• Ten strijde tegen het seksefascisme!

    Ten strijde tegen het seksefascisme!

    In de Regenboogreeks van de Groningse uitgeverij Kleine Uil is kortgeleden De huilende libertijn van Andreas Burnier opnieuw uitgegeven. Deze derde roman van Burnier uit 1970 wordt wel haar meest feministische boek genoemd. De heruitgave is een nieuw wapenfeit in de Burnierherleving van de afgelopen jaren: in 2010 is de stichting Andreas Burnier opgericht en in 2015 verscheen een biografie over haar van Elisabeth Lockhorn. Deze biografie ging bij Burniers twintigste sterfdag in 2022 in herdruk, toen ook de privédomeinuitgave Elk boek is een gevaar verscheen met autobiografische teksten, samengesteld door Ronith Palache. In datzelfde jaar gingen bij uitgeverij Atlas zowel Burniers debuut Een tevreden lach (1967) als Het jongensuur (1969) in herdruk. Het jongensuur verscheen daarna voor het schooljaar 2024-2025 als Lijsteruitgave (bij Noordhoff) voor middelbare scholieren en in diezelfde periode werd door Toneelschuur Haarlem het stuk Jongensuren opgevoerd, gebaseerd op Burniers eerste twee romans. Dit stuk is in september 2025 zelfs in reprise gegaan.

    De aanhoudende hernieuwde aandacht voor Burniers werk en deze heruitgave van Kleine Uil passen naadloos bij de maatschappelijke bewustzijnsgolf van het laatste decennium waarin #IkOok, woke, lhbtqia+ en vrouwonveiligheid een rol spelen. Op iets voorbij een derde van De huilende libertijn loopt hoofdpersoon Jean Brookman ’s avonds door een Noord-Frans dorpje op weg naar huis. Ze hoort voetstappen achter zich en schrikt. ‘Niet weglopen als je bang bent’ is een wijze les van haar moeder, dus ze blijft staan. De betreffende man verbaast zich erover dat zij als jong meisje bij avond en duisternis alleen over straat loopt. ‘Ja (…) en u loopt ook alleen hier en (dat is) zowel uw als mijn goede recht,’ antwoordt Jean. De werkelijkheid blijkt ook daar en toen weerbarstiger. ‘Moreel, wijsgerig, historisch, de facto en sociologisch had ik het grootste gelijk van de wereld,’ zegt de schrijfster – maar ze krijgt het niet, blijkt uit het vervolg in de roman.

    Strijdbare libertijn

    De huilende libertijn gaat over Jean Brookman. Ze is aan het begin van het verhaal 22 jaar en woont dan al drie jaar samen met Corinne. Ze heeft een ‘crush’ op de oudere kunstenaar en intellectueel Laïs, die nog vele andere meisjesaanbidsters heeft. Voor Laïs reist Jean naar Málaga, waar ze Laïs’ onbereikbare, geliefde Stéphanie moet opzoeken. Via Stéphanie komt Jean in contact met de Spaanse Paola. Paola werft en traint partizanen voor een bevrijdingsbeweging, we schrijven 1970, die het Francoregime omver moet werpen. Jean sluit zich aan bij een trainingsgroep maar met een dubbele agenda, namelijk het oprichten van een geheime academie voor vrouwenbevrijding. Deze zal vrouwen gaan trainen en opleiden opdat ze sleutelposities in de wereld kunnen verwerven en uiteindelijk de macht over kunnen nemen van de heersende mannen. Vijftien jaar later is de geheime academie van Jean ver gekomen, maar tot een volledige machtsovername komt het nooit. Er zijn weliswaar meer prominente vrouwen in de wereld, er zijn wat meer kansen, maar ‘de totale structuur krijg je niet omver’. Bovendien zullen vrouwen het leger nooit in handen krijgen en zijn ze fysiek niet opgewassen tegen het geweld van politiemachten bij grote demonstraties. Die demonstraties vinden plaats, maar worden inderdaad gewelddadig neergeslagen. Op veertigjarige leeftijd is Jean niet meer de romantische redder van de vrouw. Ze schrijft gedichten en hoopt voor haar vijftigste één boek te publiceren: Beyond Reductionisme.

