’ Maar al gauw blijkt dat Luilekkerland aan dezelfde fouten ten onder zal gaan die al eerder gemaakt werden. 

    De eerste afdeling is getiteld ‘De waarheid in Luilekkerland’ en dat is ook de titel van de laatste afdeling. Berustte de eerste waarheid nog op aannames die als feiten gepresenteerd werden, in de laatste afdeling wordt al gauw duidelijk dat ook Luilekkerland niet alle wensen kan vervullen. Een van de gedichten heet ‘Otium’, een begrip uit de Romeinse letterkunde uit de 1e eeuw voor Christus: de dichter streefde naar vrijheid van elke sociale of politieke verplichting. In Luilekkerland zou je kunnen doen en laten wat je zelf wilde, maar de dichter spreekt al over ‘verbanning’. Want ook een ‘mooi huis met lekker eten en genoeg te lezen / over de heuvels, in het bos’ moet betaald worden. ‘Een mens moet eten, dat weet iedereen / maar dat te weten bakt de koek nog niet’.

    Alles heeft een prijs

    Luilekkerland is een teleurstelling. Het niets doen wordt een verplichting en lijkt daarin weer precies op het leven dat de zwervers hebben achtergelaten: ‘hef bokalen doe het gauw want achter me wordt weer gegeten / de dans gaat door – ik moet me excuseren.’ De gedichten in Kokanje gaan niet alleen over het streven naar een wereld waarin je kunt doen en laten wat je wilt: Van Binsbergen laat met haar bonte beelden en inventief taalgebruik zien dat ook de taal een Luilekkerland kan zijn waarin vrijheid van lezen en van schrijven voor iedereen onder handbereik ligt. De rijstebrijberg waar de lezer doorheen moet, bestaat uit de soms onbegrijpelijke zinnen en vreemde woorden die de dichter heeft bedacht. Ook last ze regelmatig een zinsdeel uit een andere taal in. Poëzie moet niet altijd eenvoudig zijn, er mag moeite voor gedaan worden. In het lange gedicht Puces savantes staan de volgende strofen:

    ‘Een ware zanger van de massa
     zingt zijn liedjes aan de kassa.

     De eter blieft zijn rapen gaar
     de stem van ’t volk is koen en klaar.

     Volgt onbegrip toch onverhoopt
     dan wordt de zanger opgeknoopt. 

    Wachten op de afloop

    Zo’n vaart zal het wel niet lopen met de dichter van Kokanje. Toch laat de bundel de lezer achter met het gevoel dat de reis naar Kokanje nog niet beëindigd is: het begin is duidelijk, maar het einde is vaag en onbevredigend onaf. Als lezer zit je als het ware te wachten op iemand die komt vertellen dat het afgelopen is, zoals vroeger wel in het theater na een voorstelling gebeurde als het publiek zat te wachten of er nog iets kwam. Een knallende afsluiting als overtuigende afronding van de bundel was op zijn plaats geweest; nu is het slotgedicht slechts een voortzetting van de voorgaande gedichten.
    Maar wie zich door de dichter laat meenemen naar Kokanje komt onderweg voldoende moois tegen. Zo blijkt maar weer dat de reis belangrijker is dan het eindpunt.