    De kracht van de roman zit ‘m in de eerste plaats in de zelfverzekerde en volstrekt autonome toon waarmee de hoofdpersoon en de schrijfster het heersende ‘seksefascisme’ beschrijven en verwoorden en zich in een wereld vol onderdrukking bewegen. In De huilende libertijn is sprake van een parallelle wereld van vrouwen die zich, zoals het een libertijn betaamt, niet aan de gevestigde regels van geloof en moraliteit houden. Burniers personages zijn vrouwen die de vrouwenliefde uitbundig consumeren: jong en oud, kunstenaar, studente, activiste en diplomate. En ook al zijn ze als vrouwen tweederangsburgers, zoals de libertijnen in het antieke Rome – vrijgelaten slaven die wel enkele, maar niet alle menselijke rechten genoten – ze trekken zich daar niets van aan en leven hun leven dwars door beperkingen, vooroordelen en gevaren heen. De sterke toon van de roman uit zich daarnaast in een hilarische schrijfstijl die bol staat van aanstekelijke hyperbolische beschrijvingen, cynisme en grimmige humor. De ‘alleenheersende sekse’ die de vrouwelijke helft van de mensheid doelbewust en structureel onderdrukt krijgt er voortdurend van langs. Het zijn ‘rancuneuze baardmansen en kakkineuze vestdragers’ die hun eigen belangen en die van hun bevriende seksegenoten behartigen. Vrouwen worden door hen uitgebuit als huis- en lastdier. ‘Tradwifes’ noemt Burnier ‘aan masochisme verslaafde huis- en industrieslavinnen’.

    In de nieuwe wereldorde waar Jean en de haren voor vechten worden de rollen omgedraaid. Vrouwen hebben op tal van plaatsen in de wereld sleutelposities verworven: van het Engelse Lagerhuis tot aan universiteiten in Caïro en Karachi. Meisjes zijn van jongs af niet meer afhankelijk van jongens en mannen maar geconditioneerd tot het gebruik van mannen als consumptiegoederen of huisbedienden: een vriendje dat voor hen kookt, wast, typewerk verricht. Voor de broodnodige seksuele bevrediging van heteromeisjes en -vrouwen zijn er jongensbordelen. De omdraaiing wordt wat potsierlijk bij de introductie van het heilige boek ‘Lebijb’ met de hemelse Moeder en de verwachte terugkeer van Haar Dochter als Verlosser op aarde.

    Vrouwenbevrijding

    De huilende libertijn is vooral geschreven vanuit hoofdpersoon Jean Brookman die optreedt soms als ik-persoon en soms als de oudere vertelster die ze aan het eind van het boek is. Deze twee stemmen vallen uiteindelijk samen. Daarnaast is de schrijfster Burnier zo nu en dan expliciet aanwezig. Ze spreekt de lezer toe om iets uit te leggen, bijvoorbeeld dat een roman meestal bewust gestructureerd is of dat een ik-verhaal niet per se op waarheid berust. Zo nu en dan is er ook een enigszins flauwe passages toegevoegd waarin ze de lezer uitlegt waarom ze kiest voor een bepaalde beschrijving: ‘ik had nou inenen gloeiende zin om (…) die vervelende etter, die gluiperd, die stinkende otter (etc.) eens mooi het Binnengasthuis in te slaan.’ Ook het gedeelte waarin ze een verteller/vertaler, een uitgever en zijn vrouw tussen haakjes commentaar laat leveren is bijzonder.

    De Joodse wetenschapster met een heftig WOll-onderduikverleden Catharina Irma Dessaur, zoals de schrijfster Andreas Burnier eigenlijk heet, is duidelijk in deze roman te herkennen. Haar niet-aflatende gevecht tegen vrouwenonderdrukking en haar strijdbaarheid voor de vrouwenliefde zijn hoofdthema’s van het boek. Er wordt een menora ontstoken en uitgekeken naar ‘joodse bruidjes’, 99 procent van de ‘duitse’ (standaard door Burnier met een kleine letter geschreven) literatuur bestaat uit verward ‘gezeur en gezeik’. En vooral Jeans hang naar kennis valt op. Ze wil niets liever dan altijd blijven leren, ‘eeuwige consumptie’ noemt ze het. Ze studeert filosofie maar zou ook graag fysica en sterrenkunde, biochemie en biologie studeren – alles beter dan ‘iets met een studie te moeten gaan doen’ (‘o duister schrikbeeld, o ravijn van verval’).

    ‘Voor een vrouw is het voldoende als zij voor een hooiwagen opzij kan gaan’, was de lijfspreuk van Corinnes grootvader. In het licht van de vrouwenstrijd is het eindresultaat zowel in de roman als in de echte wereld misschien om te huilen. Jean concludeert enigszins gedesillusioneerd: ‘Het hoogst bereikbare is dat er in plaats van tien, honderd vrouwen op deze aarde als mens kunnen leven.’ Maar voor wie zich herkent in de strijd en het leven in de marge is de roman een feest van herkenning en een verademing om te lezen, zeker ook door Burniers scherpe stelligheid en aanstekelijke humor. Kleine Uil wordt bedankt voor deze heruitgave.

     

  • Couperus in levende lijve

    Couperus in levende lijve

    In zijn novelle voert Coen Peppelenbos de schrijver Louis Couperus levend op. Hij doet dat aan de hand van de eerste druk van Couperus’ boek De stille kracht, een bibliofiele uitgave die dankzij de fluwelen omslag duizenden euro’s waard is. Het boek uit 1900 speelt zich af in Nederlands-Indië. Couperus laat zijn westerse personages, ten prooi aan de stille kracht van de oosterse cultuur, zowel politiek als erotisch geheel ontsporen. Couperus zelf typeert de kunstzinnige omslag in een brief aan zijn uitgever als ‘de luxe waarin ge dat onfatsoenlijke boek hebt gekleed’. Aan dit citaat heeft Peppelenbos de titel van zijn boekje ontleend: Onfatsoenlijk en luxueus.

    Hoofdpersonage Chris probeert als adviseur van het Groninger Museum kunstwerken aan een oude weduwe te ontfutselen. Onderwijl ziet hij kans voor eigen gewin uit haar boekenkast zo’n fluwelen Couperus te ontvreemden. Daarbij gaat van alles mis, wat leidt tot een schandaal in de Groningse museale wereld. Het verhaal biedt de auteur de mogelijkheid venijnig te spotten met die wereld. Chris denkt bijvoorbeeld: ‘Je kon een leven lang toe met een handjevol termen die je met veranderende bijvoeglijke naamwoorden in verwisselbare volgorde kon zetten – lijnvoering, kadrering, kleurgebruik, losse toets, focus, beeldtaal, bevreemding, spanningsveld, patronen, urgentie, vlakverdeling, spel met licht, dieptewerking en ga zo maar door – en hop weer een artikeltje klaar waarin nooit iets wezenlijks stond.’

    Broeierig

    Het verhaal kent drie perspectieven, uitgewerkt in de delen ‘Chris’, ‘Louis’ en ‘Jaap’. In elk deel hanteert de schrijver een verschillende stijl, om ook op die manier uit te drukken dat er iemand anders aan het woord is. In het (tweede) deel, dat door Couperus zelf wordt verteld, is dat natuurlijk een tour de force. Peppelenbos heeft er (terecht) voor gekozen modern Nederlands te gebruiken. Alleen in broncitaten handhaaft hij de oude spelling. In dit deel vertelt de grote schrijver hoe hij aan het begin van de twintigste eeuw op uitnodiging van een studentendispuut naar Groningen reist. Een van de studenten is Jaap, de overgrootvader van de Jaap in het derde deel. Er ontstaat een broeierige sfeer tussen de twee mannen, want Couperus is weliswaar getrouwd maar dat huwelijk was vooral een maatschappelijk alibi.

    In het derde deel, ‘Jaap’, is sekswerker Gio aan het woord. Jaap/Gio heeft onder beide namen een relatie met Chris en is betrokken bij het schandaal. Zo biedt Peppelenbos een onthullend perspectief op de gebeurtenissen in het eerste deel. Een uitgever overweegt de ervaringen van Jaap/Gio in boekvorm uit te geven, wat op zich al grappig is. Maar dat voornemen sneuvelt omdat, zoals de uitgever aan Jaap schrijft, ‘onze uitgeverij op dit moment opgaat in een wat groter concern (…)’ En als Couperus begin twintigste eeuw van Den Haag naar Groningen reist, een reis per trein die vier uur in beslag neemt, laat Peppelenbos de schrijver zich afvragen: ‘Hoeveel sneller zal dat zijn over honderd jaar?’ Het wemelt van dit soort geestige kleinigheden in dit boekje, dat qua sfeer, omvang en vermaak een aardig Boekenweekgeschenk had kunnen zijn.

    Semantisch

    Hoewel Onfatsoenlijk en luxueus een novelle wordt genoemd, heeft het meer weg van een uit de kluiten gewassen kort verhaal. De verschillende perspectieven verhullen enigszins dat er nauwelijks ontwikkeling in de personages zit, iets dat in een novelle toch wel verwacht mag worden. Chris is aan het eind nog steeds de man voor wie automatische deuren gesloten blijven. Couperus is en blijft uiteraard Couperus en Jaap/Gio persisteert als een heerlijke opportunist. Deze semantische kwestie doet er echter niets aan af dat dit boekje gegarandeerd een prettig leesuurtje oplevert. Peppelenbos publiceerde eerder de romans Victorie (2008) en De valkunstenaar (2016). Hij is oprichter en hoofdredacteur van het literaire platform Tzum, waar hij vaak de geestig-spottende toon weet te treffen die ook dit boekje kenmerkt.

     

     

  • Detective die geen detective is

    Detective die geen detective is

    Vleugels van Doeke Sijens is de derde van de novellen die de Groningse uitgever kleine Uil onder de noemer Regenboognovellen uitgeeft. Coen Peppelenbos en Eric de Rooy schreven met respectievelijk Onfatsoenlijk en luxueus en Nul meter afstand, de andere twee, ter ere van Roze Zaterdag. Alle drie bevatten spannende hedendaagse queer thematiek, zoals online dating en museumcultuur en in Vleugels speelt een verdwijning. Kleine Uil richt zich met deze novellen, de Regenboogreeks en Regenboogessays op queer literatuur. Een opmerkelijk initiatief dat aandacht verdient om vooroordelen jegens homo- en meer variaties van seksualiteit weg te nemen. Of Sijens daar met Vleugels in slaagt blijft de vraag.

    Paul is notaris en heeft een affaire met de jongere Eric-Jan. Op het moment dat de relatie serieus lijkt te worden, verdwijnt Eric-Jan spoorloos. De politie stelt een onderzoek in. Paul, de verteller van het verhaal, is als laatste ge-appt door Eric-Jan met de mededeling dat ‘hij wat later komt’. Eric-Jan heeft alles achtergelaten, ook zijn telefoon, en zodoende wordt Paul aan de tand gevoeld door twee politieagenten. ‘”We willen graag meer over hem te weten komen, daar gaat het ons om. Meer niet.” Waarschijnlijk zei hij dat om mij gerust te stellen. Ze verdachten mij er dus niet van dat ik hem vermoord had. “Was hij hier nooit eerder geweest?” “Nee, dit zou de eerste keer zijn geweest.” Dat was niet helemaal waar, maar ik hoefde toch ook niet meteen alles te vertellen.’ Met dergelijk commentaar van de verteller op de dialoog, wat hij zegt en waarom hij zo handelt, wordt de suggestie gewekt dat Paul meer zou weten over Eric-Jans verdwijning.

    Twee verdachten

    Marcel is een ex en collega van Eric-Jan. Samen met Paul wordt hij in het politiebureau ondervraagd. Door de laconieke houding die Marcel toont over de verdwijning maakt ook hij zich verdacht. ‘”Heel gezellig is het hier,” zei Marcel. ‘Hebben jullie ook felle lampen om op onze gezichten te kunnen zetten?” Hij was duidelijk niet onder de indruk van de situatie en leek zich ook geen zorgen te maken.’
    Met twee mogelijke verdachten wordt een subtiele spanning opgeroepen omdat zij de spoorloos verdwenen Eric-Jan gemeen hebben. Nog dezelfde dag belanden ze samen in bed en vervolgens gaan ze ook samen verder, al willen ze geen van beiden een vaste relatie. Wanneer John, de ene politieman, ‘bevriend’ raakt met Paul – om voor de hand liggende redenen – vloeit ineens alle opgebouwde spanning weg. De focus ligt niet meer op de verdwijning van Eric-Jan, maar gaat over de huiselijke sores van John, die te pas en te onpas in Pauls leven opduikt. ‘Het fietspak was erg afleidend. Het gaf hem iets seksueels, dat ik nog nooit eerder bij hem had gevoeld. Als ze op de fiets zitten merk je dat zo niet maar gewoon tussen de mensen heeft iemand in zo’n fietspak iets exotisch, in elk geval iets vreemds waar je je ogen niet vanaf kan houden. Ik moest opeens denken aan die rare aalscholvers die ik laatst had gezien.’

    Vleugels lijkt haast te bevestigen dat homomannen gaan voor seks. ‘Ik begin altijd eerst met seks en dan zie ik wel welke kant het opgaat,’ zegt Marcel tegen Paul. Eric-Jan is dan al geen gesprekstof meer. Jaloezie en andere primaire gevoelens gaan een rol spelen.

    Het einde is een verrassing

    Wat Sijens nou eigenlijk wil zeggen met deze novelle, blijft vaag. Is het een luchtige Groningse whodunnit over queer mannen? Misschien. Een kluchtige whodunnit is het ook niet echt. Met zelfspot was het nog aardig geweest, maar Vleugels ontbeert iedere humor. Sowieso zijn de dialogen nogal vlak en vult de vertellende Paul alles zover in dat de lezer geen moment hoeft na te denken.

    Maatschappelijke thema’s die oppervlakkig worden aangeraakt zijn zelfacceptatie, ouders die hun homoseksuele zoon wel of juist niet accepteren, christelijke vooroordelen, jaloezie en uiteindelijk de getrouwde man die homo blijkt, waarbij zijn vrouw zich verraden voelt. Dat er homoseksuele politieagenten in het politiecorps zijn is vast geen verrassing. Echter, zoals ze in Vleugels worden afgeschilderd komt wat ongeloofwaardig over.

    De twist op het einde is de enige verrassing in dit verhaal, en dan wordt de premisse ook duidelijk: eens een homo, altijd een homo. Vleugels is een vlotlezend niemendalletje en daardoor eigenlijk een gemiste kans om de homowereld met wat meer diepgang dan dit stereotype beeld neer te zetten.

    Doeke Sijens schrijft in het Fries en in het Nederlands; naast fictie biografieën en monografieën over schrijvers en kunstenaars.

     

  • Oogst week 26 – 2024

    Aasgierkapitalisme

    De Britse Grace Blakeley (1993) noemt zichzelf een democratisch socialist. Ze denkt en schrijft aan de linkerkant van het politieke spectrum en is groot criticaster van het kapitalisme, tot uiting komend in boeken als The Corona Crash – How the Pandemic will Change Capitalism en Stolen – How to save the World from Financialisation. Ze studeerde in Oxford PPE, een combinatiestudie van filosofie, politicologie en economie. Oxford begon met deze studie in de jaren twintig van de vorige eeuw, andere universiteiten volgden later. Volgens de BBC domineert de Oxford PPE het publieke leven in het VK. Waar of niet, Grace Blakeley treedt veelvuldig naar buiten met haar boeken, artikelen en commentaren die ze ook in talloze tv-programma’s ten beste geeft.

    Begin juni verscheen Aasgierkapitalisme – Bedrijfsmisdaden tegen de menselijkheid (Vulture Capitalism – Corporate Crimes, Backdoor Bailouts and the Dead of Freedom). ‘De “vrije markt” is in werkelijkheid een planeconomie van de superrijken’ staat achterop het boek, vermoedelijk een citaat van Blakeley. Zij ziet overal om ons heen een falend en corrupt systeem. Ze betoogt dat economische elites een mondiaal systeem hebben opgetuigd, het ‘aasgierkapitalisme’, waarvan voornamelijk de superrijken profiteren. Ze geeft inzicht in honderd jaar bedrijfscriminaliteit en politieke manipulatie die aan dat systeem hebben bijgedragen. Bij economische onstabiliteit redden overheden grote bedrijven en aandeelhouders, maar het volk, de gewone mensen, wordt aan zijn lot overgelaten. De economie moet gedemocratiseerd worden, zegt Blakeley, het is de enige manier om ongelijkheid en polarisatie op te heffen en iedereen vrijheid te garanderen.

     

    Aasgierkapitalisme
    Auteur: Glace Blakeley
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Zeven dieren bijten terug

    ‘Mijn helden zijn niet de ijszeeverkenners uit de zestiende eeuw. Hen laat ik verspreid over de bladzijden uitwaaieren als dwaalgasten. Op het hoofdpodium plaats ik de dieren met wie zij onderweg, direct of indirect, de confrontatie zijn aangegaan. In het kielzog van Willem Barentsz ben ik ze nagereisd en heb ze uit hun smeltende wereld gelicht: de narwal, de lemming, de paling, de rotgans, de ijsbeer, het rendier en de koningskrab. Met z’n zevenen nemen ze het mensendefilé af in mijn bestiarium’ meldt de succesvolle non-fictieschrijver Frank Westerman in Zeven dieren bijten terug.

    Het is zijn reisverslag van een tocht vanaf de Waddeneilanden tot voorbij de Noordkaap. De hoofdrol is niet weggelegd voor de ‘dwaalgasten’ hoewel Willem Barentz als rode draad fungeert en het Behouden Huys op Nova Zembla als decor. Waarnemer Westerman schrijft in zijn literaire, humoristische stijl onder andere met anekdotes over de doodsstrijd en overlevingskunst van de zeven pooldieren en de problematische menselijke omgang met de aarde. Hij laat zien wat de dieren ons vertellen over de gevolgen van de opwarming ervan.

    Frank Westerman studeerde tropische cultuurtechniek in Wageningen. Hij werkte als verslaggever voor Volkskrant en NRC. Hij schreef talloze non-fictie boeken waarvan vele een prijs wonnen, zoals De graanrepubliek uit 1999 (Dr. Lou de Jongprijs) en inmiddels een veelgelezen klassieker, Ararat uit 2008 de Ako literatuurprijs en De slag om Srebrenica (2018) de PrinsjesBoekenPrijs, de prijs voor het beste politieke boek.

     

    Zeven dieren bijten terug
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    Onfatsoenlijk en luxueus

    Coen Peppelenbos is schrijver, dichter, recensent en docent. In 1998 richtte hij het literaire tijdschrift Tzum op, dat tot 2012 in papieren vorm verscheen. Nu is het een digitaal tijdschrift, met nog steeds Peppelenbos als hoofdredacteur. Uitgeverij kleine Uil publiceert het. Recent gaf deze uitgeverij Onfatsoenlijk en luxueus van Coen Peppelenbos uit, een van de drie novellen die ter gelegenheid van Roze Zaterdag verschenen.

    Het boek gaat over Chris Vos, die een kostbare uitgave van De stille kracht van Louis Couperus begeert. Vos, een onopvallende, bescheiden man, werkt bij het Groninger Museum als beleidsmedewerker, maar in de praktijk houdt hij zich bezig met het bespelen van oude mensen om hun kunstwerken aan het museum te schenken. Hij weet een weduwe zo ver te krijgen dat zij het museum bijna haar hele collectie schilderijen doneert. In haar boekenkast ziet Vos De stille kracht staan, in een kostbare band van gebatikte katoen en fluweel, ontworpen door kunstenaar Lebeau over wie Vos nog eens een boek wil schrijven. Thuis heeft hij een paar mindere uitgaven van het boek en voortdurend speelt hij met het idee om een daarvan om te ruilen voor de kostbare van de weduwe. Zijn leven is stil sinds de dood van zijn vriend en via een dating-app ontmoet hij Gio, een student kunstgeschiedenis. Deze laat hem betalen voor de seks, maar weet veel over de schilderijen bij Chris aan de muur. De grenzen tussen hen vervagen en Gio blijkt ook nog iemand anders te zijn.

     

    Onfatsoenlijk en luxueus
    Auteur: Coen Peppelenbos
    Uitgeverij: kleine Uil
  • Het konijn is niet onzichtbaar maar wel verborgen

    Het konijn is niet onzichtbaar maar wel verborgen

    Wie zich door de titel Hop over de sofa, de jongste bundel van Remco Ekkers laat verleiden tot de gedachte dat het hier om vrolijke en luchtige zaken gaat, komt bedrogen uit. Want het openingsgedicht Pop, waaruit de titel van de bundel genomen is, doet al direct iets heel anders vermoeden.

    ‘Zij geeft zich niet
     nooit als een lappenpop
     hop over de sofa.

     Krijgt, maakt of neemt ze
     een kind?

     Krijgen lijkt het beste
     van het omstandigheden
     het toeval, noodlot
     zin misschien.

     Hoe dan als het stikt
     dood blijft in de wieg
     of al groter van het balkon
     hop over de rand.

     In je armen
     met rimpels
     net zo toevallig
     als een vogel.’

    Goed en kwaad naast elkaar

    In dit eerste gedicht liggen de elementen besloten waaruit de gehele bundel is opgebouwd, de tegenstelling tussen het goede en het kwade die alleen maar naast elkaar kunnen bestaan, de willekeurigheid van het toeval en het onvermogen om te kiezen tussen diverse interpretaties van eenzelfde gebeurtenis. Maar ook wordt hier de deernis en het mededogen zichtbaar waarmee Ekkers dicht, de tederheid en de berusting in iets wat niet te veranderen is. En dat is ook nodig, want pakweg de volgende tien gedichten gaan uitsluitend over wraak, moord, bloed. Over een aanslag, met een verwijzing naar Achterberg: ‘Van een meisje van zestien jaar / zijn dit de bommen, kijk er naar / zegt ze, voor ik ze laat ontploffen’. Over de verlossing uit een bitter leven. Over de gruweldaden van terroristen, die ‘denken dat ze heilig zijn.’ Over dodelijke ongelukken. Over een mislukte ontsnappingspoging uit de voormalige DDR. Maar ook over leed dat dichter bij huis ligt: mensen die al bij leven vergeten zijn, een gescheiden vader die zijn dochter zoekt. 

    Ekkers laat de gedachten achter die gedichten samenkomen in het gedicht Schuld, waarin hij een aantal voorbeelden geeft van klein en groot onrecht, begaan door verschillende mensen uit heden en verleden, in subtiele strofen van twee versregels: ‘Zij stopt glasscherven in de zak / van de jas van haar pianojuf.’ Hij wijst echter niet met de vinger naar de schuldige, maar eindigt met de ambigue strofe: ‘Geef ons heden, vergeef ons / zoals ook wij vader, moeder, kind.’ Wie vergeeft hier wie? Wie is dader, wie is slachtoffer?

    Verschillende thema’s

    Hoewel de bundel niet verdeeld is in afdelingen, zijn die wel te onderscheiden door de groepering van een aantal gedichten rond een thema. Er zijn zes gedichten over de Inuit opgenomen, die eerder verschenen in de bundel Arctische gedichten. Ze vallen op omdat ze niet in deze bundel lijken te horen, het contrast met de andere gedichten is groot waardoor ze uit de toon vallen. Maar juist de verscheidenheid van de gedichten laat zien hoe veelzijdig Ekkers’ poëzie is en hoe gemakkelijk hij zich op allerlei gebieden begeeft. Zonder deze variatie van onderwerpen zou de bundel te zwaar aangezet zijn. 

    Zo is er ook een korte cyclus, Vier Orakels, van vier gedichten die alle een vrouwennaam dragen en lijken te zijn geschreven voor deze dames persoonlijk. In het gedicht worden ze rechtstreeks aangesproken en van goede raad voorzien, wat tenslotte ook de belangrijkste taak van een orakel is. En evenals in de oudheid heeft de dichter als orakelspreker zijn boodschap ook in raadselen gehuld en die voor de lezer moeilijk op te lossen zijn zonder meer informatie. Toch valt er ook dan genoeg te genieten van het ritme, de speelsheid van Ekkers’ taalgebruik en sommige adviezen die een algemeen karakter hebben: ‘[…] zak niet weg in gemak / laat jaloezie je niet wegblazen van je plek.’

    Een aantal gedichten is aan de kunst gewijd, de beeldende kunst van Anish Kapoor, een stilleven en aan de werkwijze van een schilder in zijn atelier. Ekkers laat de hoofdpersoon in Jonge schilder in Garnwerd besluiten: ‘ik ga pas schilderen  als ik het landschap / uit mijn hart heb geleerd.’ Ook muziek komt aan bod met onderwerpen als pianospel en optredens en er is een drietal gedichten over Vivaldi, waarbij de dichter in de aantekeningen achterin de bundel filosofeert over de gedwongen kinderloosheid van de componist die immers priester was. 

    Onzichtbaar konijn

    Net als de inhoud van de gedichten is ook de vorm ervan gevarieerd. Ekkers speelt met strofen en versregels: hij schrijft prozagedichten, gebruikt opsommingen als strofe en wisselt het aantal versregels af. Niets staat vast, alles kan steeds anders. Heel bijzonder is het gedicht Kritiek:

    ‘Waarom schrijft iemand droge
     emotieloze gedichten zonder drama?’
     vroeg hij zich af en noemde me
     een soort goochelaar, een illusionist
     met een vreemde act, een onzichtbaar konijn.

     Geen drama Rogi, jij die zo veel drama
     moest ondergaan, dat het te veel werd.
     Ik zou wat geluk voor je willen goochelen
     en beter: ik zou het zwarte toverdraad
     weg willen blazen als vreemde vlokken sneeuw.

     Misschien is er geen drama, alleen maar
     raadsel, stil, wit, met oneindige vormen
     ontvouwend bewustzijn, nog in het begin
     langzaam groeiend, mythes overwinnend
     tot een totale leegte waar we elkaar weer ontmoeten.’

    Dit schreef Ekkers voor Rogi Wieg als reactie op een bespreking van Wieg bij Ekkers’ bundel Een faun bij de grens. Misschien gold de kritiek van Wieg op die bundel als juist, maar voor deze nieuwe bundel gaat dat niet op: die zit barstensvol ingeklonken drama, dat door de dichter heel gedoseerd uit de diepte naar boven wordt gehaald, met liefde en verwondering voor het leven. En droog zijn de gedichten allerminst, maar juist teder en begripvol voor elke situatie die erin geschetst wordt, of het nu om alledaagse dingen gaat of om grote gebeurtenissen. Zoals de slotstrofe in het gedicht Leven: ‘Als iemand belt en zegt dat ik moet / komen, hoe ver, het maakt niet uit.’

    Wieg had overigens wel gelijk wat het konijn betreft, al is het niet onzichtbaar, maar eerder verborgen. Want elk gedicht van Ekkers draait om een geheim, een raadsel dat niet per se opgelost hoeft te worden, maar dat het gedicht wel een extra dimensie meegeeft. Als een stil, wit konijn, dat niet uit de hoge hoed gehaald hoeft te worden om te weten dat het er is.